Tweede Kamer der Staten Generaal

ocw00000.294 brief min ocw inzake monitor van internationale mobilitei t in het onderwijs

Gemaakt: 2-3-2000 tijd: 11:28


50

De voorzitter van de Tweede Kamer

der Staten-Generaal

Zoetermeer, 28 februari 2000

Onderwerp:

Monitor van internationale mobiliteit in het onderwijs

In juli 1998 ontving u de eerste Monitor van internationale mobiliteit in het onderwijs. Thans doe ik u de tweede editie toekomen.

Deze `mobiliteitsmonitor' beoogt jaarlijks een inzicht te geven in de kwantitatieve ontwikkelingen in de internationale mobiliteit die door Europese of nationale programma's gesubsidieerd wordt.

In deze editie treft u tevens aan een literatuurstudie over de effecten van internationalisering in het hoger onderwijs.

De monitor wordt in opdracht van OCenW opgesteld door de intermediaire organisaties NUFFIC, Cinop en Europees Platform.

Wat de in deze mobiliteitsmonitor verzamelde gegevens betreft is de belangrijkste constatering dat er geen grote veranderingen zijn opgetreden ten opzichte van de laatste editie.

Voor alle onderwijsniveau's geldt dat de mobiliteit vanuit Nederland zich met name richt op landen van de Europese Unie met als belangrijkste gastlanden het Verenigd Koninkrijk en Duitsland.

De minister van Onderwijs, Cultuur en

Wetenschappen,

(drs. L.M.L.H.A. Hermans)

Bijlage(n) niet elektronisch beschikbaar

Monitor van

Internationale mobiliteit

in het onderwijs

BISON

Samengesteld in opdracht van het ministerie van OCenW

Alkmaar / Den Haag / `s-Hertogenbosch

december 1999

Colofon

Deze monitor is samengesteld door het Beraad Internationale Samenwerking Onderwijs Nederland (BISON) in opdracht van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Het BISON bestaat uit het Centrum voor Innovatie van Opleidingen (CINOP), het Europees Platform (EP), de Netherlands Council for International Education and Training in Agriculture (NeTa) en de Nederlandse organisatie voor internationale samenwerking in het hoger onderwijs (Nuffic). De coördinatie van BISON monitor 1999 was in handen van de Nuffic.

Eindredactie: Kees Epskamp, Nuffic

Bijdragen: Marjon Nooter, CINOP

André Herbrink, CINOP

Hans Brosse, EP

Adriënne Klunhaar, NeTa

Gerda Vrielink, Nuffic

Liduine Bremer, Nuffic

René Nieuwhof, Nuffic

Nuffic

Postbus 29777


2502 LT Den Haag

tel: 070-4260291

fax: 070-4260299

https://www.nuffic.nl

Samenvatting

De BISON Monitor 1999 geeft aan de hand van kwantitatieve gegevens een overzicht van mobiliteit voor alle onderwijsniveaus tot en met het jaar 1998. In deel één van deze monitor wordt een analyse van de kwantitatieve gegevens gepresenteerd. Deel twee bestaat uit een literatuurstudie bedoeld om een brug te slaan naar een meer kwalitatieve presentatie omtrent mobiliteit. In deel drie volgen de uiteindelijke kwantitatieve gegevens. In vergelijking met de BISON Monitor 1998 zijn de kerncijfers niet ingrijpend veranderd.

Uit de gegevens blijkt dat programma mobiliteit sterk beïnvloed wordt door beleidswijzigingen en fluctuaties in beschikbare middelen. Een duidelijk voorbeeld hiervan was de afname van met name stage-mobiliteit maar ook studie in het buitenland in het hoger onderwijs met de afbouw van de Stir fondsen. Om minder afhankelijk te zijn van veranderend overheidsbeleid hebben de instellingen de laatste jaren de nadruk gelegd op de structurele inbedding van internationalisering.

Voor alle onderwijsniveaus geldt dat mobiliteit vanuit Nederland voornamelijk plaats heeft naar landen die onderdeel uitmaken van de Europese Unie (EU) met als belangrijkste gastlanden het Verenigd Koninkrijk en Duitsland. De belangrijkste taal die wordt gebruikt voor de communicatie is het Engels. De trend om internationalisering `dichtbij huis' te zoeken wordt ingegeven door het subsidie-instrument maar ook door praktische redenen zoals de relatief kleine verschillen in cultuur, het gemak waarmee men kan communiceren, de min of meer vergelijkbare standaarden voor wat betreft bijvoorbeeld opleidingsniveau, en de overlevingskansen van een eventuele toekomstige samenwerking, etc. De keuze voor een land is dus niet louter gebaseerd op rationele overwegingen van inhoudelijk of financiële aard.

In het primair en voortgezet onderwijs zijn de meest bezochte landen Duitsland, Frankrijk, België, Italië en Denemarken. Van de Midden- en Oost-Europese landen blijken Tsjechië en Polen populair te zijn. Engels is de meest gebruikelijke voertaal. De deelname van mannen en vrouwen verhoudt zich min of meer gelijk ten opzichte van elkaar. Limiterende factor voor verdere uitbouw en groei wordt bepaald door de beschikbare budgetten.

Gekeken naar het vakgebied waarbinnen de mobiliteit plaatsvindt wordt het patroon voor het beroepsonderwijs van de laatste jaren bevestigd. Met name de sectoren economie en techniek genieten de voorkeur in termen van mobiliteit. Maar ook landbouw is een populaire sector.

Ook in het hoger onderwijs is de meeste uitgaande mobiliteit gericht op EU-landen. Ook inkomende mobiliteit heeft voornamelijk plaats binnen de Europese context. Voorop staat de instroom uit EU-landen, gevolgd door studenten uit Oost-Europese landen. Uit ontwikkelingslanden komen studenten voornamelijk uit Azië en Afrika. Op alle vakgebieden behalve techniek, landbouw en natuurweten-schappen zijn de vrouwen in de meerderheid. Bij de inkomende studenten zijn juist de mannen in de meerderheid, vooral bij economie en landbouw.

Aangezien mobiliteit deel uitmaakt van een ruimer proces van internationalisering is in deze monitor een literatuurstudie opgenomen. Het belang van de literatuurstudie is om binnen de BISON Monitor, naast een kwantitatieve ook een beschrijvende analyse te geven over de stand van zaken rondom mobiliteit van Nederlandse studenten. Kortom, een beschouwende bijdrage over een gebied waar BISON nog niet aan toe is om het al in meetbare indicatoren te vangen. Dit jaar betreft het een literatuurstudie naar de effecten van internationalisering in het hoger onderwijs.

De belangrijkste effecten van internationale mobiliteit onder Nederlandse studenten in het hoger onderwijs worden beschreven op 5 niveaus: internationaal, nationaal, instelling, opleiding en voor de student.

In het algemeen blijkt uit literatuur over de periode 1985-1999 dat uitwisselingsstudenten middels participatie in
samenwerkingsprogramma's een belangrijke bijdrage leveren aan de versterking van human capital binnen (Europese) regio's. Op nationaal niveau geldt dat er een verschuiving in nationale beleidsontwikkeling is waar te nemen. Tot 1993 lag een duidelijke nadruk op educatieve aspecten van onderwijsbeleid. Na 1993 wordt
internationaliseringsbeleid primair gekoppeld aan economische voortgang en meer exclusief gericht op selecte groepen (zeer getalenteerde) studenten in het Nederlands hoger onderwijs.

Binnen hoger onderwijsinstellingen in Nederland is in de periode na
1993 primair een kwaliteits- en onderwijsinhoudelijke oriëntatie gehanteerd voor ontwikkeling van internationaliseringsbeleid. Op centraal instellingsniveau worden algemene beleidsafspraken omtrent internationaliseringsbeleid verwoord in strategische documenten. Instellingsmanagement richt zich op internationale profilering. Voor wat betreft het opleidingsniveau is het aanbod van geïnternationaliseerde curricula tussen 1986 en 1994 bijna vertienvoudigd. Opvallend is dat de curriculum-oriëntatie en
-innovatie zich uitstrekt naar zaken die zich niet specifiek richten op het land en/of regio waarin de hoger onderwijsinstellingen zich bevinden.

Voor de studenten in het hoger onderwijs zijn de effecten van internationalisering van verschillende aard. Groei in academische ontwikkeling maar ook betere taalvaardigheid springen in het oog. Daarnaast kan - pas op langere termijn - worden vastgesteld dat baankansen van uitwisselingsstudenten aanmerkelijk hoog zijn en dus een structureel effect hebben.

Inhoudsopgave


1 INLEIDING 13


1.1 Vooraf 13


1.2 Een mobiliteitsmonitor voor het gehele Nederlandse onderwijsveld
13


1.3 Structuur 13


1.4 Lange termijn perspectief 14


1.5 BISON 15

DEEL I: ANALYSE VAN DE KWANTITATIEVE GEGEVENS 17


2 PRIMAIR EN VOORTGEZET ONDERWIJS 19


2.1 Het Europees Platform voor het Nederlands Onderwijs 19


2.2 Internationale Mobiliteit in het Primair en Voortgezet Onderwijs
21


2.3 Motieven 21


2.4 Nieuwe Ontwikkelingen Internationalisering 22


2.4 1 Nieuwe prioriteiten van de overheid 22


2.4.2 Beschrijving ontwikkeling vraag en aanbod programmamiddelen 24


2.4 3 Ervaringen met uitvoering en beheer van programma's 24


2.4.4 Onderzoek naar kwaliteitscriteria 24


2.5 Toelichting bij de tabellen in Bijlage I 24


2.6 Ontwikkelingen per onderdeel 25


2.6.1 Nationale programma's 25


2.6.2 Europese programma's 26


3 BEROEPSONDERWIJS EN VOLWASSENENEDUCATIE 29


3.1 CINOP 29


3.2 BVE-veld 29


3.2.1.Nationale programma's 29


3.2.2 Landbouw Stir-programma 31


3.2.3 Europese programma's 31


3.3 Gegevens uit de programma's 32


3.3.1 Algemeen beeld 32


3.3.2 Landen 33


3.3.3 Deelname van de instellingen 34


3.3.4 Sectoren 35


3.3.5 Geslacht 35


3.4 BVE samenvattend 35


3.5 Trends 37


4 MOBILITEIT IN HET HOGER ONDERWIJS 39


4.1 Internationalisering in het hoger onderwijs 39


4.2 Nederlandse internationaliseringsprogramma's 42


4.2.1 Uitstroom 42


4.2.1.1 Visie 42


4.2.1.2 Stichting VSB fonds 43


4.2.1.3 Talentenprogramma 43


4.2.1.4 Stir-Japan en Japan Prijswinnaars Programma 44


4.2.1.5 Culturele Verdragen uitstroom 44


4.2.1.6 European Union-China junior Managers Training 45

programme (EU-CJMTP)


4.2.1.7 Stir 46


4.2.2 Instroomprogramma's 47


4.2.2.1 Huygens 47


4.2.2.2 KUBUS 48


4.2.2.3 TALIS 48


4.2.2.4 Ashok Ganguly en PSP 48


4.2.2.5 Jean Monnet Fellowships Programme (JMF) 48


4.3 Europese internationaliseringsprogramma's 48


4.3.1 Socrates/Erasmus 48


4.3.2 Leonardo da Vinci 49


4.3.3 Tempus 50


4.4 Programma's voor samenwerking met ontwikkelings- en transitielanden 51


4.4.1 Netherlands Fellowship Programme 51


4.4.2 Speciale Beurzen Programma 51


4.4.3 Tinbergen Scholarship Programme 52


4.4.4 Universitair Beurzen Programma 53


4.4.5 Overige OS-programma's 53


4.5 Europese vergelijking 53


4.6 Samenvattend 54


5 MOBILITEIT IN NEDERLAND: TRENDS EN VERGELIJKING 59


5.1 Mobiliteit in de tijd per sector 59


5.2 Grenslanden 60


5.3 Erkenning van studiepunten 60


5.4 Kwaliteitszorg 61


5.5 Integratie van internationalisering in instellingsbeleid 62


5.6 Het instrument monitor 62


6 SAMENVATTING 65


6.1 Inleiding 65


6.2 Belangrijkste feiten 65

DEEL II: LITERATUURSTUDIE 67


7 LITERATUURSTUDIE: EFFECTEN VAN INTERNATIONALISERING VAN

HOGER ONDERWIJS/ MOBILITEIT VAN NEDERLANDSE STUDENTEN 69


7.1 Inleiding en aanleiding voor studie 69


7.2 Conceptueel kader 70


7.2.1 Studiedoel 70


7.2.2 Centrale onderzoeksvragen 70


7.2.3 Methoden en analysetechnieken 70


7.3 Stand van zaken internationalisering hoger onderwijs 71


7.3.1 Internationaliseringsbeleid in Nederland vanaf 1985 71


7.3.2 Programma's ter bevordering van studentenmobiliteit 72


7.3.3 Overzicht mobiliteit van Nederlandse studenten 73


7.4 Effecten van internationalisering van hoger onderwijs 74


7.4.1 Internationaal/Europees niveau 74


7.4.1.1 Directe/indirecte effecten 74


7.4.1.2 Externe effecten van huishoudensconsumptie 74


7.4.2 Nationaal niveau 75


7.4.3 Instellingsniveau 76


7.4.4 Opleidingsniveau 77


7.4.5 Studentniveau 77


7.4.5.1 Professionele effecten 78


7.4.5.2 Academische effecten 79


7.4.5.3 Sociaal persoonlijke (houdings-)effecten 81 7.4.5.4 Taalvaardigheidseffecten 82


7.4.5.5 Culturele effecten 82


7.5 Samenvatting 84


7.6 Aanbevelingen 84


7.7 Literatuurlijst 85

DEEL III BIJLAGEN: DE KWANTITATIEVE GEGEVENS 87

Bijlage I Kwantitatieve gegevens mobiliteit primair en voortgezet onderwijs 89

Bijlage II Kwantitatieve gegevens mobiliteit in het beroepsonderwijs en

volwasseneneducatie 97

Bijlage III Kwantitatieve gegevens mobiliteit in het agrarisch onderwijs 105

Bijlage IV Kwantitatieve gegevens mobiliteit in het hoger onderwijs
117

Lijst van tabellen

Tabel 1 Deelname van leerlingen BVE aan de nationale en internationale
33 internationaliseringsprogramma's

Tabel 2 Uitgaande mobiliteit van leerlingen en studenten (1995/98) 59

Tabel 3 Programma's ter bevordering internationalisering, met name studentenmobiliteit 72

Tabel 4 Overzicht uitgaande studentenmobiliteit (1994/97) 73

Tabel 5 Prioriteitstelling bij baankeuze, uitgesplitst naar verblijfsduur in maanden (in 79

percentage van het aantal werkende EU-afgestudeerden, 5 jaar na de

Erasmusuitwisseling van 1988-1989)

Tabel 6 Directe en indirecte effecten 83

Lijst van figuren

Figuur 1 Mobiliteit van leerlingen en docenten in het BVE naar programma (1997/98) 36

Figuur 2 Mobiliteit van leerlingen in het BVE naar grenslanden (1997/98) 37

Figuur 3 Instroom studenten HO per programma 41

Figuur 4 Uitstroom studenten HO per programma 42

Figuur 5 Uitstroom studenten HO naar bestemmingsland (1994/98) 54

Figuur 6 Totale uitstroom in het HO naar regio van bestemming (1994/98) 55

Figuur 7 Totale instroom in het HO naar land van herkomst 55

Figuur 8 Totale uitstroom in het HO naar vakgebied en geslacht (1997/98) 56

Figuur 9 Totale uitstroom in het HO naar type instelling en type mobiliteit (1997/98) 56

Figuur 10 Totale uitstroom in het HO naar leeftijd en geslacht (1997/98) 57

Lijst van gebruikte afkortingen

ACA Academic Co-operation Association

AOC Agrarische Opleidings Centra

APH Agrarische Pedagogische Hogeschool

APS Algemeen Pedagogisch Studiecentrum

ARION Algemene Reizen met een Instructief karakter op Onderwijs gebied

AVO Algemeen Voorbereidend Onderwijs

BAND Bilateraal Austausch programma Nederland-Duitsland

BAO Basis Onderwijs

BBL Beroeps Begeleidend Leerweg

BBO Beroeps Begeleidend Onderwijs

BIO Beurzenprogramma Internationaal Onderwijs

BISON Beraad Internationale Samenwerking Onderwijs Nederland

BVE Beroepsonderwijs en Volwasseneneducatie

CBOO (Stichting) Contactcentrum Bevordering Openbaar Onderwijs

CINOP Centrum voor Innovatie van Opleidingen

CV Curriculum Vitae

CV-beurzen Culturele Verdragen beurzen

DAC Development Assistance Committee of the OECD

DGIS Directoraat Generaal Internationale Samenwerking

DESC Department of Educational Studies and Consultancy

DGIS Directoraat Generaal Internationale Samenwerking

DIB Directie Internationaal Beleid

ECTS European Credit Transfer System

EDF European Development Fund

EER Europese Economische Ruimte

EP Europees Platform voor het Nederlands Onderwijs

ESOD European School Exchange Databank

EU Europese Unie

FAO Food and Agricultural Organisation

FTE Full-time equivalent

GEP Gezamenlijke Europese Projecten

GOP Gezamenlijke Onderwijs Projecten

GSP Gros, Sesam en Plato

GROS Grensoverschrijdende Regionale Onderwijssamenwerking

HAO Hoger Agrarisch Onderwijs

HAVO Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs

HBO Hoger Beroeps Onderwijs

HO Hoger Onderwijs

HOOP Hoger Onderwijs en Onderzoeks Plan

IAEA International Atomic Energy Agency

IAH Internationale Agrarische Hogeschool

ICP Inter-institutional Cooperation project

ICT Information and Communication Technology

IKU Internationale Klassenuitwisseling

IO Internationaal Onderwijs

IOWO Instituut voor Onderwijskundige Dienstverlening (KUN)

IPC Innovatie Praktijk Centrum

JPP Japan Prijswinnaars Programma

KANS Koninkrijk der Nederlanden Algemeen programma voor Nauwe

samenwerking tussen Scholen

KUN Katholieke Universiteit Nijmegen

LNV Landbouw, Natuurbeheer en Visserij

LO Lager Onderwijs

LOB Landelijke Organen Beroepsonderwijs

MAO Middelbaar Agrarisch Onderwijs

MAVO Middelbaar Algemeen Voortgezet Onderwijs

MBO Middelbaar Beroepsonderwijs

MHO Medefinancieringsprogramma voor Universitaire en Hoger Beroeps

MKB Midden en Klein Bedrijf

NABS Nederlandse Algemene Bijzondere Schoolraad

NCU National Co-ordination Unit

NeTa Netherlands Council for International Education and Training in

Agriculture

NFP Netherlands Fellowship Programme

NKSR Nederlandse Katholieke Schoolraad

NPCS Nederlands Protestants Christelijke Schoolraad

Nuffic Nederlandse organisatie voor internationale samenwerking in het hoger

onderwijs

OC&W (Ministerie van) Onderwijs Cultuur en Wetenschappen

OECD Organisation for Economic Co-operation and Development

OP Onderwijzend Personeel

OS Ontwikkelingssamenwerking

PAC Pre Accession Countries

PC (O) Protestant Christelijk Onderwijs

PLATO Promotie Lerarenmobiliteit Arbeidservaring en Training in het

Onderwijs

PO Primair Onderwijs

RK (O) Rooms Katholiek Onderwijs

ROA Research Centrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt

ROC Regionale Opleidings Centra

SAIL Samenwerkingsverband van Landbouwuniversiteit Wageningen en 5 IO instellingen

SBP Speciaal Beurzen Programma

SES Sociaal Economische Status

Sesam Stage-uitwisselingen en samenwerking

SLO Stichting Leerplan Ontwikkeling

SOP Specifieke Onderwijs Programma's

STAS (Programma) Seminars Training Adviezen en Scholing

Stir Stimuleringsregeling internationalisering van het Nederlands hoger onderwijs

TALIS Beursprogramma voor getalenteerde Indonesische studenten

TSP Tinbergen Scholarship Programme

Tempus Transeuropees Samenwerkingsprogramma voor Hoger Onderwijs

UBP Universitair Beurzen Programma

VBO Voorbereidend Beroeps Onderwijs

VIA Versterking en Innovatie Agrarisch Onderwijs

VISIE Volledige Internationale Studie in Europa

VMBO Voorbereidend Middelbaar Beroepsonderwijs

VNG Vereniging Nederlandse Gemeenten

VO Voortgezet Onderwijs

VSO Voortgezet Speciaal Onderwijs

VSNU Vereniging van Universiteiten

VWO Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs

WO Wetenschappelijk Onderwijs


1 Inleiding


1.1 Vooraf

Dit is de tweede editie van de BISON monitor van internationale mobiliteit in het onderwijs. De vorige editie verscheen in juni 1998. De monitor beoogt jaarlijks inzicht te geven in de kwantitatieve ontwikkelingen in de internationale mobiliteit en daarmee bij te dragen aan een verdere verbetering van de beleidsontwikkeling. Daartoe biedt de monitor een overzicht van de internationale mobiliteit in het Nederlandse onderwijs in het kader van de daarvoor in het leven geroepen nationale en internationale subsidieprogramma's. De monitor beslaat het gehele onderwijsspectrum: van primair tot hoger onderwijs, zowel algemeen vormend als beroepsonderwijs, en betreft zowel leerlingen/studenten als docenten. De monitor is bedoeld voor beleidsmakers en andere belanghebbenden op het terrein van de internationalisering in het onderwijs, zowel op nationaal als op instellingsniveau.

In navolging van de eerste editie is er hoofdzakelijk aandacht geschonken aan de internationalisering in kwantitatieve zin. Daarbij richt de aandacht zich vooral op de activiteit `mobiliteit', van leerlingen / studenten en docenten .

Het bundelen van gelijksoortige gegevens uit de verschillende onderwijssectoren biedt de mogelijkheid tot het signaleren van overeenkomsten en verschillen en het uitlichten van bepaalde thema's met betrekking tot het gehele Nederlandse onderwijsveld. Op deze wijze zal het mogelijk worden om de realisatie van de beleidsdoelstellingen en de effecten van het beleid in kaart te brengen.


1.2 Een mobiliteitsmonitor voor het gehele Nederlandse onderwijsveld

De monitor is een jaarlijks terugkerend produkt waarin de kwantitatieve informatie over mobiliteit en kwalitatieve analyse daarvan worden gepubliceerd. Omdat cijfers aan verandering onderhevig zijn blijft de monitor een `produkt in ontwikkeling'. Kwalitatieve aspecten van internationalisering zoals kwaliteitszorg en effecten komen in beperkte mate aan de orde. Er wordt naar gestreefd de monitor in het vervolg kwalitatiever te maken. Eerste aanzet daartoe in deze versie is de in deel II gepresenteerde literatuurstudie

Het Nederlandse internationaliseringsbeleid bestrijkt in beginsel alle onderwijssectoren in samenhang. In de verschillende onderwijssectoren wordt internationalisering weliswaar op enigszins verschillende wijze vormgegeven, door middel van verschillende beleidsinstrumenten, maar het beleid omvat tevens doorsnijdende thema's en prioriteitsgebieden die voor iedereen gelden. Ook in het vernieuwde beleid van de Europese Unie bestrijken de beleidsinstrumenten een breed terrein waarin meerdere onderwijs-sectoren vertegenwoordigd zijn (de programma's Socrates en Leonardo).


1.3 Structuur

De opzet van deze monitor verschilt op een aantal punten van de editie van vorig jaar. De meest belangrijke redactionele ingreep in deze tweede editie is het scheiden van beschrijving en analyse (gepresenteerd in deel 1 van de monitor) en de cijfermatige gegevens (zoals weergegeven in tabellen in deel drie).

In dit inleidende hoofdstuk wordt de context en de opzet van de monitor geschetst. Vervolgens valt de daarop volgende tekst uiteen in drie delen. In deel een wordt aan elk van de onderwijssectoren een afzonderlijk hoofdstuk gewijd. Hoofdstuk 2 behandelt de internationale mobiliteit in het primair en voortgezet onderwijs. Hoofdstuk 3 is gewijd aan de mobiliteit in het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie. Hoofdstuk 4 beschrijft de mobiliteit in het hoger onderwijs. Deze hoofdstukken beginnen elk met een korte omschrijving van de betreffende intermediaire organisatie en haar werkveld.

In hoofdstuk 5 worden tenslotte vergelijkingen getrokken tussen de verschillende sectoren, en worden enkele thema's iets nader uitgewerkt.

Deel twee bestaat uit een literatuurstudie naar de effecten van internationalisering in hoger onderwijs en mobiliteit van Nederlandse studenten. Het belang van de literatuur scan zoals gepresenteerd in hoofdstuk 7 is een beschouwende bijdrage te leveren over een gebied waar BISON nog niet aan toe is om het al in meetbare indicatoren te vangen. Dit jaar betreft het een literatuurstudie voor het hoger onderwijs. BISON is voornemens om de resultaten van een soortgelijke scan voor wat betreft een van de andere onderwijssectoren in de Monitor 2000 op te nemen.

Voornoemde hoofdstukken zijn voor een groot deel gebaseerd op de kwantitatieve gegevens die per onderwijs sector worden gepresenteerd in deel drie van de monitor. De verzamelde informatie is systematisch bijeengebracht in toegankelijke gegevensoverzichten, bijvoorbeeld in de vorm van vergelijkbare tijdreeksen. Het merendeel van de kwantitatieve gegevens spreekt voor zichzelf en behoeft nauwelijks toelichting. De beknopte analyse van de gegevens is verwerkt in de eerdere hoofdstukken 2 tot en met 4. De variabelen waarop in deel drie van de monitor - voor zover mogelijk - cijfermatige informatie wordt gepresenteerd, zijn: land/regio van bestemming / herkomst; vakgebied; type mobiliteit; type instelling; geslacht; duur van het verblijf en beurshoogte.

Tevens is deze monitor voorzien van een `Samenvatting', waarin met name wordt verwezen naar de hoofdstukken 5 en 7.


1.4 Lange termijn perspectief

Het concept van internationalisering is uiteraard breder dan mobiliteit alleen. Internationalisering heeft ook betrekking op het niveau en de inhoud van onderwijs en onderzoek, het niveau en het profiel van afgestudeerden (met name hun vermogen om in een internationale en multiculturele omgeving te opereren), het profiel van de staf, het management en de organisatievorm van de instelling, de institutionele samenwerkingsverbanden etc.

Vertaald naar concrete activiteiten kunnen dan naast de mobiliteit van studenten en staf onder andere nog genoemd worden internationale curriculumontwikkeling en internationale bestuurlijke samenwerking. Ook deze activiteiten zijn belangrijke vormen van internationalisering.

In dit kader streeft BISON om in de toekomst te komen tot een ontwikkeling van een Mobiliteitsmonitor naar een Internationaliseringsmonitor waarbij mobiliteit wordt ingebed in een institutionele strategie. Deze geplande verschuiving betreft een ambitie op een lastig terrein omwille van de problemen met uniforme gegevens en indicatoren die sturing geven aan waar men op langere termijn naar toewil.

Bovendien streeft BISON in de presentatie van de kwantitatieve gegevens in de komende jaren naar een weergave op hoger aggregatie niveau per sector.


1.5 BISON

Het Beraad Internationale Samenwerking Onderwijs Nederland (BISON) is een overlegorgaan van het Centrum voor Innovatie van Beroepsopleidingen (CINOP), het Europees Platform (EP), het Netherlands Council for International Education and Training in Agriculture (NeTa) en de Nederlandse organisatie voor internationale samenwerking in het hoger onderwijs (Nuffic). De opdracht tot het samenstellen van de onderhavige zogenaamde `mobiliteitsmonitor' is aan BISON verleend door de Directie Internationaal Beleid (DIB) van het Ministerie van OC&W.

In hun rol als programmabeheerders beschikken CINOP, EP, NeTa en Nuffic over mobiliteitsgegevens met betrekking tot hun specifieke onderwijsveld. Als intermediaire organisaties spelen zij tevens een belangrijke rol in de beleidsvoorbereiding en als kenniscentrum. Zij besteden reeds jaren elk op hun eigen manier aandacht aan systemen van verbeterde informatievoorziening, voor zowel kwantitatieve als kwalitatieve gegevens, ten behoeve van de interne beleidsontwikkeling van hun onderwijsveld en hun opdrachtgevers. Het in het leven roepen van een mobiliteitsmonitor sluit dan ook goed aan op de activiteiten en voornemens van de BISON-leden.

Het Europees Platform (EP) voor het Nederlandse Onderwijs is in 1990 ingesteld door de Minister van Onderwijs en Wetenschappen (OCenW) met als doel: versterken van de Europese dimensie en het bevorderen van de internationalisering in het primair en voortgezet onderwijs en lerarenopleidingen. Het Platform wordt bestuurd door de onderwijskoepelorganisaties NABS, NKSR, CBOO/VNG en NPCS en is sinds januari 1994 een Stichting van deze vier koepelorganisaties.

Het Centrum voor Innovatie van Opleidingen (CINOP) is ontstaan in 1997 na een aantal fusies. De fusiepartners hebben samen ruim 30 jaar ervaring in het beroepsonderwijs. CINOP werkt nationaal en internationaal aan vernieuwing van opleidingen in relatie tot ontwikkelingen op de arbeidsmarkt. Een omvangrijke reeks van innovatieve produkten draagt hieraan bij:

? onderzoek en studies met betrekking tot opleidingsvraagstukken (beroepspraktijk, opleidingseffecten).

? ontwerp van opleidingen (kwalificatiestructuren en eindtermen, inrichting van opleidingen, leerplannen en methoden, toetsen en examens).

? ontwikkeling van opleidingsmateriaal: schriftelijk en multi-mediaal.

? advies over de inrichting van opleidingsorganisaties en begeleiding bij veranderingsprocessen.

? scholing en training.

De Nederlandse organisatie voor internationale samenwerking in het hoger onderwijs en onderzoek (Nuffic) stelt zich sinds haar oprichting in 1952 ten doel de internationale samenwerking in het hoger onderwijs te bevorderen. Dit doel wordt bereikt door verschillende activiteiten, met name programmabeheer, diplomawaardering en onderwijsvergelijking, netwerkondersteuning, studies, advisering en training.

De Nuffic beheert en coördineert programma's op het gebied van hoger onderwijs die bijdragen aan de internationale samenwerking. Een groot deel van deze programma's heeft als doel de samenwerking tussen Nederlandse instellingen en instellingen in ontwikkelingslanden te bevorderen. Daarnaast zijn er verschillende Europese en Nederlandse programma's die onder het beheer van de Nuffic vallen. Ook deze programma's zijn gericht op de bevordering van de internationalisering van instellingen en hun staf- en studentenmobiliteit. Een andere belangrijke taak van de Nuffic is gelegen in de advisering over de waarde van buitenlandse graden, diploma's en onderwijssystemen en de bevordering van de erkenning van Nederlandse graden en diploma's in het buitenland.

Tevens ondersteunt de Nuffic internationale onderzoeks- en adviesnetwerken. Deze netwerken zijn gericht op de internationale samenwerking en op de versterking van de onderwijs- en onderzoeksinfrastructuur in ontwikkelingslanden. Door de verbreding en intensivering van internationale samenwerking blijkt er een groeiende behoefte aan voorlichting en deskundige ondersteuning op dit terrein.

Deel 1: Analyse van de kwantitatieve gegevens


2 Primair en Voortgezet Onderwijs


2.1 Het Europees Platform voor het Nederlandse Onderwijs

Het Europees Platform richt zich op het Primair Onderwijs (PO) en Voortgezet Onderwijs (VO) en op de initiële lerarenopleidingen en zij voert een verscheidenheid aan activiteiten uit, waarvan het functioneren als agentschap voor internationaliseringsprogramma's als belangrijkste taak wordt beschouwd. Het betreft hier onder andere het Europese programma Socrates (Lingua, Arion, Comenius en Centrale Acties), de nationale programma's Internationale Klassenuitwisseling (IKU), Grensoverschrijdende Regionale Onderwijssamenwerking (GROS) en Promotie Lerarenmobiliteit, Arbeidservaring en Training in het Onderwijs (PLATO), en andere bilaterale uitwisselings- en studiebezoek-programma's waaronder Duitsland Plus.

Daarnaast zijn er programma's op het gebied van tweetalig onderwijs en versterkt talenonderwijs, het bevorderen van de Europese dimensie bij opleidingen en bij nascholing, de uitgeverij EuroPrint en de organisatie van seminars en trainingen via de nevenstichting EuroSchool, het EP-Netwerk van organisaties die op een of andere wijze betrokken zijn bij de Europese dimensie in het onderwijs en er is een European School Exchange Databank (ESED)

Het EP is belast met de stimulering van de internationalisering van de lerarenopleidingen en binnen de landelijke onderwijsinnovaties krijgt internationalisering een centrale plaats, via het project Internationa-lisering en Innovaties (I&I).

Tenslotte zijn er de voorlichtingsactiviteiten, waaronder het blad 'Europa en het onderwijs', het Europa Onderwijs Bericht, de Europa Onderwijs Informatiegids, informatiemappen, fact sheets, programma-verslagen, een reizende expositie en de abonneeservice.

Europese Programma's

Socrates is een Europees actieprogramma voor transnationale samenwerking op het gebied van het onderwijs. Het is een voortzetting van enkele reeds bestaande programma's zoals Lingua en Arion maar het bevat ook een aantal nieuwe elementen. Alle types en niveaus van onderwijs komen in dit programma aan de orde. Alle lidstaten van de Europese Unie kunnen deelnemen, evenals Cyprus, Estland, Letland, Liechtenstein, Hongarije, Noorwegen, Polen, Roemenië, Slowakije, Tsjechië, IJsland.

Het programma heeft twee doelstellingen:

? Een bijdrage leveren aan de verbetering van de kwaliteit van het onderwijs door het bevorderen van de Europese samenwerking.

? Het verbeteren van de toegankelijkheid van het onderwijs in het algemeen.

Het programma bestaat uit drie delen;

? Erasmus voor het hoger en universitair onderwijs

? Comenius gericht op het basis- en voortgezet onderwijs,

? Overige maatregelen gericht op bevordering van talenkennis, technologie en informatie.

Lingua richt zich op het bevorderen van het taalonderwijs met name door het ondersteunen van Europese projecten met betrekking tot de opleiding van docenten vreemde talen, nascholing van taaldocenten en gezamenlijke projecten voor taalverwerving met uitwisselingen van leerlingen uit het VO.

Het Arion deel betreft de studiebezoeken aan andere Europese landen, van schoolleiders, coördinatoren en andere deskundigen vanuit de inspectie, gemeentes, koepelorganisaties en andere instellingen betrokken bij het onderwijs. Er komen verschillende thema's aan de orde tijdens de studiebezoeken die ongeveer een week duren.

Nationale en Bilaterale Programma's

Het programma IKU is bedoeld voor het bevorderen van de samenwerking tussen scholen voor voortgezet onderwijs in Nederland met scholen in de buurlanden (België, Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk en Denemarken, Noorwegen, Zweden en Finland). Het gaat hier om uitwisselingen van leerlingen uit klas drie en hoger van het HAVO/VWO en klas twee van het MBO/MAVO. Binnen het GROS programma gaat het om langdurige en intensieve samenwerking tussen Nederlandse scholen in het PO en het VO met scholen in Noord Rijnland Westfalen, Nedersaksen, Vlaanderen en Wallonië.

Het PLATO programma biedt subsidies aan voor studiebezoeken van schoolleiders en docenten naar de buurlanden en de Scandinavische landen en onder speciale voorwaarden, aan andere lidstaten van de Europese Unie. Het gaat hierbij om een verbetering van de kwaliteit van het onderwijs door op de hoogte te blijven van ontwikkelingen in andere landen en aldus een bijdrage te leveren aan het geheel van maatregelen die vallen onder het begrip `vitaal leraarschap'.

De bezoeken van de schoolleiders en docenten uit het PO en VO duren in de regel een tot drie weken. Het Europees Platform organiseert jaarlijks ook een groot aantal groepsstudiereizen gericht op een speciaal thema. Als voorbeelden zijn te noemen `Weer samen naar school', `de Basisvorming', `het Jonge Kind en het Studiehuis'.

De samenwerking met Duitsland krijgt hoge prioriteit. Uitwisselingen van leerlingen en studiebezoeken van schoolleiders en docenten van VBO/MAVO scholen wordt ondersteund vanuit het Duitsland Plus programma. Daarnaast kunnen scholen steun krijgen voor het vak Duits door het inzetten van een Duitse taalassistent. Duitsland Plus II biedt extra steun aan projecten met betrekking tot de Duitse taal en geschiedenis.

Europe Plus is een programma dat de internationalisering in een samenhangend kader bevordert. De scholen maken gebruik van meerdere subsidieprogramma's.

Naast de nationale programma's zijn er ook bilaterale programma's met Duitsland, Oostenrijk, Vlaanderen, Wallonië, het Verenigd Koninkrijk en Noord-Amerika, met uiteenlopende mogelijkheden en voorwaarden. Het programma Kans (Koninkrijk der Nederlanden Algemeen programma voor Nauwe Samenwerking tussen Scholen) is gericht op de Nederlandse Antillen en Aruba Een programma gericht op Turkije en Marokko is in een voorbereidende fase.

De prioriteiten van `Onbegrensd Talent' en `Kennis: geven en nemen', staan centraal bij de beoordeling van aanvragen. Dit betreft de kwantitatieve doelstelling (nieuwe aanvragen krijgen prioriteit) alsmede de kwalitatieve doelstelling (internationalisering maakt een structureel deel uit van de activiteiten van de school). Als nationale beleidsprioriteiten gelden

? De nationale programma's moeten aansluiten bij de Europese;

? De nationale programma's moeten een bijdrage leveren aan het grens- en buurlandenbeleid;

? De nationale programma's stimuleren de samenwerking met de Noordse landen.

Uitgaven

Het EP geeft onder meer drie series uit waarin de praktijkervaringen die inmiddels in het onderwijs zijn opgedaan worden vastgelegd en kunnen worden verspreid.

? De serie `De Europese onderwijspraktijk' is bedoeld om schoolervaringen over internationalisering voor een breed onderwijspubliek toegankelijk te maken. Er zijn onder andere delen verschenen over tweetalig onderwijs, internationaal georiënteerd onderwijs, internationalisering en elektronische communicatie en intercultureel onderwijs en uitwisselingen.

? De serie `Europese Verkenningen' geeft in kort bestek resultaten weer van internationale contacten en behandelt telkens een land of een onderwerp, zoals het VWO in Frankrijk en het Jonge Kind (Italië) het voortgezet onderwijs (Finland).

? De serie rapporten en verslagen biedt behalve het jaarverslag van het Platform onder meer ook programma-verslagen.

Naast een Handboek over Europa en het onderwijs zijn er andere onderwijsmaterialen als het videopakket `Het Klokhuis over Europa', het bordspel Eurotour en onderwijsmaterialen voor lessen in het PO en VO.


2.2 Internationale Mobiliteit in het Primair en Voortgezet Onderwijs

Wie aan buitenlanders een schets wil geven van ons Nederlandse onderwijs zal merken dat regelmatige innovatie en verandering de meest kenmerkende kwaliteiten zijn van het Nederlands onderwijsstelsel. Deze ontwikkelingen en de veranderingen worden overigens wel steeds in een alles omvattend en regelend wettelijk kader gevat.

Niet alleen het Hoger Onderwijs (HO) is de laatste jaren ingrijpend veranderd (nieuwe bestuursvormen, financiering, invoering inspectie) ook de basisvorming, de nieuwe leerwegen in het VMBO/MAVO en de nieuwe structuur van het voortgezet onderwijs en de veranderingen in aanpak en onderwijsinhoud (de Tweede Fase) zijn hier vermeldenswaard.

Centraal bij al deze vernieuwingen staat het streven de kwaliteitszorg en het kwaliteitsbeleid te versterken en het een vast onderdeel van het school/onderwijsbeleid te maken.

De Minister van Onderwijs en Wetenschappen heeft in de nota 'Grenzen Verleggen' van 4 december 1991 een direct verband gelegd tussen internationale samenwerking en de verbetering van de kwaliteit van het onderwijs. «De kwaliteit van het onderwijs kan mede worden bepaald naar gelang de mate van deelname aan internationale samenwerking.» In de nota Onbegrensd talent wordt er zelfs van uitgegaan dat in ons onderwijs een internationale oriëntatie een vanzelfsprekende zaak is.

Conform het akkoord van Scheveningen ligt de zorg voor de kwaliteit in eerste instantie bij de school. Staatssecretaris Netelenbos heeft in haar nota «De school als lerende organisatie» de begrippen zorg en beleid inzake kwaliteit nader uitgewerkt. Een goed beleid in deze veronderstelt een actieve oriëntatie op en een dialoog met de buitenwereld en derhalve mag van een school verwacht worden dat ook de internationalisering ingezet wordt als onderdeel van de normale innovaties.

Ook in zijn beleidsbrief internationalisering onderwijs d.d. 28 september 1999 stelt minister Hermans van O C en W: «Internationalisering levert een belangrijk aandeel in de vorming van het individu tot Europees en mondiaal burger.» Daarnaast wijst de minister op de samenhang tussen het onderwijsbeleid en het Nederlandse buitenlandbeleid. »Er zijn goede mogelijkheden om vanuit het internationaal onderwijsbeleid een waardevolle bijdrage te leveren aan het buitenlandbeleid van het kabinet als geheel.»


2.3 Motieven

Een belangrijk motief om meer middelen toe te kennen aan de internationalisering van het onderwijs is de veronderstelde verhoging van de kwaliteit van het onderwijs. Volgens de nota 'Grenzen Verleggen' van 1991 en de genoemde beleidsbrief genereert internationale samenwerking een educatieve meerwaarde. »Het verrijkt de opleiding met kennis en vaardigheden die nodig zijn om te kunnen functioneren in een internationaal georiënteerde en multiculturele samenleving, een mondiale economie en arbeidsmarkt. Individuele uitwisseling van leerlingen, studenten en staf draagt hieraan bij, evenals het leren van ervaringen in het buitenland op stelselniveau.»

De drie eerder genoemde onderwijsinnovaties brengen mee dat komende jaren de nadruk steeds meer zal komen te liggen op kennis, vaardigheden en didactische vernieuwingen.

Door de internationalisering kunnen deze kwaliteiten versterkt worden. Enkele positieve factoren hier te noemen: samenwerken, plannen, verslagen maken, leren organiseren en geconfronteerd worden met het langdurig gebruik van vreemde talen, betrokken worden in het oplossen van knelpunten, moeten werken in teamverband van docenten en leerlingen.

«Internationalisering is een belangrijk vliegwiel voor contextgericht gebruik van de doeltaal, voor een vakoverstijgende aanpak en voor ICT gebruik. Effectief taalonderwijs vormt anderzijds een belangrijke kwaliteitsimpuls voor internationalisering. Internationalisering motiveert leerlingen voor (alle) talen (niet alleen voor het Engels», aldus Jeanne de Heer van de nevenstichting van het EP de Stichting Promotie Talen.

Uit evaluaties van de internationale samenwerking van veel instellingen blijken als bijkomende voordelen het verbeterde inzicht in het eigen functioneren en het ontwikkelen van nieuwe samenwerkingsvormen binnen de instelling.

Door uit nationale budgetten middelen vrij te maken voor de internationalisering van het onderwijs heeft Nederland in de Europese Unie een sterke positie verworven. Echter ook in Nederland zal voor de mobiliteit van leerkrachten, studenten en leerlingen nog veel wet- en regelgeving moeten worden aangepast vooral met het oog op toelating, financiering, vervanging, kwaliteitsbewaking, studie-financiering.

De overheid zal daarnaast ook nieuwe parameters moeten ontwikkelen voor de geldstromen die naar de onderwijsinstellingen gaan. Ook hierin zal internationalisering een plaats moeten krijgen.

Binnen de instellingen moet internationalisering een normaal, integraal onderdeel worden van zowel het onderwijsproces als van het administratief en strategisch beleid.

Problemen en belemmeringen op het niveau HAVO/VWO liggen vaak binnen de school zelf, meestal gaat het over budgetten die niet toereikend zijn, roosterproblemen en het realiseren van een zekere continuïteit met betrekking tot de projecten.

Bij het VBO/MAVO komt daarbij dat de leerlingen vaak een negatief zelfbeeld hebben, de school weinig prioriteit geeft aan internationalisering en de ouders meestal niet al te veel extra steun kunnen geven aan internationale projecten.

Uit het artikel van B. Mol en W. van Gaans in het verslag van de Netwerkconferentie van het EP in den Bosch 1997 blijkt overigens dat het met wettelijke problemen en beperkingen van het VO Tweede Fase zeer meevalt. De beide auteurs stellen:

? «De wet legt geen beperkingen op wat betreft het aantal lesuren, locatie, werkwijzen, groepering van leerlingen en rooster»;

? «De werkelijke beperkingen door het ministerie liggen op het gebied van het personeelsbeleid (CAO, wachtgeldregelingen) en financiën (exploitatie en formatie)»;

? «De grootste beperkingen worden veroorzaakt door de eigen organisatie en eigen schoolcultuur».


2.4 Nieuwe Ontwikkelingen Internationalisering


2.4.1 Nieuwe prioriteiten van de overheid

In de beleidsnota `Onbegrensd Talent', wordt gesteld dat internationale contacten vooral zin hebben als zij deel uitmaken van het schoolbeleid en duidelijke leerdoelen hebben.

? Voorts wordt grote aandacht besteed aan het vreemde talenonderwijs en ook de wisselwerking wordt genoemd tussen internationalisering en het intercultureel onderwijs door met name Turkije en Marokko hierbij te betrekken.

? Door herallocatie van middelen bestemd voor de nationale programma's met name de PLATO-gelden, zijn in augustus 1998 door het Ministerie van OCenW budgetten vrijgemaakt voor het project «Innovatie en Internationalisering» bestaande uit een viertal clusters van projecten, te weten:

? De taalportfolio;

? ICT;

? Intercultureel onderwijs;

? Informatievoorziening.

De Taalportfolio

In dit project wordt getracht op een overzichtelijke manier te documenteren wat de leerling heeft geleerd op het gebied van het vreemde talenonderwijs, zowel op een geformaliseerde wijze als de school, als in een informele sfeer bijvoorbeeld de vakanties of thuis.

Door de Raad van Europa is een referentiekader ontwikkeld waarin vijf vaardigheden worden onderscheiden (luisteren, lezen, gesproken interactie, gesproken produktie en schrijven) en zes niveaus daarin worden vastgesteld. De leerling krijgt het document ter beschikking om zijn vorderingen te evalueren en te rapporteren wat hij op dat moment kan met de taal.

De taalportfolio zal per schooltype gaan verschillen. Door verwijzingen naar de niveaubeschrijvingen en het referentiekader zijn internationale vergelijkingen mogelijk.

Onder leiding van Dr. G. Stoks van de Stichting Leerplan Ontwikkeling (SLO) worden er op zo'n 30 scholen proefprojecten uitgevoerd. Er wordt naar gestreefd om in 2001, het jaar van de talen, de portfolio in Nederland te introduceren. Waarschijnlijk komt er ook een Europese basisversie van een taalportfolio die door de landen van de Raad van Europa kan worden aangevuld.

ICT

De Staatssecretaris van OCenW Mw. drs K.Y.I.J. Adelmund wees er in juni 1999 op dat in het uitwerkplan Onderwijs Online in het hoofdstuk `Speciale onderwerpen' aandacht besteed wordt aan internationale aspecten van ICT in het onderwijs. Voor de bevordering van ICT gebruik in het PO en VO is in een samenwerking tussen het EP en het PM ICT een driejarig project gestart.

In dit project wordt met behulp van twee netwerken van 14 PO-scholen en 12 VO-scholen door een speciale werkgroep activiteiten en produkten geleverd die als voorbeeld kunnen dienen voor andere scholen. Het project zal drie jaren lopen. Vanuit PM ICT vinden werkzaamheden plaats onder de vlag van de Nederlandse deelname aan het European SchoolNet, een consortium van de ministers van Onderwijs uit 18 Europese landen, dat de bevordering van ICT gebruik in scholen in Europa tot doel heeft. Aan de werkgroep nemen het EP en de Directie ICT deel. Deskundigen van de onderwijs-verzorging en het APS geven de werkgroep speciale adviezen.

Het Deelproject Intercultureel Onderwijs

In de nota `Onbegrensd Talent', wordt de nadruk gelegd op het versterken van het Turks en het Arabisch. In dit deelproject wordt bevorderd dat scholen contacten opnemen met Marokko en Turkije ter ondersteuning van het Turks en Arabisch als schoolvakken.

Belangrijke onderdelen van deze contacten zijn de virtuele uitwisselingen via internet of andere communicatiekanalen alsmede de studiebezoeken van docenten aan beide landen.

Materialen die al eerder in Nederland zijn ontwikkeld en die geschikt zijn voor andere landen zullen worden vertaald in het Engels of het Frans.

Deelproject Informatievoorziening

Bij dit project heeft het aantrekken van nieuwe scholen de hoogste prioriteit. Ongeveer 15 scholen met veel ervaring doen daarbij dienst als voorbeeld en vraagbaak voor startende scholen. Voor het gehele project geldt dat de ervaringen van de voorhoedescholen via netwerken van scholen en de ontwikkeling van materialen ten goede komen aan startende scholen.

Naast het Ministerie van OCenW nemen aan de werkgroep deel de Vereniging voor Management in het VO, de Vereniging voor schoolleiders en het EP.

Teneinde het geheel te coördineren en de samenhang tussen de projecten te waarborgen is een stuurgroep ingesteld, bestaande uit vertegenwoordigers van de instellingen van de zorgsector, het Ministerie van OCenW, het Procesmanagement ICT en het Nationale Bureau Moderne Vreemde Talen. Het APS verzorgt het voorzitterschap, het EP het secretariaat.

Zo'n 60 scholen zijn betrokken bij deze projecten in 4 verschillende netwerken.

De ervaringen en de produkten die in deze netwerken ontwikkeld worden zullen ter beschikking komen aan het gehele onderwijsveld om eventueel ingezet te worden binnen het vernieuwingsproces.


2.4.2 Beschrijving ontwikkeling vraag en aanbod programmamiddelen

Algemeen kan worden gesteld dat het EP een zeer grote vraag waarneemt waar het gaat om aanvraag van programmamiddelen. Met andere woorden, de vraag overtreft het totaal aan beschikbare beursmiddelen. Echter, het binnen het LINGUA C programma - assistentschappen voor jonge taalleraren - houdt het EP beursgeld over, aangezien er enkele maanden zitten tussen aanvragen en toekenningen van de beurs door de Europese Commissie te Brussel. Inmiddels hebben vele aanvragers reeds werk gevonden en kunnen zij zich niet meer vrijmaken voor enkele maanden verblijf in het buitenland. Grosso modo blijft 1/3 van de beursmiddelen over.


2.4.3 Ervaringen met uitvoering en beheer van programma's

Het EP constateert in het algemeen grote tevredenheid wanneer het gaat over de vraag of beursprogramma's aan de wensen van de doelgroep voldoen. Uit individuele alsook groepsverslagen van het EP blijkt deze tevredenheid. Daarnaast wordt vanuit overheidswege aan deelnemers gevraagd om invulling van evaluatieformulieren, na afloop van hun bezoek. Uit deze laatste bron is op te maken dat:


1. de aanvragers waarneembare interesse hebben voor de programma's; en dat


2. de ervaringen met uitvoering en beheer van programma's en het verkeer tussen scholen als constructief positief kunnen worden aangemerkt.


2.4.4 Onderzoek naar kwaliteitscriteria

Bij de toekenning van middelen en de evaluatie van de projecten zullen kwaliteitscriteria een steeds belangrijker rol gaan spelen. Het EP heeft een uitgebreide nota uitgebracht over de bij internationalisering geldende kwaliteitscriteria »kwaliteitszorg en internationalisering»(J.A. Brosse 1996)

Daarnaast doet het EP thans een onderzoek naar de betekenis van de internationalisering in het V.O. om na te gaan in hoeverre de internationalisering beklijft in het reguliere schoolprogramma.


2.5 Toelichtingen bij de Tabellen in Bijlage I

In de BISON Monitor, editie 1998, is de internationale mobiliteit in het PO en VO voor de jaren 1995 tot en met 1997 besproken. In dit hoofdstuk worden dan ook alleen de cijfers gegeven met betrekking tot het jaar 1998. De verdeling van scholen voor basisonderwijs naar richting vertoont al enkele jaren een vrij stabiel beeld. De kerncijfers met betrekking tot het aantal instellingen en de verdeling over de verschillende denominaties veranderden niet ingrijpend. Voor vergelijkingen en analyses wordt dan ook verwezen naar de kerncijfers van OCenW 1998.

Tabel 1 Financiële Toekenningen

? In 1998 is het budget voor het GROS programma verhoogd ten koste van IKU (van fl. 330.000 naar fl. 500.000). De samenwerking in de grensregio's laat een duidelijke groei zien, waarbij een voldoende aantal nieuwe scholen betrokken zijn.

? Een nieuw programma in dit geheel is KANS: de onderwijssamenwerking met de Nederlandse Antillen en Aruba.

Tabel 2 Provincie

Evenals vorige jaren blijven de provincies Zeeland en Flevoland iets achter.

Tabellen 3 en 4 Landen van Bestemming

De belangstelling van docenten en leerlingen is in eerste instantie afhankelijk van het vak dat men doceert en/of het programma dat men volgt. Dat geldt in de eerste plaats voor bezoeken aan het Verenigd Koninkrijk en vanwege de onderwijsinnovaties de Scandinavische landen. Daarnaast blijven Griekenland, Spanje en Portugal nog steeds zeer populair.

Tabel 5 Toekenningen Verdeeld naar Denominatie

Hierbij valt op dat het algemeen bijzonder onderwijs een groter aandeel heeft gekregen dan in vorige jaren. In 1997 was hun aandeel
255 toekenningen op een totaal van 3434, in 1998 verkregen zij 316 toekenningen op een totaal van 3177.

Het Openbaar en het RK onderwijs verkrijgen beiden ongeveer een derde van de toekenningen.

Tabel 6 De Gebruikte Voertaal

Het aandeel van het Engels blijft onverminderd hoog.

Incidenteel scoren sommige talen onverwacht hoog, vanwege een nieuwe activiteit.

Enige tijd later verschijnt er dan weer een lager cijfer door het beëindigen van projecten.

Tabel 7 Aantal deelnemers naar functie

Bij tabel 7 worden de deelnemers onderscheiden naar type. Dit kunnen leerlingen zijn, maar ook docenten, onderwijsspecialisten en overigen.

Tabel 8 Financiële Toekenningen naar Schooltype

Het aantal toekenningen groeide van 653 in 1997 naar 984 in 1998 voor de Comenius programma's. Het AVO groeide opnieuw zeer sterk van 310 naar 425 en ook het VSO vertoonde een opmerkelijke activiteit, van 47 naar 119 toekenningen voor de Comenius activiteiten.

Tabel 9 Man/Vrouw Verdeling

De verdeling man/vrouw is op het totaal nagenoeg gelijk. Het aandeel van vrouwen is evenals vorige jaren iets hoger dan het aantal mannelijke deelnemers.


2.6 Ontwikkelingen per onderdeel


2.6.1 Nationale programma's

Promotie Lerarenmobiliteit Arbeidservaring en Training in het Onderwijs(PLATO)

Dit programma dat op 1 oktober 1992 van start ging is een duidelijk succes, de middelen worden jaarlijks geheel besteed en uit de verslagen en evaluaties blijkt dat PLATO vaak een begin is van langjarige internationale contacten en samenwerking.

Het programma richt zich sinds 1 augustus 1998 op de buurlanden en de Noordse landen en bij uitzondering, bij aanvragen van groot belang, op een der andere Europese landen. In 1998 is een lichte daling in het aantal toekenningen te constateren als gevolg van het toepassen van strengere kwaliteitscriteria en de boven genoemde landenbeperkingen bij de studiebezoeken van docenten

Het budget voor vervanging is volledig opgenomen in het PLATO budget. Dit budget groeide daardoor, echter een bedrag van fl. 500.000 is hiervan toegewezen aan het nieuwe beleidsonderdeel Internationalisering en Innovaties.

Het PLATO budget wordt zoveel mogelijk gelijk verdeeld over het PO en het VO.

Grensoverschrijdende Onderwijssamenwerking (GROS)

Dit programma onderstreept het belang dat de Nederlandse overheid hecht aan samenwerking van scholen in de grenslanden. Het budget voor GROS werd in 1998 verhoogd van fl 330.000 naar fl. 500.000. Overigens ten koste van IKU. Het aantal toekenningen bij GROS is gestegen van ruim vijftig naar ruim zestig, waaronder twintig nieuwe scholen.

Internationale Klassenuitwisselingen (IKU)

Het doel van IKU is te komen tot samenwerkingsverbanden tussen Nederlandse scholen met partners in het buitenland.

De beleidswijzigingen van de Minister van OCenW inzake de prioriteiten en de keuzen van landen waarmee wordt samengewerkt zijn sterk voelbaar in dit programma.

Voor de scholen betekende dit sterke beperkingen met betrekking tot de keuzen van landen. Nu zijn alleen nog subsidiabel de uitwisselingen met de buurlanden en de Noordse landen, en de duur is beperkt tot drie jaar. Gezien het prijspeil in de Noordse landen en de verlaging van de subsidies teneinde meer scholen bij het programma te betrekken, is het aantal nieuwe scholen in 1998 teruggelopen. Dit jaar is het aantal aanvragen en toekenningen om bovenstaande redenen verminderd van 400 naar 300.

Bilaterale Projecten

In dit kader past de samenwerking met verschillende landen te weten: Canada, Marokko, Oostenrijk, Portugal, Turkije, de Verenigde Staten, België (Vlaanderen en Wallonië). De programma's vertonen zeer grote verschillen. In 1998 is begonnen met kennisopbouw voor toekomstige samenwerking met Marokko en Turkije. Een grote mobiliteit valt dan ook nog niet te melden.

De samenwerking met Duitsland krijgt evenals vorige jaren hoge prioriteit.

Gelet op de grootte van de programma's is met name de samenwerking met Duitsland van groot belang. Ook beleidsmatig en politiek wordt aan deze samenwerking veel belang toegekend. De programmatuur wordt in geregelde overlegkaders regelmatig uitgebouwd.

Voor uitgebreide informatie terzake wordt verwezen naar het Jaarverslag 1998 van het EP.

Mobiliteitsaspecten met betrekking tot 1998

? De man/vrouw verhoudingen geven over deze periode een iets hogere deelname te zien van de vrouwen.

? Met name het AVO weet goed gebruik te maken van de mogelijkheden tot subsidie voor internationalisering, het BAO en VBO blijven iets achter.

? Uit de verdeling van de middelen in relatie tot de provincies blijkt ook dit jaar weer dat Zeeland en Flevoland achter blijven ten opzichte van de andere provincies.

? Het RK en Openbaar onderwijs blijven goed gebruik te maken van de programma's, het Protestants Christelijk (PC) onderwijs blijft evenals vorige jaren nog steeds iets achter.

? Bezien we gebruik van de vreemde talen dan is Engels overal sterk aanwezig, doch ook het Duits wordt vaak gebruikt als werktaal in het bijzonder bij de samenwerking met de grenslanden.


2.6.2 Europese Programma's

COMENIUS

Het basis en het voortgezet onderwijs staan hier centraal. Steun wordt verleend aan schoolpartner-schappen.

In 1998 liepen de eerste serie van driejarige projecten ten einde. De financiering van de projecten kwam dit jaar weer op het peil van 1996 nadat de kortingen van 1996 door een bijdrage van het Ministerie van OCenW goeddeels waren weggewerkt.

Mobiliteitsaspecten met betrekking tot 1998

? De man/vrouw verdeling geeft hier een hogere deelname te zien van mannen;

? De Scandinavische landen, Duitsland, Italië, Spanje en het Verenigd Koninkrijk blijven aantrekke-lijke landen om mee samen te werken;

? Met name het AVO, het BAO, het MBO en het VSO nemen deel;

? De provincies Zeeland en Flevoland nemen minder deel aan deze samenwerking;

? Inzake denominaties valt op dat het RK onderwijs sterk vertegenwoordigd is.

LINGUA

Dit programma bestaat uit vijf onderdelen, waarvan twee vallen onder de centrale acties en drie onder de decentrale acties. Sinds 1995 is Lingua onderdeel geworden van Socrates, volgend jaar zal het programma opgenomen worden in Comenius. De voorbereidingen op Socrates II zijn inmiddels begonnen zowel op nationaal als op Europees niveau.

Mobiliteitsaspecten met betrekking tot 1998

? De man/vrouw verhouding geeft ook voor 1998 een hogere deelname te zien voor vrouwen;

? De provincie Zeeland blijft sterk achter,

? De moderne vreemde talen krijgen bij de deelnemers prioriteit, vooral het Engels;

? Inzake de denominaties blijken het RK en het Openbaar onderwijs de programma's veelvuldig te gebruiken.

ARION

Dit programma in eerste instantie bedoeld voor schoolleiders is ook opgenomen in Socrates.

De deelnemers bezoeken in een week verschillende scholen en andere instellingen om aldus het onderwijs beter te leren kennen.

Mobiliteitsaspecten met betrekking tot 1998

Al vele jaren blijft de deelname van vrouwen achter door het geringe aantal aanmeldingen,

De landen Portugal, Spanje, het Verenigd Koninkrijk en Griekenland blijven zeer in trek. Van de Midden- en Oost-Europese landen blijkt Tsjechië zeer in trek.

De belangrijkste taal die wordt gebruikt voor de communicatie blijft het Engels.

De verdeling over de denominaties is gelijkmatig en uit alle provincies komen er deelnemers.


3 Beroepsonderwijs en Volwasseneneducatie


3.1 CINOP

Het team Internationaal van het Centrum voor Innovatie van Opleidingen (CINOP) voert onder andere het programma-management van nationale en Europese programma's gericht op internationalisering van opleidingen. Daarnaast stelt zij, samen met andere afdelingen van CINOP, innovatieve produkten beschikbaar op de internationale markt. Een greep uit de produkten en diensten:

? Programma-management Leonardo da Vinci: een Europees programma voor beroepsonderwijs en bedrijfsleven.

? Programma-management Socrates/Lingua: actie E.

? Advisering van OCenW met betrekking tot de ontwikkelingen op het gebied van internationalisering in het kader van de regeling Onbegrensd Talent.

? Programma management in het kader van de regeling Onbegrensd Talent: bilateraal Austausch programma Nederland - Duitsland (BAND).

? Advies aan opleidingsorganisaties over de wijze waarop en de condities waaronder internationa-lisering in de eigen organisaties uitgebouwd kan worden.

? Informatie over relevante ontwikkelingen in beroepsonderwijs en
-opleidingen in de landen van de Europese Unie.

? Europese studiebezoeken voorbereiden en uitvoeren.

CINOP werkt op not-for-profit basis met name voor het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie, maar ook voor branches en bedrijven, ministeries en lokale overheden. Op internationaal niveau zijn er verschillende opdrachtgevers.

Bij CINOP werken circa 200 mensen. Vaak wordt er projectmatig gewerkt. Samen met de opdrachtgevers wordt gezocht naar praktijkgerichte en toepasbare oplossingen. CINOP kan worden ingeschakeld voor totaalprojecten, maar levert ook produkten en diensten op onderdelen voor ontwikkeling en vernieuwing van opleidingen.


3.2 BVE-veld

Het met BVE aangeduide onderwijsveld omvat alle (opleidings)instellingen voor het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie.

Internationalisering van dit onderwijsveld wordt met name bevorderd door middel van twee programma's, `Grenzen Verleggen', `Onbegrensd Talent' en `Leonardo da Vinci', ingesteld door respectievelijk het ministerie van OCenW en de Europese Commissie (DG XXII).


3.2.1 Nationale programma's

In het schooljaar 1997/1998 konden BVE instellingen gebruik maken van de stimuleringsregeling internationalisering `GSP'. 1997/1998 vormde een overgangsjaar van het programma GSP naar het nieuwe programma `Onbegrensd Talent'. Bij de aanpak van het overgangsjaar is gekozen voor het vereenvoudigen van de projectopties zoals die gangbaar waren in het oude GSP programma. Enerzijds is mobiliteit gehandhaafd als mogelijkheid om subsidie te verkrijgen, anderzijds werd een mogelijkheid geboden om door middel van proefprojecten resultaten te genereren die relevant zijn voor het gehele BVE veld en anticiperen op het nieuwe beleid, waarbij internationalisering als kernactiviteit van instellingen een rol speelt. Er is in dat jaar voor 2,5 miljoen gulden aan mobiliteitsprojecten aanbesteed, terwijl uiteindelijk voor 2,2 miljoen gulden aan projecten werd uitgevoerd. De overige 2 miljoen gulden is aanbesteed in ontwikkelingsprojecten. Er is onder andere een aantal projecten uitgevoerd op het thema beleidsontwikkeling en de organisatie van beroepspraktijkvorming. Een aantal ROCs is in die projecten aan de gang gegaan om te zoeken naar structurele verankering van internationalisering als kernactiviteit binnen de instelling, waarbij de initiële fase van uitwisselingsbezoeken plaats maakt voor meer structurele vormen van samenwerking.

In het schooljaar 1998/1999 is het nieuwe programma `Onbegrensd Talent' van start gegaan. Dit programma is de opvolger van het programma `Grenzen Verleggen' waaruit de programma's Gros, Sesam en Plato (GSP) zijn voortgekomen. In plaats van generieke stimulering wordt gestreefd naar specifieke inzet van middelen en het waarborgen van een betere inbedding in het reguliere onderwijs. Gelet op het algemene beleid in het BVE-veld en de autonomie van de scholen is gekozen voor een aanpak waarbij scholen strategische beleidsplannen indienen samen met een activiteitenplanning en begroting die slechts marginaal getoetst worden. De instellingen rapporteren over de uitvoering op financiële en inhoudelijke componenten. De rapportages over 1998/1999 maken geen deel uit van dit rapport.

Het programma Onbegrensd Talent heeft een looptijd van vier jaar (1998-2001). Binnen Onbegrensd Talent staan twee thema's centraal: mobiliteit en internationale samenwerking. Onder mobiliteit kunnen een groot aantal activiteiten worden ontplooid zoals:

? uitwisselingen van leerlingen

? praktijkstages

? curriculum vergelijkingen

? studiereizen ten behoeve van docenten/stafleden/management

? docenttrainingen

Onderwijsinstellingen en Landelijke Organen Beroepsonderwijs kunnen strategische beleidsplannen indienen, waarin staat beschreven het beleid dat zij voorstaan met betrekking tot internationalisering.

Deelname aan het programma Onbegrensd Talent is mogelijk voor alle regulier bekostigde instellingen voor het secundair beroepsonderwijs:

? Regionale Opleidings Centra (ROC's)beroeps- en volwasseneneducatie

? Vakscholen

? Landelijke Organen Beroepsonderwijs (LOB´s)

Een belangrijk uitgangspunt is dat internationaliseringsactiviteiten gericht moeten zijn op de buurlanden België, Duitsland, Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Denemarken, Zweden, Finland en Noorwegen. Mobiliteitsgegevens zijn op dit moment (september 1999) alleen beschikbaar over het programma BAND (Bilateraal Austausch programma Nederland-Duitsland).

Het BAND programma maakt deel uit van Onbegrensd Talent en biedt de mogelijkheid voor korte uitwisselingen van leerlingen, docenten en andere opleiders, gastdocentschappen en voorbereidende bezoeken tussen Nederlandse en Duitse instellingen in het beroepsonderwijs. Het BAND programma is onderdeel van de overeenkomst tussen het Bundesministerium für Bildung, Wissenschaft, Forschung und Technologie en het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen uit 1995 met als doel uitwisselingen van Duitse en Nederlandse jongeren en volwassenen in het secundair beroepsonderwijs te stimuleren.

Aangezien mobiliteit binnen Onbegrensd Talent gericht moet zijn op buurlanden maken we in dit hoofdstuk een onderscheid tussen mobiliteit naar grenslanden en niet-grenslanden zoals gedefinieerd in het programma Onbegrensd Talent. In de bijgevoegde tabellen zijn de grenslanden grijs gearceerd.


3.2.2 Landbouw Stir-programma

Het Stir-programma van het Ministerie van LNV heeft betrekking op zowel het agrarisch beroepsonderwijs als het Hoger Agrarisch Onderwijs (HAO). De gegevens die in bijlage 3 worden gepresenteerd zijn de verantwoordingsgegevens over het mobiliteitscompartiment van Stir/LO (de landbouw-Stir). Dit compartiment gold tot en met 1997 en is daarna formeel beëindigd. De gedachte daarachter was dat mobiliteit ingebed zou moeten zijn in andere activiteiten.

Stir/LO heeft wat langer gedraaid dan de STIR van OC&W. Echter, in
1998 is het besluit gevallen om de Stir af te bouwen en de Stir-middelen onder te brengen in de totaalregeling Versterking en Innovatie Agrarisch Onderwijs (VIA). Er was een afbouwtraject voorzien van drie jaar maar de facto is 1999 het laatste jaar geweest. Met de in werking treding van de VIA-regeling kent LNV geen apart stimuleringsprogramma meer voor internationalisering.

VIA is een totaal-programma (stimulering van alle vernieuwing binnen het landbouwonderwijs), dat scharniert rond sectorale- en onderwijsvernieuwingsthema's. Elk jaar komt terzake een kaderbrief uit die aangeeft welke thema's centraal staan. Uit deze nieuwe systematiek mag overigens niet worden afgeleid dat LNV internationalisering niet meer hoog in het vaandel zou hebben. Er is alleen geen geoormerkte geldstroom meer.

De tabellen in bijlage 3 geven een overzicht van de mobiliteit bij de Agrarische Opleiding Centra (AOCs) en Internationale Praktijk Centra (IPCs), voornamelijk voor de jaren 1996/97. Het programma kende subsidies toe aan mobiliteit van leerlingen en docenten. Het type mobiliteit dat hiermee wordt gefaciliteerd varieert van uitwisselingen via culturele excursies naar schoolbezoeken. Het gaat vrijwel steeds om groepsreizen, in wisselende grootten, van 3 tot 75.

Het overgrote deel van de uitstroom gaat naar andere Europese landen. Met name Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Denemarken zijn in trek. In Oost-Europa werd meer dan de helft van de bezoeken aan Tsjechische scholen afgelegd. Polen en Hongarije komen op de tweede en derde plaats. Andere Oost-Europese landen werden niet bezocht met uitzondering van de Baltische Staten.

De stafmobiliteit was voornamelijk gericht op de andere EU-landen. Engeland en Duitsland waren het meest in trek.

De instroom van leerlingen uit Oost-Europa is afkomstig uit Tsjechië en Polen (in die volgorde). Daarnaast kwamen er een groot aantal Franse leerlingen en een gemengde groep Franse en Duitse leerlingen. Ook bij de docentenmobiliteit valt de mobiliteit uit Oost-Europa op.


3.2.3 Europese programma's

Leonardo Da Vinci

Het Europese programma Leonardo da Vinci is eind 1994 ingesteld met als oogmerk om het contact tussen de Europese systemen voor beroepsonderwijs en de betrokkenen bij het beroepsonderwijs te bevorderen. Het gaat daarbij niet alleen om onderwijsinstellingen, maar ook om het bedrijfsleven en de sociale partners. Leonardo kent mogelijkheden voor mobiliteit op BVE en HO-niveau. Het huidige programma Leonardo Da Vinci krijgt in het jaar 2000 haar opvolger in het programma Leonardo Da Vinci fase II.

In Leonardo Da Vinci fase II (met een looptijd van 2000 - 2006) wordt ten opzichte van het huidige Leonardo programma een aantal uitgangspunten aangescherpt. Het gaat hier om een verdere verruiming voor leeftijdsgrenzen bij mobiliteit, het koppelen van verschillende soorten projecten en verdergaande mogelijkheden voor deelname van het MKB. Naast de EU-Lidstaten en de EER landen (Europese Economische Ruimte) staat het nieuwe programma ook open voor de zogenaamde PAC landen (Pre Accession Countries), de midden- en oost Europese landen, inclusief Cyprus. Al met al zullen zo'n dertig landen in het nieuwe Leonardo-programma participeren.

In het nieuwe programma is relatief meer geld beschikbaar voor mobiliteit. Hier is ook sprake van meer mogelijkheden voor begeleiding/voorbereiding op het gebied van taal en cultuur. De Europass, een certificaat dat de buitenlandse ervaring beschrijft, en een vergoeding aan kleine bedrijven die stageplaatsen biedt is een nieuw element in de mobiliteitsprojecten.

Deelname aan het Leonardo da Vinci programma (stages en uitwisselingen/mobiliteit) is toegankelijk voor:

? Regionale Opleidings Centra (ROC's) beroeps- en volwasseneneducatie,

? Vakscholen

? Agrarische Opleidings Centra (AOC's)

? Overige organisaties (o.a. particuliere opleidingen, universiteiten, hogescholen, bedrijven).

Socrates/Lingua: actie E

Doel van deze actie is jongeren te motiveren vreemde talen te leren en hun vaardigheid in het actief gebruik ervan te vergroten. Hiertoe wordt, in het kader van Gezamenlijke Onderwijsprojecten voor taalverwerving (GOP), financiële steun geboden voor activiteiten (inclusief uitwisselingen) met jongeren in instellingen voor algemeen, technisch en beroepsonderwijs in verschillende deelnemende landen. Een GOP is een project dat gezamenlijk wordt uitgevoerd door groepen jongeren van partnerinstellingen uit gewoonlijk twee deelnemende landen. Het project moet zo zijn opgezet dat het primair gericht is op de rechtstreekse communicatie tussen jongeren uit de verschillende groepen.


3.3 Gegevens uit de programma's

In dit hoofdstuk wordt gerapporteerd over het schooljaar 1997/1998 en
1996/1997. Daar waar relevant zijn andere schooljaren meegenomen in de analyse.

Het algemene beeld dat hier gepresenteerd wordt is - uiteraard - gekleurd door de beleidswijzigingen zoals die in de aanpak van het programma hebben plaatsgevonden.

Omdat er in 1997/98 binnen het nationale programma GSP sprake is van minder projectopties (géén curriculumvergelijkingen, oriëntaties, groepsreizen, acquisitie/begeleiding buitenlandse beroepspraktijk-vorming) dan in voorgaande jaren en omdat voorheen over het totale budget werd gerapporteerd laten de kwantitatieve gegevens over 1997/98 zich moeilijk vergelijken met de gegevens van voorgaande jaren.


3.3.1 Algemeen beeld

Internationalisering valt als thema binnen het BVE veld niet meer weg te denken. De nationale en Europese stimuleringsprogramma's hebben het mogelijk gemaakt dat de afgelopen jaren duizenden leerlingen, jongeren en opleiders een periode in het buitenland hebben kunnen doorbrengen. Het ad-hoc karakter van internationaliseringsactiviteiten maakt gestaag plaats voor strategische beleidsvorming door instellingen op het gebied van internationalisering. De deelname aan internationaliseringsactiviteiten uitgedrukt in mobiliteitsgegevens is echter nog zeer bescheiden.

De deelname van leerlingen aan de nationale en internationale internationaliseringsprogramma's ten opzichte van het totaal aantal leerlingen in de BVE bedraagt minder dan één procent, zoals blijkt uit onderstaande tabel:

Tabel 1 Deelname van leerlingen BVE aan de nationale en internationale internationaliserings-programma's

Jaar 1995/1996 1996/1997 1997/1998

Totaal aantal leerlingen in de BVE (1) 451800 440100 411600

Deelnemers aan programma's (2) 2874 3537 2945

Percentage deelname (2/1) 0, 63 0,80 0, 71

Beschikbaar budget

In deze rapportage worden de gegevens uit de mobiliteitsprojecten binnen GSP gepresenteerd, waarvoor minder dan de helft van het budget beschikbaar was. De rest van het budget is beschikbaar gesteld voor diverse ontwikkelingsprojecten waarbinnen mobiliteit geen prioriteit had en ook niet werd geregistreerd.

Binnen het programma Leonardo Da Vinci is het beschikbare budget ten opzichte van voorgaande jaren ongeveer gelijk gebleven (zie: tabel 1, `CINOP: Programmatische gegevens 1995-1998'). De vraag naar subsidie voor korte en lange stages overtreft het aanbod. Voor wat betreft de jonge werkenden overtreft het aanbod de vraag.

Volume

Binnen GSP is het aantal participerende leerlingen in het jaar 97/98 met 28 procent afgenomen ten opzichte van het voorgaande jaar. De afname betreft met name uitwisselingen en groepsreizen. Het aantal participerende leerkrachten is ook afgenomen met 53 procent ten opzichte van 1996/1997 toen curriculumvergelijkingen en onderwijskundige samenwerking ook werden geregistreerd als docentenmobiliteit. Deze afname was evenwel te verwachten en ligt in lijn met de nadruk die is gelegd op het thema beleidsontwikkeling en de organisatie van beroepspraktijkvorming. Een aantal ROC's is in die projecten aan de gang gegaan om te zoeken naar structurele verankering van internationalisering als kernactiviteit binnen de instelling, waarbij de initiële fase van uitwisselingsbezoeken plaats maakt voor structurele vormen van samenwerking. (zie: tabel 2, `GSP - aantal deelnemende leerlingen en leerkrachten per jaar naar type project').

Binnen Leonardo Da Vinci is de afname van het aantal deelnemende docenten in 1997/1998 in vergelijking met 1996/1997 groot. De afname bedraagt ruim 60 procent. Het blijkt voor docenten steeds moeilijker een periode in het buitenland in te passen in het rooster. Het volume aan deelnemende jongeren is in de periode 1995 - 1998 niet wezenlijk veranderd.


3.3.2 Landen

GSP

Instellingen hebben binnen de GSP-kaders de afgelopen vier jaar met name gekozen voor activiteiten en projecten in nabij gelegen landen. De absolute nummer één van gastlanden onder zowel docenten als leerlingen is het Verenigd Koninkrijk. Dit land neemt 45 procent van de totale mobiliteit in de periode 1994 - 1998 voor haar rekening. Op gepaste afstand volgen Duitsland, België en Denemarken als meest bezochte landen. Dit is het heersende beeld over de afgelopen jaren. (zie: tabel 3, `GSP: Uitstroom leerlingen (ll) en leerkrachten (lk) naar land van bestemming, 1994-98').

De trend om internationalisering `dichtbij huis' te zoeken getuigt van realisme: het subsidie-instrument is eindig, de nabije contacten hebben in dat licht waarschijnlijk de grootste overlevingskans. Ook kwalitatieve inschattingen spelen een rol: gegeven de relatief kleine verschillen in cultuur, het gemak waarmee men kan communiceren, de min of meer vergelijkbare standaarden voor wat betreft bijvoorbeeld opleidingsniveau, etc., etc. verhoogt de aantrekkingskracht van samenwerking met naburige landen.

Overigens is de toekenning van beurzen in 1996/1997, na afstemming met het Leonardo da Vinci programma, beperkt tot nabije landen: België, Duitsland, V.K., Ierland, Denemarken en Luxemburg. De overige landen namen tot dat jaar slechts een bescheiden deel van de mobiliteitsprojecten voor hun rekening.

Stagemobiliteit

Ook binnen de specifieke component stagemobiliteit vindt het merendeel van de stages plaats in de vier landen Verenigd Koninkrijk, Duitsland, België en Denemarken. Hierbij moet worden aangetekend dat beurzen voor buitenlandse beroepspraktijkvorming in 97/98 alleen zijn toegekend wanneer dit werd uitgevoerd in het Verenigd Koninkrijk, België, Duitsland of Denemarken. Ten opzichte van 96/97 werd de subsidie per stage verruimd. In totaal werden 383 stages uitgevoerd ten opzichte van 377 stages in het voorgaande jaar. (zie: tabel 4, `GSP Stages naar land van bestemming').

Leonardo Da Vinci

Wat de verdeling naar land van bestemming betreft, vertoont dit een ander beeld in vergelijking met het programma GSP. Hiervoor zijn een drietal redenen aan te geven:

? de range van landen binnen het Leonardo Da Vinci programma is groter

? het Europese beleid is gericht op een versterking van de Noord-Zuid as

? de NCU heeft als voorwaarde gesteld dat maximaal 30% van het budget per maatregel mag worden besteed in één land

Engeland en Duitsland zijn overigens ook binnen Leonardo Da Vinci de meest bezochte bestemmingen. Daarna worden Denemarken, Frankrijk, Spanje en Portugal in wisselende mate bezocht. (zie: tabel 5, `Leonardo Da Vinci: uitstroom naar land van bestemming en type mobiliteit, 1995-1998')

Socrates/Lingua: actie E (uitwisselingen)

Binnen actielijn E van het programma Lingua valt op dat Finland in zowel 1996/1997 als in 1997/1998 voor bijna 20 procent van de Nederlandse deelnemers een voornaam reisdoel is.

Wat betreft volume nemen Duitsland en het Verenigd Koninkrijk binnen dit programma een minder prominente rol in dan binnen GSP en Leonardo Da Vinci. In 1996/1997 is Spanje het voornaamste reisdoel (20 procent) gevolgd door Finland (19 procent). In 1997/1998 is het Verenigd Koninkrijk de nummer één bestemming (21 procent), daarna is Finland de belangrijkste bestemming met 19 procent. (zie: tabel 6, `Lingua actie E (uitwisselingen) - uitstroom naar land van bestemming 1997 - 1998')


3.3.3 Deelname van de instellingen

Voor de vaststelling van het bereik van
internationaliseringsprogramma's is geïnventariseerd hoeveel ROCs en AOCs in de loop der jaren hebben deelgenomen aan de programma's.

Bijna alle 46 ROCs hebben in de afgelopen drie schooljaren deelgenomen aan het nationale en/of het internationale stimuleringsprogramma. Aan GSP nam in het jaar 1997/1998 maar liefst 89% van de

ROC´s deel, 9 procent meer dan het voorgaande jaar.

In het Leonardo Da Vinci programma is het beeld anders: minder dan de helft van alle ROCs neemt deel aan een van de drie vormen van mobiliteitsprojecten (korte stage, lange stage, opleiders). In het jaar 1997/1998 was het bereik 43 procent, 5 procent meer dan in het voorgaande jaar. Tevens is de deelname van het aantal AOCs beperkt tot ongeveer 30 procent in het jaar 1997/1998. Een veel gehoorde reden voor de beperkte participatie van ROCs in het Leonardo Da Vinci programma heeft te maken met de complexiteit van de Leonardo aanvraagprocedures. (zie: tabel 7, `Aandeel van ROCs en AOCs in de programma's')

Uitgesplitst naar modaliteiten blijkt dat binnen Leonardo Da Vinci vooral AOCs en ROCs gebruik maken van de mogelijkheid voor korte stages. De overige instellingen (zoals bedrijven, arbeidsbureaus en dergelijke) zenden vooral werkende jongeren uit. De reden hiervoor is dat dit type instelling geen initiële opleiding verzorgt en daardoor niet deelneemt in korte stages, lange stages en opleidersstages. Docenten van ROCs zijn meer mobiel dan docenten AOCs. In het voorgaande jaar (1996/1997) was eenzelfde beeld te zien. (zie: tabel 8 en 5, `Leonardo Da Vinci: uitstroom naar land van bestemming, type mobiliteit en type instelling 1998')

Zowel in 1997 als in 1998 leveren ROCs in vergelijking met de AOCs en de overige instellingen het grootste aantal deelnemers binnen de Leonardo Da Vinci mobiliteitprojectvormen. Gelet op het aantal instellingen is de deelname van AOCs verhoudingsgewijs groot. Uitzondering op de regel vormen de werkende jongeren. Daarin is het aandeel van de overige instellingen (onder andere arbeidsbureaus) het grootst. (zie: tabel 9, `Leonardo: uitstroom naar type mobiliteit en type instelling, 1997/1998')


3.3.4 Sectoren

GSP

Gekeken naar het vakgebied waarbinnen de mobiliteit plaatsvindt wordt het patroon van de laatste jaren bevestigd. Binnen het programma GSP is de sector economie het meest in trek bij de deelnemers gevolgd door de sector techniek. (zie: tabel 10, `GSP: uitstroom naar vakgebied').

Leonardo Da Vinci

We kunnen concluderen dat landbouw de populairste sector is binnen korte stages in het Leonardo Da Vinci programma. In 1997/1998 neemt het aantal deelnemers aan korte stages binnen landbouw in vergelijk met het voorgaande jaar af met 12 procent maar blijft de grootste sector. De reden voor het grote aandeel van de sector landbouw is dat instellingen op het gebied van landbouw niet kunnen deelnemen in het nationale programma GSP.

Een andere belangrijke sector binnen de korte en lange stages is dienstverlening en gezondheid. De deelname uitgesplitst naar de sectoren is moeilijk vast te stellen aan de hand van de instrumenten zoals aangeleverd door de Europese Commissie. (zie: tabel 11, `Leonardo: uitstroom naar vakgebied en type instelling').


3.3.5 Geslacht

De gegevens naar geslacht zijn beperkt geregistreerd binnen GSP en de interimrapportage van Leonardo Da Vinci 1998. Voor zover bekend is het beeld van een overwegend mannelijke deelname aan de mobiliteit (6:10) zoals vastgesteld in 1997 in 1998 bijgesteld ten gunste van vrouwelijke deelname aan de mobiliteit (9:10). (zie: tabel 12, `Leonardo: uitstroom naar type mobiliteit en geslacht, 1998')


3.4 BVE samenvattend

De beleidswijzigingen - overgangsjaar GSP, nieuw programma Onbegrensd Talent - hebben grote invloed op de mobiliteitsgegevens. Het overgangsjaar van GSP kende een beleidswijziging die heeft geleid tot ander type activiteiten. De daling in mobiliteit wordt vooral veroorzaakt door een afname van leerlingenuitwisseling en groepsreizen. Deze activiteiten zijn beide te beschouwen als kennismakingsactiviteiten en brengen kwantitatief veel mobiliteit met zich mee. Instellingen hebben de nadruk in het afgelopen jaar vooral gelegd op de structurele inbedding van internationalisering. Daarbij speelde mobiliteit een minder prominente rol.

Binnen Leonardo Da Vinci nam het aantal deelnemende jongeren het afgelopen jaar licht toe terwijl het aantal deelnemende docenten ten opzichte van het jaar 1996/1997 sterk afnam.

In onderstaande figuur zijn de gevolgen van de beleidswijzigingen af te lezen. De totale mobiliteit binnen GSP en Leonardo Da Vinci is in
1997/1998 ten opzichte van het voorgaande jaar sterk afgenomen. Een mogelijke verklaring kan zijn dat het accent in het laatste jaar van deze rapportage is gelegd op het stimuleren van lange stages. Door het accent op de lange stages zijn er minder korte stages toegekend, er is daarom sprake van een bewuste daling.

Figuur 1 Mobiliteit van leerlingen en docenten in het BVE naar programma, (1997/98)

Op de mobiliteit buiten de programma's om heeft CINOP geen zicht.

Naar grote Europese regio's bezien is er sprake van een voorkeur voor noordwest Europa. Dit houdt deels verband met de subsidieregels. Het GSP programma subsidieert alleen stages in Duitsland, België, Luxemburg, het Verenigd Koninkrijk en Ierland. Daarnaast spelen praktische overwegingen een rol. Op langere termijn zijn financiering, begeleiding en beoordeling van deze activiteiten in meer nabije landen eenvoudiger en beter te realiseren.

Zoals al eerder in dit hoofdstuk duidelijk werd is Engeland (en in mindere mate Duitsland) het belangrijkste bestemmingsland. Binnen GSP ligt de nadruk op grenslanden. Dit verklaart de grotere mobiliteit binnen Leonardo Da Vinci voor niet-grenslanden zoals Portugal en Spanje. Daarbij spelen ook de Europese prioriteiten (concentratie noordzuid as) een rol. De keuze voor een land is niet louter gebaseerd op rationele afwegingen van inhoudelijk of financiële aard. De eerste schreden op het internationale vlak leidden veel instellingen naar het Verenigd Koninkrijk. Het idee leefde sterk dat daar veel nieuwe ontwikkelingen gaande waren.

Figuur 2 Mobiliteit van leerlingen in het BVE naar grenslanden, (1997/98)

De samenwerking met Duitsland is met name gericht op de uitwisselingen van deelnemers. De nabijheid van partnerscholen en bedrijven is een belangrijke factor. Een kwart van de ROC´s ligt op minder dan 50 kilometer van de grens met Duitsland.

De gegevens zoals ze in dit hoofdstuk aan de orde zijn gekomen hebben nog geen betrekking op mobiliteitsgegevens vanuit het programma Onbegrensd Talent. Desondanks heerst in het BVE veld de opvatting - met name onder actieve instellingen - dat de mogelijkheden voor internationale mobiliteit zijn afgenomen met het wegvallen van projectsubsidies via het programma GSP. De mogelijkheden die het programma Onbegrensd Talent de instellingen biedt op het gebied van mobiliteit worden lang niet altijd als zodanig er(her)kend. De beleidswijzigingen bieden de instellingen ook een moment voor reflectie.


3.5 Trends

Ter afsluiting komen de trends in de mobiliteit in het BVE veld aan de orde. De beleidswijzigingen maken het moeilijk om te kunnen spreken van duidelijke trends. De trends zijn uitgesplitst naar de verschillende modaliteiten: korte stages, lange stages, docentenmobiliteit en werkende en werkzoekende jongeren.

? Het volume aan uitgaande studenten binnen de korte stages is sterk gerelateerd aan het beschikbare subsidiebedrag. Neemt de beschikbare hoeveelheid subsidie toe, dan neemt de vraag naar het aantal korte stages toe. Echter, als de nationale prioriteiten ook in de toekomst komen te liggen bij de lange stages, kan het zijn dat het volume van de korte stages de stijging van het budget niet proportioneel volgt.

? De hoeveelheid uitgevoerde lange stages is minder afhankelijk van het beschikbare bedrag aan subsidie en fluctueert. Over de afgelopen twee jaar is een stijging waar te nemen. Doordat instellingen meer nadruk hebben gelegd op strategisch beleid van internationalisering kan verwacht worden dat lange stages en BPV zullen toenemen. Deze modaliteit neemt de plaats in van korte uitwisselingen die een meer ad-hoc karakter hebben.

? De docentenmobiliteit is - uitgezonderd een stijging in 1997 - de afgelopen vier jaar afgenomen. Vooral het afgelopen jaar was de afname van het volume groot. Gerichte stimulering heeft ertoe geleid dat aan de daling in 1999 een eind begint te komen (gebaseerd op voorlopige cijfers call ´99). Tevens wordt het belang van docentenmobiliteit (h)erkend.

? Het is voor de categorie werkende en werkzoekende jongeren zeer moeilijk een trend vast te stellen. Instellingen die deelnemen in deze modaliteit zijn vaak niet verbonden aan een opleiding. De kosten voor het werven van deelnemers zijn erg hoog.

? De afgelopen jaren is er sprake geweest van onderbenutting van de mobiliteitsprogramma's. Dit wordt niet veroorzaakt door een ontoereikende vraag, maar - primair - door het feit dat een relatief groot aantal projecten niet gerealiseerd kan worden wegens onvoorziene problemen bij de uitvoering. Hierdoor vloeien toegekende subsidies weer terug. In alle programma's werden de totale budgetten aanbesteed, het BAND-programma uitgezonderd. In het laatste jaar van het GSP-programma werd zelfs gekozen voor een overaanbesteding. De regelgeving en de gehanteerde management systematiek hebben er toe geleid dat onderbenutting van fondsen een gegeven is geworden. Dit fenomeen heeft inmiddels de aandacht van alle betrokkenen, zodat naar nieuwe oplossingen kan worden gezocht.


4 Mobiliteit in het hoger onderwijs


4.1 Internationalisering in het hoger onderwijs

Het hoger onderwijs heeft een lange traditie op het gebied van de internationalisering. Van oudsher heeft er uitwisseling plaatsgevonden van studenten en van stafleden, zowel binnen Europa alsook daarbuiten. Die uitwisseling had in vroeger jaren vooral betrekking op onderzoekssamenwerking en vond dus vooral plaats tussen universiteiten. In de tweede helft van de jaren tachtig hebben de Europese programma's voor internationale samenwerking in het hoger onderwijs Erasmus en Comett een grote impuls gegeven aan de mobiliteit. De Nederlandse overheid heeft zich in dezen zeer actief opgesteld door het in het leven roepen van het nationale stimuleringsprogramma voor internationalisering Stir. De aanvankelijke voorsprong van universiteiten vanuit hun onderzoekstraditie is grotendeels ingelopen door de hogescholen, waarvan de meesten actief hebben geparticipeerd in Stir en ook in de Europese programma's. Op enkele terreinen zijn zij zelfs de universiteiten voorbijgestreefd. Het aanbod van volledige Engelstalige opleidingen (circa 30) is bijvoorbeeld groter dan dat bij universiteiten (circa 5).

Ook de contacten van Nederlandse universiteiten en hogescholen met ontwikkelingslanden en landen in transitie worden ondersteund door programma's voor studenten- en stafmobiliteit. De EU, alsmede verschillende VN organisaties kennen evenals de Nederlandse overheid beursprogramma's voor studenten uit ontwikkelingslanden en landen in transitie.

In meer recente jaren is in Nederland een andere ontwikkeling in gang gezet met het toespitsen van het internationaliseringsbeleid op specifieke regio's, landen en thema's. In 1997 heeft het ministerie van OCenW met de nota Onbegrensd Talent een nieuw instrumentarium voor de bevordering van internationalisering in het leven geroepen. De beschikbare middelen werden voor het grootste deel toegekend in de vorm van projectsubsidies, waarvoor instellingen projectaanvragen (tenders) konden indienen, waaruit vervolgens een aantal door het Ministerie werd geselecteerd. De gehonoreerde projecten betreffen over het algemeen complexen aan activiteiten, variërend van bestuurlijke samenwerking via curriculumontwikkeling tot staf- en studentenmobiliteit. Hoewel studentenmobiliteit op zich nog een subsidiabele activiteit is, staat dit over het algemeen ten diensten aan een bredere projectdoelstelling. Afzonderlijke rapportages over mobiliteit zijn daarom niet beschikbaar.

Stimulering van studentenmobiliteit krijgt in de afgelopen jaren met name vorm in programma's gericht op specifieke doelgroepen, specifiek naar kwaliteit en nationaliteit: het Talentenprogramma, het Japan Prijswinnaars programma, TALIS, Huygens. De nadruk ligt op bevordering van samenwerking met specifieke landen via subsidiëring van getalenteerde individuen, die het potentieel hebben een `ambassadeursfunctie' te vervullen.

Met de verschijning van de beleidsbrief «Kennis: geven en nemen» verschuift het accent ook meer naar de instroom: een belangrijke nieuwe maatregel voor de internationalisering van het hoger onderwijs is de toezegging van 9 Mf aan middelen ter bevordering van met name de instroom van buitenlandse studenten uit bepaalde regio's. Over de precieze invulling van deze middelen zal nog nader dienen te worden overlegd.

In dit hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van de mobiliteit van studenten en staf in het hoger onderwijs in het kader van mobiliteitsprogramma's. De programma's die hierin zijn meegenomen worden hieronder opgesomd. De projectenprogramma's die de laatste jaren zijn ontwikkeld in het kader van de nota Onbegrensd Talent, zoals voor samenwerking met de grenslanden en voor export hoger onderwijs, kunnen hierbij zoals hierboven geschetst niet aan bod komen. In eerste instantie komen de instroom en uitstroom in het kader van de Nederlandse programma's aan bod, vervolgens de Europese programma's, en daarop de beursprogramma's voor samenwerking met ontwikkelings- en transitielanden.

Nederlandse programma's - Uitstroom

? VISIE

? VSB

? Talentenprogramma

? Culturele Verdragen-uitstroom en instituten

? JPP en Stir-Japan

? Stir (t/m 1997 c.q. `98)

Nederlandse programma's - Instroom

? Culturele Verdragen-instroom en Huygens

? KUBUS

? TALIS

? Japan Prijswinnaars Programma

? Ashok Ganguly

? PSP

Europese programma's

? Socrates (en voorganger Erasmus)

? Leonardo (en voorganger Comett)

? Tempus

Programma's voor ontwikkelings- en transitielanden

? Netherlands Fellowship Programme

? Tinbergen Scholarship Programme

? Enkele andere kleinere beursprogramma's voor studenten uit ontwikkelingslanden en landen in transitie.

In onderstaande figuur wordt een algemeen beeld gegeven van de mobiliteit per programma en per jaar. In de bijlage zijn meer gedetailleerde kwantitatieve overzichten opgenomen.

Figuur 3 Instroom studenten HO per programma

Wat onmiddellijk opvalt is het wegvallen van de omvangrijke Stir-programma's met ingang van 1997/98. De prognoses voor 1998/99 en
1999/2000 omvatten nog geen cijfers voor Socrates/Erasmus (dat is ook het geval voor het jaar 1995/96). Voor Tempus en Leonardo zijn na
1996/97 geen gegevens beschikbaar.

Figuur 4 Uitstroom studenten HO per programma

Voor 1995/96 kunnen voor het Erasmus-programma nog geen omvattende cijfers worden gepresenteerd. Voor de OS-programma's zijn geen prognoses voor 1998/99 en later beschikbaar.

In het vervolg van dit hoofdstuk en met name ook in de bijlagen worden meer gedetailleerde gegevens over de mobiliteit gepresenteerd. De volgorde van de tabellen in de bijdrage correspondeert met de volgorde van de bijbehorende paragrafen in dit hoofdstuk. Per programma geeft de eerste tabel inzicht in de ontwikkeling van de mobiliteit over de afgelopen vier jaar, naar regio van bestemming of herkomst. De daaropvolgende tabellen bevatten informatie over andere kenmerken van de mobiliteit en hebben betrekking op het meest recente jaar waarover gegevens beschikbaar zijn (meestal 1997/98).


4.2 Nederlandse internationaliseringsprogramma's


4.2.1 Uitstroom


4.2.1.1 VISIE

Dit programma is gericht op schoolverlaters die een volledige studie in het buitenland willen volgen. VISIE staat voor Volledige Internationale Studie In Europa. Met deze beurs kunnen in totaal 1000 studenten verspreid over drie aanvraagjaren een volledige hoger onderwijsopleiding volgen in een van de landen van de Europese Unie of de Europees Economische Ruimte. Deze landen zijn België, Duitsland, Denemarken, Finland, Frankrijk, Griekenland, Ierland, Italië, Luxemburg, Noorwegen, Oostenrijk, Portugal, Spanje, Groot-Brittannië, IJsland en Zweden. Er is een lijst opgesteld van instellingen in deze landen die opleiden tot een diploma dat gelijkwaardig is aan een Nederlands diploma: de student dient zich in te schrijven bij een instelling die op deze lijst voorkomt.

Om in aanmerking te komen voor een VISIE beurs hoeft men geen Nederlands staatsburger te zijn. Wel moet de aanvragen in de afgelopen
5 jaar een jaar onderwijs gevolgd hebben bij een erkende Nederlandse onderwijs instelling, waaronder de erkende International Schools in Nederland. Dit verklaart waarom er zoveel buitenlanders een VISIE beurs genieten.

Vanwege omstandigheden kon de voorlichting en promotie over dit programma pas op een relatief laat tijdstip beginnen. Tot op heden konden nog niet de volledige beschikbare quota (150 in het eerste jaar, 350 in de navolgende jaren) worden toegekend. Er is echter wel een duidelijke stijgende lijn in het aantal toekenningen. Bij dit programma is evenals bij andere programma's Engeland veruit de favoriete bestemming met zelfs meer dan 90% van de bursalen. Bedrijfskunde, sociale wetenschappen, kunst en vormgeving en talen zijn de meest voorkomende vakgebieden. In het eerste jaar waren de vrouwelijke studenten in de meerderheid, de balans is in het tweede toekenningsjaar gelijk.


4.2.1.2 Stichting VSB Fonds

In oktober 1998 kreeg de Nuffic het beheer van het VSB Beurzenprogramma formeel toegewezen door het VSB Fonds. De eerste lichting VSB Bursalen waarvan de administratie door de Nuffic wordt gevoerd, betreft de lichting studenten die in het academisch jaar
1999-2000 naar het buitenland zal vertrekken. Het gaat bij dit programma om studenten die direct na afronding van hun studie gedurende een periode van minimaal drie maanden en maximaal twee jaar in het buitenland een vervolgstudie willen volgen of onderzoek willen doen. Alle 13 universiteiten en circa 40 hogescholen in Nederland nemen deel aan het VSB Beurzenprogramma. De instellingen zijn zelf verantwoordelijk voor de selectie, op basis van richtlijnen die door het VSB Fonds zijn vastgesteld. Het aantal te selecteren kandidaten hangt samen met het aantal voltijds studenten van de betreffende onderwijsinstelling.

Ook voor dit programma geldt dat de overzichten betrekking hebben op de toekenningen en dat er in de realisatie nog wijzigingen kunnen optreden.

Voor 1999-2000 zijn in totaal 98 beurzen toegekend, waarvan 92 aan WO-studenten en 106 aan HBO-studenten. Ook hier zijn het Verenigd Koninkrijk en andere Engelstalige landen (het programma kent geen geografische beperkingen) favoriet met in totaal tweederde van de beurzen. Bij de universitaire studenten is de sector letteren en cultuur het meest in trek; bij de HBO-studenten domineren de sector economie en de kunstvakopleidingen. Meer gedetailleerde overzichten zijn te vinden in bijlage III.


4.2.1.3 Talentenprogramma

Het Talentenprogramma is met ingang van 1997/98 ingesteld door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en biedt aan pas afgestudeerden de mogelijkheid om een jaar aan een buitenlandse gerenommeerde instelling te studeren in een van de landen die voor Nederland politiek en economisch belangrijk zijn: de Europese Unie, de Europese Economische Ruimte en de landen van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling.

In het overzicht van de cijfers van het Talentenprogramma valt direct op dat door de jaren de participatie door het WO beduidend hoger ligt dan van het HBO, hoewel er wel een duidelijke groei van de deelname van het HBO te constateren valt (14% - 17% - 20% van de toekenningen in 1997, 1998 en 1999).

In het Talentenprogramma is een lichte stijging te constateren tussen
1997 en 1999. De voornaamste landen die in het kader van dit programma bezocht worden zijn achtereenvolgens Groot-Brittannië (43%), de Verenigde Staten (25%), Frankrijk (8%) en België (6%).

Bij het WO is het aantal toekenningen over de periode 1997-1999 voor de richting Taal en Cultuur hoog (zo'n 30%). Ook Rechten kon rekenen op een relatief hoog percentage toekenningen (21%).

Bij het HBO zijn de toekenningen veel meer gespreid over verschillende vakgebieden.


4.2.1.4 Stir-Japan en Japan Prijswinnaars Programma

In het kader van het Stir-Japan programma kunnen instellingen projectaanvragen indienen voor samenwerking met Japen.

Het Japan Prijswinnaars Programma (JPP) is een programma van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen dat jaarlijks twintig briljante afgestudeerden in de gelegenheid stelt een jaar lang kennis te maken met de Japanse taal en cultuur en het Japanse bedrijfsleven. Het doel van het JPP is een nieuwe generatie managers bij het bedrijfsleven, de overheid en de wetenschappelijke sector te creëren die vertrouwd is met de Japanse (bedrijfs-)cultuur. Het programma is tot nog toe alleen toegankelijk voor WO-studenten.

Het programma duurt in totaal een jaar. Eerst volgen de kandidaten een intensieve taal- en cultuurtraining van 4 maanden aan de Rijksuniversiteit Leiden. Daarna vertrekken ze voor zeven maanden naar Japan waar ze zowel taallessen en colleges volgen als stage lopen bij een bedrijf of een (semi-)overheidsinstelling. Tenslotte volgt een afrondende periode van een maand in Nederland waarin de deelnemers een eindverslag schrijven. De beurs bedraagt ongeveer 2000 gulden per maand plus reiskosten en huisvesting in Japan.

Het beheer van het Japan Prijswinnaars Programma is per 1 januari 1999 overgegaan naar de Universiteit Leiden.

Techniek is het meest voorkomende vakgebied bij JPP-bursalen. Mede hierdoor zijn de mannelijke bursalen in de meerderheid.

De meeste studenten zijn 23 of 24 jaar oud. Dit volgt ook uit de richtlijn van het programma dat direct aansluit op het afstuderen en zich richt op kwalitatief goede kandidaten die geen studievertraging hebben opgedaan.


4.2.1.5 Culturele Verdragen uitstroom

De Nederlandse overheid heeft met een aantal landen bilaterale overeenkomsten gesloten om de samenwerking op cultureel, educatief en wetenschappelijk gebied te bevorderen. Vaak zijn daarbij afspraken gemaakt over uitwisselingen op het gebied van wetenschappelijk onderwijs en onderzoek. Nederlandse studenten en wetenschappers kunnen op grond van deze afspraken tijdelijk studeren, onderzoek doen of een werkbezoek afleggen in een ander land, dat daarvoor beurzen beschikbaar stelt. De Nederlandse overheid verleende op haar beurt beurzen aan buitenlandse studenten en wetenschappers om in Nederland te studeren of onderzoek te doen. De studiebeurzen waren vrijwel uitsluitend bestemd voor laatstejaars studenten en pas afgestudeerden van universiteiten, studenten of afgestudeerden aan kunstacademies of conservatoria en onderzoekers.

Met ingang van 1 januari 1999 zijn de gelden gemoeid met deze uitwisselingen omgezet in een nieuw beurzenfonds ter bevordering van de instroom, het Huygens programma (High-level University Year to Gain Excellence in the Netherlands), zie hieronder.

Onder Nederlandse studenten werd de laatste jaren steeds minder gebruik gemaakt van de beursmogelijkheden van de Culturele Verdragen. Met de invoering van het Huygens-programma dat de instroom in het kader van de Culturele Verdragen vervangt, zijn de mogelijkheden voor uitstroom van Nederlandse studenten onzeker geworden. De overheden van de landen waarmee Culturele Verdragen zijn afgesloten maken elk voor zich de afweging of zij het beursaanbod voor Nederlandse studenten van hun kant zullen handhaven of zullen wijzigen. Enkele landen hebben reeds aangegeven het beursaanbod in te perken. Op dit moment (oktober
1999) bestaat nog geen volledig overzicht.

Deze ontwikkelingen zullen uiteraard gevolgen hebben voor de mobiliteitspatronen die in het kader van de Culturele Verdragen in de afgelopen periode zijn ontstaan (voor de cijfers wordt verwezen naar bijlage III). Hieronder volgt een schets van die patronen:.

De beurzen worden voornamelijk gebruikt door studenten taal en cultuur, en gedrag en maatschappij. Bij de talenstudenten domineren de vrouwen, bij gedrag en maatschappij de mannen.

De gemiddelde leeftijd bij de uitstroom is vrij hoog; recent afgestudeerden of laatstejaars zijn goed vertegenwoordigd. De mannen zijn gemiddeld ouder dan de vrouwen.

Het merendeel van de studenten verblijft een langere periode, veelal een volledig academisch jaar, in het buitenland. Bij taal en cultuur studeert een kwart een maand in het buitenland; het gaat dan om zomercursussen taal en cultuur.

Voornamelijk universitaire studenten maken gebruik van CV beurzen. De HBO-studenten zijn hoofdzakelijk afkomstig van instellingen voor hoger kunstonderwijs. In het kader van Culturele Verdragen vinden geen stages of combinaties van studie en stage plaats. Om een idee te geven van de verhouding tussen WO en HBO studenten: in 1997/98 bestond 86% van de uitstroom uit WO studenten tegenover 6% HBO studenten. Voor wat betreft de instroom gold: 40% WO tegenover 15% HBO.

In de bovenstaande beschrijving en in de bijlagen is ook informatie verwerkt over de uitstroom naar het Europees Universitair Instituut in Florence en naar het Europa College te Brugge.


4.2.1.6 European Union - China Junior Managers Training Programme (EU-CJMTP)

Sinds april 1999 is de Nuffic als nationale coördinator betrokken bij het European Union - China Junior Managers Training Programme (EU-CJMTP), gefinancierd door de Europese Unie. Doel van het programma is om jonge Europese managers de mogelijkheid te bieden Chinees te leren en stages te doen bij Chinese bedrijven. Dit dient te leiden tot meer wederzijds begrip en tot blijvende zakelijke en persoonlijke contacten. Jaarlijks wordt een maximum van 45 hooggekwalificeerde managers geselecteerd voor twee cursussen: of een 3-maandse opfriscursus Chinees gevolgd door twee stages/projecten van vier maanden bij bedrijven, of een 11-maandse basistraining Chinees gevolgd door een stage van 3 maanden bij een bedrijf. De Nuffic is binnen Nederland verantwoordelijk voor de promotie en pre-selectie van kandidaten. Dit jaar maken twee Nederlandse kandidaten deel uit van de groep van 21 die uiteindelijk geselecteerd is.


4.2.1.7 Stir

Het Stir-programma (Stimulering Internationalisering van het Nederlands hoger onderwijs) is een inmiddels beëindigd programma, dat een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de internationalisering van het Nederlandse hoger onderwijs, met name het HBO, en in het bijzonder de studentenmobiliteit. Het kende een looptijd van 1988 tot en met 1996, met een uitloop tot in 1997. Het programma werd in 1988 ingesteld door het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen met als doelstelling de internationale oriëntatie van het Nederlandse hoger onderwijs te stimuleren. Er werden afzonderlijke programma's ingesteld voor universiteiten (Stir-WO) en voor hogescholen (Stir-HBO). Parallel hieraan heeft ook het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (LNV) een Stir-programma voor het agrarisch onderwijs ingesteld. De mobiliteitsgegevens voor het Hoger Agrarisch Onderwijs (HAO) zijn terug te vinden in bijlage III.

Met ingang van 1997 is het Stir-programma (voor WO en HBO) beëindigd. Vanwege de programmasystematiek liepen de toekenningen nog in 1997 door. In 1997 heeft het Ministerie van OCenW een overgangsregeling ingesteld voor de jaren 1997 en 1998, die voorzag in twee jaarbedragen van ieder 1,5 Mf die over de instellingen werden verdeeld ten behoeve van uitgaande studentenmobiliteit, naar bestemmingen binnen de Europese Unie, voorzover niet reeds ondersteund door middelen ontvangen uit Europese programma's (zoals Socrates en Leonardo). Verdeling vond plaats naar rato van het aantal ingeschreven studenten.

De Stir-beurzen werden veel gebruikt voor studie in Noord-Amerika (de VS en Canada).

In Stir-HBO waren de overige EU-landen belangrijke bestemmingen. De aanvankelijk verhoudingsgewijs geringere deelname van hogescholen aan de Europese programma's kan hiervoor een verklaring zijn.

Ook in het hoger agrarisch onderwijs waren de andere West-Europese landen de belangrijkste bestemmingen.

In het WO maakten meer vrouwen dan mannen gebruik van een Stir-beurs. Zij waren vooral goed vertegenwoordigd bij taal en cultuur, gezondheid, gedrag en maatschappij en ook recht. De mannen domineerden bij techniek en economie.

Ook in Stir-HBO waren de vrouwen beter vertegenwoordigd. Het betreft hier dezelfde sectoren als bij WO, met uitzondering van recht en met aanvulling van onderwijs. Daarnaast waren zij, in tegenstelling tot hun universitaire medestudentes, ook in de economische sector beter vertegenwoordigd. Alleen in de techniek waren er meer mannelijke dan vrouwelijke bursalen.

Het merendeel van de studenten in Stir-WO is 23 of 24 jaar oud. Er zijn geen opmerkelijke verschillen tussen mannen en vrouwen. Voor Stir-HBO is er geen verdeling naar leeftijd beschikbaar. Van de 3.853 studenten in 1996/97 waren 2.265 vrouw en 1.588 man.

Ruim de helft van de WO-studenten brengt een semester in het buitenland door. Ruim een kwart beperkt zich tot een periode van 2 of
3 maanden. Studenten techniek en gezondheid studeren verhoudingsgewijs vaker kortere perioden in het buitenland.

Ook in het HBO volgt ruim de helft van de studenten gedurende ongeveer een semester een studie of stage in het buitenland. Hierbij zijn het de studenten onderwijs, en eveneens taal en cultuur en gezondheid, die een kortere periode prefereren.

Zoals in de lijn der verwachting ligt, zijn het met name de HBO-studenten die een stage volgen in het buitenland. Maar ook een aanzienlijk deel van de WO-studenten volgt een stage of een combinatie van studie en stage in het buitenland.

In het HAO worden Stir-subsidies ook regelmatig gebruikt voor excursies of andere vormen van bezoeken over de grens. De West Europese landen vormen de belangrijkste bestemmingen, gevolgd door bestemmingen in Oost Europa en Amerika.

De Landbouwuniversiteit heeft al vanaf 1996 geen aparte middelen meer gekregen voor mobiliteit. De beleidskeuze van zowel het landbouwonderwijs zelf als van het ministerie was om `mobiliteit' te integreren in projecten.

Voor het HAO zijn deze afzonderlijke middelen wat langzamer afgebouwd op grond van dezelfde beleidskeuze. Voor het HAO was 1997 het laatste jaar.

De AOCs hebben in 1998 nog een apart bedrag gekregen van f. 120.000,-- voor studenten- en docentenmobiliteit samen. Voor de AOCs was 1998 wat aparte middelen betreft het laatste jaar.

Met ingang van 1999 hebben de AOCs hun mobiliteit ondergebracht in twee bredere koepelprojecten met wel een uitdrukkelijke mobiliteitscomponent. Ook hierachter is de gedachte: mobiliteit dient gestimuleerd te worden, maar wel in een breder kader van internationalisering.


4.2.2 Instroomprogramma's


4.2.2.1 Huygens

Zoals hierboven onder `Culturele Verdragen' is aangegeven, zijn de gelden die gemoeid waren met de uitwisselingen van studenten in het kader van de Culturele Verdragen die Nederland met een veertigtal landen heeft afgesloten, met ingang van 1 januari 1999 omgezet in een nieuw beurzenfonds ter bevordering van de instroom, het Huygens programma (High-level University Year to Gain Excellence in the Netherlands).

Dit fonds verstrekt met name beurzen voor getalenteerde studenten afkomstig uit een van de prioritaire landen van het ministerie van OCenW (Rusland, Hongarije en Tsjechië; Indonesië, China, Japan en Zuid-Afrika). Daarnaast is een gedeelte van het budget geoormerkt voor getalenteerde kandidaten uit andere landen, en is een gedeelte van het budget geoormerkt voor studenten Nederlands uit zowel prioritaire als niet-prioritaire landen.

Vanwege de nieuwe opzet van het Huygens-programma, waarbij de selectie van bursalen door een Nederlandse selectiecommissie plaatsvindt, zijn reeds gegevens beschikbaar over de toekenningen voor het jaar
1999/2000. Het kan zijn dat er nog marginale wijzigingen optreden in de realisatie ten opzichte van deze gegevens, als gevolg van onvoorziene omstandigheden. Daarover zal in de volgende editie van de Monitor worden gerapporteerd.

In totaal zijn voor 1999/2000 174 beurzen toegekend, waarvan 105 aan studenten uit de prioritaire landen en 69 aan studenten uit overige landen. Hogescholen blijven als instellingen van bestemming achter bij universiteiten, hoewel er wel een duidelijke toename ten opzichte van de situatie in het kader van de Culturele Verdragen valt te constateren. De kunsten, sociale wetenschappen en talen zijn de drie meest voorkomende studierichtingen. Voor een gedetailleerd overzicht wordt verwezen naar de bijlage.

De instroom tot en met 1997/98 in het kader van de Culturele Verdragen is steeds relatief stabiel geweest. De kleine terugloop de laatste jaren vanuit de EU is te verklaren door de geleidelijke afbouw van de beursmogelijkheden met de andere EU-landen in dit kader.

De vrouwen hebben de overhand, en taal en cultuur is het best vertegenwoordigde vakgebied. Daarnaast is er echter een redelijk evenredige spreiding over de andere vakgebieden, waarin de mannen overigens bijna overal beter vertegenwoordigd zijn. De gemiddelde leeftijd ligt vrij hoog; de meerderheid van de bursalen heeft de initiële opleiding voltooid en is met een vervolgstudie bezig. De mannen zijn gemiddeld ouder dan de vrouwen.

De duur van het verblijf varieert sterk. Hoewel veel studenten een langere periode in Nederland studeren, komt er ook een groot gedeelte voor een 1-maandse zomercursus recht of taal en cultuur naar Nederland.


4.2.2.2 KUBUS

Dit programma is gericht op buitenlandse studenten die in Nederland een opleiding in het kunstvakonderwijs willen volgen. Aangezien voor deze opleidingen een hoger wettelijk collegegeld geldt dan voor overige opleidingen, is dit programma in het leven geroepen met als doel het verschil voor deze studenten te vereffenen. De Nuffic toetst de aanvragen van getalenteerde minder draagkrachtige studenten op formele gronden. In 1998 hebben 141 kunststudenten een KUBUS-beurs ontvangen.


4.2.2.3 TALIS

Dit programma is onderdeel van het (voormalig) exportbeleid van het Ministerie van OCenW en voorziet in een beperkt aantal beurzen voor getalenteerde Indonesische studenten. In 1998 hebben 15 studenten via dit programma een beurs ontvangen voor studie in ons land.


4.2.2.4 Ashok Ganguly en PSP

Het Ashok Ganguly programma betreft een klein programma voor Indiase onderzoekers die een onderzoeksperiode in Nederland willen doorbrengen. Het programma wordt gezamenlijk door het Ministerie van OC en W en Unilever gefinancierd, in de jaren 19989 en 1999000. In
19989 zijn 3 beurzen uitgereikt, in 1999000 1 beurs.

Het Presidential Scholarships Programme biedt met ingang van 19989 beperkte mogelijkheden aan Russische bursalen: in 19989 zijn 2 beurzen toegekend, in 1999000 is 1 beurs uitgereikt.


4.2.2.5 Jean Monnet Fellowships Programme (JMF)

Het Jean Monnet Fellowships Programme (JMF) wordt gefinancierd door de Europese Unie. Het JMF biedt Turkse studenten de mogelijkheid (een deel van) hun studie in Europa te volgen. Het programma dient bij te dragen aan de intensivering van de contacten tussen de Europese Unie en Turkije. Het JMF heeft jarenlang een min of meer slapend bestaan geleid, maar heeft in 1999 een nieuwe start gemaakt. De komende 4 jaar worden beurzen beschikbaar gesteld aan 200 Turkse studenten. Samen met de British Council en de DAAD zorgt de Nuffic voor de plaatsing en begeleiding van studenten. In 1999 zullen tussen de 40 en 50 studenten beginnen met hun studie in verschillende Europese landen.


4.3 Europese internationaliseringsprogramma's


4.3.1 Socrates/Erasmus

Het Socrates-programma van de Europese Unie heeft als hoofddoel het bevorderen van samenwerking tussen de deelnemende landen op onderwijsgebied. Het programma omvat het gehele onderwijs, dus zowel basis-, voortgezet, als hoger onderwijs. Het onderdeel dat betrekking heeft op het hoger onderwijs draagt de naam Erasmus. Binnen dit onderdeel zijn beurzen beschikbaar voor studenten die tijdelijk in het kader van een Erasmus-overeenkomst in het buitenland gaan studeren en, onder bepaalde voorwaarden, voor hen die een buitenlandse stage doen. De beurzen worden niet toegekend aan studenten maar aan hogescholen en universiteiten. Die bepalen ook zelf wie voor een beurs in aanmerking komt. Eerstejaars kunnen in ieder geval geen beurs krijgen.

De periode waarvoor een Erasmus-beurs wordt toegekend, verschilt per uitwisselingsovereenkomst en varieert van drie maanden tot een academisch jaar. Een Erasmus beurs kan worden aangevraagd voor alle vijftien landen van de Europese Unie, plus IJsland, Noorwegen en Liechtenstein. Voor het Academische jaar 1995/96 waren ook beurzen beschikbaar voor stages naar Zwitserland.

De voormalige Lingua-beurzen zijn met ingang van 1995 ook opgenomen in het Erasmus-programma. De hoogte van een Erasmus-beurs is afhankelijk van de duur van de buitenlandse studieperiode, het bestemmingsland en het aantal gegadigden. De beurs bestaat uit een tegemoetkoming in de reiskosten en een vergoeding per maand.

De totale uitstroom is na een afname in 1996/97 gestabiliseerd in
1997/98.De prognose voor 19989 is een lichte groei. Het Verenigd Koninkrijk is met voorsprong de favoriete bestemming, gevolgd door Frankrijk, Spanje en Duitsland.

Economie steekt met kop en schouders boven de andere vakgebieden uit. Gedrag en maatschappij en taal en cultuur zijn nummers 2 en 3. Er zijn in de meeste vakgebieden meer vrouwelijke bursalen, met uitzondering van techniek, landbouw en natuurwetenschappen.

Het merendeel van de studenten is 21 of 22 jaar en daarmee jonger dan in de eerder besproken programma's. Het programma richt zich ook expliciet op uitwisselingsstudenten en niet op reeds afgestudeerde, zoals VSB, JPP en Talentenprogramma.

Het overgrote gedeelte van de bursalen studeert een semester in het buitenland. Kortere periodes zijn ook populair, langere periodes komen minder vaak voor.

In Erasmus brengen relatief weinig studenten een stageperiode in het buitenland door, ook studenten uit het HBO.

Gegevens over de instroom van Erasmus-studenten kunnen alleen via de andere Erasmus-agentschappen worden verzameld. Deze worden met een vertraging van enkele jaren verwerkt en door Brussel gepubliceerd. Daarnaast zamelt het Nederlandse agentschap op eigen initiatief informatie over mobiliteit naar Nederland in bij de buitenlandse collega's. Het blijkt dat de instroom in 1997/98 net als in 1996/97 aanmerkelijk hoger is dan de uitstroom.


4.3.2 Leonardo da Vinci

Het Leonardo Da Vinci programma is het Europese programma voor beroepsonderwijs en beroepstraining. Doel van het programma is het stimuleren van kwaliteit en vernieuwing van het beroepsonderwijs en het versterken van de Europese dimensie. Het programma richt zich zowel op de onderwijssystemen van de Lidstaten en de geassocieerde landen als op maatregelen voor bedrijven en werknemers. Subsidies zijn mogelijk voor onderwijsontwikkeling (proefprojecten), voor studentenstages en stafuitwisseling (mobiliteitsprogramma's) en voor onderzoek van beroepsonderwijs ('survey and analyses' projecten).

Het programma bestrijkt het gehele beroepsopleidingenveld, van het lager beroepsonderwijs en het leerlingenwezen tot en met het hoger en post-hoger onderwijs voorzover dit beroepsvormend en/of beroepsondersteunend is. Voor de mobiliteit van staf en studenten in het hoger onderwijs kent het programma twee maatregelen:


- beurzen voor buitenlandse bedrijfsstages van studenten en recent afgestudeerden;


- subsidie voor de uitwisseling van personeel tussen ondernemingen en onderwijsinstellingen.

De buitenlandse bedrijfsstages zijn bedoeld om voor de student/afgestudeerde de toegang tot de arbeidsmarkt te vergemakkelijken. Ze zijn tevens bedoeld om bedrijven transnationale ervaring te laten opdoen en steun te bieden bij de toepassing van nieuwe technologieën en de ontwikkeling van nieuwe produkten en diensten. De stages zijn in hoofdzaak gericht op het verwerven van aanvullende beroepskwalificaties en op het verwezenlijken van individuele loopbaanplanning.

De transnationale uitwisseling van personeel tussen ondernemingen en onderwijsinstellingen vindt plaats in het kader van technologische vernieuwing van bedrijven en/of het verwerven van nieuwe trainingsmethodieken en opleidingsmethoden.

De uitvoering en beheer van het Leonardo-programma in Brussel, met name de procedures voor rapportage en registratie van gegevens, waaronder gegevens over studentenmobiliteit, vertoonde een aantal tekortkomingen. Op dit moment zijn er daarom geen recente gegevens over mobiliteit beschikbaar.


4.3.3 Tempus

Tempus staat voor Transeuropees Samenwerkingsprogramma voor Hoger Onderwijs. Het Tempus-programma heeft als doel om door middel van onderwijssamenwerking tussen de EU Lidstaten en de landen van Midden- en Oost-Europa (Tempus Phare) en de nieuw onafhankelijke staten (Tempus Tacis), de opbouw van een pluriforme democratie te bevorderen. Dit gebeurt door middel van inter-institutionele samenwerkingsprojecten, waarbinnen activiteiten zoals curriculumontwikkeling, institution building en mobiliteit van staf en studenten plaats vinden.

In het Tempus-programma zijn studentenbeurzen alleen beschikbaar voor uitwisseling binnen zogenaamde GEP's, Gezamenlijke Europese Projecten. Een GEP is een samenwerkingsverband tussen ten minste drie partners: één hoger onderwijsinstelling uit een steungerechtigd land en twee organisaties uit twee verschillende EU lidstaten, waaronder minimaal één instelling voor hoger onderwijs.

Tempus-Phare geldt voor erkende samenwerkingsverbanden met instellingen in Albanië, Bulgarije, Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Polen, Roemenië, Slovenië, Tsjechië of Slowakije. Het Tempus-Tacis programma is gericht op de Russische Federatie, Azerbeidzjan, Armenië, Georgië, Kazachstan, Kirgizië, Moldavië, Oezbekistan, Wit-Rusland en de Oekraïne.

Voor studie aan een instelling voor hoger onderwijs kunnen beurzen worden toegekend voor een periode variërend van drie maanden tot een academisch jaar. Voor stage in een bedrijf kan deze periode variëren van minimaal een maand tot maximaal een kalenderjaar.

In de tabellen in bijlage III wordt een overzicht gegeven van de mobiliteit in het kader van Tempus Phare. Gegevens voor Tempus Tacis zijn niet beschikbaar; in dit programma vindt echter weinig mobiliteit plaats.

De gemiddelde duur van een verblijf in 1996/97 was voor Nederlandse studenten 3,6 maanden, voor de Oost-Europese studenten 4,8 maanden. Evenals de geringere aantallen Nederlandse studenten die gebruik maken van een Tempus beurs, is dit een indicatie van de onevenwichtige interesse voor mobiliteit vanuit Nederland en vanuit Oost-Europa.

Zoals ook aangegeven in de Erasmus-paragraaf hierboven kunnen inmiddels alle toetredende landen deelnemen aan Socrates/Erasmus, waarmee financiering van mobiliteit in het kader van Tempus niet meer mogelijk is. Aangezien deze landen het leeuwendeel van de mobiliteit van en naar Nederland voor hun rekening namen, zal mobiliteit in het kader van Tempus zeer gering in omvang zijn. Precieze cijfers zijn sinds 1996/97 niet meer beschikbaar; de European Training Foundation, de centrale beheersorganisatie voor het Tempus-programma, heeft besloten dat registratie van individuele mobiliteit naar verhouding een te grote belasting voor het apparaat zou betekenen. Gegevens over mobiliteit worden dus alleen nog maar decentraal, dat wil zeggen door de deelnemende instellingen, bijgehouden. In het kader van deze Monitor zijn geen surveys voorzien met behulp waarvan deze informatie zou kunnen worden verzameld.


4.4 Programma's voor samenwerking met ontwikkelings- en transitielanden


4.4.1 Netherlands Fellowship Programme

Het Netherlands Fellowship Programme (NFP) van het Directoraat-Generaal Internationale Samenwerking (DGIS) biedt afgestudeerden uit ontwikkelingslanden met werkervaring de mogelijkheid om hun kennis en vaardigheden te verrijken aan een van de Nederlandse instellingen voor internationaal onderwijs. Het leeuwedeel van de fondsen (95%) wordt rechtstreeks aan de Internationaal Onderwijs (IO)-instellingen ter beschikking gesteld die dan zelf de bursalen selecteren.

De resterende 5% wordt door de Nuffic na goedkeuring door DGIS rechtstreeks aan bursalen verstrekt voor het volgen van een tailor-made opleiding. De kwantitatieve gegevens zoals gepresenteerd in bijlage III hebben uitsluitend betrekking op deze 5%. Hier wordt ook wel naar verwezen als het Speciaal Beurzen Programma (SBP).


4.4.2 Speciaal Beurzen Programma

Het SBP is gericht op het zo ruim en flexibel mogelijk tegemoet komen aan de vraag naar bij voorkeur groepsopleidingen van organisaties in ontwikkelingslanden. Het SBP biedt beurzen voor speciale - tailor made
- opleidingen buiten de mogelijkheden van het Beurzenprogramma Internationaal Onderwijs (BIO) en Universitair Beurzen Programma (UBP), om zodoende optimaal in te kunnen spelen op de behoeften in ontwikkelingslanden, daarbij gebruik makend van de in Nederland aanwezige onderwijscapaciteit. Het gaat hier expliciet niet om reguliere opleidingen die in Nederland worden aangeboden door de IO-instellingen. Het tailor-made karakter van het SBP brengt met zich mee dat aan opleidingen in SBP-kader geen diploma's of Master-titels zijn verbonden. Het SBP is in 1996 gestart, en kwam voort uit het programma `NFP non-regulier'.

Het SBP is bestemd voor midden- en hoger kader van overheidsdiensten, onderwijsinstellingen, particuliere ontwikkelingsorganisaties, midden- en klein bedrijven. Om in aanmerking te komen voor het SBP, dienen kandidaten afkomstig te zijn uit de DAC landen, met een concentratie op specifieke landen (in 1998: China, Vietnam, Palestijnse Autonome Gebieden, Zuid-Afrika). De landenlijst wordt ieder jaar vastgesteld door het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

Zoals uit de kwantitatieve gegevens (zie: bijlage III) valt af te lezen was het overgrote deel van de bursalen afkomstig uit Aziatische landen.

Economie is het meest voorkomende vakgebied, op grote afstand volgen landbouw en taal en cultuur. Over de hele linie zijn mannelijke bursalen in de meerderheid.

Uitgesplitst naar leeftijd blijkt dat de bursalen inderdaad de eerste fase van hun loopbaan al voorbij zijn. Daarnaast valt op dat in de jongere leeftijdsgroepen de vrouwen relatief beter zijn vertegenwoordigd.

De meeste bursalen volgen een gerichte training van een paar maanden. Bij taal en cultuur en bij landbouw zijn de opleidingen ook wel van langere duur.

De NFP-bursalen komen hoofdzakelijk aan IO-instellingen in Nederland studeren.


4.4.3 Tinbergen Scholarship Programme

Het Jan Tinbergen Scholarships Programme (TSP) is gekoppeld aan het Medefinancieringsprogramma voor Universitaire en Hoger Beroeps Onderwijs samenwerking (MHO) van de Nederlandse overheid en loopt met ingang van 1995/96. In het MHO werken twaalf geselecteerde onderwijsinstellingen in ontwikkelingslanden met Nederlandse hogescholen en universiteiten samen.

Doel van het Jan Tinbergen Scholarships Programme is het tot stand brengen van studentenuitwisseling via het MHO-programma. Op jaarbasis zijn voor Nederlandse studenten minimaal 40 beurzen beschikbaar voor een studie- of stageperiode van vier tot acht maanden.

Een TSP beurs kan worden aangevraagd voor alle universiteiten in alle ontwikkelingslanden. Voorwaarde is wederzijdse samenwerking tussen landen.

Bij de uitstroom is er groot verschil wat betreft de bestemming tussen de drie jaren, bij de instroom is er ook verschil maar blijft Afrika de belangrijkste zendende regio.

Techniek is het meest voorkomende vakgebied. Ging in 1996/97 nog 3/5 van de beurzen naar mannelijke studenten in de periode 1997/98 trad hierin een kentering op.

Bij de instroom in 1996/97 is het overwicht van mannen groter en betreft alle vakgebieden behalve, opvallend, techniek. In de periode
1997/98 is het verschil in aantallen tussen mannen en vrouwen teruggelopen. Het gaat echter om zeer kleine verschillen.

De meeste bursalen blijven voor een semester weg. Dit geldt ook voor de instroom.

De Nederlandse bursalen zijn voornamelijk (31 van de 50) afkomstig uit het WO, de overige 19 van hogescholen. Het merendeel van de inkomende TSP-studenten studeren allen aan een WO-instelling. Slechts 20% aan een HBO-instelling.


4.4.4 Universitair Beurzen Programma

Het Universitair Beurzen Programma (UBP) is in 1996 ingesteld door DGIS. Het UBP biedt beurzen aan recent afgestudeerden voor korte (post) academische opleidingen aan Nederlandse universiteiten om deelnemers in staat te stellen kennis en ervaring op te doen in Nederland, met het doel op deze wijze een bijdrage te leveren aan de kennis- en capaciteitsopbouw in ontwikkelingslanden.

Afrika is de belangrijkste regio van herkomst.

Het gaat hier vooral om studenten gezondheid en onderwijs. De mannen zijn in de meerderheid Onderwijs en gezondheidszorg zijn de populairste studierichtingen, zowel bij mannen als vrouwen. De leeftijd van de UBP-bursalen wordt niet bijgehouden.

Uitgesplitst naar de duur van het verblijf valt op dat de bursalen voor natuur en onderwijs ongeveer een academisch jaar in Nederland studeren, en in de andere vakgebieden veelal langer dan een kalenderjaar. Uit de aard van het programma studeren alle UBP-bursalen aan een WO-instelling.


4.4.5 Overige OS-programma's

De Nuffic beheert diverse kleine beursprogramma's voor buitenlandse studenten namens verschillende internationale en buitenlandse instanties, zoals de European Development Fund (EDF), de Food and Agricultural Organisation (FAO), de International Atomic Energy Agency (IAEA). De gegevens voor deze mobiliteit is samengevoegd in de tabellen (in bijlage III), onder de ad hoc noemer `Overige OS-programma's'.

Meerderheid van de deelnemers komt uit Azië en Afrika. Er zijn geen gegevens bekend over leeftijd en geslacht van deze studenten.

Over het algemeen studeren deze bursalen hetzij voor een periode van enkele maanden, hetzij juist voor een periode van ongeveer een jaar in Nederland. Het gaat voornamelijk om studenten techniek, landbouw en gezondheid.

Deze bursalen studeren aan verschillende typen Nederlandse instellingen.


4.5 Europese vergelijking

De uitstroom vanuit de verschillende Europese landen in het kader van Socrates/Erasmus programma vergeleken met cijfers van de andere deelnemende landen. Vanwege de vergelijkbare uitvoerings-modaliteiten van dit programma in de verschillende betrokken landen is het interessant om een dergelijke vergelijking te trekken. Gegevens zijn afkomstig van het Brusselse Socratesbureau.

In onderstaande figuur is de ontwikkeling van de uitgaande mobiliteit te zien in de afgelopen vier jaar, uitgesplitst naar de verschillende landen. De concrete cijfers voor Nederland staan op de betreffende plaats in de kolommen aangegeven. Naast de terugval in 19967 en het herstel in 19978 valt op dat Nederland een middenmoter is na de landen Engeland, Italië, Frankrijk, Spanje en Duitsland (van boven naar onder in deze kolommen). Voor 19989 zal de stijgende lijn zich naar verwachting doorzetten; vanaf 1999000 staat de mobiliteit met name in het teken van de uitbreiding van het programma naar een pre-accessielanden. De disbalans tussen in- en uitstroom, waarbij een aantal landen, met Engeland ver bovenaan, een groot instroom-overschot hebben (ook Nederland hoort overigens tot die groep), geldt ook voor de nieuwe toetredende landen. Naar het zich nu laat aanzien is de uitstroom vanuit Midden-Europa naar EU en EER-landen aanmerkelijk groter dan omgekeerd. Precieze cijfers daarover zullen pas over enige tijd beschikbaar zijn.

Figuur 5 Uitstroom studenten HO naar bestemmingsland (1994/98)


4.6 Samenvattend

In deze paragraaf worden de gegevens van de bovenbeschreven programma's in geaggregeerde vorm weergegeven. In de programmaportefeuille is een duidelijke breuk te zien tussen de oudere, meestal grotere programma's (in termen van aantallen studenten), waarvan met een vertraging van minstens een jaar gegevens beschikbaar komen, en nieuwe, over het algemeen kleinschalige programma's waarvan gegevens over toegekende beurzen reeds voorafgaand of in de loop van het jaar van het buitenland verblijf bekend zijn. Dit vanwege de grotere rol van de Nuffic in het proces van selectie en toekenning. Voor deze programma's is het dus mogelijk om gegevens tot en met 2000 weer te geven. Vanwege de discrepantie met de andere programma's is er in deze editie van de Monitor nog voor gekozen om in deze afsluitende paragraaf alleen gegevens tot en met 19978 op geaggregeerd niveau weer te geven.

Figuur 6 Totale uitstroom in het HO naar regio van bestemming (1994/98)

De meeste uitgaande mobiliteit is gericht op andere EU-landen. Daarom is ook de terugloop in het aantal beschikbare beurzen (wegvallen Stir) hier het duidelijkst. Ook speelt mee dat er geen Leonardo-cijfers van na 1995/96 beschikbaar zijn. Zie ook figuur 1.

Ook inkomende mobiliteit heeft voornamelijk plaats binnen de Europese context. Voorop staat de instroom uit EU-landen, gevolgd door studenten uit Oost-Europese landen. Uit ontwikkelingslanden komen studenten voornamelijk uit Azië en Afrika.

Figuur 7 Totale instroom in het HO naar land van herkomst

De hier beschreven programma's geven voor een groot deel geografische richting aan de mobiliteit. Met het wegvallen van het Stir-programma, dat geen beperkingen kende ten aanzien van de bestemming, en de begin
1999 doorgevoerde omvorming van de Culturele Verdragen tot een beurzenfonds hoofdzakelijk voor prioritaire landen, zijn vrijwel alle programma's voor zowel uitstroom als instroom sturend voor wat betreft de bestemming c.q. herkomst van de student.

Als wordt gekeken naar specifieke landen binnen Europa, is Het Verenigd Koninkrijk de belangrijkste bestemming voor. studenten.

Voor de instroom is een dergelijke uitsplitsing niet zinvol vanwege het ontbreken van seriegegevens over de Erasmusmobiliteit, die verreweg het grootste gedeelte uitmaakt. Bij de overige programma's samen genomen valt op dat de instroom uit Azië het grootste gedeelte uitmaakt en groeiende is.

Figuur 8 Totale uitstroom in het HO naar vakgebied en geslacht (1997/98)

Figuur 9 Totale uitstroom in het HO naar type instelling en type mobiliteit (1997/98)

Op alle vakgebieden behalve techniek, landbouw en natuurwetenschappen zijn de vrouwen in de meerderheid. Voor landbouw zijn de gegevens niet volledig: voor de 359 Stir-HAO studenten die in 1997 van de regeling gebruik maakten is geen onderverdeling naar geslacht voorhanden. Daarmee is dus ook het totaal aantal mobiele studenten in deze sector hoger dan uit de grafiek blijkt.

Uit de aard van de programma's bestaat de uitstroom vooral uit HBO- en WO-studenten. Het patroon tot en met 1996/97 dat HBO-bursalen in de meerderheid waren en hoofdzakelijk een stageperiode in het buitenland doorbrachten, is met het wegvallen van Stir ingrijpend gewijzigd.

De instroom van studenten is redelijk gespreid over de verschillende typen instellingen, met hoofdrollen voor het IO en het WO, en bestaat naar de aard van de mobiliteit voornamelijk uit studie. Erasmus inkomende mobiliteit is hierin niet verdisconteerd. Daarnaast is er een groep bursalen die met een zomerbeurs aan een `overige' instelling studeren (waaronder bijvoorbeeld de Haagse academie voor internationaal recht).

Figuur 10 Totale uitstroom in het HO naar leeftijd en geslacht (1997/98)

De meeste studenten zijn 21 of 22 jaar, een grote groep ook 23 of 24. Gemiddeld zijn mannelijke studenten iets ouder dan vrouwelijke. Dit bevestigt het feit dat studie of stage in het buitenland over het algemeen in een latere fase van de studie plaatsvindt.

Ontwikkeling van vraag en aanbod

Voor alle instroomprogramma's kan gezegd worden dat de vraag het aanbod ruimschoots overtreft. De Nuffic hanteert als streefcijfer dat het aantal aanvragen het aantal mogelijke toekenningen met een factor
3 dient te overschrijden. Dit maakt een grondige selectie van de kwalitatief meest hoogwaardige aanvragen mogelijk (waar dat in de formule van het programma past). Dit streefcijfer wordt overigens nog niet over de hele linie gehaald. Voor de uitstroomprogramma's is het beeld wat meer gedifferentieerd. Voor programma's als Talentenprogramma, VSB en CV-uitstroom overtreft de vraag duidelijk het aanbod. Voor Erasmus is er weer een licht stijgende lijn in het aantal toegekende beurzen zichtbaar. Uit het veld komen echter verschillende geluiden: sommige instellingen zien zelf ook een stabilisatie of lichte stijging, anderen hebben echter de indruk van dalende interesse voor Erasmus-beurzen. Het feit dat de Nederlandse instellingen nog steeds de aanvragen structureel te hoog schatten in verhouding tot het aantal uiteindelijke gerealiseerde toekenningen maakt de situatie lastig te interpreteren. Bij het VISIE-programma is het aantal aanvragen tot nog toe wat teleurstellend. Wellicht zijn dit echter aanloopproblemen in verband met het feit dat het om een nieuwe formule en een andere doelgroep (die van schoolverlaters) gaat. De Nuffic onderzoekt actief de mogelijkheden voor verbetering van het succes van het programma.

Totale omvang van de mobiliteit

Voor een indicatie van de totale omvang van de mobiliteit wordt verwezen naar het hoofdstuk 5 over trends en vergelijking van mobiliteit in Nederland.


5 Mobiliteit in Nederland: trends en vergelijking


5.1 Mobiliteit in de tijd per sector

Uit de vorige hoofdstukken is al gebleken dat de internationale mobiliteit in de drie onderwijssectoren op verschillende wijze vorm wordt gegeven. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de totale uitgaande mobiliteit van leerlingen en studenten in deze drie sectoren in de afgelopen vier jaar.

Tabel 2 Uitgaande mobiliteit van leerlingen en studenten (1995/98)


1995 1996 1997 1998

PO/VO 13.419 16.692 18.973 15.049

BVE 4.664 4.651 5.021 2.945 (nog excl. Stir-AOC)

HO 10.413 10.806 8.456 4.464

Totaal 28.496 32.149 32.450 22.458 + ?

In absolute aantallen hebben in het primair en voortgezet onderwijs de meeste leerlingen de gelegenheid om kennis te maken met het buitenland in de context van de school. In verhouding tot de totale aantallen leerlingen en studenten in de betreffende sectoren, ligt de proportie van mobiliteit het hoogste in het HO: op ongeveer 2%, tegenover minder dan 1% in de andere sectoren. Daarbij komt nog de mobiliteit die buiten de programma's om verloopt. Eerder onderzoek uit 1997 en meer recente gegevens uit de HBO-Monitor geven aanleiding tot de veronderstelling dat de mobiliteit buiten programma's om op ongeveer dezelfde omvang geschat kan worden als de programma-mobiliteit.

Deze percentages zijn echter geen goede weerspiegeling van de individuele deelname aan mobiliteit; de mobiliteit heeft betrekking op een jaar, de ingeschrevenen op alle jaargroepen van een sector tezamen. In het hoger onderwijs lijkt met de HBO-monitor en wellicht in de toekomst ook met de WO-monitor een berekening van percentages op basis van het aantal afgestudeerden de norm te worden, zij het dat combinaties met andere variabelen van mobiliteit dan alleen de HOOP-sector niet standaard beschikbaar zijn. Parallel hieraan loopt een traject dat een zeker perspectief biedt op een mogelijke koppeling van registratie van internationale mobiliteit aan de reguliere studentenadministraties. Indien beide trajecten zich voorspoedig voortzetten, kan over enkele jaren wellicht via deze twee lijnen sluitende informatie over internationale mobiliteit in het hoger onderwijs worden verkregen.

Internationale mobiliteit vindt over het algemeen in een gevorderd stadium van de opleiding plaats, zoals ook blijkt uit de eerdere hoofdstukken; in het BVE ligt de leeftijd van mobiele leerlingen tussen de 16 en de 20 jaar, in het HO ligt de gemiddelde leeftijd tussen de 21 en de 24 jaar.

De spreiding over vakgebieden is moeilijk vergelijkbaar tussen de verschillende sectoren. Voor het primair en voortgezet onderwijs zijn hierover geen gegevens beschikbaar, en over het algemeen zal de mobiliteit in deze sector uiteraard ook in het teken staan van een eerste kennismaking met leerlingen en scholen over de grens, met meer nadruk op algemeen vormende aspecten dan een verbijzondering naar specifieke lesthema's. In het BVE vindt bij de AOC's veel mobiliteit plaats; daarnaast lijkt met name de sector economie actief, hoewel de gegevens niet volledig zijn. Dit zou overeenkomen met de situatie in het hoger onderwijs, waar eveneens in de sector economie de meeste mobiliteit plaatsvindt.

Met betrekking tot de cijfers voor het hoger onderwijs is nog het volgende op te merken. De effecten van de beleidsverandering van generieke naar specifieke instrumenten, zoals die enige jaren geleden door het Ministerie van OCenW is ingezet, is in deze editie van de monitor duidelijk waar te nemen. Mobiliteit in het hoger onderwijs door Nederlandse bronnen gefinancierd is veel kleiner in omvang en veel gerichter in vergelijking tot voorgaande jaren. Helaas is ook de dekkingsgraad van de gegevens lager. Een onbekend deel van de mobiliteit vindt plaats met financiering van de individuele instellingen voor hoger onderwijs, met onbekende financiering, of in het kader van de door OCenW beheerde projectenprogramma's, waarbinnen geen aparte rapportage over studentenmobiliteit voorzien is. Dit onderstreept het belang om voorbijgaand aan het programmaniveau een sluitende methodiek te ontwikkelen voor gegevensverzameling over mobiliteit, waarbij met name de instellingen en de koepelorganisaties een rol spelen.


5.2 Grenslanden

In het primair en voortgezet onderwijs worden er veel bezoeken afgelegd aan de grenslanden, waarbij Duitsland en Engeland duidelijk favoriet zijn. Dit heeft voor de basisscholen te maken met het Engels in het leerplan.

In het BVE vindt het grootste gedeelte van de uitwisseling plaats met de omringende landen, met name Engeland, Duitsland, België en Denemarken. Bij de verklaring hiervan spelen zowel financiële als inhoudelijke argumenten een rol. Samenwerking met de grenslanden biedt verder duidelijke voordelen wat betreft kleinere cultuurverschillen, gemak van samenwerking e.d.

In het hoger onderwijs is dit in mindere mate het geval. De programma's zoals in deze monitor beschreven bieden mogelijkheden voor studie in een breed scala van landen. Dat brengt met zich mee dat de mobiliteit naar en van de grenslanden er minder uitspringt. Daarbij valt overigens op dat in het bijzonder de uitwisseling met Denemarken in het HO relatief gering is.

Het doel van internationale mobiliteit verschilt uiteraard ook per sector. In het PO/VO wordt mobiliteit vooral ingezet voor een kennismaking met het fenomeen buitenland, in het BVE gaat het om het perspectief van werk en algemene vorming over de grens, in het HO betreft mobiliteit zowel beroepsvoorbereiding als academische vorming, die in principe niet aan regio gebonden is.

Zoals in het actieplan Onbegrensd Talent expliciet gesteld werd, is het streven om te komen tot een vergroting van de mobiliteit tussen de grenslanden en een intensivering van de samenwerking met de grensregio's. Op hoger onderwijsgebied ligt het accent daarbij op het «creëren van een open onderwijsruimte door intensieve onderwijskundige en bestuurlijke samenwerking», in concreto het opzetten van gemeenschappelijke opleidingen en het op elkaar afstemmen van curricula waardoor credit transfer wordt vergemakkelijkt. In de beleidsbrief «Kennis: geven en nemen» wordt ook gerefereerd aan de grenslanden, in een wat bredere afbakening waarbij ook Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk worden betrokken, als de landen met wie Nederland politieke, economische en onderwijskundige belangen en inzichten deelt, en op basis daarvan zoekt naar mogelijkheden voor coalitievorming. De EU-lidstaten blijven een belangrijke kring voor samenwerking vormen. Ook is er in deze beleidsbrief daarnaast nadrukkelijk aandacht voor andere prioritaire landen, met name Rusland en Hongarije, Zuid-Afrika, China en Indonesië: dit sluit aan bij de quotering van de beurzen in het kader van het Huygens-programma. De facilitering van samenwerking met de grenslanden blijft verlopen in het kader van het bestaande projectenprogramma. Voor meer inzicht in het verloop van dit programma zie Beerkens en Van der Wende (1999).


5.3 Erkenning van studiepunten

In het hoger onderwijs wordt breed onderkend dat erkenning van studiepunten een essentiële voorwaarde is voor succesvolle studentenmobiliteit op grotere schaal. In individuele gevallen de erkenning van studiepunten regelen, hoeft immers in principe geen moeilijkheden op te leveren, maar is wel een arbeidsintensief proces. Afspraken over erkenning tussen instellingen zijn het middel om tot stroomlijning van dat proces te komen.

In Socrates/Erasmus is het European Credit Transfer System (ECFS) ontworpen dat erkenning van studiepunten faciliteert. Aanvankelijk werd dit systeem uitgetest in een beperkt aantal pilot disciplines (o.a. recht, werktuigbouwkunde, medicijnen, bedrijfskunde) en - instellingen. Met ingang van 1997/98 kan elke instelling met Socrates-subsidie dit systeem invoeren. In theorie kan dus elke instelling over de instrumenten beschikken om erkenning voor de studenten te regelen. De praktijk laat echter nog te wensen over. Uit recent onderzoek van de Nuffic blijkt bijvoorbeeld dat in het kader van Socrates de helft van de studenten in 1997/98 minder studiepunten ontving voor het verblijf in het buitenland dan zij in een vergelijkbare periode in Nederland zouden kunnen behalen. Met de overgang van ECTS van pilot-fase naar brede verspreiding worden de ECTS-mobiliteitsstromen (het ging daarbij om enkele procenten van de totale mobiliteitsstromen) niet meer afzonderlijk geregistreerd. Daarmee zijn geen exacte gegevens over erkenning meer beschikbaar op programmaniveau.

In het kader van de andere programma's is erkenning een zaak die individueel moet worden geregeld en waarover op programmaniveau geen afspraken bestaan. Voor de bursalen in de nieuwe programma's JPP en het Talentenprogramma zal erkenning geen issue zijn. JPP deelnemers volgen een specifiek voor hen ontwikkeld programma dat met een certificaat wordt afgesloten. Zij hebben reeds een initiële opleiding achter de rug en hoeven de JPP-periode niet in een opleiding in te passen. Ook de deelnemers aan het Talentenprogramma hebben hun initiële opleiding reeds afgerond.

Voor het hoger onderwijs geldt dus dat de informatie over de mate van erkenning van studieperioden in het buitenland alleen bij de instellingen zelf te vinden is, en dan overwegend niet op centraal niveau, maar op facultair - of opleidingsniveau. Erkenning is uiteindelijk ook een zaak tussen de student en de examencommissie.

In het BVE is een groot gedeelte van de mobiliteitsperioden van korte duur, zodat het leerproces aan de thuisinstelling geen belangrijke onderbreking ondervindt. Dit geldt met name voor de leerlingen-uitwisselingen. Bij dit type uitwisseling is ook de inhoudelijke onderwijscomponent minder prominent aanwezig: de opbrengst is vooral gelegen in het kennismaken met een andere cultuur, inzicht verwerven in de buitenlandse opleiding en de beroepspraktijk. De buitenlandse stage in het BVE is geïncorporeerd in het studieprogramma en daarom ook erkend.

Voor de buitenlandse stages is erkenning van de stage eveneens van belang. Hierbij treden in de praktijk wel eens problemen op. Of tijdens de buitenlandse stage daadwerkelijk wordt voldaan aan alle eindtermen is moeilijk vast te stellen.

In het primair en voortgezet onderwijs zijn de uitwisselingen over het algemeen eveneens van korte duur en kunnen flexibel worden ingepast in het lesprogramma.


5.4 Kwaliteitszorg

De kwaliteit van internationalisering staat reeds enige tijd in de aandacht. In het hoger onderwijs zijn de koepelorganisaties VSNU en HBO-raad nauw betrokken bij de versterking van de internationale oriëntatie van de kwaliteitszorg in het hoger onderwijs. De HBO-raad heeft een activiteitenplan hiervoor opgesteld en er is overleg gaande over de definitieve invulling hiervan, mede op basis van proefprojecten in enkele sectoren. Het nieuwe VSNU-protocol voor de kwaliteitszorg van het onderwijs verwijst met nadruk naar een internationale oriëntatie en omvat daarnaast een uitgebreidere paragraaf internationa-lisering.

Ook in het vorige VSNU-protocol was internationalisering reeds een onderdeel. In de betreffende paragraaf kwamen de aspecten beleidsontwikkeling, mobiliteit en curriculumontwikkeling aan de orde. Het bleek echter nog te zeer af te hangen van de samenstelling van de individuele visitatiecommissies of er gedurende de visitatie adequaat aandacht wordt besteed aan internationalisering. Ook de zelfstudies liepen op dat punt nogal eens uiteen. Uit een onderzoek van het Instituut voor Onderwijskundige Dienstverlening (IOWO) bleek ook dat de oordelen van de commissies op dit punt de meeste variantie vertonen. De eerste effecten van de invoering van het nieuwe protocol zullen pas tegen het einde van 2000 zichtbaar gaan worden.

In het BVE krijgt het denken over kwaliteitsindicatoren voor innovatiebeleid momenteel veel aandacht. In het kwaliteitszorgsysteem van de instelling zouden ook indica-toren moeten worden opgenomen om de resultaten van de internationale activitei-ten te meten.

In de praktijk betekent dit dat er gekoppeld aan het onderwijsinnovatie-plan (centraal niveau) en het daarvan afgeleide operationele plan per unit, voor te ondernemen internationale activiteiten een set kwaliteits-indicatoren wordt ontwikkeld. Ook voor internationalisering geldt dat er een verschuiving van inspanningsverplichting naar resultaatverplichting plaatsvindt.

In het primair en voortgezet onderwijs is een belangrijke impuls gegeven met het opstellen van de nota «Kwaliteit en Internationalisering». Deze nota biedt naast een overzicht van ontwikkelingen in de internationalisering, een handreiking bij het waarborgen van de kwaliteit van de internationale activiteiten in de vorm van een instrument voor analyse van de kwaliteit van internationalisering. Het instrument onderscheidt zeven hoofdcategorieën `aspecten' van internationalisering: beleidsaspecten, deelname, structurele, programmatische, organisatorische en budgettaire aspecten, en inhoudelijke aspecten vanuit zowel de docent als de leerling. Binnen deze categorieën worden een aantal items genoemd waarop de school een score aan kan geven.


5.5 Integratie van internationalisering in instellingsbeleid

Een voorwaarde voor de duurzaamheid van internationalisering op instellingsniveau is dat het beleid omtrent internationalisering een structureel onderdeel is van het instellingsbeleid. Als internationalisering een aparte track is van het scala aan activiteiten dat binnen een instelling plaatsvindt, is structurele verankering niet mogelijk.

Internationalisering moet een integraal onderdeel zijn van de onderwijsvisie en het onderwijsconcept. In het hoger onderwijs is er reeds bij verscheidene instellingen een tendens zichtbaar naar verdere integratie of mainstreaming van internationalisering in het instellingsbeleid.


5.6 Het instrument monitor

Het is al eerder opgemerkt dat deze monitor niet pretendeert een volledig beeld te geven van de internationalisering. Enerzijds beperkt zij zich tot mobiliteit en blijven andere vormen van internationalisering zoals curriculumontwikkeling buiten beschouwing, en anderzijds speelt een gedeelte van de mobiliteit zich af buiten de subsidieprogramma's om.

Op het moment van samenstellen van deze monitor bevindt de internationalisering zich in een overgangsfase. In het BVE wordt de stimulering van de internationalisering voortgezet, maar in een andere vorm. In het hoger onderwijs is de periode van generieke stimulering van internationalisering afgesloten en vervangen door een beleid gericht op specifieke activiteiten: met name samenwerking met de grenslanden en ontwikkeling van onderwijs als exportprodukt. Deze ontwikkelingen brengen mee dat de link tussen
internationaliseringsbeleid en gerealiseerde mobiliteit veel minder direct is geworden. Het zwaartepunt van registratie is verschoven van de intermediaire organisaties naar de instellingen.

Daarbij spelen nog andere aspecten mee. De Nederlandse instellingen worden zich meer en meer bewust van de noodzaak om actief op te treden op de studentenmarkt, vanwege de door demografische ontwikkelingen kleiner wordende pool van potentiële studenten. Voor de internationale markt geldt dat naarmate de Nederlandse hoger onderwijsinstellingen zich meer toeleggen op de werving van buitenlandse studenten, de concrete gegevens over aantallen buitenlandse studenten concurrentie-gevoelige informatie worden. In het buitenland, bijvoorbeeld in de Angelsaksische landen, ligt dat vaak anders. Daar weegt het argument zwaarder dat openbaarheid van dergelijke gegevens in ieder geval de gelegenheid biedt om de eigen prestaties te vergelijken met die van andere instellingen. In het geval de eigen prestaties positief afsteken bij de prestaties van de anderen, is dit nog een extra promotie-element in de werving van buitenlandse studenten.

Reeds in 1998 is aangegeven dat de kwaliteit en dekkingsgraad van de informatievoorziening over studentenmobiliteit in het hoger onderwijs serieuze aandacht verdient, waarbij rekening moet worden gehouden met de wensen en mogelijkheden van instellingen, intermediaire organisaties en de overheid ten aanzien van registratie, toegankelijkheid en verwerking van gegevens over mobiliteit. In september 1999 is een werkgroep gestart onder leiding van de VSNU waarin een aantal internationaliserings-medewerkers van zowel universiteiten als hogescholen zitting hebben. Ook HBO-raad en Nuffic zijn in de werkgroep vertegenwoordigd. De werkgroep streeft actieve afstemming met de standaard-systemen voor informatievoorziening binnen instellingen na (zoals de software gebruikt door centrale studenten-administraties). Naar verwachting zal begin 2000 de werkgroep advies kunnen uitbrengen over wenselijke ontwikkelingen op dit gebied.

Daarnaast kan deze monitor zich op termijn uitstrekken over meer terreinen dan mobiliteit alleen. Ook andere vormen en aspecten van internationalisering kunnen worden opgenomen. Een goede informatievoorziening over internationalisering in den brede kan een belangrijke bijdrage leveren aan de beleidsontwikkeling op nationaal en instellingsniveau wat betreft internationalisering. Daarnaast is het vanwege de voortschrijdende globalisering ook steeds meer van belang dat bij het ontwikkelen van instellings- c.q. onderwijsbeleid in het algemeen rekening wordt gehouden met de internationale context. Het is dan ook verheugend dat de minister in het kader van diverse opdrachten aan de Onderwijsraad de internationale context van het Nederlands hoger onderwijs en het onderwerp internationalisering expliciet aan de orde stelt. Van deze groeiende bewustwording van het belang van de internationale dimensie getuigt ook bijvoorbeeld het feit dat de AWT in haar recente advies over de beta-sector de internationale context uitdrukkelijk bij de overwegingen betrekt.

Een ontwikkeling van de monitor in deze richting zal uiteraard intensief overleg en afstemming vergen tussen ministerie en BISON c.q. individuele BISON-vertegenwoordigers. Er dient daarbij te worden voortgebouwd op gerealiseerde en lopende onderzoeksprojecten van de individuele BISON-leden, of worden ingespeeld op voorgenomen projecten. Voorbeelden van thema's van zulke projecten zijn:

? kwaliteit en internationalisering

? impact van internationalisering op school- en instellingsniveau, in bijvoorbeeld curricula, organisatie en beleid

? strategisch internationaliseringsbeleid

? voorwaarden die aan een internationale ervaring gesteld kunnen worden

? de-nationalisering van het hoger onderwijs

? toepassingen van informatie- en communicatietechnologie (ICT) in de internationalisering

Op deze wijze kan deze monitor als vertrekpunt en instrument dienen om de gegevens en kennis die door de BISON-leden als uitvloeisel van hun programmabeheer worden verzameld, breder toegankelijk te maken en daarmee de overheid en het onderwijsveld inzicht te geven in ontwikkelingen en knelpunten met betrekking tot implementatie van het beleid.


6 Samenvatting


6.1 Inleiding

Deze monitor biedt een gedetailleerd overzicht van de internationale mobiliteit in het Nederlandse onderwijs in het kader van de daarvoor in het leven geroepen nationale en internationale subsidieprogramma's. De monitor beslaat het gehele onderwijsspectrum: van primair tot hoger onderwijs, zowel algemeen vormend als beroepsonderwijs, en betreft zowel leerlingen/studenten als docenten. Het is voor het eerst dat gegevens over internationale mobiliteit uit de verschillende sectoren zijn samengebracht in één overzicht. Het initiatief hiertoe is genomen door het BISON (Beraad Internationale Samenwerking Onderwijs Nederland).

De monitor is bedoeld voor beleidsmakers en andere belanghebbenden op het terrein van de internationalisering in het onderwijs, zowel op nationaal als op instellingsniveau, die immers voor beleidsontwikkeling en -implementatie de beschikking dienen te hebben over betrouwbare gegevens (over de implementatie van het internationaliseringsbeleid voor wat betreft de mobiliteit). De monitor beoogt inzicht te geven in de kwantitatieve ontwikkelingen in de internationale mobiliteit en daarmee bij te dragen aan een verdere verbetering van de beleidsontwikkeling.


6.2 Belangrijkste feiten

In het Nederlandse onderwijs namen tot 1998 jaarlijks tegen de 30.000 leerlingen en studenten deel aan een internationale uitwisseling in het kader van een nationaal of Europees subsidieprogramma. Hiervan waren gemiddeld ruim de helft leerlingen in het primair en voortgezet onderwijs. Leerlingen in het BVE maakten ongeveer een zesde uit, en studenten in het hoger onderwijs een derde.

De mobiliteit in het primair en voortgezet onderwijs is groeiende. In het BVE is die tot 1996/97 ongeveer stabiel. Voor dit jaar kan er invloed van de omvorming van het belangrijkste Nederlandse programma in die sector verwacht worden.

In het hoger onderwijs is de mobiliteit in het kader van subsidieprogramma's gestabiliseerd na een daling in de belangstelling voor het Erasmus-programma in 1996/97, en de afschaffing van het Stir programma in 1997. In het hoger onderwijs vindt echter waarschijnlijk nog eens de helft tot evenveel mobiliteit plaats buiten deze subsidieprogramma's om, zoals blijkt uit gegevens van een pilot onderzoek. Ook uit de HBO-monitor 1998 blijkt dat 17% van de HBO-afgestudeerden in 1996/97 een stage in het buitenland heeft gevolgd en dat 5% een studie in het buitenland heeft gedaan. Na uitfiltering van overlap blijft een percentage van 19,4% over, oftewel, indien geëxtrapoleerd naar de totale populatie, circa 9.300 HBO-afgestudeerden die in 1996/97 in het buitenland een stage of studie hebben gedaan.

De mobiliteit van leerlingen in het primair en voortgezet onderwijs bestaat met name uit groepsgewijze bezoeken van korte duur. In het BVE komen zowel groepsreizen als individuele stages voor. In het hoger onderwijs wordt in deze monitor alleen verslag gelegd van individuele buitenlandse studie- en stageperiodes.

De mobiliteit in het PO/VO en BVE is voornamelijk gericht op de ons omringende landen, met name Engeland en Duitsland. Ook in het hoger onderwijs reizen veel studenten naar Engeland en Duitsland, maar enkele programma's in deze sector maken ook mobiliteit naar landen buiten Europa mogelijk.

In vergelijking met andere landen staat buiten kijf dat Nederland een uitzonderingspositie inneemt voor wat betreft het internationaliseringsbeleid voor het onderwijs. Het is duidelijk dat de beleidsaandacht voor internationalisering van het onderwijs zich onder meer heeft vertaald in een groot volume van de internationale mobiliteit van leerlingen/studenten en docenten. Voor het hoger onderwijs geldt daarbij dat naast de door Europese en nationale programma's gefaciliteerde mobiliteit, ook een belangrijk deel van de mobiliteit zich voltrekt buiten de programma's om, met fondsen van de instellingen of anderszins.

Voor een monitor die een volledig beeld geeft van de internationale mobiliteit zal informatie bij individuele instellingen dienen te worden ingewonnen. Het samenstellen van een dergelijke monitor zal dan veel meer tijd vergen.

Deel II: Literatuurstudie


7 Literatuurstudie: Effecten van Internationalisering van Hoger Onderwijs / Mobiliteit van Nederlandse Studenten

Mw. drs. G.A. Vrielink


7.1 Inleiding en aanleiding voor studie

Sinds midden jaren tachtig heeft internationalisering van hoger onderwijs een centrale plaats gekregen in Europa, door onder andere de oprichting van het Erasmus-programma door de Europese Commissie en van het Stir-Programma door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (OC&W). De financiële facilitering van studentenmobiliteit neemt binnen deze programma's een belangrijke plaats in. In de mobiliteit van Nederlandse studenten is dan ook, sinds de oprichting van deze programma's, een duidelijke trend zichtbaar.

De Nuffic heeft van het Ministerie van OC&W de beheerstaak gekregen voor de EU en Stir-programma's. Uit Nuffic-statistieken blijkt dat er een duidelijke trend is aan te merken in het aantal verstrekte beurzen over de afgelopen tien jaar: in 1990/91 werden ca. 3500 beurzen verstrekt; in 1993/94 een totaal van 11.000. Tussen 1993 en 1995 bleef deze situatie stabiel. Echter, vanaf 1996 is er sprake van een ingrijpende afname in aantallen toegekende beurzen. Dit kan gelegen zijn in de afschaffing van het Stir-programma, in de afname van het totaal aantal beursaanvragen door Nederlandse studenten, maar ook doordat in 1995 door de Europese Commissie een nieuwe generatie Erasmus-programma's aangekondigd werd (Socrates) met een nieuwe beheersformule (start eerste lichting: 1997/98). Laatstgenoemde feit resulteerde in veel onduidelijkheid bij instellingen over de nieuwe procedure en kan gelden als motief voor afname van aantal deelnemers binnen deze programma's. Momenteel lijkt de situatie vrij stabiel en is de mobiliteit zelfs wat aangetrokken, bijvoorbeeld in Erasmus. Nota bene bovenstaande gegevens hebben uitsluitend betrekking op mobiliteit binnen programma's.

Het Ministerie van OC&W heeft de Nuffic verzocht middels een literatuurscan een beschouwing en reflectie te geven over de belangrijkste effecten van internationalisering van onderwijs en internationale mobiliteit onder Nederlandse studenten. Nuffic/Department of Educational Studies & Consultancy heeft hiertoe een literatuurstudie uitgevoerd over de periode 1985-1998.

Het doel voor OC&W is hier: beter inzicht krijgen in processen rondom studentenmobiliteit en aanwijzingen te verkrijgen voor het verfijnen en operationaliseren van haar beleid. De verwachting is dat de resultaten van deze studie verhelderen of en waarin een buitenlandse uitwisseling zinvol is voor Nederlandse studenten.

In deze literatuurstudie zal internationale mobiliteit van Nederlandse studenten primair worden geanalyseerd naar student-gerelateerde effecten, respectievelijk op professioneel niveau; academisch niveau; sociaal / persoonlijk niveau; taalvaardigheidsniveau; en cultureel niveau.

Echter, ook op institutioneel, politiek en academisch niveau zijn effecten van internationaal onderwijs meet- en zichtbaar. Deze zullen indicatief worden beschreven in de literatuurstudie die voor u ligt.


7.2 Conceptueel kader

In dit hoofdstuk zal uiteengezet worden wat het studiedoel, de centrale onderzoeksvragen en methoden en analysetechnieken van deze studie inhouden. Deze drie aspecten vormen samen het conceptueel kader van deze literatuurstudie.


7.2.1 Studiedoel

Het doel van deze literatuurstudie kan als volgt uiteen worden gezet:

Primaire doel: Het bieden van een analytische reflectie/beschouwing over de effecten van internationalisering van hoger onderwijs en internationale mobiliteit onder Nederlandse studenten over de periode
1985-1998 - op studentniveau. En het geven van een indicatie over institutionaliseringseffecten op internationaal, nationaal en instellingsniveau.

Secundaire doel: Het aanreiken van argumenten voor Nederlandse beleidsmakers en universitaire staf voor mogelijk aanscherpen van beleid ter bevordering van internationale studentenmobiliteit.


7.2.2 Centrale onderzoeksvragen

Deze literatuurstudie bestaat uit een primaire en secundaire onderzoeksvraag. N.b. Deze vragen hebben uitsluitend betrekking op de periode 1985-1998 en richten zich niet expliciet op samenwerkingsprogramma's voor ontwikkelingslanden en mobiliteit buiten uitwisselingsprogramma's om:


1. Welke zijn de effecten van internationalisering van hoger onderwijs voor Nederlandse studenten, in relatie tot hun professie/carrière; academische scholing; sociale en persoonlijke vaardigheden; taalvaardigheid; en culturele overdracht?


2. Welke zijn de meest in het oog springende effecten op internationaal, nationaal, instellings- en opleidingsniveau van internationalisering van hoger onderwijs in Nederland en Europa?


7.2.3 Methoden en analysetechnieken

Over de periode 1985-1998 zijn literatuur en artikelen verzameld die ingaan op ontwikkelingen, trends, consequenties en effecten van internationalisering van onderwijs. De literatuur van de eerste vijf à zes jaar (1985-1991) gaat veelal in detail in op effecten op studentniveau. Vanaf 1991 is er echter een duidelijke tendens zichtbaar in publikaties om tevens de institutionele kant en effecten van internationalisering te beschrijven.

Nationale en internationale (theoretische) vakliteratuur is verzameld door de Nuffic, middels haar uitgebreide documentatiesysteem. Daarnaast is een beroep gedaan op haar ACA-Netwerk (Brussel), HO-rapporten over internationalisering en effecten van mobiliteit, alsmede op ministeriële nota's, beleidsdocumenten en verslagen van uitwisselingsstudenten. Dit, om inzichten omtrent effecten van mobiliteit te vatten in zeer uiteenlopend perspectief (wetenschappelijk, beleids- en institutioneel/instellings- en studentniveau).

Deze literatuurstudie zal een overzicht bieden van de volgende actoren in relatie tot hun omgeving: de Nederlandse uitwisselingsstudenten, de nationale en internationale beleidsmakers, de
internationaliseringsmedewerkers binnen hoger onderwijsinstellingen en de Nuffic.

Daarnaast zal een beschouwing over trends en ontwikkelingen worden aangereikt door Nuffic. Ordening van effecten, naar directe en indirecte effecten en overeenkomstige reikwijdte (bereik), zal ook worden verricht binnen deze literatuurstudie.

Bovendien zal een opdeling worden gemaakt in structurele en incidentele effecten van internationalisering van onderwijs. Onder structurele effecten valt onder meer het begrip `duurzaamheid'. In dit licht zal een beargumenteerd antwoord gegeven worden op de volgende vraag: »In hoeverre zijn internationaliseringseffecten van duurzame aard?»


7.3 Stand van zaken Internationalisering Hoger Onderwijs

In paragraaf 3.1 van dit hoofdstuk zal een uiteenzetting gegeven worden van het institutiona-liseringsbeleid in Nederland vanaf 1985. Daarnaast zullen de specifieke programma's ter bevordering van studentenmobiliteit in Nederland uiteengezet worden en zal de Nederlandse studentenmobiliteit kwantitatief in kaart gebracht worden voor de jaren 1994-1997.


7.3.1 Internationaliseringsbeleid in Nederland vanaf 1985

Internationalisering heeft de afgelopen tien jaar een prominente plaats gekregen in nationaal en Europees onderwijsbeleid. Het Ministerie van OC&W voert sinds 1987 een actief internationaliseringsbeleid, in eerste instantie gericht op internationalisering als middel ter verhoging van de kwaliteit van het onderwijs, later meer specifiek gericht op stimulering van internationale samenwerking tussen instellingen in aangrenzende landen; op bevordering van studentenmobiliteit, met name van excellente studenten en op de ontwikkeling van `kennisexport'. Met deze laatstgenoemde term wordt gedoeld op het aanbieden van onderwijs op de internationale kennismarkt tegen kostprijs, met name door middel van het werven van buitenlandse studenten.

Van origine is er binnen Nederlandse instellingen voor hoger onderwijs geen sterke oriëntering geweest op internationale studentenmobiliteit en samenwerking. Tot midden jaren tachtig vormden bilaterale culturele overeenkomsten nagenoeg het enige nationale instrument voor internationale uitwisseling.

In 1985 heeft de OECD in haar Review een actief Nederlands overheidsbeleid aanbevolen, gericht op internationalisering van hoger onderwijs. Centrale argument van de OECD bestond hierin dat het Nederlandse beleid op dit gebied gebaseerd was op nationale isolatie/onafhankelijkheid, welk tot zwak concurrentievermogen van hoger onderwijsinstellingen zou kunnen leiden.

Als reactie op het OECD Review werd in 1987 het beleidsdocument `Internationalisering van Onderwijs en Onderzoek' uitgebracht door OC&W. Dit document stelde het volgende ten doel: het versterken van Nederlands onderwijs en onderzoek door de inzet van beleidsinstrumenten ter optimalisering van internationale oriëntering en samenwerking in hoger onderwijs. Internationale attitudevorming, kwaliteitsverbetering van hoger onderwijs, en professionele curriculum/carrière-oriëntering, vormden hier belangrijke motieven.

Stimulering en versterking van kwaliteit in het hoger onderwijs werd in de jaren na 1987 een steeds belangrijker motief in Nederlands onderwijsbeleid. In de nota `Grenzen Verleggen' (1991) wordt benadrukt dat kwaliteit van hoger onderwijs kan worden gewaarborgd door het opzetten van structurele samenwerkingsverbanden, met verwachte duurzame (kwaliteits-)effecten.

Nederlands beleid op het gebied van internationalisering van hoger onderwijs werd midden jaren negentig aangescherpt en specifieker geformuleerd. Drie elementen stonden centraal binnen het beleid van het Ministerie van OC&W:

Uitwisseling en samenwerking met grenslanden;

? Export hoger onderwijs (o.m. invoering van speciale collegegelden voor buitenlandse studenten);

? Promotie van studentenmobiliteit onder getalenteerde studenten.

Deze drie elementen zijn ook neergelegd in het Hoger Onderwijs en OnderzoeksPlan (HOOP) in 1994 en 1996. De filosofie achter HOOP is dat het concurrentievermogen van de Nederlandse economie op lange termijn gewaarborgd blijft door structurele kwaliteitsverbetering in hoger onderwijs.

Ook werd in 1996 door het Ministerie van Buitenlandse Zaken een overkoepelend beleidsdocument uitgebracht, waarin opgenomen het doel dat buitenlands (cultureel) beleid internationaal beter afgestemd zou moeten worden. Hiermee wordt ook gedoeld op het terrein van internationale onderwijsbetrekkingen.

Op Europees beleidsniveau zouden meer afspraken gemaakt dienen te worden om te komen tot economische groei en ontwikkeling in Nederland en Europa. Dit laatste voornemen is tevens door het Ministerie van OC&W verwoord in de nota `Onbegrensd Talent' (1997).

Algemeen beschouwend kan worden opgemerkt dat er sprake is van een verschuiving in de nationale beleidsontwikkeling gericht op hoger onderwijs. Tot 1993 lag een duidelijke nadruk op educatieve, pedagogische en kwalitatieve aspecten van onderwijsbeleid. Na 1993 wordt onderwijsbeleid primair gekoppeld aan economische voortgang. Met andere woorden, een goed onderwijsbeleid wordt aangemerkt als conditie ter versterking van de nationale economie.


7.3.2 Programma's ter bevordering van studentenmobiliteit

Nederlandse financiële steun ter bevordering van studentenmobiliteit wordt veelal geboden in de vorm van beursprogramma's. Het volgende overzicht geeft weer welke beleidsinstrumenten op nationaal en Europees niveau zijn ingezet ter bevordering van studentenmobiliteit : N.b. ook met tal van onderwijsinstellingen in ontwikkelingslanden zijn samenwerkingsprogramma's opgezet door het Ministerie van Buitenlandse Zaken (DGIS), zoals het Medefinancieringsprogramma voor Universitair en Hoger Beroeps Onderwijs Samenwerking (MHO), het Netherlands Fellowship Programme (NFP), etc. Echter, deze literatuurstudie zal niet in detail ingaan op samenwerkingsprogramma's die zich richten op ontwikkelingssamenwerking (OS).

Tabel 3 Programma's ter bevordering internationalisering, met name studentenmobiliteit

BELEIDS INSTRUMENT PERIODE BUDGET

ERASMUS 1986-2000 7 m. NLG per jaar

Leonardo (+ voorganger Comett) 1987-2000 2 m. NLG per jaar

Internationalisering van WO Onderwijs (WO-Stir) 1988-1996 2.5 m. NLG per jaar

Internationalisering van HBO Onderwijs (HBO-Stir) 1989-1996 10 m. NLG per jaar

Stir Japan I + II 1994-2000 0.35 m. NLG per jaar

Japan Prijswinnaars Programma 1995-2003 2 m. NLG per jaar

Kennis Export (werving buitenlandse studenten) 1991-1995 0.1 m. - to 1 m. NLG per jaar

Kennis Export 1996-1998 2 m. - 4 m. NLG per jaar

Grenslanden (GROS) 1992-1996 0.3 m. NLG per jaar

Grenslanden 1997-1999 4.5 m. - 7 m. NLG per jaar

Talentenprogramma 1997-gaande 1 m. NLG per jaar

Culturele Verdragen nu: Huygens-Programma (instroom) + CV-uitstroom
1985-gaande 4.15 m. NLG per jaar

EUI 1998-gaande 0.4 m. NLG per jaar

KUBUS 1998-gaande 1.1 m. NLG per jaar (N.b. 0.4 m. NLG in 1998)

TALIS 1998-2000 0.5 m. NLG per jaar

VISIE 1998-2004 2.7 m. NLG per jaar

Het Erasmus-programma is opgezet door de Europese Commissie en wordt gefinancierd uit Europese gelden. Sinds 1995 maakt het Erasmus-programma deel uit van het Socrates-programma (zie voor Socrates paragraaf 3.3 van deze studie).

Het Stir-programma is van kracht geweest in de periode 1988-1996 en was ingesteld door het Ministerie van OC&W met als doel: `het stimuleren van internationale oriëntering binnen het Nederlands hoger onderwijs'.

Bovendien heeft de Nederlandse overheid met een aantal landen bilaterale verdragen gesloten om samenwerking op cultureel, educatief en wetenschappelijk gebied te bevorderen . De studiebeurzen in het kader van deze verdragen zijn vrijwel uitsluitend bestemd voor laatstejaars studenten, afgestudeerden en onderzoekers van universiteiten, kunstacademies of conservatoria. Met ingang van 1999 worden deze fondsen ingezet in een nieuw kader: het Huygens-programma, dat meer expliciet op kwaliteit inzet en prioritaire landen en regio's kent.

Daarnaast zijn tal van programma's ingesteld door het Ministerie van OC&W, o.m. het Japan Prijswinnaars Programma, Talentenprogramma, etc., waarin jaarlijks de meest getalenteerde afgestudeerden de mogelijkheid wordt geboden een jaar lang te verblijven aan een gastinstelling in Japan resp. EU/OECD landen.

Tenslotte richt het Tempus-programma zich op onderwijssamenwerking tussen de EU lidstaten en Oost- en Midden-Europese staten. Centraal staan inter-institutionele samenwerkingsprojecten, gericht op curriculumontwikkeling, mobiliteit van staf en studenten en institutionele opbouw.


7.3.3 Overzicht mobiliteit van Nederlandse studenten

De Nuffic heeft van het Ministerie van OC&W de beheerstaak gekregen voor de EU en Stir-programma's. Uit Nuffic-statistieken blijkt dat er een duidelijke trend is aan te merken in het aantal verstrekte beurzen over de afgelopen tien jaar: in 1990/91 werden ca. 3500 beurzen verstrekt; in 1993/94 een totaal van 11.000. Tussen 1993 en 1995 bleef deze situatie stabiel. Echter, vanaf 1996 is er sprake van een ingrijpende afname in aantallen toegekende beurzen. Dit kan gelegen zijn in de afschaffing van het Stir-programma, in de afname van het totaal aantal beursaanvragen door Nederlandse studenten, maar ook doordat in 1995 door de Europese Commissie een nieuwe generatie Erasmus-programma's aangekondigd werd (Socrates) met een nieuwe beheersformule (start eerste lichting: 1997/98). Laatstgenoemde feit resulteerde in veel onduidelijkheid bij instellingen over de nieuwe procedure en kan gelden als motief voor afname van aantal deelnemers binnen deze programma's. Momenteel lijkt de situatie vrij stabiel en is de mobiliteit zelfs wat aangetrokken, bijvoorbeeld in Erasmus. N.b. Bovenstaande gegevens hebben uitsluitend betrekking op mobiliteit binnen programma's.

In het onderstaande wordt een beknopt overzicht geboden van mobiliteit onder Nederlandse studenten op basis van tabellen over de jaren
1994-1997. Opgemerkt dient te worden dat bepaalde nieuwe programma's, waaronder samenwerking met grenslanden en export hoger onderwijs, niet in deze opsomming verwerkt zijn. Een duidelijke afname in studentenaantallen is, zoals eerder opgemerkt, zichtbaar in vrijwel alle programma's.

Tabel 4 Overzicht uitgaande studentenmobiliteit (1994/97)

Programma 1994/95 1995/96 1996/97

? Culturele Verdragen 232 234 197

? Japan Prijswin.Pr. 20 20

? Stir-WO 1336 1450 1100

? Stir-HBO 3650 3692 2900

? Stir-Japan 40 60 50

? Stir-HAO

? Leonardo 586


407 536


408 392


-----

? Erasmus

? Tempus 4606


53 4963


40 4146


58

Totaal 10910 11403 8863


7.4 Effecten van Internationalisering van Hoger Onderwijs

Dit hoofdstuk zal specifiek ingaan op de belangrijkste effecten van internationale mobiliteit onder Nederlandse studenten. Dit betreft primair een analyse naar student-gerelateerde effecten, op professioneel niveau, academisch niveau, sociaal-persoonlijk niveau, taalvaardigheidsniveau en cultureel niveau (paragraaf 4.5). Bovendien zullen effecten van internationale mobiliteit onder Nederlandse studenten ook vanuit institutioneel, politiek en academisch niveau indicatief worden belicht (paragraaf 4.1 - 4.4).

Echter, mobiliteit buiten programma's wordt binnen het onderzoekskader van deze studie niet in beschouwing genomen.


7.4.1 Internationaal/Europees niveau


7.4.1.1 Directe/indirecte effecten

Uit literatuur over effecten van internationalisering van hoger onderwijs in Europa , komt veelal naar voren dat Europese studenten door hun participatie in samenwerkingsprogramma's een vitale bijdrage leveren aan economische, sociale en politieke ontwikkeling van supranationale (Europese) eenwording (zie De Villé, Martou, Vandenberghe, 1996). Doordat deze studenten elders gaan studeren, dragen zij in belangrijke mate bij aan versterking in samenstelling en kwaliteit van `human capital'. «Een versterking in omvang en kwaliteit van `human capital' katalyseert de disseminatie van wetenschappelijk technologische informatie binnen Europa» (Meijer, 1989). Dit effect wordt gedefinieerd als direct en structureel effect van internationalisering van hoger onderwijs.

In het licht van de theorie van De Villé, Martou, Vandenberghe (1996) met betrekking tot comparatieve voordelen, versterken uitwisselingsstudenten de kwaliteits- en capaciteitsopbouw in de zgn. EU `production possibility frontiers'. Hiermee wordt ondermeer gedoeld op een evenwichtigere spreiding van studenten over Europese regio's en rechttrekking/opheffing van ongelijke educatieve ontwikkeling binnen verschillende systemen van hoger onderwijs.

Ook komt in literatuur het positieve effect van collectieve identiteitsvorming naar voren. Mentaliteitsverandering en acceptatie van studentenmobiliteit als algemene ervaring binnen educatieve processen dragen bij aan `cross-cultural fertilisation'. Dit vormt een belangrijke basis voor waardering, vorm- en zingeving van Europese cultuur (=indirect structureel effect). Nauw verband hiermee houdt dat Europees overleg gestimuleerd wordt tussen universiteiten, evenals internationale informatie-disseminatie binnen HO-instellingen. Deze effecten worden door Nuffic/DESC aangemerkt als indirecte structurele effecten.

Algemeen beschouwend kan worden gesteld dat deze laatstgenoemde categorie effecten te classificeren zijn als lange termijn / indirecte effecten van studentenmobiliteit, in tegenstelling tot `human capital'- en regionale versterkingseffecten die veelal intreden op middellange termijn.


7.4.1.2 Externe effecten van huishoudensconsumptie

Kosten en baten van studentenmobiliteit op internationaal niveau houden nauw verband met het begrip `Externe Effecten van de Consumptie van Huishoudens/Staten'. Dergelijke externe effecten worden door Van den Doel en Van Velthoven (1990) beschreven als: `buiten de markt om werkende positieve of negatieve invloeden, die als nevengevolg uitgaan op de productievoorwaarden of op het bevredigingspeil van andere huishoudingen/staten'. Bekende voorbeelden van (negatieve) externe effecten zijn de nadelen die gemeenschappen ondervinden van goede nationale verzorgings- en educatieve systemen met betrekking tot Europees internationaliserings- en uitwisselingsbeleid. Volgens Buchanan en Stubblebine (1992) zijn deze externe effecten als volgt te rangschikken: ingeval de welvaart van staat A positief wordt beïnvloed door de consumptie van staat B, spreekt men over een positief extern effect (external economy). Ingeval de welvaart van staat A daardoor negatief wordt aangetast, is het externe effect negatief (external diseconomy).

Externe effecten zijn welvaartstheoretisch van groot belang, omdat zij aanleiding kunnen geven tot inefficiënte - dat wil zeggen niet-Pareto-optimale - situaties. De reden daarvoor is dat staat A bij internationalisering van hoger onderwijs wel rekening houdt met de baten en lasten die voor nationale rekening komen, maar niet met de positieve of negatieve externe effecten van nationale beslissingen voor andere staten, wanneer deze voor staat A geen (financiële of andere) consequenties hebben.

Meer specifiek, internationale studentenmobiliteit tussen staten/huishoudingen, zal voor bepaalde staten positieve externe effecten hebben en voor andere staten negatieve. Afhankelijk van de kwaliteit en capaciteit van nationale educatieve systemen in hoger onderwijs, zullen studenten staat/landkeuzen maken en zich dus in een bepaalde richting bewegen op de internationale markt. Staten met een hoog onderwijskwaliteits- en capaciteitspeil zullen in dit verband kampen met een onaanvaardbaar niveau van `social return on internal investment', aangezien zij zich deze `returns' niet direct kunnen toeëigenen.

Tijdens deze literatuurstudie zijn geen rapporten/onderzoeken gevonden naar de achtergronden van deze problematiek. Nuffic acht het dan ook zinvol om in een vervolgstudie de rol van een supranationale EU-bevoegdheid in kaart te brengen, in relatie tot een meer gebalanceerde financieringsverdeling voor internationalisering van hoger onderwijs binnen Europa. Als voorbeeld van problematische case geldt hier het onevenredig grote aantal Erasmusstudenten die binnen het Verenigd Koninkrijk worden opgenomen. Dit, in tegenstelling tot kleinere Europese landen, waar relatief minder Erasmusstudenten een voorkeur aan geven. De relatief ongelijke balans en ongelijke kosten/batenverdeling tussen EU-landen, als gevolg van ontwikkeld en geïmplementeerd nationaal en Europees internationaliseringsbeleid, zou dan ook zeker een interessant vertrekpunt vormen voor vervolg analyse en onderzoek, aldus Nuffic.


7.4.2 Nationaal niveau

Als uitkomst/ (direct) effect van het Nederlands internationaliseringsbeleid, dat rond 1985 op gang is gekomen, werd in
1991 is door het Ministerie van OC&W de nota Grenzen Verleggen uitgebracht. Hierbinnen lag de nadruk op generieke stimulering van mobiliteit en uitwisseling in alle onderwijsvelden. Voorts werd in
1996 de strategische nota, het Hoger Onderwijs en OnderzoeksPlan (HOOP), door hetzelfde ministerie uitgebracht. Hierin wordt een onderdeel gewijd aan internationalisering en bevordering van studentenmobiliteit. Uitwerking van dit beleid krijgt concretere vorm in de nota `Onbegrensd Talent' (1997). Hierin zijn de beleidslijnen voor internationalisering van hoger onderwijs neergelegd, voornamelijk gekoppeld aan het concept `economische groei' in Nederland.

Na 1997 is waar te nemen dat er binnen nationaal internationaliseringsbeleid sprake is van verdere specificering, verdieping en structurering (=indirect structureel effect). Bij de ontwikkeling van algemeen naar specifiek beleid en de keuzen en afwegingen die hiervoor van belang zijn, wordt uitgegaan van de `eigenheid' van de diverse onderwijsvelden. Ook wordt aansluiting gezocht bij de herijking van het buitenland beleid (zie nota Onbegrensd Talent, p. 47). Samenwerking met andere ministeries en hoger onderwijsinstellingen wordt hierdoor, met andere woorden, expliciet gestimuleerd na 1997 (=indirect structureel effect).

Beschouwend kan worden opgemerkt dat er sprake is van een verschuiving in de nationale beleidsontwikkeling gericht op internationalisering van hoger onderwijs. Tot 1993 lag een duidelijke nadruk op educatieve, pedagogische en kwalitatieve aspecten van onderwijsbeleid. Na 1993 wordt internationaliseringsbeleid primair gekoppeld aan economische voortgang en exclusief gericht op een selecte groep (zeer getalenteerde) studenten en gerenommeerde instellingen in Nederland (=indirect structureel effect). Volgens Nuffic/DESC kan deze verschuiving ook indiceren dat de verantwoordelijkheden voor educatieve, pedagogische en kwalitatieve aspecten van onderwijs nog steeds van groot belang worden gevonden door de overheid. Echter, de verantwoordelijkheid hiervoor ligt meer dan tevoren bij de HO-instellingen. Het principe van complementariteit in invulling en verantwoordelijkheid (tussen OC&W en de HO-instellingen) lijkt in verhoogde mate te zijn gaan gelden, met name in de periode na 1995.

Vanuit Nederlands arbeidsmarktperspectief is het interessant dat het Nederlands potentieel aan internationaal hoger geschoolden is toegenomen (=indirect structureel effect). Deze trend heeft een gunstige uitwerking op o.a. de vestiging van internationaal opererende bedrijven in Nederland, alsmede op de concurrentiepositie van het Nederlands bedrijfsleven als geheel (zie voor meer details: Wiegman & Vrielink (1997). NEI- rapport Internationaal Onderwijs Regio Rotterdam e.o).

Het verdient aandacht om ook stil te staan bij de zogenaamde externe (of neven-) effecten als gevolg van Nederlands en Europees internationaal uitwisselingsbeleid. Deze hebben betrekking op de korte en lange termijn sociaal-economische baten en lasten.

Voorbeelden van dergelijke externe effecten:

Directe kosten voor het opleiden van bezoekende buitenlandse studenten; Bestedingen van Nederlanders in het buitenland; Opportunity costs van Nederlanders die in het buitenland gaan werken (brain drain); Delen van onderwijs door Nederlanders met bezoekende buitenland studenten; Achteruitgang / vooruitgang in kwaliteit van onderwijs door grotere dan wel mindere belasting; Uitgespaarde kosten voor het niet hoeven opleiden van Nederlanders; Persoonlijke bestedingen van buitenlandse studenten; Arbeid van niet in Nederland opgeleide buitenlandse studenten; Arbeid van in het buitenland opgeleide Nederlanders; Arbeid van in Nederland opgeleide buitenlandse studenten die in Nederland werken; Cultuuroverdracht; Kennisvergroting van Nederlandse cultuur en taal bij bezoekende buitenlandse studenten; Versterking van sociaal-culturele netwerken, etc. (zie ook notitie OC&W/IB, `Betalingsbalans/IB', 1998).


7.4.3 Instellingsniveau

Binnen hoger onderwijsinstellingen in Nederland is in de periode na
1993 primair een kwaliteits- en onderwijsinhoudelijke oriëntatie gehanteerd voor ontwikkeling van internationaliseringsbeleid. Op centraal instellingsniveau worden algemene beleidsafspraken omtrent internationalisering verwoord in strategische documenten. Kwaliteits- en onderwijsinhoudelijke doelstellingen/taken en bevoegdheden worden daarentegen op faculteitsniveau vastgesteld.

Echter, in tegenstelling tot de beleidsoriëntatie van de instellingen hanteert het Ministerie van OC&W, tijdens de tweede termijn van Minister Ritzen, veel meer een kwantitatief en financieel, economische oriëntatie. Met andere woorden: internationalisering van hoger onderwijs wordt in de laatstgenoemde situatie primair aangemerkt als één van de voorwaarden voor versterking van de nationale economie.

Bovenstaande tendens zou ook kunnen duiden op het feit dat de oriëntatie van het Ministerie van OC&W en die van de instellingen juist aanvullend werken. Waar het Ministerie van OC&W met name gericht is op het financieel- economische kader, vullen faculteiten dit kader concreet in waar het gaat om onderwijsinhoud en kwaliteitsbeleid. Noodzakelijke voorwaarde hierbij vormt een wederzijdse erkenning van complementariteit in kennis en verantwoordelijkheden, tussen overheid en HO-instellingen.

Daarnaast is in literatuur een andere tendens waar te nemen, namelijk `beoogde open marktwerking' versus `kunstmatige financiële stimulering' van Nederlandse instellingen voor hoger onderwijs. Deze tendens heeft uitsluitend betrekking op de tweede termijn van Minister Ritzen. Hiermee wordt gedoeld op het feit dat hoger onderwijsinstellingen primair worden geacht, om via marktmechanismen, onderwijs concurrerend aan te bieden (=indirect structureel effect). Echter, het nationale onderwijsbeleid verschaft aanvullend financiële prikkels aan een exclusief geselecteerde groep hoger onderwijsinstellingen ter bevordering van internationale `performance' (Van der Wende, 1996). Beoogde open marktwerking kan hierdoor worden verstoord, ten nadele van niet-geselecteerde instellingen.

In het algemeen is waar te nemen dat het management van HO-instellingen zich meer en meer richten gaat op internationale profilering (=direct en structureel effect van Nederlands en Europees internationaliseringsbeleid). Een indirect, structureel effect, als mogelijke reactie op verminderde financiële ruimte voor internationalisering, is dat een aantal Nederlandse instellingen overgaan op werving van `full-fee paying' van non-Europese studenten ofwel formulering en implementatie van export hoger onderwijsbeleid en versterkte profilering van internationaal imago van de instelling (Van der Wende, 1996).

Over de effectiviteits- en duurzaamheidseffecten van `export hoger onderwijs' voor de Nederlandse instellingen kan vanwege het ontbreken van (betrouwbaar) statistisch materiaal op het moment van deze studie geen uitspraak worden gedaan. Nuffic legt haarzelf erop toe ontwikkelingen op dit gebied nauwlettend te volgen en, in samenwerking met de instellingen, vorm te geven aan mogelijkheden om onderwijs als exportprodukt aan te merken (m.a.w. te werken aan operationalisering van dit beleid).


7.4.4 Opleidingsniveau

Het aanbod van geïnternationaliseerde curricula is tussen 1986 en 1994 bijna vertienvoudigd, aldus Van der Wende (p. xiv, 1996) (=direct structureel effect). Deze sterke toename valt samen met de invoering van het actieve internationaliseringsbeleid in Nederland, Europa en de OECD (zie hoofdstuk 3). In literatuur over internationale curriculumontwikkeling en -innovatie wordt uitdrukkelijk gesteld dat deze toename een gevolg is van nationaal en internationaal internationaliseringsbeleid, maar ook van andere factoren (zie o.a. Goedegebuure, Kaiser, Maassen, Meek, Van Vught, De Weert, 1993). Duidelijke onderscheiden variaties tussen curricula in bepaalde sectoren en typen instellingen maken zichtbaar dat de ontwikkeling van internationale curricula een consequentie is van een bundeling van factoren, namelijk: (supra-)nationaal overheidsbeleid, sociaal-economische ontwikkelingen binnen het professionele kader waarin mensen worden opgeleid, instellingsspecifieke motieven en impulsen gerelateerd aan samenwerking met partnerinstellingen buiten Nederland en instroom van buitenlandse studenten.

Van der Wende (1996) analyseert voorts in haar proefschrift de doelstellingen en inhoud van geïnternationaliseerde curricula. Zij merkt op dat er twee basisoverwegingen ten grondslag liggen aan ontwikkeling van een internationaal, nieuw curriculum. Ten eerste: de waarden die ten grondslag liggen aan internationalisering van het curriculum (veelal inhoudelijke overtuigingen die verhelderen hoe de instelling kan aansluiten bij een veranderde `global setting' en beroepsoriëntatie). De tweede overweging houdt verband met motieven ter werving van buitenlandse studenten en
profilering/imago-versterking van de instelling (=indirect structureel effect).

De doelstelling en inhoud van dergelijke curricula richten zich voornamelijk op:

? De verwerving van kennis over andere Europese landen en regio's;

? De analyse en vergelijking van bepaalde aspecten binnen Europese verzorgingsstaten;

? De bestudering van grensoverschrijdende, `mainstreaming and global issues'.

Opvallend hier is dat de curriculum-oriëntatie zich uitstrekt naar issues die zich niet specifiek richten op het land en/of regio waarin de HO instellingen zich bevinden(=indirect structureel effect). De regionale en landgebonden kennis zal wellicht in de toekomst een belangrijkere rol gaan spelen in het internationale curriculum, aangezien regionalisering, even als internationalisering, tevens een kenmerk is van globalisering.


7.4.5 Studentniveau

Deze paragraaf zal een gedetailleerde beschrijving bieden van een
5-tal effecten van mobiliteit onder Nederlandse studenten op studentniveau; in andere woorden over de actoren in relatie tot hun omgeving. De volgende 5 soorten effecten zullen aan de orde komen: professionele, academische, sociaal-persoonlijke, taalvaardigheids- en culturele effecten. Dit geheel vormt, zoals gedefinieerd in hoofdstuk
2, het primaire referentiekader van deze literatuurstudie.

Een ordening van effecten, naar directe en indirecte effecten en overeenkomstige reikwijdte (bereik), en een opdeling in structurele en incidentele effecten van internationalisering van onderwijs zal tevens worden uitgevoerd. Onder structurele effecten valt onder meer het begrip `duurzaamheid'. In dit licht zal op de volgende vraag een beargumenteerd antwoord gegeven worden: »In hoeverre zijn internationaliseringseffecten van duurzame aard?»

Wel dient het volgende te worden opgemerkt met betrekking tot een analyse van de effecten van uitwisselingsprogramma's op studentniveau. Het is niet zeer eenvoudig om directe en indirecte effecten van een verblijf vast te stellen, doordat kennis en vaardigheden van studenten worden verworven over een langere periode. Het buitenlandverblijf is slechts een onderdeel van deze langere periode. Bovendien is het moeilijk in kaart te brengen of toegang tot bepaalde carrièrepatronen direct, indirect, structureel of incidenteel toe te schrijven is aan opgedane vaardigheden binnen uitwisselingsperioden. Centraal punt is hier dat een uitwisselingsverblijf uitsluitend kan worden aangemerkt als `ontwikkelingsonderdeel' binnen het gehele lange-termijnproces van studentontwikkeling. Longitudinale en multi-variate analyse onder uitwisselings- èn niet-uitwisselingsstudenten (controle groep) zou in de toekomst kunnen worden aangewend ter verheldering en precisering van omvang en bereik van deze effecten. Tot nog toe ontbreken dergelijke analysetechnieken binnen bestaand onderzoek op dit terrein.


7.4.5.1 Professionele effecten

Veel uitwisselingsprogramma's stellen zich tot doel om een versterking te leveren aan de persoonlijke, academische en human resource/carrière-ontwikkeling van participerende studenten. In literatuur over effecten van internationale studentuitwisseling op professie- en carrière-ontwikkeling wordt met name het Erasmusprogramma uitgelicht, op basis waarvan professionele effecten worden beschreven. Aangezien deze studie een weergave dient te zijn van literatuur die voor handen is, zal deze paragraaf in het bijzonder aandacht geven aan de carrièrevorming en -kansen onder Erasmusstudenten. Echter, waar literatuur melding maakt van andere uitwisselingsprogramma's en overeenkomstige effecten, zal dit ook worden opgenomen binnen deze paragraaf.

Een omvangrijke survey van Teichler en Maiworm (1997) onder cohorten Erasmusstudenten, over de periode 1988-1993, werpt licht op professionele effecten op studentniveau:

? 3 tot 5 jaar na de Erasmusuitwisselingsperiode verklaart 94 procent van alle respondenten de gehele academische studie binnen een termijn van 5 jaar te hebben afgerond. Tevens verklaart de helft van deze groep opnieuw een studie te zijn aangevangen, in het eerste jaar na verkrijging van het universitair diploma;

? 76 procent van alle Nederlandse respondenten had binnen 5 jaar een werkbetrekking. 7 procent was werkloos op moment van ondervraging. N.b. Nederland laat een relatief hoog werkloosheidspercentage zien in vergelijking tot andere Europese lidstaten (gemiddeld EU- percentage is 4 procent, 5 jaar na datum). Drievierde deel van degenen met een vaste werkbetrekking is ervan overtuigd dat de uitwisselingsperiode structureel bijgedragen heeft aan het vinden van een eerste baan, echter, niet direct aan het bereiken van een bepaalde bedrijfsstatus/positie binnen de gevonden baan;

? 50 procent van het cohort gaf aan dat het uitwisselingsverblijf daadwerkelijk heeft bijdragen aan het type en de aard van het werk op termijn, namelijk enkele jaren na de afsluiting van de studie. M.a.w. hier wordt geduid op structurele effecten (duurzaamheid blijkt vrij hoog in dit opzicht);

Het nut en de aanwending van opgedane kennis binnen de Erasmusuitwisseling is structureel afhankelijk van het land waar het verblijf is afgelegd. Het blijkt dat verblijf aan Engels- en Franstalige instellingen sterker bijdraagt aan een hoger taalvaardigheidsniveau onder uitwisselingsstudenten. Daarnaast speelt de economische arbeidsmarktsituatie van het gastland een belangrijke rol. Als laatste komt naar voren dat de omvang van het gastland (oppervlakte) een rol speelt in het vinden van werk. Aantrekkelijk voor Nederlandse werkgevers is dat men een periode heeft gestudeerd in een relatief grote Europese lidstaat. Deze factoren worden dan ook aangemerkt als direct effect van landkeuze en indirecte effect van de internationale studie-uitwisseling op zich.

Meijer (1989) voegt toe dat 73 procent van alle Nederlandse uitwisselingsstudenten (waaronder alle Nederlandse en Europese programma's) in 1989 verwacht dat de kans op een baan door het studieverblijf is toegenomen. 27 procent verwacht dat deze kans gelijk is gebleven. Vergrote kans hangt significant samen met de duur van verblijf in het gastland. Studenten die langer dan een half jaar verblijven hebben uitgebreidere kennis kunnen opdoen, dan zij die korter dan een half jaar in het gastland zijn geweest.

De volgende tabel geeft een beeld van prioriteitenstelling van Erasmusstudenten bij het vinden van adequaat werk, uitgesplitst naar verblijfsduur in gastland. Hieruit blijkt dat m.n. criteria, die verband houden met vrijheden, ontplooiingsruimte en persoonlijke ontwikkeling, als leidraad gelden bij het zoeken naar adequaat werk. Daarentegen blijkt dat professionele status en inkomen van minder belang zijn. Een zelfde analyse, gericht op
niet-uitwisselingsstudenten, is tot op heden helaas nog nooit uitgevoerd.

Tabel 5 Prioriteitstelling bij baankeuze, uitgesplitst naar verblijfsduur in maanden (in percentage van het aantal werkende EU-afgestudeerden, 5 jaar na de Eramusuitwisseling van 1988-1989)

PRIORITY STATEMENT < - 3 4 - 6 7 - 12 13 - > Total

Applying knowledge and skills acquired while studying 76 74 78 70 76

High income 24 27 35 46 30

Accomplishing sensible/useful professional activities 71 64 66 65 66

Enough spare time for other than professional activities 32 25 30 28
28

Possibility of personal development 83 83 82 84 83

Possibility to realise own ideas 73 67 67 69 68

Well recognised professional status 33 33 35 44 34

High employment security 40 34 35 26 35

Applying foreign language skills 40 59 64 63 57

Working in a foreign country 27 36 44 59 39


7.4.5.2 Academische effecten

Uit literatuur komt naar voren dat uitwisselingsstudenten, en Nederlandse Erasmusstudenten in het bijzonder, een vrij positief beeld hebben waar het gaat om waardering van de uitwisseling in relatie tot academische effecten. Nederlandse Erasmusstudenten in het ICP Survey
1990/91 hebben te kennen gegeven of het verblijf een verbetering/verslechtering in academische ontwikkeling/progressie te weeg heeft gebracht. Dit is op een schaal van 1-5 geclassificeerd (1= veel beter; 5 = veel minder). Nederlandse Erasmusstudenten geven gemiddeld een 2.9 (gemiddelde waardering van uitwisseling naar 11 EU-lidstaten). In het bijzonder staan zij het meest positief tegenover ervaringen opgedaan binnen Deense instellingen van hoger onderwijs (score: 2.5); daarentegen het minst positief ten opzichte van Portugal (score: 3.7). Deze Nederlandse waardering ligt hiermee wel lager dan de EU-gemiddelde waardering (score: 2.5). Of er hier sprake is van structurele effecten is niet eenvoudig vast te stellen, aangezien er slechts eenmalig ondervraging is geweest. Er is niet na verloop van tijd aan dezelfde groep studenten opnieuw een zelfde vragenlijst voorgelegd. Beweringen over duurzaamheid van academische effecten binnen dit bereik (hier: Nederlandse Erasmusstudenten) kunnen daarom niet met argumenten worden onderbouwd.

Opper, Teichler en Carlson hebben in detail een beschrijving gegeven van academische effecten in hun boek `Impacts of Study Abroad Programmes on Students and Graduates' (1990). Ervaringen onder Nederlandse uitwisselingsstudenten zijn hierin helaas niet opgenomen. Zij baseren hun `Post-Study Abroad Questionnaire' op Duitsland, Frankrijk, Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten en Zweden. Pre- en post-study abroad vragenlijsten zijn naar 1.200 deelnemers van Europese uitwisselingsprogramma's gestuurd; overeenkomstige valide respons: 458.

Opper, Teichler en Carlson merken wel op dat hun onderzoeksresultaten kunnen gelden als indicatie voor andere EU-lidstaten. In het volgende zal daarom een uiteenzetting gegeven worden van opmerkelijke uitkomsten binnen het onderzoek van Opper, Teichler en Carlson.

Een 6-tal categorieën van effecten wordt door Opper, Teichler en Carlson onderscheiden ter meting van (pre- en) post-academische resultaten van buitenlands verblijf aan instellingen van hoger onderwijs. Effecten m.b.t.:


1. Opgedane theorieën en methoden

Hieronder vallen de volgende kenmerken:

Good memory; Applying theories or abstract knowledge to practical issues; Quick understanding; Tackling abstract problems, working with theories; Formulating hypotheses and using these in analysis.

Op alle kenmerken, behalve `good memory' (zeer kleine afname), is een toename in waardering waar te nemen, wanneer pre- en post-bevindingen worden vergeleken.


2. Vernieuwde persoonlijke aanpak en zienswijzen

Hieronder vallen de volgende kenmerken:

Understanding approaches from several disciplines; Accepting criticism as a stimulus for further learning; Developing your own point of view; Articulating your own thoughts/views; Imagination; Choosing tasks commensurate with your abilities.

Op alle kenmerken is een wat hogere waardering waar te nemen bij vergelijking tussen pre- en post-situatie.


3. Hantering interactieve(re) leerwijzen

Hieronder vallen de volgende kenmerken:

Cooperating with others in academic work; Motivating other people.

Op alle kenmerken is een wat hogere waardering waar te nemen, wanneer pre- en post-bevindingen worden vergeleken.


4. Veranderde werk- en studiediscipline

Hieronder vallen de volgende kenmerken:

Working continuously (e.g. rather than leaving everything to the last minute); Discipline in learning (e.g. not easily distracted from your studies); Planning and following through accordingly.

Op alle kenmerken, behalve op `discipline in learning' (zeer kleine afname) is een kleine toename in waardering waar te nemen bij vergelijking van pre- en post-bevindingen.


5. Omgaan met werkdruk

Hieronder vallen de volgende kenmerken:

Assuming heavy workload; Working under time pressure.

Op alle kenmerken is een kleine toename in waardering waar te nemen, wanneer pre- en post-bevindingen worden vergeleken.


6. Hantering internationaal vergelijkend perspectief

Hieronder valt het volgende kenmerk:

Developing comparative perspectives.

Op dit kenmerk is een aanzienlijke hogere waardering zichtbaar, bij analyse van pre- en post-enquêtes.

Binnen de ondervraagde groep waren tevens verschillende disciplines waar te nemen, te weten `business studies', `engineering', `law', natural sciences', `foreign languages'. Opvallend resultaat is hier dat waarderingen in academische effecten verschillen per land, maar vele malen sterker per discipline/studie-richting. Met het oog op benodigd vervolgonderzoek onder Nederlandse uitwisselingsstudenten kan deze dimensie zeker ook in beschouwing worden genomen.


7.4.5.3 Sociale persoonlijke (houdings-)effecten

Door Meijer (1989) is een analyse uitgevoerd naar effecten van internationale uitwisseling onder Nederlandse studenten met betrekking tot verandering in hun persoonlijke houdingen. Meijer baseert zijn onderzoek op een steekproef onder Nederlandse studenten (n=93), middels open en gesloten vragen over hun afgelegd uitwisselingsverblijf. De resultaten van Meijer's onderzoek zijn niet zeer actueel, maar er is erg weinig actuele (en additionele) informatie beschikbaar in literatuur en documentatie over deze effecten. Aangezien Meijer's onderzoek een belangrijke weerspiegeling geeft van de meest in het oog springende sociale persoonlijke effecten onder Nederlandse studenten, zullen deze in het volgende bondig worden verwoord.

? Onder de respondenten is een veranderde (positievere) houding waarneembaar ten opzichte van mensen uit andere landen dan Nederland. Hier wordt als verklaring aangedragen dat meer begrip en kennisuitwisseling tot stand is gebracht waardoor Nederlandse studenten opener zijn gaan staan ten opzichte van andere bevolkingsgroepen, culturele identiteiten;

? 62 procent van de respondenten geeft aan dat zij door het studieverblijf aanzienlijk meer zelfvertrouwen hebben gekregen. De respondenten geven als argumentatie dat deze versterking in zelfvertrouwen gekomen is doordat zij aangewezen waren op zichzelf en eigen handelen. Ook draagt hun verbeterde bekwaamheid in buitenlandse taal bij aan een positiever zelfbeeld;

? Bij verreweg het overgrote deel van deze groep zijn reislust, algemene maatschappelijk en sociale belangstelling en zelfredzaamheid/lef toegenomen. Zij schrijven deze drie effecten direct toe aan de onafhankelijke variabele `het uitwisselingsverblijf' en niet aan (derde) variabelen die tevens in relatie zouden kunnen worden gebracht met de afhankelijke variabele `sociale en persoonlijke houding'.

Uit Meijer's analyse kan helaas niet worden opgemaakt of directe effecten zich in de loop der tijd versterken dan wel verzwakken (duurzaamheidsvraag). De enquêtes zijn namelijk ingevuld niet lang na afronding van de uitwisseling. Het zou kunnen zijn dat deze groep Nederlandse studenten na verloop van tijd een meer omvattend beeld van persoonlijke ontwikkeling krijgt waardoor de onderzoeksrelatie «invloed van uitwisselingsverblijf op sociale en persoonlijke houding» in positieve of negatieve richting verandert.

Opvallend uit onderzoek van IOWO (Prins, 1997 ) is dat de meerwaarde van een uitwisselingsverblijf als allermeeste is gelegen in persoonlijke groei van studenten als gevolg van het leven in een andere cultuur. Ook verhoogde publikatie- en promotiekansen worden genoemd als meerwaarde, maar komen op een aanmerkelijk lagere plaats. Het buitenlands verblijf leert de student zicht te krijgen op eigen mogelijkheden: zich kunnen redden in nieuwe, vreemde en soms moeilijke situaties, beter weten wat aan te kunnen, in staat zijn te improviseren, vol kunnen houden en flexibeler te zijn. Het draagt bij aan zelfvertrouwen en uitstraling. Persoonlijkheid(-sgroei) wordt hier gezien als voorwaarde om betere kansen te maken bij sollicitaties en nieuwe werkgevers. Interessant is dat baankans dus indirect wordt gemeten als uitkomst (afhankelijke variabele) van het uitwisselingsverblijf (onafhankelijke variabele):

Uitwisselingsverblijf -> Persoonlijke Groei -> Baankansverhoging.

Daarnaast hechten HO-instellingen ook zeer aan persoonlijke groei onder studenten. Deze studenten zijn over het algemeen interessant voor de opleidingen, doordat zij op basis van ervaringen elders advies kunnen geven over (her-)structurering van het curriculum:

Uitwisselingsverblijf -> Persoonlijke Groei -> Opleiding- en Curriculumversterking.


7.4.5.4 Taalvaardigheidseffecten

In 1997 is een omvangrijk onderzoek van Teichler and Maiworm uitgekomen waarin een cohort van 1988/89 en 1990/91 Erasmusstudenten is ondervraagd naar opgedane taalvaardigheden in het gastland, in drie verschillende opzichten:


1. Lees-, luister-, spreek- en schrijfvaardigheden;


2. In een academische omgeving en daarbuiten;


3. Voor de uitwisselingsperiode en daarna.

Interessant in deze analyse is dat structurele effecten (duurzaamheid) in kaart worden gebracht doordat de meeting na het verblijf op twee verschillende tijdstippen wordt uitgevoerd, te weten net na de uitwisseling en vijf jaar na data. De belangrijkste inzichten die uit dit onderzoek naar voren komen en specifiek gelden voor Nederlandse Erasmusstudenten :

? In de periode voorafgaande aan het uitwisselingsverblijf beheerst het overgrote deel van de Nederlandse Erasmusstudenten de `buitenlandse' taal op redelijk niveau (gemiddeld rate `5'). Tussen disciplines is een duidelijk onderscheid in niveau waar te nemen - met name taalstudenten geven aan de taal zeer goed te beheersen. Dit, in tegenstelling tot studenten uit architectuur-, geografie- en geologie en technische wetenschappen;

? Er is een aanzienlijke verbetering waarneembaar in lees-, luister-, spreek- en schrijfvaardigheden in en buiten de academische omgeving, bij ondervraging van de Nederlanders net na de afronding van de uitwisselingsperiode (gemiddelde score: `3');

? Zoals verwacht kan worden is de gemeten vooruitgang het grootst onder Nederlandse Erasmusstudenten die, voorafgaand aan het uitwisselingsverblijf, de `buitenlandse' taal op een laag niveau beheersten;

? Vijf jaar na de eerste post-analyse is opnieuw dezelfde groep Nederlandse studenten via een identieke vragenlijst ondervraagd. Interessant, wat betreft duurzaamheid en structurele effecten van uitwisseling is, dat de resultaten relatief stabiel blijven. Studenten geven aan dat hun lees-, schrijf- luister- en spreekvaardigheden op hetzelfde (vrij hoge) niveau zijn gebleven (= structureel effect/duurzaamheidskenmerk).


7.4.5.5 Culturele effecten

Over culturele effecten van internationalisering zijn helaas weinig zeer recente gegevens beschikbaar. Onderzoek van Maiworm, Steube en Teichler (1991) is het meest sprekende in dit opzicht. Hier is een cohort van 1988/89 Erasmusstudenten ondervraagd naar verandering in culturele beleving van het gastland en inwoners door een eenmalige pre- en post-meting. Afwezig hier is een meting van houding en beleving op een later tijdstip. Hierdoor kan geen uitspraak gedaan worden over structurele effecten.

De volgende kenmerken van het gastland zijn in 1991 in beschouwing genomen:

? kwaliteit van hoger onderwijs;

? buitenlands overheidsbeleid;

? media;

? normen en tradities;

? behandeling van pas gearriveerde immigranten;

? sociale structuur;

? stedelijke leven;

? binnenlandse beleidsaangelegenheden;

? milieubeleid.

Op vrijwel alle bovenstaande kenmerken hebben Nederlandse Erasmusstudenten (cohort 1988/89) aangegeven niet veel van mening te zijn veranderd als direct gevolg van hun uitwisselingsverblijf

Tabel 7 Directe en indirecte effecten

DIRECTE EFFECTEN INDIRECTE EFFECTEN

NIVEAU Incidentele Effecten Structurele Effecten Incidentele Effecten Structurele Effecten Externe Effecten

Inter-

nationaal

Niveau Versterking human capital binnen regio's.

? Cross cultural fertilisation.

? Europees overleg en afstemming tussen universiteiten.

? Internationale disseminatie van informatie. Onevenredige belasting spec. Onderwijssystemen (brain-drain).

Nationaal

Niveau Nota Grenzen Verleggen, HOOP, Onbegrensd Talent . ? Samenwerking tussen overheid en HO-instellingen.

? Nadruk op ontwikkeling beleid omtrent export hoger onderwijs.

? Specificering, verdieping en structurering nationaal internationaliseringsbe-leid.

? Expliciete koppeling HO-beleid aan economische groei.

? Groei internationaal getrainde beroeps-bevolking. Baten/lasten van buitenlandse studenten in Nederland (zie voor specificering pagina 76 van deze monitor).

Instellings-Niveau Management gericht op internationale profilering. ? Marktwerking binnen HO-instellingen.

? Ontwikkeling van beleid omtrent export hoger onderwijs.

? Profilering (internationaal) imago van HO-instellingen. Baten/lasten van buitenlandse studenten in Nederland (zie voor specificering pagina
76 van deze monitor).

Opleidings-niveau Curricula-innovatie.

? Investering in internationaal opleidingsbeleid.

? Curriculum-orientatie op internationalisering, niet op regio-gebonden kennis. Baten/lasten van buitenlandse studenten in Nederland (zie voor specificering pagina 76 van deze monitor).

Student-

niveau ? Persoonlijke /sociale groei.

? Groei in academische ontwikkeling.

? Betere taalvaardigheid. ? Hogere baankans.

? Type en aard van baan sterk gerelateerd aan verblijf.

(gemiddelde pre-rating: `3' is vrijwel onveranderd gebleven vergeleken met post-rating). Dit geldt ook voor de overige EC Erasmusstudenten. Er is met andere woorden geen sprake van incidenteel onderscheid tussen EC landen.

Opper, Teichler en Carlson (1990) anticiperen op bovenstaande uitkomsten in hun boek `Impacts of Study Abroad Programmes on Students and Graduates' (1990). Zij merken op dat kennis over het gastland op het gebied van cultuur, politiek en samenleving aanzienlijk is versterkt als direct gevolg van het uitwisselingsverblijf. Echter, deze verandering in kennis leidt op zich niet tot een verandering in waardering of veranderde houding ten opzichte van cultuur, tradities en nationaal overheidsbeleid.

Ervaringen onder Nederlandse uitwisselingsstudenten zijn, zoals eerder opgemerkt, helaas niet in deze studie opgenomen. Opper, Teichler en Carlson baseren hun `Post-Study Abroad Questionnaire' namelijk op Duitsland, Frankrijk, Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten en Zweden. Opgemerkt kan worden dat deze onderzoeksresultaten zeker kunnen gelden als indicatie voor andere EU-lidstaten.


7.5 Samenvatting

In deze literatuurstudie is een analytische reflectie/beschouwing aangeboden over effecten van internationale mobiliteit onder Nederlandse studenten over de periode 1985-1998, respectievelijk op studentniveau, internationaal, nationaal, instellings- en opleidingsniveau. Onderstaand worden de verschillende typen effecten en niveau's overzichtelijk tegen elkaar uitgezet in matrixvorm. Een dergelijk overzicht faciliteert het aanreiken van argumenten voor mogelijke aanscherping van nationaal beleid ter bevordering van internationale studentenmobiliteit.


7.6 Aanbevelingen

In de HBO-Monitor 1997 is stage in het buitenland een belangrijk item. Er wordt in de publicatie vermeld hoe de spreiding van studenten is over sectoren. Echter, verder wordt geen verband gelegd met andere kenmerken van de onderzochte populatie. Het betreft een representatieve steekproef van 36000 uit de ca. 1.5 jaar geleden afgestudeerden. De ruwe data, die bij het ROA in Maastricht liggen, zijn natuurlijk een zeer belangrijk bestand om nieuwe analyses op uit te voeren en om correlaties te proberen te leggen tussen stage in het buitenland en andere gegevens over de arbeidsmarktsituatie van HBO-afgestudeerden. Nuffic/DESC acht dit een zinvol en belangrijk vervolgtraject.


7.7 Literatuurlijst

Blumenthal, P., C. Goodwin, A. Smith, U. Teichler (Ed.) (1996). Academic Mobility in a Changing World: Regional and Global Trends. London, Jessica Kingsley Publishers.

Bremer, L. (Ed.) (1998). BISON Monitor van Internationale Mobiliteit in het Onderwijs, Den Haag, OC&W.

Doel, J. van der, B.C.J. van Velthoven (1990). Democratie en Welvaartstheorie. Alphen aan den Rijn, Samsom H.D. Tjeenk Willink.

Goedegebuure, L., F. Kaiser, P. Maassen, L. Meek, F. van Vught & E. de Weert (Eds.) (1993). Higher Education Policy. An International Comparative Perspective. Oxford: Pergamon Press.

Prins, J. (Ed.) (1997). Buitenslands Studeren: over Internationalisering aan de Katholieke Universiteit Nijmegen, Nijmegen, IOWO.

Kälvemark, T., M.C. van der Wende (Ed.) (1997). National Policies for the Internationalisation of Higher Education in Europe. Stockholm, National Agency for Higher Education.

Maiworm, F., W. Steube, U. Teichler (1991). Learning in Europe: The Erasmus Experience. London, Jessica Kingsley Publishers.

Maiworm, F., U. Teichler (1996). Study Abroad and Early Career. London, Jessica Kingsley Publishers.

Meijer, R. (1989). De Grensoverschrijdende Studie: Een Verkennend Onderzoek naar het Hoe, Wat en Waartoe van een Studieverblijf in het Buitenland. Groningen, Andragogisch Instituut - Rijksuniversiteit Groningen.

Ministerie OC&W (1998). Betalingsbalans Internationalisering. Interne notitie OC&W/IB, Den Haag.

Opper, S., U. Teichler, J. Carlson (1990). Impacts of Study Abroad Programmes on Students and Graduates. London, Jessica Kingsley Publishers.

Teichler, U., F. Maiworm (1994). Transition to Work: The Experience of Former Erasmus Students. London, Jessica Kingsley Publishers.

Teichler, U., F. Maiworm (1997). The Erasmus Experience: Major Findings of the Erasmus Evaluation Research Project. Luxembourg, Office for Official Publications of the European Communities.

Wende, M.C. van der (1996). Student mobility reviewed: trends and themes in the Netherlands. European Journal of Education, Vol. 31,
223-242.

Wende, M.C. van der (1996). Internationalising the Curriculum in Dutch Higher Education: an International Comparative Perspective. Den Haag, Nuffic.

Wiegman, M., G.A. Vrielink (1997). Internationaal Onderwijs Regio Rotterdam e.a. Rotterdam, Nederlands Economisch Instituut (NEI).

Deel 3: Bijlagen Kwantitatieve gegevens

Bijlage I Kwantitatieve gegevens mobiliteit primair en voortgezet onderwijs

Lijst van tabellen

Tabel 1 Financiële toekenningen in 1998

Tabel 2 Provincie van waaruit in 1998 studiebezoek of uitwisselingen plaatsvinden

Tabel 3 Financiële toekenningen naar land van bestemming in 1998

Tabel 4 Leerlingen \ docenten naar landen van bestemming in 1998

Tabel 5 Toekenningen verdeeld naar denominatie in 1998

Tabel 6 Voertaal in 1998 per toekenning

Tabel 7 Aantal deelnemers naar functie in 1998

Tabel 8 Toekenningen naar schooltype in 1998

Tabel 9 Aantal deelnemers verdeeld naar geslacht in 1998

Tabel 10 Ontwikkelingen van de laatste 5 jaar

Tabel 11 Aantallen leerlingen/studenten x 1000

Tabel 12 Aantal personeelsleden in fte's x 1000

Tabel 1: Financiële toekenningen in 1998

Financiële toekenningen in 1998

Programma Aantal In guldens

Comenius 1

Comenius 3.2

Lingua B

Lingua C (*)

Lingua E

Arion

RvE(**)

Duitsland Plus en bilateraal (***)

Iku

Gros

Plato

KANS

Sop (****)

Vervanging (*****)

Centrale Acties Socrates (******) 928


56


159


28


82


51


12


77


302


78


1377,0


27


41


0


25 2.526.200


138.531


573.489


203.423


892.958


93.357


0


440.100


1.810.713


379.473


2.400.000


2.970.000


379.750


1.200.000


1.365.000

Totaal 3243,0 15.372.994

(*) Lingua C betreft hier de Nederlandse EU-assistenten die met een beurs naar het buitenland gaan.

(**) RVE-reiskosten worden betaald door de Raad van Europa; verblijfkosten door ontvangend land

(***) Alleen toekenningen voor leerlingen en docent. Toekenningen voor de overige Duitsland activiteiten zijn hier niet meegenomen

(****) Sop-specifieke onderwijsprogramma's (lesmateriaal, nascholing en tweetalig onderwijs)

(*****) Toekenningen vervanging lopen vooral via het vervangingsfonds

(******) Dit betreft projecten met een Nederlandse partner of coördinator goedgekeurd door de EU

In Totaal nemen 118 Nederlandse instellingen hetzij als coördinator of als partner deel aan projecten onder de centrale acties.

Aan deze projecten is in Totaal zo'n 10 miljoen gulden toegekend, bestemd voor alle deelnemende instellingen.

Tabel 2: Provincie van waaruit in 1998 studiebezoek of uitwisselingen plaatsvinden

Provincie van waaruit in 1998 studiebezoek of uitwisselingen plaatsvinden

Programma

Provincie

Drenthe

Flevoland

Friesland

Gelderland

Groningen

Limburg

Nrd-Brabant

Nrd-Holland

Overijssel

Utrecht

Zeeland

Zd-Holland Comenius 1


34


7


35


82


75


61


194


105


116


61


26


132 Comenius


3.2


0


1


9


7


0


6


9


12


2


4


0


6 Lingua B


1


0


0


25


5


16


26


34


20


5


0


27 Lingua C


0


0


3


4


5


1


0


9


0


5


0


1 Lingua E


0


3


5


8


7


10


14


12


5


4


0


14 Arion


4


1


3


5


1


4


7


10


5


6


1


4 RvE


0


0


2


4


1


1


1


1


0


0


0


2 Duitsland

Plus

Bilateraal


3


0


7


15


11


4


5


8


12


3


0


9 Iku


7


5


8


30


23


24


75


36


24


14


2


54 Gros


1


1


1


9


7


17


20


3


9


5


0


5 Plato

(*)


75


13


44


149


54


91


290


329


87


89


10


213 KANS


0


0


0


2


0


4


4


4


1


2


1


9 Totaal


125


31


117


340


189


239


645


563


281


198


40


476

Totaal 928 56 159 28 82 51 12 77 302 78 1.444 27 3.244

(*) Op een toekenning kunnen meerdere docenten een studiebezoek afleggen

Tabel 3: Financiële toekenningen naar land van bestemming in 1998

Financiële toekenningen naar land van bestemming in 1998

Programma

Bestemming

Aruba

België

Cyprus

Bulgarije

Denemarken

Duitsland

Estland

Finland

Frankrijk

Griekenland

Hongarije

Ierland

Italië

Kroatië

Nederland

Ned.Antillen

Noorwegen

Oostenrijk

Polen

Portugal

Roemenië

Slowakije

Spanje

Tsjechië

Verenigd Koninkrijk

Ijsland

Zweden

Zwitserland Comenius


1(*)


0


21


0


0


38


134


1


77


46


16


10


35


106


0


0


0


34


35


25


11


2


0


51


7


248


6


25


0 Comenius


3.2(**)


0


1


0


0


0


5


0


5


1


5


0


7


5


0


10


0


2


0


0


1


0


0


4


0


9


1


0


0 Lingua B


0


0


0


0


0


10


0


1


31


1


0


4


2


0


0


0


0


0


0


0


0


0


25


0


85


0


0


0 Lingua C


0


0


0


0


1


2


0


1


6


0


0


1


3


0


0


0


0


1


1


0


0


1


6


0


4


1


0


0 Ligua E


0


0


1


0


6


2


0


3


4


6


8


2


22


0


0


0


2


1


0


4


2


0


14


0


4


0


1


0 Arion


0


0


0


1


4


2


0


4


1


7


0


3


2


0


0


0


1


0


0


0


0


0


0


12


2


8


2


2 RvE


0


0


0


0


0


0


0


0


0


1


0


0


0


1


0


0


0


0


6


0


0


0


0


0


2


0


1


1 Duitsland

Plus en Bilateraal


0


0


0


0


0


77


0


0


0


0


0


0


0


0


0


0


0


0


0


0


0


0


0


0

(***)


0


0


0 Iku


0


19


0


0


29


90


0


5


55


5


0


3


30


0


0


0


6


2


0


4


0


0


12


0


29


0


13


0 Gros


0


25


0


0


0


53


0


0


0


0


0


0


0


0


0


0


0


0


0


0


0


0


0


0


0


0


0


0 Plato

(****)


0


108


0


0


41


307


0


34


45


26


0


9


100


0


0


0


3


60


0


32


0


0


47


0


375


0


190


0 KANS


8


0


0


0


0


0


0


0


0


0


0


0


0


0


0


19


0


0


0


0


0


0


0


0


0


0


0


0 Totaal


8


174


1


1


119


682


1


130


189


67


18


64


270


1


10


19


48


99


32


52


4


1


159


19


758


16


232


3

Totaal 928 56 159 28 82 51 12 77 302 78 1.377 27 3.177

(*) Sop is hier niet opgenomen; dit betreft activiteiten binnen Nederland

(**) Bij Comenius is het mogelijk dat er per toekenning meerdere landen betrokken zijn

(***) Taalassistenten vallen buiten verdere tellingen

(****) Op een toekenning kunnen meerdere docenten een studiebezoek afleggen

Tabel 4: Leerlingen/docenten naar landen van bestemming in 1998

Land Programma

Comenius 1 Comenius 3.2 Lingua B Lingua C Lingua E Arion RvE Duitsland Plus en Iku Gros Plato KANS Totaal Totaal

Bilateraal (*)

doc doc doc doc LL doc doc doc LL LL doc LL Doc LL doc doc doc LL LL en doc

Aruba 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 16 16 0 16

België 21 1 0 0 0 0 0 0 0 0 74 549 136 1.059 108 0 340 1.608 1.948

Cyprus 0 0 0 0 0 1 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 1 0 1

Bulgarije 0 0 0 0 0 0 1 0 0 0 0 0 0 0 0 0 1 0 1

Denemarken 38 0 0 1 44 12 4 0 0 0 124 959 0 0 52 0 231 1.003 1.234

Duitsland 134 5 29 2 25 6 2 0 1.858 262 403 3.115 273 2.088 327 0
1.443 7.086 8.529

Estland 1 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 1 0 1

Finland 77 5 1 1 56 7 4 0 0 0 9 132 0 0 34 0 138 188 326

Frankrijk 46 1 50 6 24 7 1 0 0 0 229 1.620 0 0 45 0 385 1.644 2.029

Griekenland 16 5 1 0 143 16 7 1 0 0 11 80 0 0 26 0 83 223 306

Hongarije 10 0 0 0 49 16 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 26 49 75

Ierland 35 7 4 1 10 4 3 0 0 0 11 92 0 0 9 0 74 102 176

Italië 106 5 2 3 333 49 2 0 0 0 104 1.009 0 0 100 0 371 1.342 1.713

Kroatië 0 0 0 0 0 0 0 1 0 0 0 0 0 0 0 0 1 0 1

Nederland 0 10 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 10 0 10

Nederlandse Antillen 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 38 38 0 38

Noorwegen 34 2 0 0 0 3 1 0 0 0 22 148 0 0 10 0 72 148 220

Oostenrijk 35 0 0 1 13 3 0 0 0 0 4 52 0 0 60 0 103 65 168

Polen 25 0 0 1 0 0 0 6 0 0 0 0 0 0 0 0 32 0 32

Portugal 11 1 0 0 76 14 0 0 0 0 14 76 0 0 32 0 72 152 224

Roemenië 2 0 0 0 0 3 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 5 0 5

Slowakije 0 0 0 1 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 1 0 1

Spanje 51 4 25 6 57 10 0 0 0 0 38 334 0 0 47 0 181 391 572

Tsjechië 7 0 0 0 0 0 12 0 0 0 90 685 0 0 0 0 109 685 794

Verenigd Koninkrijk 248 9 110 4 35 28 2 2 0 0 0 0 0 0 404 0 807 35 842

IJsland 6 1 0 1 0 0 8 0 0 0 0 0 0 0 0 0 16 0 16

Zweden 25 0 0 0 6 4 2 1 0 0 52 322 0 0 190 0 274 328 602

Zwitserland 0 0 0 0 0 0 2 1 0 0 0 0 0 0 0 0 3 0 3

Totaal 928 56 222 28 871 183 51 12 1.858 262 1.185 9.173 409 3.147
1.444 54 4.834 15.049 19.883

(*) Op een toekenning kunnen meerdere docenten een bezoek afleggen

Tabel 5: Toekenningen verdeeld naar denominatie in 1998

Toekenningen verdeeld naar denominatie in 1998

Programma

Denominatie

Openbaar

RK

PC

Inter-confessioneel

Algemeen bijzonder

Overig(*) Comenius 1


262


309


143


57


157 Comenius


3.2


23


20


7


3


3

Lingua B


48


51


23


5


21


11 Lingua C


0


0


0


0


0


28 Lingua E


28


26


19


2


5


2 Arion


22


11


9


2


6


1 RvE


5


2


2


0


3 Duitsland

Plus

Bilateraal


66


2


0


6


1


2 Iku


92


108


53


25


15


9 Gros


24


33


10


4


5


2 Plato

(****)


491


466


247


37


100


36 KANS


11


10


5


1


0


0 Totaal


1.072


1.038


518


142


316


91

Totaal 928 56 159 28 82 51 77 78 1.377 3.177

(*) Onder `overig' vallen personen buiten een schoolverband (bijvoorbeeld onderwijsverzorging, HBO, inspectie, enz.

Tabel 6: Voertaal in 1998 per toekenning

Voertaal in 1998 per toekenning

Programma

Taal

Deens

Duits

Engels

Fins

Frans

Grieks

Italiaans

Nederlands

Noors

Portugees

Spaans Comenius 1


0


64


816


0


33


1


3


0


0


0


11

Comenius


3.2


0


5


30


0


1


3


5


11


0


0


1 Lingua B


0


10


90


0


31


1


2


0


0


0


25 Lingua C


0


5


7


1


14


0


0


1


0


0


2 Lingua E

(*) (**)


0


5


44


0


6


1


0


0


0


1


6 Arion (*)


4


3


44


0


12


7


2


0


0


0


9 RvE


0


1


10


0


0


1


0


0


0


0


0 Duitsland

Plus

Bilateraal


0


77


0


0


0


0


0


0


0


0


0 Iku


0


65


174


52


0


0


11


0


0


0


0 Gros


0


33


0


0


19


0


0


26


0


0


0 Plato

(****)


0


163


1045


0


67


20


0


80


0


0


2 KANS


0


0


0


0


0


0


0


27


0


0


0 Totaal


4


431


2260


53


183


34


23


145


0


1


56

Totaal 928 56 159 30 63 81 12 77 302 78 1.377 27 3.190

(*) Per toekenning kunnen meerdere voertalen worden gebruikt

(**) Het betreft de leerlingenuitwisselingen, exclusief de voorbereidende bezoeken

Tabel 7: Aantal deelnemers naar functie in 1998

Aantal deelnemers naar functie in 1998

Programma

Functie

Leerlingen

Docenten

Schoolleiders

Onderwijs-

specialisten

Overig Comenius 1


0


696


232


0


0 Comenius


3.2


0


42


14


0


0 Lingua B


0


222


0


0


0 Lingua C (*)


0


28


0


0


0 Lingua E


871


183


0


0


0 Arion


0


0


51


0


0 RvE


0


12


0


0


0 Duitsland

Plus

Bilateraal


1.858


252


10


0


0 Iku


9.173


0


1.185


0


0 Gros

(**)3.147


409


0


0


0 Plato

(***)


0


919


525


0


0 KANS


0


28


26


0


0 Totaal


15.049


3.976


858


0


0

Totaal 928 56 222 28 1.054 51 12 2.120 10.358 3.556 1.444 54 19.883

(*)

(**) Het buitenlands verblijf is vaak beperkt tot enkele dagen

(***) Op een toekenning kunnen meerdere docenten een studiebezoek afleggen

Tabel 8: Toekenningen naar schooltype in 1998

Toekenningen naar schooltype 1998

Programma

Schooltype

AVO

BAO

MBO

HBO

VSO

overig

universitair Comenius 1


404


350


60


0


114


0


0 Comenius


3.2


21


28


2


0


5


0


0 Lingua B


53


15


58


6


2


25


0 Lingua C (*)


0


0


0


20


0


0


8 Lingua E


75


0


3


2


2


0


0 Arion


12


13


0


1


5


20


0 RvE


70


2


0


0


0


3


0 Duitsland

Plus

Bilateraal


66


2


0


6


1


2


0 Iku


302


0


0


0


0


0


0 Gros

(**)51


27


0


0


0


0


0 Plato

(***)


606


708


0


23


40


0


0 KANS


11


7


6


0


3


0


0 Totaal


1.608


1.152


129


58


172


50


8

Totaal 928 56 159 28 82 51 12 77 302 78 1.377 27 3.177

(*) Het betreft hier studenten en net afgestudeerden

(**) Inclusief vbo

Tabel 9: Aantal deelnemers verdeeld naar geslacht in 1998

Aantal deelnemers verdeeld naar geslacht in 1998

man vrouw Totaal

Comenius 1

Comenius 3.2

Lingua B

Lingua C

Lingua E

Arion

RvE

Duitsland Plus en bilateraal

Iku

Gros

Plato (*)

KANS 575


34


77


6


438


32


7


993,0


5057,0


1813,0


808,0


34,0 353


22


145


22


616


19


5


1127,0


5301,0


1743,0


636,0


20,0 928


56


222


28


1054


51


12


2120,0


10358,0


3556,0


1444,0


54,0

Totaal 9874,0 10009,0 19883,0

(*) Op een toekenning kunnen meerdere docenten een studiebezoek afleggen

Tabel 10: Ontwikkelingen van de laatste 5 jaar


1994 1995(*) 1996 1997 1998

Aantal financiële toekenningen 2.453 3.558 3.186 3.497 3.243

Budget toekenningen, vanaf 1995 incl.vervanging 7.451.680 11.754.757
11.487.913 12.371.231 15.372.994

Aantal leerlingen

Aantal docent/schoolleiders

(*) De toekenningen in 1995 zijn geflatteerd door de vooruit toegekende Plato groepsstudiebezoeken

Tabel 11: Aantallen leerlingen/studenten x 1000


92/93 93/94 94/95 95/96 96/97

PO 1.528,7. 1.542,7 1.568,9 1.597,2 1.621,9

VO 863,4 860,9 853,0 842,8 832,4

BVE 684,5 677,7 663,4 650,7 643,1

HBO 251,0 257,2 259,8 259,5 263,7

WO 179,4 179,8 177,5 170,5 160,3

Totalen 3.507,0 3.518,3 3.522,6 3.520,7 3.521,4

Tabel 12: Aantal personeelsleden in fte's x 1000


1992 1993 1994 1995 1996

Onderwijsgevend 87,0 87,8 88,7 90,8 92,3

Totalen 91,1 92,3 93,2 95,5 97,7

Bijlage II Kwantitatieve gegevens Mobiliteit in het Beroepsonderwijs en Volwasseneneducatie

Lijst van tabellen

Tabel 1 CINOP: Programmatische gegevens 1995-1998

Tabel 2 GSP: Aantal deelnemende leerlingen en leerkrachten per jaar naar type project

Tabel 3 GSP: Uitstroom leerlingen (ll) en leerkrachten (lk) naar land van bestemming, 1994-98

Tabel 4 GSP: Stages naar land van bestemming

Tabel 5 Leonardo da Vinci, uitstroom naar land van bestemming en type mobiliteit, 1995-98

Tabel 6 Socrates/Lingua programma: actie E (uitwisselingen) uitstroom naar land van bestemming 1997-1998

Tabel 7 Aantal van ROC's en AOC's in de programma's

Tabel 8 Leonardo da Vinci: uitstroom naar land van bestemming en type instelling, 1998

Tabel 9 Leonardo: uitstroom naar type mobiliteit en type instelling,
1997

Leonardo: uitstroom naar type mobiliteit en type instelling, 1998

Tabel 10 GSP: uitstroom naar vakgebied

Tabel 11 Leonardo: uitstroom naar vakgebied en type instelling

Tabel 12 Leonardo: uitstroom naar type mobiliteit en geslacht, 1998 (tussen haakjes: 1997)

Tabel 1 CINOP: Programmatische gegevens 1995-1998

Programma jaar besteed in f leerlingen docenten

GSP 1995/96 4.630.944 2517 1619


1996/97 4.521.725 2695 1464


1997/98* 2.210.727 1942 777

BAND 1997/98 102.321 105 25

Besteed in ECU Jongeren docenten

Leonardo 1995 1.167.860 632 83


1996 1.181.984 789 75


1997 1.009.688 640 98


1998* 1.121.146 733 33

Lingua 1996/97 98.896 253 nvt


1997/98 85.756 165 nvt


* De Leonardo cijfers voor 1998 betreffen voorlopige cijfers. In
1997/1998 is binnen GSP voor 2,2 Mf uitgevoerd aan mobiliteitsprojecten, de resterende 2 Mf is besteed aan diverse pilot projecten. Vanwege de overgang van GSP naar BAND hebben de BAND gegevens betrekking op de eerste helft van 1998.

Tabel 2 GSP: aantal deelnemende leerlingen en leerkrachten per jaar naar type project

Projectdefinitie 93/94 94/95 95/96 96/97 97/98 Totaal

Stages leerlingen 62 111 306 377 383 1239

Leerlingenuitwisseling 1769 2109 2516 2618 1559 10571

Groepsreizen 84 389 339 220 -

Docentenuitwisseling 598 48 448 409 777 2280

Curriculumvergelijking 110 234 244 240 -

Onderwijskundige samenwerking 38 301 283 295 -

Totaal 2661 3192 4136 4159 2719 14090

Tabel 3 GSP: uitstroom leerlingen (ll) en leerkrachten (lk) naar land van bestemming, 1994-98

Land 94/95 95/96 96/97 97/98 Totaal

ll lk Ll lk ll Lk ll lk ll Lk

België 184 123 232 206 135 72 230 42 856 491

Duitsland 463 247 562 345 514 168 425 86 2280 1035

Denemarken 126 106 206 70 171 96 99 34 675 367

Spanje 44 28 75 23 46 27 84 30 261 126

Frankrijk 34 57 138 114 68 92 31 22 318 345

Griekenland 0 0 14 10 14 26 6 6 56 48

Italië 31 31 99 25 80 17 78 26 355 123

Ierland 10 11 21 22 41 22 14 14 86 73

Luxemburg 0 0 0 4 22 2 0 0 22 6

Portugal 11 5 17 17 16 9 16 6 60 57

Ver Koninkrijk 921 744 1101 631 1157 506 763 329 4675 2838

Zweden n.v.t. n.v.t. 12 42 47 67 67 58 126 167

Finland n.v.t. n.v.t. 38 91 83 62 33 44 154 197

Oostenrijk n.v.t. n.v.t. 2 10 20 13 0 12 22 35

Diversen* 6 10 0 9 281 285 96 68 548 475

Totaal 1830 1362 2517 1619 2695 1464 1942 777 10494 6373


* Diversen: betreffende projecten zijn met meerdere partners in verschillende landen uitgevoerd: in het bijzonder België en Duitsland

Tabel 4 GSP: Stages naar land van bestemming

Land 93/94 94/95 95/96 96/97 97/98 Totaal

België 25 8 39 48 82 202

Duitsland 15 18 67 85 89 274

Denemarken 3 2 8 25 6 44

Spanje 0 2 10 0 12

Frankrijk 2 0 9 0 11

Griekenland 0 0 4 0 4

Italië 1 0 0 0 1

Ierland 1 0 8 12 21

Luxemburg 0 0 0 5 5

Portugal 0 1 2 0 3

Verenigd Koninkrijk 16 74 157 202 206 655

Zweden n.v.t. n.v.t. 0 0 0

Finland n.v.t. n.v.t. 0 0 0

Oostenrijk n.v.t. n.v.t. 2 0 2

Totaal 62 111 306 377 383 1239

Tabel 5 Leonardo da Vinci, uitstroom naar land van bestemming en type mobiliteit, 1995-1998


1995 1996 1997 1998

jongeren docenten Jongeren Docenten Jongeren docenten jongeren Docenten

België 0 28 6 9 43

Denemarken 55 71 2 41 2 33

Duitsland 16 135 17 131 8 131 5

Engeland 196 56 179 13 138 55 202 12

Finland 21 38 4 33 24 32 4

Frankrijk 67 5 124 4 25 6 50

Griekenland 10 10 10 7 24 8

Ierland 32 2 35 1 67 2 46

Italië 32 29 10 13 12

Luxemburg 7 14 6 6

Oostenrijk 1 7 1

Noorwegen 1 3 14

Portugal 17 57 1 17 48

Roemenië 1 4 1

Spanje 17 9 51 7 40 48

Zweden 15 3 2 40 7

Zwitserland 0 1

Polen 1

Tsjechië 11 2

Hongarije 16

nog onbekend 161 75

Totaal 632 83 789 75 604 98 733 33


* Verdeling naar land niet bekend.

Tabel 6 Socrates/Lingua programma: actie E (uitwisselingen) uitstroom naar land van bestemming 1997-1998


1996/1997 1997/1998

Denemarken

Duitsland 32

Griekenland

Spanje 50 10

Frankrijk 36 23

Ierland 20 15

Italië 33

Luxemburg

Oostenrijk

Portugal 10 30

Finland 47 32

Zweden 20

UK 25 35

Totaal 253 165

Tabel 7: Aandeel van ROC's en AOC's in de programma's


1995/1996 1996/1997 1997/1998

GSP

ROC's 37 37 41

Leonardo

ROC's 13 19 20

AOC's 7 7 6

Tabel 8 Leonardo da Vinci: uitstroom naar land van bestemming en type instelling, 1998

AOC ROC Overigen

Kort Lang Werkende jongeren Docenten Kort Lang Werkende jongeren Docenten Kort Lang Werkende jongeren Docenten

België 5 15 7 16

Denemarken 28 2 3

Duitsland 30 62 8 5 30

Engeland 25 10 109 38 9 37 3

Finland 6 21 2 3 2

Frankrijk 15 2 33

Griekenland 8

Hongarije 16

Ierland 15 20 1

Italië 10

Luxemburg 6

Noorwegen

Oostenrijk 2 3 2 1

Portugal 4 44 1

Roemenië 1

Spanje 8 12 1 27

Tsjechië 11 2

Zweden 30 4 6 4 1

Zwitserland

nog niet bekend

Totaal 160 10 336 63 26 7 157 7

Tabel 9

Leonardo: uitstroom naar type mobiliteit en type instelling, 1997

AOC ROC Overigen Totaal

Korte stages 173 253 42 468

Lange stages 8 47 8 63

Werkende jongeren 8 31 105 144

Docenten 18 89 19 126

Totaal 207 420 174 801

Leonardo: uitstroom naar type mobiliteit en type instelling, 1998

AOC ROC Overigen Totaal

Korte stages 160 336 7 503

Lange stages 10 63 0 73

Werkende jongeren 0 0 157 157

Docenten 0 26 7 33

Totaal 170 425 171 766

Tabel 10 GSP: uitstroom naar vakgebied

Tabel 11 Leonardo: uitstroom naar vakgebied en type instelling

Kort Lang Werkende jongeren Docenten


1997 1998 1997 1998 1997 1998 1997 1998

ROC Techniek 86 67 19 25 - 80 - 10

Economie 46 104 - 10 31 11 1 5

DGO 121 108 28 23 - 35 88 4

AOC 173 135 8 - 8 28 18

Overig 42 89 8 15 105 3 20 14

Totaal 2465 503 44 73 113 157 127 33

Tabel 12 Leonardo: uitstroom naar type mobiliteit en geslacht, 1998 (tussen haakjes:1997)

kort lang werkende j. docenten

man vrouw man vrouw man vrouw man vrouw


256 (264) 247 (143) 31 (32) 42 (31) 85 (0) 40 (0) 19 (74) 14 (53)

onbekend (61) 32 (144)

Totaal 503 (468) 73 (63) 157 33 (127)

Bijlage III Kwantitatieve gegevens mobiliteit in het Agrarisch Onderwijs

Lijst van tabellen

Tabel 1 Verdeling Stir mobiliteitsgelden over AOC's, 1996

Tabel 2 Verdeling Stir mobiliteitsgelden over AOC's, 1997

Tabel 3 Stir bestedingen 1996 naar aantal leerlingen, docenten, uitwisselingslanden en bestedingsdoelen per AOC

Tabel 4 Overzicht stafmobiliteit HAO 1996

Tabel 5 Overzicht studentenmobiliteit HAO 1996

Tabel 6 Stir bestedingen 1997 naar aantal leerlingen, docenten, uitwisselingslanden en

uitwisselingsdoelen per AOC

Tabel 7 Overzicht stafmobiliteit HAO 1997

Tabel 8 Overzicht studentenmobiliteit HAO 1997

Tabel 9 Stir aanvragen 1998 door AOC's t.b.v. `Draagvlakverbreding'

Tabel 10 Stir aanvragen 1998 door AOC's t.b.v. `Vreemde talen'

Tabel 11 Stir-HAO: studenten uitstroom naar regio van bestemming,
1994-1996

Tabel 12 Stir-HAO: staf uitstroom naar regio van bestemming (1994/97)

Tabel 13 Stir: uitstroom leerlingen en docenten AOCs naar regio van bestemming (1995/97)

Tabel 14 Stir: instroom leerlingen en docenten naar regio van herkomst (1996)

Tabel 1 Verdeling Stir mobiliteitsgelden over AOC's, 1996

AOC 95/96

Leerl. % Stir

Studenten Stir

Docenten Totaal

Friesland 2708 6 4.780,00 7.160,00 11.940,00

Noord 1563 3 3.640,00 5.330,00 8.970,00

Terra College 3054 7 5.160,00 7.770,00 12.930,00

De Groene Welle 1593 3,5 3.830,00 5.635,00 9.465,00

Twente 1493 3 3.640,00 5.330,00 8.970,00

Agron 1654 4 4.020,00 5.940,00 9.960,00

Groenhorst College 4013 9 5.920,00 8.990,00 14.910,00

`t Vanck 2649 6 4.780,00 7.160,00 11.940,00

Limburg 2493 5,5 4.590,00 6.855,00 11.445,00

Midden & Oost

Brabant 3482 8 5.540,00 8.380,00 13.920,00

West Brabant 2616 6 4.780,00 7.160,00 11.940,00

Zeeland 1817 4 4.020,00 5.940,00 9.960,00

Holland College 1529 3 3.640,00 5.330,00 8.970,00

Groene Delta 3936 9 5.920,00 8.990,00 14.910,00

Groen College 2373 5 4.400,00 6.550,00 10.950,00

Midden Nederland 2125 5 4.400,00 6.550,00 10.950,00

Florens College 2220 5 4.440,00 6.550,00 10.950,00

Clusius College 3554 8 5.540,00 8.380,00 13.920,00

TOTAAL 44872 100 83.000,00 124.000,00 207.000,00

Formules:

Studentenmobiliteit: 2.500 + (38.000*%)

Docentenmobiliteit: 3.500 + (61.000 *%)

Tabel 2 Verdeling STIR mobiliteitsgelden over AOC's, 1997

AOC 96/97

Leerl. % Stir

Studenten Stir

Docenten Totaal

Friesland 2627 6 4.780,00 7.160,00 11.940,00

Noord 1741 4 4.020,00 5.940,00 9.960,00

Terra College 3049 7 5.160,00 7.770,00 12.930,00

De Groene Welle 1560 3 3.640,00 5.330,00 8.970,00

Twente 1571 3 3.640,00 5.330,00 8.970,00

Agron 1704 4 4.020,00 5.940,00 9.960,00

Groenhorst College 3946 9 5.920,00 8.990,00 14.910,00

`t Vanck 2649 6 4.780,00 7.160,00 11.940,00

Limburg 2438 5 4.400,00 6.550,00 10.950,00

Midden & Oost

Brabant 3369 7 5.160,00 7.770,00 12.930,00

West Brabant 2542 6 4.780,00 7.160,00 11.940,00

Zeeland 1824 4 4.020,00 5.940,00 9.960,00

Holland College 1362 3 3.640,00 5.330,00 8.970,00

Groene Delta 4083 9 5.920,00 8.990,00 14.910,00

Groen College 2502 6 4.780,00 7.160,00 11.940,00

Midden Nederland 2199 5 4.400,00 6.550,00 10.950,00

Florens College 2249 5 4.400,00 6.550,00 10.950,00

Clusius College 3639 8 5.540,00 8.380,00 13.920,00

TOTAAL 45054 100 83.000,00 124.000,00 207.000.00

Formules:

Studentenmobiliteit: 2.500 + (38.000*%)

Docentenmobiliteit: 3.500 = (61.000*%)

Tabel 3 Stir bestedingen 1996 naar aantal leerlingen, docenten, uitwisselingslanden en bestedingsdoelen per AOC

Stir bestedingen


1996

totalen besteding studenten besteding per land aantal studenten land van bestemming doel totalen besteding

docenten besteding per land aantal docenten land van bestemming doel

AOC's

Friesland 4.780 2.700


2.080 24


24 Schotland

Tsjechie uitwisseling

excursie 7.160 1000


1.000


1.660


2.000


1.500 1


2


2


2


1 Engeland

Duitsland

Schotland

Zweden

Engeland excursie

uitwisseling

uitwisseling

uitwisseling

uitwisseling

Noord 3.640 3.640 43 Frankrijk excursie 5.330 5.330 4 Frankrijk bezoek

Terra College 5.160 1.590


2.000


825


974 40


11


1


3 Tsjechië

Portugal

Italië

Tsjechië uitwisseling

bezoek

bijeenkomst

uitwisseling 7.700 1.050


803


1.000


950


2.000


1.207,45


1.500 3


1


1


1


2


2


3 Tsjechië

Finland

Italië

Portugal

België

België

Tsjechië ontvangst

bezoek

bijeenkomst

bijeenkomst

bezoek

bijeenkomst

ontvangst

de Groene Welle 3.830 3.830 15 Duitsland uitwisseling 5.635 5.635 7 Duitsland bezoek

bezoek

Twente 3.640 685


1.500


1.455 15


5


75 Denemarken

Zweden

Duitsland & Frankrijk bezoek

uitwisseling

ontvangst 5.330 1.700 2 Duitsland bezoek

Agron 4.020 2.020


2.000 35


35 Tsjechië

Polen uitwisseling/bezoek & ontvangst

uitwisseling/bezoek & ontvangst 5.940 4.850


1.090 2


1 Polen

Italië bezoek

bezoek

Groenhorst College 5.920 2.342 17


27


37


14 Tsjechië/Slowakije

Tsjechië

Tsjechië

Engeland uitwisseling

uitwisseling

ontvangst

uitwisseling 8.990 3.390


920


1.250


461


319


1.350


1.300 2


3


4


1


1


1


1 Tsjechië/Slowakije

Engeland

Engeland

Oostenrijk

Engeland

Engeland

Duitsland bezoek

bezoek

samenwerking

bezoek

samenwerking

bezoek

netwerken

`t Vanck 4.780 2.000


1.500


1.325 20


18


35 Tsjechië

Tsjechië

Engeland uitwisseling

uitwisseling

bezoek


7.160 1.696,95


556,92


1.145,31


1.195


349


1.014 2


1


1


2


1


2 Engeland

Zweden

Portugal

Spanje

Finland

Finland bezoek

bezoek

bezoek

uitwisseling

bezoek

bezoek

Limburg 4.590 2.090


2.500 11


20 Duitsland

Frankrijk uitwisseling

uitwisseling 6.855 3.630


3.225 2


2 Frankrijk

Duitsland bezoek

bezoek

Midden & Oost Brabant 5.540 1.500


1.040


1.500


1.500 64


65


5


29 Engeland

Frankrijk

Duitsland

Engeland excursie

excursie

bezoek

excursie 8.380 3.542,34


3.000


1.837,66 11


10


1 Duitsland

diverse l.

Engeland uitwisseling

divers

bezoek

West Brabant 4.780 1.554,95


1.250


1.250


725 3


20


22


23 Mexico

Polen

Polen

Frankrijk uitwisseling

uitwisseling

uitwisseling/bezoek & ontvangst

uitwisseling 7.160 1.250


5.910 6


4 Polen

Polen bezoek

bezoek & ontvangst

Zeeland 4.020 4.020 6 Polen uitwisseling & ontvangst 5.940 5.940 4 Litouwen uitwisseling

Holland College 3.640 3.640 23 Portugal excursie 5.330 5.330 4 Zweden bezoek

Groene Delta 5.920 272,95


500


2.375,35


571,70


2.200 35


55


3


8


2 Tsjechië

Frankrijk

Frankrijk

Italië

Zuid Afrika ontvangst

ontvangst

bezoek

bijeenkomst

bezoek 8.990 1.240


948,50


550


950


1.970,15


1.250


195


811,35


600


1.850 2


1


1


1


1


1


3


30


1


1 Finland

Italië

Denemarken

Italië

Spanje

Frankrijk

Engeland

Nederland

Frankrijk & Engeland

Japan studiereis

bezoek

bezoek

bezoek

taalcursus

bezoek

ontvangst

taalcursus

bezoek

bezoek

Groen College 4.400 150


1.422


1.910


918 43


22


75


2 Frankrijk

Engeland

Denemarken

Italië ontvangst

uitwisseling

excursie

bijeenkomst 6.550 1.202,40


789


1.432,55


109 1


2


2


8 Frankrijk

Engeland

Denemarken

Frankrijk studiereis

bezoek

bezoek

ontvangst

Midden Nederland 4.400 1.000


3.400 47


17


38 Frankrijk

Engeland

Frankrijk excursie excursie

excursie


6.550 1.765


1.150


300


3.354 4


3


30


8 Engeland

Engeland

Frankrijk

Frankrijk uitwisseling

uitwisseling

ontvangst

studiereis

Florens College 4.400 3.900


500 145


30 diverse l. Excursie 6.550 2.250


2.000


2.300 1


2


1 Letland

Engeland

Canada uitwisseling

uitwisseling

bezoek

Clusius College 5.540 415,40


478,60


508,57


1.015,45


1.636,88


1.485,10 8


14


50


8


28


32 Tsjechië

Griekenland

Hongarije

Slowakije

Engeland

Denemarken uitwisseling

uitwisseling

uitwisseling

uitwisseling

taalcursus

uitwisseling 8.380 500


1.531,60


499,65


2.267,92


4.080,83 1


2


2


2


22 Duitsland

Duitsland & Italië

Duitsland

Hongarije

diverse l. Bezoek

uitwisseling

uitwisseling

uitwisseling

uitwisseling

TOTAAL 83.000 124.000

Bezoeken van docenten zijn over het algemeen ter voorbereiding van een (Leonardo) project of meerdere stageprojecten, een uitwisselingsprogrammas, een conferentie of seminar, een excursie, etc.

Tabel 4 Overzicht stafmobiliteit HAO 1996

AH Den Bosch CAH Dronten Van Hall Instituut AH Delft IAH Laren-

stein STOAS

aantal bedrag aantal bedrag aantal bedrag aantal bedrag aantal bedrag aantal bedrag


1) aantal stafleden 210 75 250 172 253 150


2) Mob. Subs.


- instelling 4 4.200 11 13.357 22 28.000 31 60.000 15 20.000 17 35.320


- derden 12 12.400 56 103.650 18 35.000 9 9.030 60 130.000 4 8.200


- Stir 15 16.500 9 7.800 17 20.140 13 13.830 51 29.180 16 4.190

Totaal 31 33.100 76 124.807 57 83.140 53 82.860 126 179.180 37 47.710

% Stir van totaal 50% 6% 24% 17% 16% 9%


3) Type


- bezoeken 5 4.000 5 4.077 3 3.047 7 6.390 20 15.863 6 2.880


- cursussen

/conferenties 1 800 4 3.723 8 11.939 6 7.440 5 4.098 2 1.100


- uitwisseling 9 11.700 - - 3 2.235 - - 14 4.219 8 210


- excursies - - - - 3 2.919 - - 12 5.000 - -

Totaal 15 16.500 9 7.800 17 20.140 13 13.830 51 29.180 16 4.190


4) Regio


- W. Eur. 15 16.500 5 4.077 15 16.788 10 10.200 43 17.193 4 210


- O. Eur. - 3 2.723 1 1.273 3 3.630 - - 5 ?


- Afrika - 1 1.00 - - - - 4 6.990 - -


- Azië - - - - - - - 1 1.000 - -


- Amerika - - - 1 2.079 - - 3 3.997 4 2.850


- Oceanie - - - - - - - - - 3 1.130

Totaal 15 16.500 9 7.800 17 20.140 13 13.830 51 29.180 16 4.190


5) % Stir van aantal stafleden 7% 12% 7% 8% 20% 11%


6) Toekenning 16.500 7.800 20.140 13.830 29.180 4.190

Tabel 5 Overzicht studentenmobiliteit HAO 1996

AH Den Bosch CAH Dronten Van Hall Instituut AH Delft IAH Laren-

stein STOAS

aantal bedrag aantal bedrag aantal bedrag aantal bedrag aantal bedrag aantal bedrag


1) aantal studenten 1.680 780 1.744 1.383 2.926 419


2) Mob. Subs.


- instelling 8 3.000 150 21.500 - - 63 16.000 70 15.000 - -


- derden 96 44.000 2 2.750 219 50.128 20 15.560 25 35.000 - -


- Stir 56 16.500 27 7.800 60 20.140 31 13.830 199 29.180 48 4.190

Totaal 160 63.500 179 32.050 279 70.268 114 45.390 294 79.180 - -

% Stir van totaal 26% 24% 29%


2) Stir


- stage 2 1.400 - - 54 18.940 22 11.000 85 23.920 43 3.150


- studie 32 9.600 23 6.800 6 1.200 - - 3 750 - -


- excursie - - - - - - - - 82 1.500 - -


- anders 22 5.500 4 1.000 - - 9 2.830 29 3.010 5 1.040

Totaal 56 16.500 27 7.800 60 20.140 31 13.830 199 29.180 48 4.190


4) Regio


- W. Eur. 53 ) 10 ) 25 4.565 7 2.900 56 4.300 22


- O. Eur. 1 ) 6 ) 1 275 8 2.930 44 1.280 2 1.040


- Azië 1 ) 16.500 - ) 7.800 13 5.850 5 2.500 19 4.380 5 375


- Oceanie 2 ) 3 ) 11 4.950 7 3.500 11 4.360 1 75


- Afrika - ) 2 ) 5 2.250 1 500 13 4.070 10 1.500


- Amerika - ) 6 ) 5 2.250 3 1.500 27 7.780 8 1.200


5) % Stir van aantal studenten 3% 3% 3% 3% 7% 11%


6) Toekenning 16.500 7.800 20.140 13.830 29.180 4.190

Tabel 6 Stir bestedingen 1997 naar aantal leerlingen, docenten, uitwisselingslanden en uitwisselingsdoelen per AOC

Stir bestedingen


1997

totalen besteding studenten besteding per land aantal studenten land van bestemming doel totalen besteding

docenten besteding per land aantal docenten land van bestemming doel

AOC's

Friesland 6.450 1.350


4.000


1.100 3


10


38 -

Slowakije

Tsjechië wedstrijd

uitwisseling

uitwisseling 9.415 250


950


1.000


2.500


4.715 2


2


2


4


9 Slowakije


-

Slowakije

Tsjechië

Duitsland uitwisseling

wedstrijd

uitwisseling

uitwisseling

uitwisseling

Noord 4.020 4.020 50 Frankrijk - 5.940 5.940 4 Frankrijk samenwerking

Terra College 5.161 1.290


1.290


290


1.000


183


1.108 33


37


2


8


2


1 Denemarken

Tsjechië

Frankrijk

Spanje

Duitsland

Engeland excursie

uitwisseling

bezoek

uitwisseling


-


- 7.700 1.650


290


1.943


1.200


1.153


721


743 2


1


4


2


1


3


2 Polen

Duitsland

Engeland

Spanje

Engeland

Duitsland

Luxemburg bezoek

bezoek

bezoek

bezoek

bezoek


-

bezoek

de Groene Welle 3.640 3.640 13 Duitsland uitwisseling 5.330 5.330 4 Polen & Hongarije bezoek

Twente 3.640 3.640 41 Engeland excursie 5.591 2.111


1.950


1.530 2


1


1 Engeland

Frankrijk

Denemarken bezoek

bezoek

bezoek

Agron


4.920 1.400


2.050


570 72


31


40 Tsjechië

Parijs

Engeland uitwisseling

excursie

excursie 5.940 4.630


1.310 3


2 Letland

Polen bezoek

bezoek

Groenhorst College 5.920 5.920 13


15


39 Zwitserland

Tsjechië

Tsjechië bezoek

uitwisseling

uitwisseling 8.992 3.684


992


1.000


2.199


209


308


600 4


1


4


6


2


1


1 Tsjechië


-

Hongarije

Engeland

Denemarken


-

Polen uitwisseling

netwerken

netwerken

bezoek

ontvangst

bezoek

bezoek

`t Vanck

(Helicon) 4.780 1.100


3.680 16


2 Tsjechië

Finland -


- 7.160 750


1.000


3.775


763


1.000****

Limburg 4.400 2.200


2.200 19


15 Frankrijk

Duitsland uitwisseling

uitwisseling 6.550 3.275


3.275 3


3 Duitsland

Hongarije bezoek

bezoek

Midden & Oost Brabant

(Helicon) 5.160 258


258


258


258


258


1.290


1.290


1.290


1.100


3.680 6


8


15


7


12


20


35


64


16


2 Ierland

Duitsland

Denemarken

Denemarken

Ierland

Duitsland

Spanje

Engeland

Tsjechië

Finland -


-


-


-


-


-


-


-


-


- 7.773 648


648


648


432


432


432


1.295


648


1.295


1.295 2


2


2


5


6


6


1


2


4


1 Finland

Engeland

Finland

Italië

België

Engeland

Noorwegen

Zweden

Spanje

Zweden -


-

netwerken

excursie

bezoek

bezoek

bezoek

bezoek

bezoek


-

West Brabant 4.780 2.229


2.551 14


102 -

Polen excursie

uitwisseling 7.160 2.500


1.000


2.500


1.160 4


6


4


6 Polen

Polen

Mexico

Polen uitwisseling

bezoek

bezoek

bezoek

Zeeland

(OC Holland Zeeland) 4.020 1.200


1.275


600


945 16


17


6


6 Engeland

Engeland

Polen

Litouwen excursie

excursie

uitwisseling

uitwisseling 5.940 2.000


2.158


1.782 4


2


3 Polen

Litouwen

Engeland uitwisseling

uitwisseling

bezoek

Holland College 3.640 3.640 15 Spanje bouw kas 5.330 5.330 2 Spanje bouw kas

Groene Delta 5.914 3.716


2.198 6


3 Polen

Italië bezoek

uitwisseling 8.990 1.500


3.527


1.675


1.847


441 3


12


1


2


1 Frankrijk

Engeland


-

Portugal

Nederland bezoek

bezoek


-

bezoek


-

Groen College 4.781 1.290


3.491 16


21 Duitsland

Tsjechië uitwisseling

bezoek 4.781 1.290


3.491 16


21 Duitsland

Tsjechië uitwisseling bezoek

Midden Nederland 3.798 1.639


2.159 42


51 Duitsland

Frankrijk excursie

excursie 6.551 2.815


80


103


118


320


60


1.484


1.571 2


7


10


31


4


1


2 Engeland

Denemarken

Frankrijk

Frankrijk

China

Engeland

Duitsland

Duitsland bezoek

ontvangst

ontvangst

ontvangst

ontvangst

ontvangst

netwerken

netwerken

Florens College 4.400 4.400 30


21


42


18


10 Frankrijk

Frankrijk

Denemarken

Duitsland

Engeland excursie

excursie

excursie

excursie

excursie 6.550 2.300


2.550


1.700 2


3


2 Letland

Engeland

Frankrijk uitwisseling

uitwisseling

netwerken

Clusius College 5.334 908


734


177


1.989


1.526 6


5


8


16


9 Slowakije

Tsjechië

Engeland

Denemarken

Polen uitwisseling

uitwisseling

uitwisseling

uitwisseling

uitwisseling 8.380 1.720


442


1.268


1.062


2.617


1.271 3


2


2


2


2


2 Hongarije

Denemarken

Finland

Finland

Finland

Finland -

uitwisseling

uitwisseling

netwerken

uitwisseling

netwerken

TOTAAL* 1.171


* De totalen van de hier gegeven bestedingen (gerealiseerde bedragen) komen niet overeen met de totalen in het overzicht waarin de totalen van de beschikbaar gestelde bedragen voorkomen. De verschillen zijn te verwaarlozen.

Tabel 7 Overzicht stafmobiliteit HAO 1997

AH Den Bosch CAH Dronten Van Hall Instituut AH Delft IAH Laren-

stein STOAS

aantal bedrag aantal bedrag aantal bedrag aantal bedrag aantal bedrag aantal bedrag


1) aantal stafleden 220 75 260 172 285 fte 150


2) Mob. Subs.


- instelling 5 8.000 8 17.280 10 15.000 30 50.000 22 33.000 12 26.426


- derden 8 10.500 31 117.824 2 3.000 11 11.710 63 150.000 11 37.250


- Stir 16 15.700 8 7.530 17 18.500 16 14.520 22 27.960 3 4.160

Totaal 29 34.200 47 142.634 29 36.500 57 76.230 107 210.960 26 67.836

% Stir van totaal 46% 5% 51% 19% 13% 6%


3) Type


- bezoeken 7 3.000 5 4.030 5 5.908 4 3.410 6 16.684,48 2 3.160


- cursussen

/conferenties 2 800 3 3.500 5 7.407 4 5.140 5 6.279,98 - -


- uitwisseling 7 11.900 - - 4 5.185 - - 4 5.562,70 3 4.160


- excursies - - - - - - 8 5.970 7 7.000 - -

Totaal 15 15.700 8 7.530 14 18.500 16 14.520 22 27.960 - -


4) Regio


- W. Eur. 11 11.700 8 7.530 11 12.141 13 11.520 15 16.684,48 2 3.160


- O. Eur. - - - - 1 1.403 3 3.000 2 2.000 1 1.000


- Afrika - - - - - - - - 1 2.235,84 - -


- Azië 4 3.000 - - 1 2.749 - - 1 2.542,75 - -


- Amerika 1 1.000 - - 1 2.207 - - 1 2.542,75 - -


- Oceanie - - - - - - - - - - - -

Totaal 16 15.700 8 7.530 14 18.500 16 14.520 22 27.960 - -


5) % Stir van aantal stafleden 7% 10,5% 5% 9% 7,5% 2%


6) Toekenning 15.700 7.530 18.500 14.520 27.960 4.160

Tabel 8 Overzicht studentenmobiliteit HAO 1997

AH Den Bosch CAH Dronten Van Hall Instituut AH Delft IAH Laren-

stein STOAS

aantal bedrag aantal bedrag aantal bedrag aantal bedrag aantal bedrag aantal bedrag


1) aantal studenten 1.510 793 1.790 2.847 419


2) Mob. Subs.


- instelling 25 8.000 203 15.000 4 475 - - 76 21.000 9 660


- derden 70 55.000 12 22.788 292 39.090 28 22.250 40 40.000 15 -


- Stir 32 7.850 17 3.765 71 9.250 14 7.260 207 13.980 18 2.080

Totaal 127 70.850 232 41.553 283 48.815 42 29.510 323 74.980 42 2.740

% Stir van totaal 11% 9% 19% 25% 18,6% 43%


2) Stir


- stage - - } 68 9.275 14 7.000 33 5.555,45 9 1.841


- studie 6 5.000 }17 3.115 3 450 - - 37 2.424,55 - 239


- excursie - - - - - - - - 87 3.000,-- 5 -


- anders 26 2.850 2 650 - - - - 50 3.000,-- 4 660

Totaal 32 7.850 19 3.765 71 9.725 14 7.000 207 13.980,- 18 2.740


4) Regio


- W. Eur. 32 7.850 1 } 10 900 2 1.000 58 2.859,10 7 239


- O. Eur. - 6 }3.765 9 1.025 - - 30 500,--


- Azië - } 10 1.500 4 2.000 12 1.948,26 3 672


- Oceanie - } - - - - - - - -


- Afrika - 4 } 7 1.050 1 500 15 2.435,32 2 259


- Amerika - 2 } 18 2.700 6 3.000 5 812,77 4 490


- Australië 4 } 17 2.550 1 500 - - - -


- anders 2 } - - - 87 5.424,55 - -


5) % Stir van aantal studenten 2% 4% 8% 4,3%


6) Toekenning 7.850 3.765 9.250 7.260 13.980 2.080

Tabel 9 Stir aanvragen 1998 door AOC's t.b.v. `Draagvlakverbreding'

no. vestiging soort opleiding land taal

training docenten docenten mobiliteit studenten mobiliteit

aantal aange-vraagd toege-kend aantal aange-vraagd toege-kend aantal aange-vraagd toege-kend


1

Roermond

(Limburg) mao-

(i)vbo-

Groot Brittanie 16 8.343,75 5.921 16 32.230 12.086 15 9.000 8.156


2 Horst

Heerlen

Nederweert mao-

(i)vbo-

mavo Groot Brittanie 16 5.375 4.032 16 30.710 11.516 15 9.000 8.156


3 Rotterdam & Dordrecht

(Groene Delta College) (i)vbo Groot Brittanie 12 8.200 7.883


4 Rotterdam bbl Spanje 14 2 2.025 1.894 16 14.080 13.035


5 Rotterdam & Dordrecht (i)vbo 4de Denemarken 2 1.650 1.650 15 10.000
10.000


6

Barneveld

(Groenhorst College) mao Duitsland 4 4 20.080 6.435


7 Ede mao meerdere landen 4 21.300 4.635 16 5.650 5.650


8 Dronten mao meerdere landen 5 12.500 7.125


9

Alkmaar

(Clusius College) bbl,vbo Duitsland 8 4.636 3.038 8 40 21.731 21.731


10 Alkmaar

Hoorn mao Groot Brittanie 9 8.332 5.879 9 11.379 11.379 40 21.731


11 Houten

(Midden Nederland) mao

bbl/bol Groot Brittanie 6 8.100 6.075


12 Houten mao bbl Duitsland 4.000 3.000 15 13.080 9.810


13 Emmen

(Terra College) mao Duitsland 10 10.100 6.765 3 9.016 2.116 60 23.400
13.695


14 Groningen

(Noord) mao/bbo Frankrijk 2 2.000 2 5.500 4.125 8 5.800 4.350


15 AOC-breed

(Helicon) mao meerdere landen 19 43.450 32.588


16 Leeuwarden

(Friesland) mao Groot Brittanie 6 16.350 12.263


17 Leeuwarden mao meerdere landen 4 13.750 10.313


18 Zwolle

(Groene Welle) mao Groot Brittanie 2 1.594 1.594


122 120.130,75 92.275 77 185.490 72.036 240 133.472 94.583

Tabel 10 Stir aanvragen 1998 door AOC's t.b.v. `Vreemde talen'

no. vestiging soort opleiding land voorbe-reiding

docenten docenten mobiliteit studenten mobiliteit

aantal aange-vraagd toege-kend aantal aange-vraagd toege-kend aantal aange-vraagd toege-kend


19

AOC-breed

(Limburg) mao-

(i)vbo-mavo

Duitsland 15 9.150 6.149 15 10.950 8.213 15 6.865 6.555


20 AOC-breed mao-

(i)vbo-

mavo Spanje 14 11.095 5.324 14 26.390 19.783 6 12.550 11.888


21 Rotterdam

(Groene Delta College) (i)vbo Spanje 2 13.000 10.950 16 14.745 14.659


22 Rotterdam mao 2de j Groot Brittanie 3 1.750 1.750 3 16.062,5 11.083
20 8.450 8.450


23 Rijnsburg

(Groen College) vbo- mao 2de j Groot Brittanie 2 2.000 20 10.240 9.930


24 Alkmaar

(Clusius College) mao Groot Brittanie 2 3.383 2.000 2 3.304 2.000


25 Hoogland

(Midden Nederland) vbo Groot Brittanie 3.750 2.500


26 Denekamp

(Twente) mavo Groot Brittanie 10 10.650 5.614 3 5.570 3.670 40 4.830
4.830


27

Almelo vbo Groot Brittanie 12 3.785


28 Enschede vbo Groot Brittanie 13 3.815 6.000


29 Bornerbroek mao Duitsland 5 17.000 17.000 3 6.080 4.080 30 4.750
4.220


30 AOC-breed

(Helicon) mao meerdere landen 34


31 Leeuwarden

(Friesland) vbo meerdere landen 8 14.250 10.688


32 Leeuwarden mao Groot Brittanie 2 15 15.400 11.550


33 Barneveld mao 28 10.000


34 Zwolle mao Groot Brittanie 6 4.970 4.350


148 78.598 71.137 48 86.356,5 62.017 162 77.830 72.082

Tabel 11 Stir-HAO: studenten uitstroom naar regio van bestemming,
1994-1996

Afrika Azië West-Europa Oost-Europa Amerika Oceanië Australië Onbekend Totaal


1994 15 26 347 84 72 31 0 11 586


1995 45 40 278 67 74 32 0 0 536


1996 31 43 173 61 49 35 0 0 392


1997 29 29 110 45 35 0 22 89 359

Tabel 12 Stir-HAO: staf uitstroom naar regio van bestemming (1994/97)

Afrika Azië West-Europa Oost-Europa Amerika Oceanië Totaal


1994 1 3 104 33 4 1 146


1995 2 0 92 6 5 0 105


1996 5 1 92 12 8 3 121


1997 1 6 60 7 3 0 77

Tabel 13 Stir: uitstroom leerlingen en docenten AOCs naar regio van bestemming (1995/97)

jaar West-Europa Oost-Europa Amerika Afrika Azië Divers Totaal

leerlingen AOCs 1995 1235 276 0 0 0 4 1515


1996 829 333 3 2 0 0 1167


1997 846 302 0 0 0 17 1165

docenten AOCs 1995 135 48 0 0 0 5 188


1996 88 21 0 0 1 32 142


1997 136 58 4 0 31 5 234

docenten IPCs 1995 19 3 0 9 1 0 32


1996 41 8 2 4 4 0 59

Tabel 14 Stir: instroom leerlingen en docenten naar regio van herkomst (1996)

EU Oost-Europa Totaal

leerlingen 173 183 356

docenten 11 12 23

Bijlage IV Kwantitatieve gegevens Mobiliteit in het Hoger Onderwijs

Lijst van tabellen

Tabel 1 VISIE aanvragen en toekenningen, 19989 en 199900

Tabel 2 VISIE toekenningen naar nationaliteit, 1998/99 en 1999/2000

Tabel 3 VISIE toekenningen naar geslacht, 1998/99 en 1999/2000

Tabel 4 VISIE toekenningen naar geslacht, 1998/99 en 1999/2000

Tabel 5 VISIE toekenningen naar vooropleiding, 1998/99 en 1999/2000

Tabel 6 VISIE toekenningen naar vakgebied, 1998/99 en 1999/2000

Tabel 7 VSB voordrachten naar land van bestemming, 1999000

Tabel 8 VSB voordrachten naar geslacht

Tabel 9 VSB voordrachten naar studierichting, gesplitst naar HBO en WO

Tabel 10 Deelnemers Talentenprogramma WO en HBO naar geslacht 19979

Tabel 11 Deelnemers Talentenprogramma naar land van bestemming 19979

Tabel 12 Deelnemers Talentenprogramma WO naar vakgebied 19979

Tabel 13 Deelnemers Talentenprogramma HBO naar vakgebied 19979

Tabel 14 JPP: naar vakgebied en geslacht, 19967 & 19978

Tabel 15 JPP: naar leeftijd en geslacht, 19967 & 19978

Tabel 16 Culturele verdragen: uitstroom naar regio van bestemming,
1993998

Tabel 17 Culturele verdragen: uitstroom naar vakgebied en geslacht,
19967 & 19978

Tabel 18 Culturele verdragen: uitstroom naar leeftijd en geslacht,
19967

Tabel 19 Culturele verdragen: uitstroom naar leeftijd en geslacht,
19978

Tabel 20 Culturele verdragen: uitstroom naar vakgebied en duur verblijf, 19967

Tabel 21 Culturele verdragen: uitstroom naar type instelling en type mobiliteit, 19967

Tabel 22 Culturele verdragen: uitstroom naar type instelling en type mobiliteit, 19978

Tabel 23 Stir-WO: uitstroom naar regio van bestemming, 1993997

Tabel 24 Stir-HBO: uitstroom naar regio van bestemming, 1993997

Tabel 25 Stir-HAO: studenten uitstroom naar regio van bestemming,
1994-1997

Tabel 26 Stir-HAO: staf uitstroom naar regio van bestemming, 1994-1997

Tabel 27 Stir-WO: naar vakgebied en geslacht, 19956 & 19967

Tabel 28 Stir-HBO: naar vakgebied en geslacht, 19956 & 19967

Tabel 29 Stir-WO: naar leeftijd en geslacht, 19956 & 19967

Tabel 30 Stir-WO: naar vakgebied en duur verblijf, 19956

Tabel 31 Stir-HBO: naar vakgebied en verblijf, 19956

Tabel 32 Stir: naar type instelling en type mobiliteit, 19956 &
19967

Tabel 33 Huygens: aanvragen en toekenningen naar geslacht, 1999000

Tabel 34 Huygens: aanvragen en toekenningen naar regio van herkomst,
1999000

Tabel 35 Huygens: aanvragen en toekenningen naar prioritaire landen van herkomst, 1999000

Tabel 36 Huygens: aanvragen en toekenningen naar niet-prioritaire landen van herk9omst, 1999000

Tabel 37 Huygens: aanvragen en toekenningen naar HBO\WO, 1999000

Tabel 38 Huygens: aanvragen en toekenningen naar instelling van bestemming, 1999000

Tabel 39 Huygens: aanvragen en toekenningen naar vakgebied, 1999000

Tabel 40 Verdeling getoetste KUBUS aanvragen over de hogescholen

Tabel 41 KUBUS aanvragen per regio

Tabel 42 Culturele Verdragen: instroom naar regio van herkomst,
1993-1998

Tabel 43 Culturele Verdragen: instroom naar vakgebied en geslacht,
19967 & 19978

Tabel 44 Culturele Verdragen: instroom naar leeftijd en geslacht,
19967

Tabel 45 Culturele Verdragen: instroom naar leeftijd en geslacht,
19978

Tabel 46 Culturele Verdragen: instroom naar vakgebied en duur verblijf, 19967

Tabel 47 Culturele Verdragen: instroom naar type instelling en type mobiliteit, 19967

Tabel 48 Culturele Verdragen: instroom naar type instelling en type mobiliteit, 19978

Tabel 49 TALIS bursalen naar vakgebied en geslacht, 19989 en
1999000

Tabel 50 TALIS bursalen naar instelling van bestemming

Tabel 51 TALIS bursalen naar duur van het verblijf

Tabel 52 Erasmus: uitstroom naar land van bestemming, 1993998

Tabel 53 Erasmus: uitstroom naar vakgebied en geslacht, 19967 &
19978

Tabel 54 Erasmus: uitstroom naar leeftijd en geslacht, 19967 &
19978

Tabel 55 Erasmus: uitstroom naar vakgebied en duur verblijf, 19967

Tabel 56 Erasmus: uitstroom naar type instelling en type mobiliteit,
19967 & 19978

Tabel 57 Erasmus: instroom naar land van herkomst, 19967

Tabel 58 Leonardo: uitstroom naar land van bestemming, 1993997

Tabel 59 Leonardo: instroom naar land van herkomst, 1993997

Tabel 60 Leonardo: uitstroom naar vakgebied en geslacht

Tabel 61 Leonardo: instroom naar vakgebied en geslacht

Tabel 62 Tempus: uitstroom studenten naar land van bestemming,
1993997

Tabel 63 Tempus: instroom studenten naar land van bestemming,
1993997

Tabel 64 NFP: herkomst deelnemers naar regio, 1993-1998

Tabel 65 NFP: deelnemers naar vakgebied en geslacht, 19967 & 19978

Tabel 66 NFP: deelnemers naar leeftijd en geslacht, 19967 & 19978

Tabel 67 NFP: deelnemers naar vakgebied en duur verblijf, 19967

Tabel 68 NFP: deelnemers naar type instelling waar training wordt gevolgd 19967 & 19978

Tabel 69 TSP: uitstroom naar regio van bestemming, 1995-1998

Tabel 70 TSP: instroom naar regio van herkomst, 1995-1998

Tabel 71 TSP: uitstroom naar vakgebied en geslacht, 19967 & 19978

Tabel 72 TSP: instroom naar vakgebied en geslacht, 19967 & 19978

Tabel 73 TSP: uitstroom naar vakgebied en duur verblijf, 19967

Tabel 74 TSP: instroom naar vakgebied en duur verblijf, 19967

Tabel 75 TSP: in- en uitstroom studenten naar HO veld, 19978

Tabel 76 UBP: deelnemers naar regio van herkomst, 1995-1998

Tabel 77 UBP: deelnemers naar vakgebied en geslacht, 19967 & 19978

Tabel 78 UBP: deelnemers naar vakgebied en duur verblijf, 19967

Tabel 79 UBP: deelnemers naar leeftijd en geslacht, 19978

Tabel 80 UBP: deelnemers naar HO veld, 19978

Tabel 81 Overige OS-programma's: deelnemers naar regio van herkomst,
1993-1997

Tabel 82 Overige OS-programma's: deelnemers naar vakgebied en duur verblijf, 19967

Tabel 83 Overige OS-programma's: deelnemers naar type instelling en type mobiliteit, 19967

Tabel 84 Overzicht HO-programma's, 1997/98

Tabel 85 Overzicht HO-programma's, 1996/97

Tabel 86 Overzicht HO-programma's, 1995/96

NEDERLANDSE PROGRAMMA'S - UITSTROOM

Tabel 1 VISIE aanvragen en toekenningen, 1998/99 en 1999/2000


1998/99 1999/2000

Totaal ingediende aantal aanvragen 130 161

Afgewezen* 22 27

Aanvraag ingetrokken voor aanvang studie 17 35

Beurs gestopt na enkele maanden 2

Beurs gestopt na 1 jaar studie zonder diploma 24

Beurs gestopt na 1 jaar met diploma 3 (regeling tussen MBO en buitenlandse instelling)

Huidig aantal bursalen 63 99

Tabel 2 VISIE toekenningen naar nationaliteit, 1998/99 en 1999/2000

Nationaliteit 1998/99 1999/2000

Nederlands 47 81

Brits 13 10

Amerikaans 1 1

Spaans 1

Duits 1

Iers 4

Zweeds 1

Australisch 1

Pakistaans 1

Totaal 63 99

Tabel 3 VISIE toekenningen naar geslacht, 1998/99 en 1999/2000

Geslacht 1998/99 1999/2000

mannen 26 50

vrouwen 37 49

TOTAAL 63 99

Tabel 4 VISIE toekenningen naar land van bestemming, 1998/99 en
1999/2000

Land van bestemming 1998/99 1999/2000

Groot-Brittannië 71 86

Italië 2 4

Duitsland 1 2

België (Franstalig) 1

Frankrijk 1

Ierland 3

Oostenrijk 1

Zweden 1

TOTAAL 74 99

Tabel 5 VISIE toekenningen naar vooropleiding, 1998/99 en 1999/2000

Vooropleiding 1998/99 1999/2000

HAVO 1 5

VWO 22 27

GYM 17 18

IB * 30 34

MBO 4 14

A-levels 1

TOTAAL 74 99


* International Baccalaureate

Tabel 6 VISIE toekenningen naar vakgebied, 1998/99 en 1999/2000

Vakgebied 1998/99 1999/2000

Architectuur 1 0

Kunst en Vormgeving 9 15

Bedrijfskunde 10 24

Onderwijs 2 0

Technische Wetenschappen 1 2

Aardrijkskunde 3 1

Geesteswetenschappen 7 2

Talen 3 11

Rechtsgeleerdheid 3 4

Medische Wetenschappen 4 6

Natuurwetenschappen 6 10

Sociale Wetenschappen 7 15

Communicatie 4 2

Landbouwwetenschappen 2

Wiskunde 2 3

Informatica 0 2

Overig 1 0

TOTAAL 63 99

Tabel 7 VSB Fonds voordrachten naar land van bestemming, 1999/2000

Land Aantal Zweden 2

Groot-Brittannië 74 Roemenië 1

Verenigde Staten 43 China 1

België 13 Guatemala 1

Spanje 10 Polen 1

Australië 10 Kameroen 1

Frankrijk 8 Noorwegen 1

combinatie van landen 5 Kenia 1

Duitsland 5 Nieuw-Zeeland 1

Zuid-Afrika 4 Costa Rica 1

Israël 4 Nederland 1

Zwitserland 3 Rusland 1

Ierland 3 Finland 1

Canada 3 Portugal 1

Italië 3 203

Tabel 8 VSB Fonds voordrachten naar geslacht

Geslacht Aantal

Man 83

Vrouw 120

Tabel 9 VSB Fonds voordrachten naar studierichting, gesplitst naar HBO en WO

WO Aantal HBO Aantal

Agrarisch 5 Agrarisch 4

Economisch 5 Economisch en administratief 36

Gedrag en maatschappij 14 Gezondheid 5

Natuurkunde en techniek 14 Pedagogisch 4

Rechten 16 Technisch 15

Letteren 19 Kunsten 20

meer studies tegelijk 2 Sociaal en agogisch 15

Tabel 10 deelnemers Talentenprogramma WO en HBO naar geslacht 1997/99


1997 1998 1999 totalen

WO HBO WO HBO WO HBO

man 20 4 19 2 23 4 72

vrouw 10 2 11 3 14 6 46

Totaal 30 6 30 5 37 10 118

Tabel 11 deelnemers Talentenprogramma naar land van bestemming 1997/99


1997 1998 1999 Totalen

Groot Britannie 14 15 21 50

Verenigde Staten 12 6 11 29

Frankrijk 2 3 4 9

Canada 0 1 3 4

België 2 3 2 7

Australië 3 0 2 5

Italië 0 1 1 2

Japan 1 1 1 3

Portugal 0 0 1 1

Zwitserland 0 0 1 1

Duitsland 1 3 0 4

Ierland 1 0 0 1

Zweden 0 1 0 1

Tsjechië 0 1 0 1


36 35 47 118

Tabel 12 Deelnemers Talentenprogramma WO naar vakgebied 1997/99


1997 1998 1999 Totalen

taal en cultuur 7 7 15 29

rechten 6 9 6 21

gedrag en maatschappij 2 6 5 13

economie 4 4 4 12

natuurwetenschappen 8 3 4 15

techniek 3 1 3 7

gezondheid 1 1 2 4

agrarisch 0 0 0 0

Totaal 31 31 39 101

Tabel 13 Deelnemers Talentenprogramma HBO naar vakgebied 1997/99


1997 1998 1999 Totalen

kunsten 4 4 3 11

technisch 2 1 3 6

economisch-administratief 0 0 1 1

gezondheid 0 1 1 2

talen 0 0 1 1

pedagogisch 0 0 1 1

sociaal-agogisch 0 0 0 0

agrarisch 0 0 0 0

Totaal 6 6 10 22

Tabel 14 JPP: naar vakgebied en geslacht, 1996/97 & 1997/98


1996/1997 1997/1998

man vrouw Totaal man vrouw Totaal

Economie 0 2 2 3 1 4

Gezondheid 1 0 1 1 0 1

Gedrag en maatschappij 3 3 6 3 3 6

Natuur 1 0 1 1 0 1

Recht 2 1 3 0 1 1

Techniek 5 1 6 4 2 6

Taal en cultuur 1 0 1 0 1 1

Totaal 13 7 20 12 8 20

Tabel 15 JPP: naar leeftijd en geslacht, 1996/97 & 1997/98


1996/1997 1997/1998

m v Totaal m v Totaal


21-22 1 1 1 - 1


23-24 7 5 12 6 4 10


25-30 5 2 7 5 4 9

Totaal 13 7 20 12 8 20

Tabel 16 Culturele Verdragen: uitstroom naar regio van bestemming,
1993-1998

Regio Afrika Azië EU* Latijns-Amerika Noord-Amerika Oceanië Oost- Europa Overig/

onbekend Totaal


93/94 4 53 142 3 4 2 59 13 280


94/95 3 60 113 4 0 2 38 12 232


95/96 6 41 117 2 0 2 52 14 234


96/97 2 38 104 2 0 2 35 14 197


97/98 2 32 79 1 0 1 62 10 187


* incl. beurzen voor Europees Universitair Instituut te Florence

Tabel 17 Culturele Verdragen: uitstroom naar vakgebied en geslacht,
1996/97 & 1997/98


1996/1997 1997/1998

man vrouw onbekend Totaal man vrouw Totaal

Economie 2 2 0 4 4 1 5

Gezondheid 1 4 0 5 0 3 3

Gedrag en maatschappij 24 14 0 38 18 19 37

Landbouw 1 0 0 1 2 0 2

Natuur 4 1 0 5 3 2 5

Onderwijs 0 1 0 1 2 0 2

Recht 6 9 0 15 5 4 9

Techniek 2 2 0 4 3 2 5

Taal en cultuur 42 80 2 124 40 79 119

Totaal 82 113 2 197 77 110 187

Tabel 18 Culturele Verdragen: uitstroom naar leeftijd en geslacht,
1996/97

uitstroom

man vrouw onbekend Totaal

<=18


19-20 2 8 10


21-22 8 16 1 25


23-24 11 38 1 50


25-30 48 41 89


31-40 9 4 13

>=41 1 0 1

onbekend 3 6 9

Totaal 82 113 2 197

Tabel 19 Culturele Verdragen: uitstroom naar leeftijd en geslacht,
1997/98

uitstroom

man vrouw Totaal

<=18


19-20 1 11 12


21-22 5 20 25


23-24 27 33 60


25-30 34 40 74


31-40 9 3 12

>=41 - - -

onbekend 1 3 4

Totaal 77 110 187

Tabel 20 Culturele Verdragen: uitstroom naar vakgebied en duur verblijf, 1996/97


1 mnd 2-3 mnd 4-6 mnd 7-9 mnd 10-12 mnd >13 mnd Totaal

Economie 0 1 1 2 0 0 4

Gezondheid 0 1 1 2 1 0 5

Gedrag/maatschappij 3 2 8 11 11 3 29

Landbouw 0 0 0 1 0 0 1

Natuur 0 1 1 3 0 0 5

Onderwijs 0 1 0 0 0 0 1

Recht 0 1 2 6 6 0 11

Techniek 0 0 1 3 0 0 4

Taal en cultuur 30 13 12 28 38 3 122

Totaal 33 20 26 56 56 6 182

Tabel 21 Culturele Verdragen: uitstroom naar type instelling en type mobiliteit, 1996/97

studie zomer-beurs onderzoeks-

beurs Totaal

HBO 14 1 15

WO 127 29 156

IO

Onderzoeksinstituut 14 14

Overig 10 1 1 12

Totaal 151 31 15 197

Tabel 22 Culturele Verdragen: uitstroom naar type instelling en type mobiliteit, 1997/98

studie zomer-beurs onderzoeks-

beurs Totaal

HBO 8 3 1 12

WO 99 48 10 157

IO - - - -

Onderzoeksinstituut - - - -

Overig 14 - 4 18

Totaal 121 51 15 187

Tabel 23 Stir-WO: uitstroom naar regio van bestemming, 1993-1997

Afrika Azië EU Latijns-Amerika Noord-Amerika Oceanië Oost- Europa Overig/

onbekend Totaal


93/94 120 172 207 107 548 59 102 33 1348


94/95 164 155 180 109 525 65 91 47 1336


95/96 241 148 173 114 580 83 59 52 1450


96/97 223 144 126 100 506 80 60 19 1258

Tabel 24 Stir-HBO: uitstroom naar regio van bestemming, 1993-1997

Afrika Azië EU Latijns-Amerika Noord-Amerika Oceanië Oost- Europa Overig/

onbekend Totaal


93/94 165 343 1959 865 540 56 255 147 4330


94/95 159 316 1638 738 407 44 221 127 3650


95/96 205 311 1659 671 448 80 208 110 3692


96/97 296 308 1560 730 458 113 226 162 3853

Tabel 25 Stir-HAO: studenten uitstroom naar regio van bestemming,
1994-1997

Afrika Azië West-Europa Oost-Europa Amerika Oceanië Onbekend Totaal


1994 15 26 347 84 72 31 11 586


1995 45 40 278 67 74 32 536


1996 31 43 173 61 49 35 392


1997 29 29 110 45 35 0 248

Tabel 26 Stir-HAO: staf uitstroom naar regio van bestemming, 1994-1997

Afrika Azië West-Europa Oost-Europa Amerika Oceanië Totaal


1994 1 3 104 33 4 1 146


1995 2 0 92 6 5 0 105


1996 5 1 92 12 8 3 121


1997 1 7 60 7 3 0 78

Tabel 27 Stir-WO: naar vakgebied en geslacht, 1995/96 & 1996/97


1995/1996 1996/1997

man vrouw onbekend Totaal man vrouw onbekend Totaal

Economie 134 53 1 188 121 52 3 176

Gezondheid 94 179 4 277 88 184 18 290

Gedrag en maatschappij 86 162 1 249 55 108 1 164

Natuur 54 33 0 87 41 41 0 82

Onderwijs 4 14 0 18 4 9 0 13

Recht 65 86 2 153 54 67 3 124

Techniek 136 35 1 172 122 35 7 164

Taal en cultuur 76 185 10 271 50 181 1 232

Onbekend/overig 3 2 30 35 2 1 10 13

Totaal 652 749 49 1450 537 678 43 1258

Tabel 28 Stir-HBO: naar vakgebied en geslacht, 1995/96 & 1996/97


1995/1996 1996/1997

man vrouw Totaal man vrouw Totaal

Economie 741 897 1638 758 949 1707

Gezondheid 47 277 324 95 303 398

Gedrag en maatschappij 54 209 263 48 213 261

Onderwijs 118 314 432 162 451 613

Techniek 418 111 529 391 150 541

Taal en cultuur 167 294 461 134 199 333

Onbekend/overig 24 21 45 - - -

Totaal 1569 2123 3692 1588 2265 3853

Tabel 29 Stir-WO: naar leeftijd en geslacht, 1995/96 & 1996/97


1995/1996 1996/1997

man vrouw onbekend Totaal man vrouw onbekend Totaal


19-20 11 17 28 11 25 - 36


21-22 114 170 284 121 206 - 327


23-24 330 348 678 222 234 2 458


25-30 159 189 348 142 169 1 312


31-40 8 3 11 6 6 - 12

>=41 4 3 7 2 4 - 6

onbekend 26 19 49 94 33 34 40 107

Totaal 652 749 49 1450 537 678 43 1258

Tabel 30 Stir-WO: naar vakgebied en duur verblijf, 1995/96

onbekend 1 mnd 2-3 mnd 4-6 mnd 7-9 mnd 10-12 mnd Totaal

Economie 2 10 31 126 9 10 188

Gezondheid 5 20 101 127 22 2 277

Gedrag/maatschappij 4 17 41 159 21 7 249

Natuur 1 7 12 50 16 1 87

Onderwijs 0 6 7 4 1 0 18

Recht 1 4 28 110 6 4 153

Techniek 0 1 80 75 13 3 172

Taal en cultuur 5 18 79 109 24 36 271

Onbekend/overig 25 0 3 6 1 0 35

Totaal 43 83 382 766 113 63 1450

Tabel 31 Stir-HBO: naar vakgebied en duur verblijf, 1995/96


1 mnd 2-3 mnd 4-6 mnd 7-9 mnd 10-12 mnd >13 mnd Totaal

Economie 32 229 1127 134 105 11 1638

Gezondheid 2 163 153 1 4 1 324

Gedrag/maatschappij 25 56 69 16 95 2 263

Onderwijs 136 261 29 3 3 0 432

Techniek 9 84 351 60 25 0 529

Taal en cultuur 80 240 121 14 6 0 461

Onbekend/overig 0 45 0 0 0 0 45

Totaal 284 1078 1850 228 238 14 3692

Tabel 32 Stir: naar type instelling en type mobiliteit, 1995/96 &
1996/97


1995/1996 1996/1997

studie stage combinatie excursie/

anders Totaal studie stage combinatie excursie/

anders Totaal

Stir- HBO 537 3013 142 3692 533 3093 227 3853

Stir WO 852 434 164 1450 726 352 180 1258

Stir-HAO 64 206 122 392 63 124 174 361

Totaal 1453 3653 306 122 5534 1322 3569 407 174 5472

NEDERLANDSE PROGRAMMA'S - INSTROOM

Tabel 34 Huygens: aanvragen en toekenningen naar geslacht, 1999/2000

Aantal aanvragen Percentage Aantal Toekenningen Percentage

M 216 39% 67 39%

V 335 61% 107 61%

Totaal 551 100% 174 100%

Tabel 34 Huygens: aanvragen en toekenningen naar regio van herkomst,
1999/2000

Aantal aanvragen Percentage Aantal toegekend Percentage

EU/EER 157 28% 26 15%

Azië 69 13% 41 24%

MOE 180 33% 75 43%

Overig 145 26% 32 18%

Totaal 551 100% 174 100%

Tabel 35 Huygens: aanvragen en toekenningen naar prioritaire landen van herkomst, 1999/2000

Aantal aanv. % Prio % Totaal Aantal toek. % Prio % Totaal

China 30 18% 5% 23 22% 13%

Hongarije 22 13% 4% 13 12% 7%

Indonesië 15 9% 3% 7 7% 4%

Japan 21 13% 4% 11 10% 6%

Rusland 32 19% 6% 25 24% 14%

Tsjechië 26 16% 5% 12 11% 7%

Zuid-Afrika 21 13% 4% 14 13% 8%

Totaal prioritair 167 100% 105 100%

Tabel 36 Huygens: aanvragen en toekenningen naar niet-prioritaire landen van herkomst, 1999/2000

Aantal aanv. % niet -prioritair % Totaal Aantal toek. % niet -

prioritair % Totaal

Australië 24 6% 4% 3 4% 2%

België 6 2% 1% 0 0% 0%

Bosnië 3 1% 1% 1 1% 1%

Brazilië 1 0% 0% 0 0% 0%

Bulgarije 8 2% 1% 2 3% 1%

Canada 18 5% 3% 2 3% 1%

Denemarken 11 3% 2% 2 3% 1%

Duitsland 9 2% 2% 3 4% 2%

Egypte 4 1% 1% 1 1% 1%

Estland 8 2% 1% 2 3% 1%

Finland 16 4% 3% 1 1% 1%

Frankrijk 11 3% 2% 1 1% 1%

Georgië 2 1% 0% 1 1% 1%

Griekenland 4 1% 1% 2 3% 1%

Groot-Brittannië 16 4% 3% 3 4% 2%

Ierland 6 2% 1% 0 0% 0%

IJsland 4 1% 1% 0 0% 0%

India 3 1% 1% 0 0% 0%

Israël 32 8% 6% 4 6% 2%

Italië 9 2% 2% 2 3% 1%

Kroatië 8 2% 1% 2 3% 1%

Letland 1 0% 0% 1 1% 1%

Litouwen 6 2% 1% 2 3% 1%

Luxemburg 2 1% 0% 0 0% 0%

Macedonië 2 1% 0% 1 1% 1%

Marokko 7 2% 1% 2 3% 1%

Mexico 3 1% 1% 2 3% 1%

Moldavië 2 1% 0% 0 0% 0%

Nieuw-Zeeland 7 2% 1% 1 1% 1%

Noorwegen 8 2% 1% 2 3% 1%

Oekraïne 4 1% 1% 1 1% 1%

Oostenrijk 5 1% 1% 3 4% 2%

Polen 32 8% 6% 6 9% 3%

Portugal 16 4% 3% 3 4% 2%

Roemenië 4 1% 1% 2 3% 1%

Slovenië 6 2% 1% 2 3% 1%

Slowakije 14 4% 3% 2 3% 1%

Spanje 27 7% 5% 2 3% 1%

Turkije 28 7% 5% 3 4% 2%

Zweden 2 1% 0% 0 0% 0%

Zwitserland 5 1% 1% 2 3% 1%

Totaal niet-prioritair 384 100% 69 100%

Totaal (incl. prioritair) 551 100% 174 100%

Tabel 37 Huygens: aanvragen en toekenningen naar HBO/WO, 1999/2000

Aantal aanvragen Percentage Aantal Toegekend Percentage

HBO 156 28% 39 22%

WO 329 60% 120 69%

Ov 66 12% 15 9%

Totaal 551 100% 174 100%

Tabel 38 Huygens: aanvragen en toekenningen naar instelling van bestemming, 1999/2000

Aantal toek. Perc.

Berlage Instituut 1 1%

Chr. HS Windesheim Zwolle 1 1%

Chr. HvdKunsten 'C. Huygens' Kampen 0 0%

Conservatorium Maastricht 0 0%

CWI 1 1%

ERC 0 0%

EUR 13 7%

Frans Halsmuseum 1 1%

Gerrit Rietveld Academie 2 1%

Hanzehogeschool, Hogeschool Groningen 1 1%

HES Amsterdam 1 1%

HMT 1 1%

HS Arnhem & Nijmegen 1 1%

HS Brabant 0 0%

HS Drenthe Emmen 2 1%

HS Maastricht 8 5%

HS Rotterdam & Omstreken 1 1%

HS Utrecht 1 1%

HS voor BKMD Den Haag 4 2%

HS voor MT Rotterdam 3 2%

HvdKunsten Amsterdam 7 4%

HvdKunsten Utrecht 7 4%

IAC 2 1%

IHE 2 1%

ISS 3 2%

ITC 1 1%

Jan van Eyck Akademie 4 2%

KUB 6 3%

KUN 4 2%

LUW 8 5%

Nederlands Architectuurinstituut 1 1%

Nijenrode 2 1%

RABK 0 0%

RUG 9 5%

RUL 16 9%

The Design Academy 0 0%

TUD 10 6%

TUE 1 1%

UM 6 3%

UT 2 1%

UU 11 6%

UVA 27 16%

VU 3 2%

Totaal 174 100%

Tabel 39 Huygens: aanvragen en toekenningen naar vakgebied, 1999/2000

Aantal aanvragen Percentage Aantal Toegekend Percentage

Aardrijkskunde 6 1% 2 1%

Architectuur 19 3% 4 2%

Bedrijfskunde 35 6% 10 6%

Communicatie 6 1% 1 1%

Geesteswetenschappen 12 2% 6 3%

Kunst 149 27% 31 18%

Landbouwwetenschappen 26 5% 10 6%

Medische wetenschappen 34 6% 9 5%

Natuurwetenschappen 27 5% 5 3%

Onderwijs 8 1% 6 3%

Overig 2 0% 0 0%

Rechtsgeleerdheid 41 7% 9 5%

Sociale wetenschappen 86 16% 31 18%

Talen 66 12% 36 21%

Technische wetenschappen 31 6% 13 7%

Wiskunde 3 1% 1 1%

Totaal 551 100% 174 100%

Tabel 40 Verdeling getoetste KUBUS aanvragen over de hogescholen

Hogescholen Opleiding Totaal

Muziek Dans Theater Beeldende

Kunst Mode Grafische/ Ind. Vorm-geving Vrije

Richting Foto-

grafie Overig

HsBK 60 - - 5 - - - - 65

AHK 30 - 10 - - - - - 40

Hs Maastricht 38 - - 2 - - - - 40

Rietveld - - 2 - 4 6 12 4 7 35

HMT 18 9 - - - - - - 27

HKU 9 3 10 1 - - 1 24

Hanzehs 10 - - - - - - - 10

HKA 2 3 1 - - - 1 - 7

Helicon - 4 - - - - - - 4

Fontys 3 1 - - - - - - 4

HR&O - - - 2 - - - - 2

AKI - - - 2 - - - - 2

Totaal 170 17 16 21 5 6 13 4 8 260

Tabel 41 KUBUS aanvragen per regio

Regio Totaal

Oost-Europa 86

Azië 64

Noord-Amerika 36

Midden-Oosten 30

Zuid- en Midden Amerika 24

Europa 12

Australië 6

Afrika 2

Tabel 42 Culturele Verdragen: instroom naar regio van herkomst,
1993-1998

Regio Afrika Azië EU* Latijns-Amerika Noord-Amerika Oceanië Oost- Europa Overig/

onbekend Totaal


93/94 18 44 128 6 9 3 116 20 344


94/95 19 50 127 12 8 3 109 18 346


95/96 11 60 142 6 9 3 125 18 374


96/97 8 61 128 5 8 3 134 16 363


97/98 15 48 129 7 8 3 154 20 384

Tabel 43 Culturele Verdragen: instroom naar vakgebied en geslacht,
1996/97 & 1997/98


1996/1997 1997/1998

man vrouw onbekend Totaal man vrouw onbekend Totaal

Economie 3 2 0 5 10 4 - 14

Gezondheid 18 17 0 35 13 12 - 25

Gedrag en maatschappij 18 11 0 29 16 23 - 39

Landbouw 16 5 0 21 12 5 - 17

Natuur 22 12 0 34 15 10 - 25

Onderwijs 0 1 0 1 2 1 - 3

Recht 12 18 0 30 21 20 - 41

Techniek 14 12 0 26 25 8 - 33

Taal en cultuur 59 114 8 181 69 114 - 187

Onbekend/overig 0 1 0 1 - - 4 -

Totaal 162 193 8 363 183 197 - 384

Tabel 44 Culturele Verdragen: instroom naar leeftijd en geslacht,
1996/97

man vrouw onbekend Totaal

<=18 0 1 1


19-20 2 18 20


21-22 11 33 44


23-24 17 34 51


25-30 56 72 128


31-40 63 30 93

>=41 5 2 7

onbekend 8 3 8 19

Totaal 162 193 8 363

Tabel 45 Culturele Verdragen: instroom naar leeftijd en geslacht,
1997/98

man vrouw onbekend Totaal

<=18 1 1 - 2


19-20 10 11 - 21


21-22 22 35 - 57


23-24 28 48 - 76


25-30 72 72 - 144


31-40 47 26 - 73

>=41 - 3 - 3

onbekend 3 1 4 8

Totaal 183 197 4 384

Tabel 46 Culturele Verdragen: instroom naar vakgebied en duur verblijf, 1996/97


1 mnd 2-3 mnd 4-6 mnd 7-9 mnd 10-12 mnd Totaal

Economie 0 0 0 4 1 5

Gezondheid 0 9 10 4 12 35

Gedrag/maatschappij 1 5 12 5 6 29

Landbouw 3 9 6 2 1 21

Natuur 0 9 8 10 7 34

Onderwijs 0 1 0 0 0 1

Recht 21 0 2 4 3 30

Techniek 0 4 9 5 8 26

Taal en cultuur 106 12 18 33 12 181

Onbekend/overig 0 0 1 0 0 1

Totaal 131 49 66 67 50 363

Tabel 47 Culturele Verdragen: instroom naar type instelling en type mobiliteit, 1996/97

studie zomer-beurs onderzoeks-

beurs Totaal

HBO 46 46

WO 148 4 152

IO 7 7

Onderzoeksinstituut 15 1 2 18

Overig 12 126 2 140

Totaal 228 127 8 363

Tabel 48 Culturele Verdragen: instroom naar type instelling en type mobiliteit, 1997/98

studie zomerbeurs onderzoeks-

beurs Totaal

HBO 57 - - 57

WO 149 - 4 153

IO 11 - - 11

Onderzoeksinstituut 19 - - 19

Overig 12 132 - 144

Totaal 248 132 4 384

Tabel 49 TALIS bursalen naar vakgebied en geslacht, 1998/99 en
1999/2000


1998/99 1999/2000

Vakgebied M V Totaal M V Totaal

Economie 3 1 4 1 1 2

Gezondheid 1 0 1

Natuurwetenschappen 1 0 1 1 1 2

Onderwijs 0 1 1 1 0 1

Recht 0 2 2

Sociale wetenschappen 1 0 1 0 3 3

Taal en cultuur 1 1 2 0 1 1

Techniek 6 0 6 2 3 5

Totaal 12 3 15 6 11 17

Tabel 50 TALIS bursalen naar instelling van bestemming

Instelling 1998/99 1999/2000

EUR (NIHES) 1

HAN 1 3

HvU 1

Hanzehogeschool 1

HvU 1

KUB 1

RUG 3 1

RUG 1

TUD 3 2

UL 3 3

UT 2 2

UvA 1 2

Totaal 15 17

Tabel 51 TALIS bursalen naar duur van het verblijf


1998/99 1999/2000

Aantal maanden Totaal Totaal


5 1


6 1


7 1


10 1 2


12 2 8


13 3


17 1


18 6 6

Totaal 15 17

Gemiddeld aantal maanden 14,1 13,5

EUROPESE PROGRAMMA'S

Tabel 52 Erasmus: uitstroom naar land van bestemming, 1993-1998

B DK D FI FR GR GB IS IRL I N A P E S CH Totaal


93/94 295 95 436 57 583 85 1285 1 133 238 82 50 77 492 244 51 4204


94/95 287 133 480 116 666 76 1300 1 149 202 94 62 89 561 317 73 4606


95/96 280 138 501 154 633 65 1452 4 171 217 113 78 55 613 395 67 4936


96/97 220 82 456 133 565 64 1289 9 147 164 101 59 45 486 320 6 4146


97/98 245 104 457 182 567 44 1166 6 125 136 81 76 52 582 348 - 4171

Tabel 53 Erasmus: uitstroom naar vakgebied en geslacht, 1996/97 &
1997/98


1996/1997 1997/1998

man vrouw onbekend Totaal man vrouw onbekend Totaal

Economie 504 696 19 1219 516 625 2 1143

Gezondheid 65 162 0 227 66 188 - 254

Gedrag en maatschappij 225 403 9 637 919 560 3 982

Landbouw 85 40 0 125 53 56 - 109

Natuur 120 51 2 173 70 35 1 106

Onderwijs 83 213 0 296 72 240 51 363

Recht 118 221 2 341 127 213 - 340

Techniek 263 88 0 351 161 65 14 240

Taal en cultuur 161 413 11 585 136 388 - 524

Onbekend/overig 59 130 3 192 44 66 - 110

Totaal 1683 2417 46 4146 1664 2436 71 4171

Tabel 54 Erasmus: uitstroom naar leeftijd en geslacht, 1996/97 &
1997/98


1996/1997 1997/1998

man vrouw onbekend Totaal man vrouw onbekend Totaal

<=18 12 13 25 3 9 - 12


19-20 225 410 1 636 203 446 4 653


21-22 713 1172 2 1887 775 1261 25 2061


23-24 501 611 1 1113 505 512 18 1035


25-30 212 184 1 397 168 178 6 352


31-40 11 6 0 17 5 7 - 12

>=41 0 1 0 1 1 4 - 5

onbekend 9 20 41 70 4 19 18 41

Totaal 1683 2417 46 4146 1664 2436 71 4171

Tabel 55 Erasmus: uitstroom naar vakgebied en duur verblijf, 1996/97


1 mnd 2-3 mnd 4-6 mnd 7-9 mnd 10-12 mnd Totaal

Economie 0 43 862 59 255 1219

Gezondheid 0 136 76 9 6 227

Gedrag en maatschappij 1 84 459 53 40 637

Landbouw 0 53 69 3 0 125

Natuur 0 33 111 17 12 173

Onderwijs 1 217 65 0 13 296

Recht 0 19 239 31 52 341

Techniek 0 75 223 28 25 351

Taal en cultuur 2 122 372 53 36 585

Onbekend/overig 0 26 116 20 30 192

Totaal 4 808 2592 273 469 4146

Tabel 56 Erasmus: uitstroom naar type instelling en type mobiliteit,
1996/97 & 1997/98


1996/1997 1997/1998

studie stage Totaal studie stage com. Totaal

HBO 1833 407 2240 2348 - 2 2350

WO 1801 105 1906 1677 - 144 1821

Totaal 3634 512 4146 4025 - 146 4171

Tabel 57 Erasmus: instroom naar land van herkomst, 1996/97

B DK D FI FR GR GB IS IRL I N A P E S Totaal


96/97 416 96 599 285 458 140 698 8 86 526 107 149 116 679 319 4682


97/98 500 104 664 344 561 89 684 11 81 440 108 121 137 760 303 4907

Tabel 58 Leonardo: uitstroom naar land van bestemming, 1993-1997

B DK D FI FR GR GB IS IRL I L N A P E S CH ?? Totaal


93/94 21 11 69 15 40 17 85 0 23 25 0 6 21 6 18 21 9 12 399


94/95 38 8 69 13 40 13 92 1 17 22 0 10 13 8 19 24 20 0 407


95/96 51 14 100 11 33 2 95 1 13 14 4 7 14 8 24 14 0 3 408*

Tabel 59 Leonardo: instroom naar land van herkomst, 1993-1997

B DK D FI FR GR GB IS IRL I L N A P E S CH ?? Totaal


93/94 18 16 56 15 48 22 71 0 32 22 0 9 11 17 31 15 4 0 387


94/95 14 8 45 19 61 20 47 2 20 24 1 10 9 23 34 16 4 6 363


95/96 9 1 32 5 38 3 45 1 5 23 0 4 10 10 17 2 0 0 205*

Tabel 60 Leonardo: uitstroom naar vakgebied en geslacht

man vrouw Totaal

Economie 63 19 82

Gedrag en maatschappij 32 41 73

Landbouw 12 12 24

Onderwijs 6 3 9

Techniek 128 41 169

Onbekend/overig 36 15 51

Totaal 277 131 408

Tabel 61 Leonardo: instroom naar vakgebied en geslacht

man vrouw Totaal

Economie 45 28 73

Gedrag en maatschappij 8 13 21

Landbouw 6 5 11

Techniek 50 31 81

Onbekend/overig 10 9 19

Totaal 119 86 205

Tabel 62 Tempus: uitstroom studenten naar land van bestemming,
1993-1997

Tsjech. Rep. Estland Hongarije Litouwen Letland Polen Roemenië Slovenië Slowakije Totaal


93/94 15 2 36 1 0 38 7 8 0 107


94/95 7 2 21 0 3 15 0 1 4 53


95/96 0 0 30 0 2 8 0 0 0 40


96/97 1 0 29 0 1 20 7 58

Tabel 63 Tempus: instroom studenten naar land van bestemming,
1993-1997

Albanië Bulga-rije Tsjech. Rep. Estland Honga-rije Litou-wen Letland Polen Roe-menië Slovenië Slowa-kije Totaal


93/94 8 19 60 14 177 3 9 189 26 16 11 532


94/95 7 9 26 18 100 12 10 145 11 20 41 399


95/96 0 0 6 1 139 21 8 48 6 0 4 233


96/97 20 7 120 6 5 132 7 0 35 332

PROGRAMMA'S VOOR SAMENWERKING MET ONTWIKKELINGS- EN TRANSITIELANDEN

Tabel 64 NFP: herkomst deelnemers naar regio, 1993-1998

Regio Afrika Azië Latijns-Amerika Oost- Europa Overig/onbekend Totaal


93/94 37 50 7 1 95


94/95 11 70 3 10 1 95


95/96 63 180 24 3 270


96/97 45 267 21 1 334


97/98 25 106 1 1 133

Totaal 181 673 56 13 4 927

Tabel 65 NFP: deelnemers naar vakgebied en geslacht, 1996/97 & 1997/98


1996/1997 1997/1998

man vrouw Totaal man vrouw Totaal

Economie 167 38 205 73 10 83

Gezondheid 5 5 10 3 2 5

Gedrag en maatschappij 17 8 25 8 3 11

Landbouw 35 8 43 8 6 14

Recht 1 1 2 3 1 4

Techniek 15 7 22 7 8 15

Taal en cultuur 21 6 27 1 0 1

Totaal 261 73 334 103 30 133

Tabel 66 NFP: deelnemers naar leeftijd en geslacht, 1996/97 & 1997/98


1996/1997 1997/1998

man vrouw Totaal man vrouw Totaal


19-20 0 1 1 1 0 1


21-22 1 0 1 3 1 4


23-24 12 9 21 4 3 7


25-30 55 25 80 18 4 22


31-40 103 27 130 37 12 49

>=41 38 6 44 40 10 50

onbekend 52 5 57 - - -

Totaal 261 73 334 103 30 133

Tabel 67 NFP: deelnemers naar vakgebied en duur verblijf, 1996/97


1 mnd 2-3 mnd 4-6 mnd 10-12 mnd Totaal

Economie 44 142 19 0 205

Gezondheid 2 7 0 1 10

Gedrag en maatschappij 0 15 6 4 25

Landbouw 0 12 21 10 43

Recht 0 0 2 0 2

Techniek 10 0 12 0 22

Taal en cultuur 0 0 25 2 27

Totaal 56 176 85 17 334

Tabel 68 NFP: deelnemers naar type instelling waar training wordt gevolgd 1996/97 &


1997/98


1996/1997 1997/1998

studie studie

HBO 12 1

WO 17 0

IO 196 102

Onderzoeksinstituut 10 -

Bedrijf 44 -

Overig 55 30

Totaal 334 133

Tabel 69 TSP: uitstroom naar regio van bestemming, 1995-1998

Regio Afrika Azië Latijns-Amerika Totaal


95/96 20 8 14 42


96/97 16 16 3 35


97/98 31 6 13 50

Tabel 70 TSP: instroom naar regio van herkomst, 1995-1998

Regio Afrika Azië Latijns-Amerika Totaal


95/96 7 0 7 14


96/97 11 4 2 17


97/98 18 12 13 43

Tabel 71 TSP: uitstroom naar vakgebied en geslacht, 1996/97 & 1997/98


1996/1997 1997/1998

man vrouw Totaal man vrouw Totaal

Gezondheid 0 3 3 0 7 7

Gedrag en maatschappij 5 1 6 9 8 17

Landbouw 4 1 5 0 2 2

Natuur 3 0 3 1 2 3

Onderwijs 0 2 2 0 3 3

Techniek 8 4 12 4 0 4

Taal en cultuur 1 3 4 0 0 0

Economie - - - 3 2 5

Recht - - - 2 2 4

Overig - - - 2 3 5

Totaal 21 14 35 21 29 50

Tabel 72 TSP: instroom naar vakgebied en geslacht, 1996/97 & 1997/98


1996/1997 1997/1998

man vrouw Totaal man vrouw Totaal

Gezondheid 1 0 1 5 1 6

Gedrag en maatschappij 5 0 5 5 8 13

Landbouw 3 0 3 0 1 1

Natuur 3 1 4 7 2 9

Techniek 1 2 3 3 0 3

Taal en cultuur 1 0 1 3 0 3

Economie - - - 0 3 3

Onderwijs - - - 2 3 5

Totaal 14 3 17 25 18 43

Tabel 73 TSP: uitstroom naar vakgebied en duur verblijf, 1996/97


2-3 mnd 4-6 mnd 7-9 mnd Totaal

Gezondheid 2 0 1 3

Gedrag en maatschappij 0 6 0 6

Landbouw 0 2 3 5

Natuur 0 3 0 3

Onderwijs 0 2 0 2

Techniek 5 7 0 12

Taal en cultuur 1 3 0 4

Totaal 8 23 4 35

Tabel 74 TSP: instroom naar vakgebied en duur verblijf, 1996/97

TSP in 2-3 mnd 4-6 mnd 7-9 mnd 10-12 mnd Totaal

Gezondheid 0 1 0 0 1

Gedrag en maatschappij 1 4 0 0 5

Landbouw 1 1 1 0 3

Natuur 0 2 2 0 4

Techniek 0 3 0 0 3

Taal en cultuur 0 0 0 1 1

Totaal 2 11 3 1 17

Tabel 75 TSP: in- en uitstroom studenten naar HO veld, 1997/98

TSP In Uit

HBO 7 19

WO 36 31


43 50

Tabel 76 UBP: deelnemers naar regio van herkomst, 1995-1998

Regio Afrika Azië Latijns-Amerika Oost- Europa Overig Totaal


96/97 17 6 4 2 29


97/98 35 24 18 14 2 93

Tabel 77 UBP: deelnemers naar vakgebied en geslacht, 1996/97 & 1997/98


1996/1997 1997/1998

man vrouw Totaal man vrouw Totaal

Gezondheid 10 1 11 10 8 18

Landbouw 1 1 2 3 1 4

Natuur 2 3 5 7 7 14

Onderwijs 6 3 9 11 10 21

Taal en cultuur 2 0 2 2 0 2

Economie 14 2 16

Gedrag & Mij. 7 4 11

Recht 4 2 6

Techniek 0 1 1

Totaal 21 8 29 58 35 93

Tabel 78 UBP: deelnemers naar vakgebied en duur verblijf, 1996/97


10-12 mnd >13 mnd Totaal

Gezondheid 4 7 11

Landbouw 0 2 2

Natuur 5 0 5

Onderwijs 9 0 9

Taal en cultuur 0 2 2

Totaal 18 11 29

Tabel 79 UBP: deelnemers naar leeftijd en geslacht, 1997/98

UBP 97/98 man vrouw Totaal


19-20 0 1 1


21-22 4 1 5


23-24 12 19 31


25-30 42 13 55


31-40 0 1 1

Totaal 58 35 93

Tabel 80 UBP: deelnemers naar HO veld, 1997/98

UBP 1997/98

HBO 1

OVE 6

WO 86

Totaal 93

Tabel 81 Overige OS-programma's: deelnemers naar regio van herkomst,
1993-1997

Regio Afrika Azië Latijns-Amerika Oceanië Oost- Europa Overig Totaal


93/94 39 53 11 0 16 7 126


94/95 26 36 2 0 3 3 70


95/96 27 54 2 1 2 0 86


96/97 27 16 1 1 5 0 50

Totaal 119 159 16 2 26 10 332

Tabel 82 Overige OS-programma's: deelnemers naar vakgebied en duur verblijf, 1996/97


1 mnd 2-3 mnd 4-6 mnd 7-9 mnd 10-12 mnd >13 mnd Totaal

Economie 0 3 1 0 0 0 4

Gezondheid 0 2 0 0 0 7 9

Gedrag en maatschappij 1 2 0 0 0 0 3

Landbouw 1 7 3 0 0 1 12

Techniek 2 5 1 0 11 3 22

Totaal 4 19 5 0 11 11 50

Tabel 83 Overige OS-programma's: naar type instelling en type mobiliteit, 1996/97

studie

HBO 10

WO 12

IO 12

Onderzoeksinstituut 6

Bedrijf 1

Overig 9

Totaal 50

Tabel 84 Overzicht HO-programma's, 1997/98

Programma studenten uit studenten in staf uit staf in

Culturele Verdragen 187 384 -- --

Japan Prijswinnaars Programma (incl. Stir-Japan) 20 n.v.t. n.v.t. n.v.t.

Stir-HAO 248 -- 78 --

Leonardo -- -- -- --

Erasmus (kalenderjaar) 4171 4922 -- --

Tempus -- -- -- --

NFP n.v.t. 133 n.v.t. n.v.t.

TSP 50 43 n.v.t. n.v.t.

UBP n.v.t. 59 n.v.t. n.v.t.

Overige OS-programma's n.v.t. -- n.v.t. n.v.t.

Totaal* ..... --


-- geen (betrouwbare) gegevens beschikbaar

n.v.t. deze categorie mobiliteit bestaat niet binnen het programma


* voorlopig

Tabel 85 Overzicht HO-programma's, 1996/97

Programma studenten uit studenten in staf uit staf in

Culturele Verdragen 197 363 -- --

Japan Prijswinnaars Programma (incl. Stir-Japan) 20 n.v.t. n.v.t. n.v.t.

Stir-WO 1258 n.v.t. -- --

Stir-HBO 3853 n.v.t. -- --

Stir-HAO 392 -- 121 --

Leonardo -- -- -- --

Erasmus (kalenderjaar) 4146 4682 -- --

Tempus 58 332 -- --

NFP n.v.t. 334 n.v.t. n.v.t.

TSP 35 17 n.v.t. n.v.t.

UBP n.v.t. 29 n.v.t. n.v.t.

Overige OS-programma's n.v.t. 50 n.v.t. n.v.t.

Totaal* 121 --

Tabel 86 Overzicht HO-programma's, 1995/96

Programma studenten uit studenten in staf uit staf in

Culturele Verdragen 234 374 85 93

Stir-WO 1450 n.v.t. 4 --

Stir-HBO 3692 n.v.t. 657 145

Stir-HAO 536 -- 105 --

Leonardo 408 -- -- --

Erasmus (kalenderjaar) 4963 -- -- --

Tempus 40 233 -- --

NFP n.v.t. 270 n.v.t. n.v.t.

TSP 42 14 n.v.t. n.v.t.

Overige OS-programma's n.v.t. 86 n.v.t. n.v.t.

Totaal 11365 977 851 238

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

Zoekwoorden:

Deel: ' Monitor van internationale mobiliteit in het onderwijs '




Lees ook