Ministerie van Financien

Titel: Nadere uiteenzetting over het overheidsaandeel in de inflatie

DIRECTIE ALGEMENE FINANCIËLE EN ECONOMISCHE POLITIEK

Aan:

De voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Lange Poten 4

2511 CL Den Haag

Uw brief van/kenmerk

Ons kenmerk

Den Haag

AFEP/99-59.M

1 september 1999

Onderwerp

Toezegging: nadere uiteenzetting over het overheidsaandeel in de inflatie

In deze brief zal ik, conform mijn toezegging in het debat over de voorjaarsnota 1999, nader ingaan op het overheidsaandeel in de inflatie.

Het kwantificeren van het overheidsaandeel in de inflatie is geenszins eenvoudig. In de praktijk wordt veelal een uitsplitsing van de consumptieprijs als referentiekader gebruikt, ook al wordt deze om andere redenen opgesteld. Onderstaande tabel is ontleend aan publicaties van het Centraal Plan Bureau (CPB). Uit deze cijferopstelling blijkt dat de indirecte belastingen en niet-marktsector, die naast de overheid de huursector, de gassector en de gezondheidszorg omvat, een niet geringe, doch vrij constante, bijdrage aan de inflatie levert. In de jaren negentig bedroeg deze bijdrage gemiddeld 1,2% per jaar met een gemiddelde afwijking rond deze waarde van een ¼ procentpunt.

1990

1991

1992

1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

bijdragen in procenten

Invoer


-0,1

0,5

0


-0,5


-0,1


-0,1

0,4

0,9


-0,1

0

0

Indirecte belastingen en niet-marktsector¹

1,4

1,8

1,4

1,1

1,4

1

1,3

1,4

1

1


Arbeidskosten

0,1

1

1,1

1,1


-0,7


-0,2

0.4


-0,1

0,7

1 ¼

¾

Bruto margeverbetering²

1


-0,1

0,7

0,4

2,3

0,5


-0.5


-0,2

0,3





Consumptieprijs

2,2

3,2

3,1

2,1

2,8

1,4

1,6

2,0

1,9

2


Consumentenprijsindex

2,5

3,1

3,2

2,6

2,7

2,0

2,0

2,2

2,0

2


¹ Betreft indirecte belastingen, aardgas, huur en gezondheidszorg.

² Inclusief afschrijvingen en rente

Bron: CPB

De overheid beïnvloedt de inflatie in principe op vele manieren. Het gebruik van bovenstaande uitsplitsing van de consumptieprijs geeft daarom geen sluitend beeld van de verschillende invloedskanalen. De consumptieprijs in het algemeen en de voornoemde uitsplitsing naar de verschillende bronnen van inflatie in het bijzonder schieten op een aantal fronten tekort om als maatstaf te kunnen dienen. De argumentatie is tweeledig. Allereerst biedt deze uitsplitsing om technische redenen een vertekening. Belangrijker is evenwel dat een dergelijke benadering slechts een partieel beeld geeft van de invloed van de overheid op het prijsniveau.

De indirecte belastingen en niet-marktsector, als indicator voor de overheidsbijdrage aan de inflatie, omvat, naast de indirecte belastingen, de prijsstijgingen van aardgas, huur en gezondheidszorg. De zorgsector opereert binnen een door de overheid vastgesteld wettelijk kader waarin de toelaatbare jaarlijkse prijsstijgingen van een plafond worden voorzien. De zorginstellingen staat het vrij om, binnen dit kader, de prijzen vast te stellen. Een soortgelijke redenering kan gehouden worden ten aanzien van de huursector. Het zou mij te ver gaan om dergelijke prijsontwikkelingen in de zorg en huursector volledig toe te schrijven aan de overheid. In dit opzicht vertekent het hierboven genoemde cijfer de feitelijke overheidsbijdrage aan de inflatie. Voorts vloeit een overschatting voort uit het feit dat maatregelen die genomen zijn om consumenten te compenseren voor prijsverhogende belastingen niet in de overheidsbijdrage aan de consumptieprijs zijn terug te vinden. Een voorbeeld is de compensatie van de ophoging van de regulerende energiebelasting (REB) via een terugsluis van de loon- en inkomsten-belasting. De overheidsmaatregel leidt weliswaar tot een hogere consumptieprijs, maar pakt wel koopkracht neutraal uit. Volledigheidshalve dient aangestipt te worden dat bij het gebruik van de uitsplitsing van de consumptieprijs, ten opzichte van de consumentenprijsindex (CPI), een vertekening van het overheidsaandeel ontstaat doordat de zogenaamde consumptie gebonden belastingen, die met uitzondering van de motorrijtuigenbelasting met name op lokaal niveau wordt geheven, niet worden meegenomen.

De overheid beïnvloedt de inflatie ook in meer algemene zin. Dit geschiedt via de vraag die zij uitoefent naar goederen en diensten, gelijk aan iedere andere speler op de markt, via haar beleid gericht op het verbeteren van het functioneren van de markt, alsmede via een beleid van lastenverlichting ter ondersteuning van het streven naar aanhoudende loonmatiging. In het algemeen kan een actief marktwerkingsbeleid leiden tot lagere prijzen doordat de marktpartijen geprikkeld worden om zich te onderscheiden van anderen. Een goed voorbeeld betreft de liberalisatie van de telecommunicatiemarkt die tot flinke prijsdalingen heeft geleid. De oprichting van een mededingingsautoriteit (MNA) en het over een brede linie uitvoeren van MDW projecten zullen dit effect versterken. In uitzonderlijke gevallen, waarbij regulering leidt tot prijzen onder de evenwichtswaarde, kan meer marktwerking leiden tot hogere prijzen. Dit was het geval bij de huursector, begin jaren negentig. Huurverhogingen resulteren, bij het hanteren van voornoemde cijferopstelling, in een hoger overheidsaandeel in de inflatie terwijl lagere telecommunicatieprijzen niet op het conto van de overheid worden geschreven.

Door middel van deze brief heb ik willen aangeven dat aan het kwantificeren van de overheidsbijdrage aan de inflatie nogal wat haken en ogen zitten. Uiteindelijk is de crux van de discussie echter of Nederland in zijn algemeenheid naar behoren presteert op het gebied van inflatie. De algemene doelstelling is een streven naar prijsstabiliteit. De Europese Centrale Bank heeft dit streven geoperationaliseerd als een jaarlijkse prijsstijging beneden de 2%. Als maatstaf voor inflatie wordt, in Nederland, doorgaans naar de CPI gekeken, ook al kent deze een zekere opwaartse vertekening, omdat deze de gevolgen van kwaliteitsverbeteringen van en substitutie effecten tussen goederen en diensten, alsmede de opkomst van fabriekswinkels (outlets) onvoldoende verwerkt. Het CPB voorspelt voor 1999 en 2000 een CPI van respectievelijk 2% en 1½%; cijfers die alleszins sporen met de doelstelling van prijsstabiliteit.

MINISTER VAN FINANCIËN,

Deel: ' Nadere uiteenzetting over overheidsaandeel in inflatie '




Lees ook