Ingezonden persbericht

PERSBERICHT KNMI

1 oktober 2001
KS 01/07

IPCC: Naijl-effecten maken aanpak klimaatverandering extra lastig

Afgelopen weekeinde is in het Engelse Wembley het IPCC Synthesis Report to the Third Assessment Report geaccepteerd door het wetenschappelijk klimaatpanel IPCC van de Verenigde Naties. In dit rapport beantwoorden wetenschappers de belangrijkste beleidsrelevante vragen ten aanzien van de klimaatproblematiek.

Begin 2001 kwam het IPCC Third Assessment Report (TAR) tot stand. Hierin is alle actuele wetenschappelijke kennis op het gebied van klimaatverandering in enige duizenden pagina's samengevat. In samenspraak met de Partijen van het Klimaatverdrag van de VN zijn negen wetenschappelijke maar beleidsrelevante vragen geformuleerd, die nu op basis van het TAR zijn beantwoord.

In vergelijking met de eerdere delen biedt het Synthesis Report met name meer duidelijkheid over de langdurige doorwerking van processen zoals zeespiegelstijging, het stabiliseren van de broeikasgasconcentratie in de atmosfeer en het uiteindelijk bereiken van een evenwichtstemperatuur en ook meer inzicht in de gevolgen van de traagheid van besluitvorming en van het tempo waarin de uitstoot van broeikasgassen kan worden verminderd.

Opvallende conclusies hierover zijn:


· Ook nadat de broeikasconcentraties in de atmosfeer zullen zijn gestabiliseerd gaat de stijging van de wereldwijde gemiddelde temperatuur en van de zeespiegel nog lange tijd door.
· Om de concentratie van CO2 in de atmosfeer te kunnen stabiliseren geven klimaatmodellen aan dat de wereldwijde uitstoot een maximum moet hebben bereikt binnen de komende twee decennia tot binnen ruwweg een eeuw, afhankelijk van het stabilisatieniveau. Vervolgens moeten de wereldwijde emissies dalen tot beneden het niveau van 1990 binnen een paar decennia tot binnen twee eeuwen. Uiteindelijk moeten de emissies afnemen tot slechts een fractie van de huidige uitstoot.
· Het beleid moet rekening houden met deze naijleffecten en met de onomkeerbaarheid van een aantal van de effecten van klimaatverandering. Dit betekent dat moet worden overwogen veiligheidsmarges in te bouwen in de doelstellingen en in de tijdschaal waarop maatregelen moeten worden genomen.
· Modellen geven aan dat de Groenlandse ijskap op de lange duur, over duizenden jaren, volledig smelt bij een lokale opwarming van meer dan 3 0C. Dit heeft een zeespiegelstijging van 7 meter tot gevolg. De modellen laten zien dat deze opwarming al mogelijk is bij relatief lage concentratieniveaus van broeikasgassen.
Het Synthesis Report zet verder de belangrijkste conclusies van de eerdere rapporten nog eens helder op een rij:


· Het rapport bevestigt dat er nieuw en sterker bewijs is dat het merendeel van de opwarming die de laatste 50 jaar is waargenomen, het gevolg is van menselijke activiteiten;
· De berekende klimaatverandering heeft zowel positieve, als negatieve effecten op de natuur, volksgezondheid, economie, landbouw en waterbeschikbaarheid. Echter hoe groter en hoe sneller de klimaatverandering, hoe meer de negatieve effecten overheersen. De negatieve gevolgen zullen onevenredig neerkomen op de ontwikkelingslanden. Voor de industrielanden zijn de gevolgen tot aan een paar graden stijging gemengd, maar bij hogere stijging eveneens negatief. Het zal hoe dan ook nodig zijn om ons aan te passen aan klimaatverandering.
· Er bestaan veel technologische oplossingen om de uitstoot de verminderen. Een groot deel de maatregelen betaalt zichzelf terug, maar de invoering stuit vaak op maatschappelijke en politieke weerstand.
· De capaciteit van landen om zich aan te passen aan klimaatverandering en om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen kan worden vergroot wanneer klimaatbeleid gecombineerd wordt met ander sociaal, economisch en milieubeleid.
De hoofdconclusies uit het IPCC Third Assessment Report deel I en achtergrondinformatie over het IPCC en de klimaatverandering op internet: https://www.knmi.nl

Voor meer informatie, interviews of een toelichting kunt u contact opnemen met Harry Geurts of Monique Somers, persvoorlichting KNMI, telefoon 030 2206 317 (buiten kantooruren: 06 53 214 364).

Achtergrond bij persbericht IPCC 1 oktober 2001

Samenvatting van het IPCC Synthesis Report to the TAR op basis van de Summary for Policymakers

Het IPCC brengt sinds 1990 iedere vijf jaar Assessment Reports uit waarin de actuele wetenschappelijke kennis van het klimaatprobleem wordt samengevat. Begin 2001 verscheen het Third Assesment Report (TAR), bestaande uit drie delen. Het eerste deel beschrijft de natuurwetenschappelijke aspecten van het klimaatsysteem en de invloed van de mens hierop. Het tweede deel gaat in op de gevolgen van klimaatverandering en zeespiegelrijzing op de waterhuishouding, landbouw, ecosystemen en gezondheid, evenals de mogelijkheden tot aanpassing ter vermindering van de kwetsbaarheid voor klimaatverandering (adaptatie). Het derde deel behandelt de mogelijkheden klimaatverandering af te zwakken (mitigatie).

Een Assessment Report wordt geschreven vanuit een wetenschappelijk perspectief en geeft derhalve antwoorden op wetenschappelijke vragen. De beleidswereld heeft behoefte aan een vertaalslag waarin de veelheid aan wetenschappelijke inzichten die in de drie delen van het TAR wordt tentoongespreid, wordt aangewend om concrete antwoorden te geven op beleidsrelevante vragen. In overleg met de Partijen van het Klimaatverdrag van de Verenigde Naties is daartoe een lijst met negen vragen opgesteld die de basis vormen voor het Synthesis Report.

Vraag 1:
Wat kan natuurwetenschappelijke, technische en sociaal economische analyse bijdragen aan het beantwoorden van de vraag wanneer er sprake is van gevaarlijke menselijke beïnvloeding van het klimaat (in de zin van Artikel 2 van het VN Klimaatverdrag)?
· Natuurwetenschappelijke, technische en sociaal economische analyse levert de feiten op die het beantwoorden van deze vraag mogelijk maken. Het antwoord als zodanig is een waardeoordeel en moet gebaseerd zijn op afwegingen ten aanzien van zaken als (gewenste) ontwikkeling, billijkheid en duurzaamheid, als ook onzekerheden en risico's.
· De uitgangspunten bij het maken van de genoemde afwegingen zullen verschillen per regio en afhangen van a) de lokale aard en gevolgen van klimaatverandering, b) het lokale vermogen klimaatverandering tegen te gaan en c) het lokale vermogen zich aan te passen.
· Het TAR levert relevante nieuwe wetenschappelijke informatie en feiten op de volgende terreinen: a) toekomstige ontwikkelingen in de concentraties broeikasgassen en de bijbehorende mondiale en regionale patronen in veranderingen van temperatuur, neerslag, zeespiegel evenals extreme klimaatgerelateerde verschijnselen. Ook worden in het TAR mogelijkheden bekeken voor abrupte en onomkeerbare veranderingen in oceanische circulatie en de belangrijkste ijskappen b) bio-fysische en sociaal economische gevolgen en risico's van klimaatverandering c) de mogelijkheden verschillende niveaus van broeikasgasconcentraties te bereiken door beleidsmaatregelen evenals de mogelijkheden tot aanpassing aan klimaatverandering ter vermindering van de kwetsbaarheid. Een compleet beeld van de klimaatproblematiek is gebaseerd op de wisselwerking tussen a), b) en c). Zoals gezegd levert het TAR belangrijke nieuwe inzichten op al deze terreinen.
· Besluitvorming rond klimaatverandering is in essentie een stap-voor-stap proces dat rekening houdt met onzekerheden.
· Het klimaatprobleem maakt deel uit van de veelomvattende uitdaging te komen tot een duurzame ontwikkeling. De effectiviteit van klimaatbeleid kan derhalve worden vergroot door het op te nemen in nationaal en regionaal beleid ter bevordering van duurzame ontwikkeling.
· Het TAR gaat in op aspecten van timing, kansen, kosten, baten en gevolgen van de verschillende mitigatie- en adaptatieopties.
Vraag 2
Wat zijn de bewijzen voor, de oorzaken van en de gevolgen van klimaatverandering sinds de industriële revolutie?
· Het klimaat is aantoonbaar veranderd op mondiale en regionale schaal sinds het begin van de industriële revolutie. Een aantal van die veranderingen is toe te schrijven aan menselijke activiteiten.
· De atmosferische concentraties van de belangrijkste broeikasgassen (CO2, methaan, lachgas en ozon in de onderste luchtlagen) zijn toegenomen. De bijbehorende versterking van het broeikaseffect (de z.g. stralingsforcering) is nauwkeurig bekend. De mogelijk sterk koelende werking van stofdeeltjes (aërosolen) i.v.m. hun invloed op wolken is mogelijk groot, maar niet goed gekwantificeerd.
· Het is zeer waarschijnlijk dat de jaren 1990 de warmste periode (1998 het warmste jaar) was sinds de wereldgemiddelde temperatuur door directe metingen kan worden vastgesteld (1861 2000).
· Er is nieuw en sterker bewijs dat het merendeel van de waargenomen opwarming gedurende de afgelopen 50 jaar kan worden toegeschreven aan menselijke activiteiten.
· De waargenomen veranderingen in het niveau van de zeespiegel, sneeuwbedekking, ijskappen en neerslag zijn in overeenstemming met opwarming nabij het aardoppervlak.
· De waargenomen veranderingen in regionaal klimaat hebben veel fysische en biologische systemen beïnvloed. De waargenomen temperatuurstijgingen hebben met name invloed op de waterhuishouding. Er zijn voorlopige aanwijzingen dat sociale en economische systemen ook zijn beïnvloed. De waargenomen toename van sociaal economische schade als gevolg van extreme weersomstandigheden en regionale klimaatverandering suggereren een toenemende kwetsbaarheid voor klimaatverandering.
Vraag 3
Wat is er bekend over regionale en mondiale klimatologische, milieugerelateerde en sociaal economische gevolgen in de komende 25, 50 en 100 jaar van de broeikasgasemissies zoals beschreven in de scenario's uit het TAR (deze scenario's gaan nadrukkelijk niet uit van klimaatbeleid)?
· CO2 concentraties, mondiaal gemiddelde temperatuur nabij het aardoppervlak en de zeespiegel worden in alle scenario's verwacht toe te nemen gedurende de 21ste eeuw. Opmerking: scenario's zijn geen voorspellingen maar consistente beelden van de toekomst. Onder 'verwacht' moet hier dan ook worden verstaan: verwacht in de context van een gegeven scenario. Dit geldt voor alle verwachtingen die worden uitgesproken onder deze vraag.
· De zes representatieve z.g. SRES-scenario's geven een range in CO2-concentraties van 193% 346% ten opzichte van de preïndustriële periode (jaar 2000: 131%).
· De SRES-scenario's, toegepast in een reeks modellen, laten een bijbehorende temperatuurstijging zien van 1,4 tot 5,8ºC, gedurende 1990 2100 (2 tot 10 keer de waargenomen temperatuurstijging gedurende de 20ste eeuw). Het vorige IPCC Assessment Report, uit 1995, noemde een lagere stijging (1,0 3,5 ºC). Het verschil wordt met name veroorzaakt door de naar beneden bijgestelde emissies van zwaveldioxide, waardoor de concentraties stofdeeltjes, die een koelende werking hebben, lager uitvallen.
· Wereldgemiddeld wordt de neerslag verwacht toe te nemen. Regionaal worden zowel toe- als afnamen verwacht, variërend van 5 tot 20%.
· Gletsjers worden verwacht zich verder terug te trekken.
· Het wereldgemiddelde zeespiegelniveau wordt verwacht toe te nemen met 9 tot 88 centimeter in de periode 1990 2100.
· De verwachte klimaatveranderingen zullen positieve en negatieve gevolgen hebben op het milieu en de sociaal economische systemen. De nadelige effecten gaan meer overheersen naarmate de veranderingen in het klimaat groter zijn.
· De invloed van klimaatverandering op de gezondheid wordt over het algemeen verwacht negatief te zijn, met name in de lage-inkomen groepen, vooral in de landen gelegen in de (sub)tropen.
· De ecologische productiviteit zal worden beïnvloed. Sommige kwetsbare soorten zullen nog meer met uitsterven worden bedreigd.
· De graanoogst wordt verwacht toe te nemen in gebieden met kleine temperatuurtoenamen. Grotere temperatuurstijgingen leiden tot vermindering van de oogst. In de meeste (sub)tropische gebieden leidt iedere stijging tot een afname in opbrengsten.
· De problemen in landen met een watertekort worden verwacht te verergeren onder klimaatverandering.
· De effecten van klimaatverandering op het Bruto Nationaal Product wordt verwacht negatief te zijn in de meeste ontwikkelingslanden. De ontwikkelde landen kunnen baat hebben bij een opwarming van een paar graden. Gaat de opwarming verder dan is het effect altijd negatief.
· Met name de bevolkingen van kleine eilanden en/of laag gelegen kustgebieden lopen het risico te lijden onder sociale en economische effecten, als gevolg van de zeespiegelstijging en de bedreiging van hulpbronnen (zoetwater, vis, koraal, atollen, wilde dieren).
· Grotere en snellere klimaatverandering bemoeilijkt aanpassing en verhoogt de kans op schade.
· De gevolgen van klimaatverandering zullen de armste landen en de armste mensen waarschijnlijk onevenredig zwaar treffen. Ongelijkheid m.b.t. gezondheid, voedselvoorziening, drinkwater en andere hulpbronnen worden verwacht te verergeren.
· Aanpassing aan klimaatverandering (adaptatie) kan de nadelige effecten van klimaatverandering gedeeltelijk compenseren en biedt vaak onmiddellijke voordelen. Er is een groot aantal aanpassingsmogelijkheden geïdentificeerd, die de nadelige effecten kunnen verkleinen en de voordelen van klimaatverandering kunnen vergroten. Ze brengen echter wel kosten met zich mee.
Vraag 4:
Wat is bekend over de invloed van toenemende concentraties broeikasgassen en stofdeeltjes (aërosolen) met de bijbehorende door de mensen veroorzaakte klimaatverandering op: a) de frequentie en grootte van klimaatfluctuaties (dag/nacht, seizoenen, jaar-tot-jaar en meerjarige fluctuaties zoals El Niño en de Noord Atlantische Oscillatie)? b) de duur, plaats, frequentie en intensiteit van extreme gebeurtenissen (hittegolven, droogten, overstromingen, zware neerslag, lawines, stormen, tornado's en tropische cyclonen)? c) het risico van abrupte (z.g. niet-lineaire) veranderingen in bronnen en putten van broeikasgassen, oceaancirculatie en de bedekking door poolijs en permafrost? d) het risico van abrupte (niet-lineaire) veranderingen in ecosystemen?


· Modellen geven aan dat een toename van de concentratie van broeikasgassen in de atmosfeer zal leiden tot veranderingen in de variabiliteit over de dag, het seizoen, tussen jaren en tussen decennia.
· Modellen laten zien dat een toename van de concentratie van broeikasgassen in de atmosfeer zal leiden tot veranderingen in de frequentie, intensiteit en duur van extreme weersomstandigheden, zoals meer hete dagen, hittegolven, zware neerslag en minder koude dagen.
· Klimaatverandering in de 21ste eeuw kan grootschalige, niet-lineaire en potentieel abrupte veranderingen met grote consequenties in beweging brengen in de komende decennia tot in de komende duizenden jaren. De onzekerheid verschilt sterk per verandering.
· Sommige van de geprojecteerde abrupte/niet-lineaire veranderingen in de fysische systemen en natuurlijke bronnen of opslag van broeikasgassen kunnen onomkeerbaar zijn, maar de kennis over een aantal van de achterliggende processen is onvolledig. De waarschijnlijkheid van de veranderingen neemt toe met de snelheid, omvang en duur van de klimaatverandering. Voorbeelden zijn: verstoring van de bodem en vegetatie met een verergerend effect, via verhoogde uitstoot van CO2 door planten en grond en veranderende oppervlakte-eigenschappen afzwakking van de Noord-Atlantische Golfstroom, met een grote impact op het Europese klimaat smelten van de Antarctische ijsmassa ná de 21ste eeuw met een grote invloed op de zeespiegel smelten van Groenlandse ijskap gedurende de 21ste eeuw met een grote invloed op de zeespiegel. Modellen geven aan dat de Groenlandse ijskap op de lange duur, over duizenden jaren, volledig smelt bij een lokale opwarming van meer dan 3 0C. Dit heeft een zeespiegelstijging van 7 meter tot gevolg ontdooien van polaire permafrost met bijbehorende aardverschuivingen, met o.a. gevolgen voor de infrastructuur.
· Abrupte wijzigingen in het klimaat zouden nadelige gevolgen kunnen hebben op veel ecosystemen, met gevolgen voor hun functie, biodiversiteit en productiviteit.
Vraag 5:
Wat is bekend over de langdurige doorwerking en tijdschalen van veranderingen in het klimaat, ecosystemen, sociaal economische sectoren evenals hun wisselwerking?
· Traagheid is wijdverbreid in het gekoppelde klimaat/ecologisch/menselijke systeem. De gevolgen van door mensen veroorzaakte klimaatverandering kunnen slechts langzaam merkbaar worden. In bepaalde gevallen zouden de gevolgen onomkeerbaar kunnen zijn als klimaatverandering niet tijdig beperkt wordt.
· Stabilisatie van CO2-emissies op het huidige niveau leidt niet tot stabilisatie van de CO2-concentraties in de atmosfeer, terwijl stabilisatie van de emissies van broeikasgassen met een kortere verblijftijd in de atmosfeer (zoals methaan) binnen decennia leidt tot stabilisatie van hun atmosferische concentraties.
· Nadat de CO2-concentratie gestabiliseerd zou zijn wordt verwacht dat de luchttemperatuur nabij het aardoppervlak enige tienden van graden stijgt gedurende minimaal een eeuw. Onder deze omstandigheid wordt de zeespiegel verwacht nog vele eeuwen te stijgen.
· Sommige van de veranderingen in het klimaatsysteem, waarschijnlijk na de 21ste eeuw, zijn onomkeerbaar gedurende vele generaties. Voorbeelden hiervan zijn het afsmelten van ijskappen en veranderingen in oceaanstromingen.
· De reactietijd van ecosystemen op klimaatverandering verschilt van onmiddellijk tot enige tientallen jaren.
· Het vermogen van de aarde om extra koolstof op te slaan zal toenemen gedurende de 21ste eeuw waarna het afvlakt en vervolgens afneemt.
· In tegenstelling tot klimaat- en ecologische systemen is de traagheid van menselijke systemen niet gefixeerd, maar kan worden beperkt door beleid en individuele keuzen.
· De ontwikkeling en introductie van nieuwe technologie kan worden versneld door technologieoverdracht, stimulerende fiscale maatregelen en onderzoeksbeleid. Het z.g. lock-in effect werkt vertragend.
· Het beleid moet rekening houden met de naijl-effecten. Dit betekent dat zal moeten worden overwogen veiligheidsmarges in te bouwen in de doelstellingen om de concentratie in de atmosfeer, de temperatuur of de zeespiegelstijging te stabiliseren op bepaalde niveaus. Deze kunnen namelijk worden beïnvloed door: a) de traagheid van veranderingen in het klimaatsysteem, wat er voor zorgt dat klimaatverandering een bepaalde periode door zal gaan na dat het klimaatbeleid is geïmplementeerd, b) onzekerheden over mogelijke drempelwaarden of onomkeerbaarheid , c) de tijdsperiode tussen het instellen van beleid en het optreden van resultaten van dit beleid.
· De traagheid in het aardse systeem maken aanpassing aan klimaatverandering nu al onvermijdelijk in een aantal gevallen en verhogen de urgentie van mitigatie.
Vraag 6:
Wat is de invloed van de reikwijdte en de timing van emissiebeperkende maatregelen op de snelheid, de grootte en de gevolgen van klimaatverandering?
· Naarmate de emissie van broeikasgassen eerder en verdergaand wordt beperkt zullen de gevolgen voor de opwarming en de zeespiegelstijging vertraagd en uiteindelijk verminderd worden.
· Vermindering van de broeikasgasemissies is nodig om de broeikaswerking te stabiliseren. Stabilisatie van de atmosferische CO2-concentratie op 450 tot 1000 parts-per-million (ppm, 122% tot 272% van de huidige waarde) maakt het nodig dat de wereldwijde CO2-emissies dalen tot beneden het niveau van 1990 binnen een paar decennia tot binnen 2 eeuwen en daarna gestaag dalen. De modellen illustreren dat de emissies dan een maximum zouden bereiken binnen 1 tot 2 decennia tot binnen een eeuw. Uiteindelijk moeten de emissies dalen tot slechts een fractie van de huidige emissies.
· Voor elk stabilisatieniveau van de broeikasgasconcentraties in de atmosfeer bestaat er een grote onzekerheid in de mate van opwarming bij dit stabilisatieniveau.
· Een stabilisatieniveau van 1000 ppm wordt geschat de opwarming te beperken tot 3,5 ºC of minder gedurende de 21ste eeuw.
· Het zeeniveau en de ijskappen zullen nog vele eeuwen reageren nadat broeikasgasconcentraties zijn gestabiliseerd. De gebruikte modellen geven aan dat zeespiegelstijging als gevolg van het smelten poolijs en ijskappen al bij een stabilisatieniveau van 550 ppm CO2-equivalent meerdere meters kan bedragen (tijdschaal van eeuwen tot duizenden jaren).
· Emissiebeperkende maatregelen die de atmosferische concentratie van CO2 zouden stabiliseren, vertragen en verminderen de schade die wordt veroorzaakt door klimaatverandering.
· Er bestaan nog geen kwantitatieve schattingen van de voordelen die gekoppeld zijn aan de verschillende stabilisatieniveaus.
· Aanpassing aan klimaatverandering (adaptatie) is hoe dan ook noodzakelijk als aanvulling op emissiebeperkende maatregelen. In combinatie kunnen ze bijdragen aan duurzame ontwikkeling en het verminderen van ongelijkheid.
· Adaptatie kan een aanvulling zijn op mitigatie in een kosteneffectieve aanpak de risico's van klimaatverandering terug te brengen.
· De gevolgen van klimaatverandering verschillen binnen en tussen landen. De aanpak van klimaatverandering brengt hierdoor het issue van billijkheid naar voren.
Vraag 7
Wat is bekend over de mogelijkheden, de kosten, de baten en het tijdspad aangaande de reductie van broeikasgasemissies?
· Er zijn veel mogelijkheden voorhanden, waaronder technische, om emissies op korte termijn terug te brengen. Een aantal barrières voor daadwerkelijke implementatie staat dat in de weg.
· Sinds het verschijnen van het vorige Assessment Report (1995) is significante vooruitgang geboekt op technisch gebied. Deze vooruitgang was sneller dan verwacht.
· Barrières voor succesvolle vermindering van broeikasgasemissies zijn van technische, economische, politieke, culturele, sociale, gedragsmatige en/of institutionele aard.
· De effectiviteit van nationaal beleid t.a.v. klimaatverandering kan worden vergroot door een pakket van beleidsinstrumenten in te zetten. Voorbeelden van deze instrumenten zijn: emissie/koolstof/energie-heffingen, verhandelbare of niet-verhandelbare emissierechten, het toekennen dan wel wegnemen van subsidies, het terugsluizen van heffingen, normstelling voor technologieën, verbod op producten, convenanten, overheidsuitgaven en investeringen, voorlichting, milieulabels, en ondersteuning van onderzoek en ontwikkeling.
· Het TAR noemt aanzienlijke kansen om de kosten van mitigatie te verminderen.
· "Bottom-up"-studies geven aan dat substantiële emissiebeperkende maatregelen bestaan tegen lage kosten.
· Bossen, landbouwgronden en andere ecosystemen bieden aanzienlijke mogelijkheden voor mitigatie.
· De z.g. flexibele mechanismen uit het Kyoto Protocol kunnen de kosten verminderen.
· Emissiebeperkingen voor de z.g. Annex I (geïndustrialiseerde landen met doelstellingen i.h.k.v. het Kyoto Protocol) hebben een neveneffect op de andere niet-Annex I (arme) landen. Olie-exporterende landen zullen nadelen ondervinden van de verminderde vraag naar olie. In het algemeen zal nadeel ondervonden worden van prijsstijgingen van te importeren producten. Aan de andere kant kunnen niet-Annex 1 landen profiteren van dalende olieprijzen, toename van export van koolstofintensieve producten en technologieoverdracht in het kader van mondiaal klimaatbeleid.
· In het algemeen zijn de kostenschattingen met grote onzekerheden omgeven.
· De ontwikkeling en overdracht van milieuvriendelijke technologie kunnen een kritische rol spelen bij het terugbrengen van de kosten van stabilisatie van broeikasgasconcentraties.
· De laagste emissiescenario's vragen om aangepaste ontwikkelingen van het gebruik van energiebronnen. De benodigde versnelling van de introductie van geavanceerde milieuvriendelijke technologie vraagt om extra onderzoeksinspanningen.
· De kosten worden bepaald door zowel het uiteindelijke doel als de bewandelde weg.
· Een geleidelijke overgang naar koolstofarm energiegebruik heeft als voordelen dat a) de investeringen in de oude technologie over een langere periode kan worden afgeschreven en b) er niet (te) vroeg hoeft te worden gekozen voor een nieuwe technologie die later misschien voor verbetering vatbaar zou zijn geweest (lock in effect). Een snelle overgang daarentegen verlaagt de risico's voor milieu en de mens, verlaagt de kosten die met die risico's gepaard gaan en heeft een stimulerende werking op schone technologieontwikkeling.
· De kosten voor stabilisatie van de CO2-concentratie nemen in toenemende mate toe naarmate de lat hoger gelegd wordt (d.w.z. lagere CO2-concentraties).
Vraag 8:
Wat is bekend over de wisselwerking tussen door mensen veroorzaakte klimaatverandering en andere milieuproblemen, zoals luchtverontreiniging, zure regen, uitsterven van plant/diersoorten, afbraak van de ozonlaag, verwoestijning en de verslechtering van landbouwgronden?
· Zowel op lokale, regionale als op mondiale schaal geldt dat milieuproblemen onlosmakelijk verbonden zijn. Deze omstandigheid maakt dat er zich win-win situaties voordoen die kunnen leiden tot verhoogde doelmatigheid en verlaging van de kosten.
· Door het tegemoetkomen aan menselijke behoeften verslechtert veelal het milieu. Uiteindelijk bemoeilijkt dat de mogelijkheden te voldoen aan diezelfde behoeften in het heden en in de toekomst.
· De achterliggende oorzaken voor antropogene klimaatverandering zijn vergelijkbaar met die voor de meeste milieuproblemen en sociaal economische kwesties, namelijk: economische groei, brede technologische veranderingen, demografische verschuivingen (aantal mensen, leeftijdsopbouw, migratie) en machtsstructuren.
· Los van de genoemde achterliggende oorzaken geldt dat klimaatverandering, verlies van biodiversiteit, verwoestijning, ozonafbraak, beschikbaarheid van zoetwater en luchtverontreiniging elkaar in directe zin beïnvloeden.
· De grote overeenkomst tussen de verschillende milieuproblemen, die ieder zo hun eigen mondiale verdragen kennen, impliceert mogelijkheden tot synergie bij de aanpak ervan.
· De capaciteit van landen om zich aan te passen of om maatregelen te nemen kan worden vergroot wanneer klimaatbeleid wordt geïntegreerd in economisch, sociaal en ander milieubeleid.
Vraag 9:
Wat zijn met betrekking tot de oorzaken en de voorspellingen van klimaatverandering de meest robuuste conclusies en de belangrijkste onzekerheden? Punten van aandacht:
· toekomstige emissies van broeikasgassen en aërosolen
· toekomstige concentraties van broeikasgassen en aërosolen
· toekomstige veranderingen in het regionale en mondiale klimaat
· regionale en mondiale gevolgen van klimaatverandering
· kosten en baten van mitigatie- en adaptatiebeleid.
Tabel SPM 3 uit de Summary for Policy Makers geeft een overzicht van voorbeelden van de meest robuuste conclusies en de belangrijkste onzekerheden.

Voor meer informatie, interviews of een toelichting kunt u contact opnemen met Harry Geurts of Monique Somers, persvoorlichting KNMI, telefoon 030 2206 317 (buiten kantooruren: 06 53 214 364).

Deel: ' Naijl-effecten maken aanpak klimaatverandering extra lastig '




Lees ook