Nieuwjaars rede van de Korpschef van Politie Drenthe 15:06 vrijdag 8 januari 1999

reg. afd. voorlichting
Martin Panman
0592-361294

Dames en heren, leden van het korps,
leden van het Regionaal College,
overige gasten en vertegenwoordigers van de media, een hartelijk welkom in het huis van de politie Drenthe.

In het jaar 1998 zijn 2 collega’s ons ontvallen.
Op 8 juni is de heer L.E. Post, medewerker in het district Oost, op 40-jarige leeftijd overleden en op 18 juni is de heer W. Nijkeuter, beleidsmedewerker PB&O op 51-jarige leeftijd overleden. Op een moment als dit is het gepast hen nog eens te memoreren. Het korps heeft op waardige en diepbedroefde wijze afscheid van hen genomen.
Wij wensen de nabestaanden veel sterkte om dit verdriet te kunnen verwerken.

Dames en heren,

Het afgelopen jaar is voor de politie Drenthe een “roerig” jaar geweest. Niet alleen werd per 1 januari een gewijzigde organisatiestructuur en een andere manier van werken ingevoerd, maar het korps heeft ook te maken gekregen met een fors aantal overplaatsingen en met het vertrek van de Korpschef, vóórdat de implementatie van het onder zijn bezielende leiding opgestelde beleidsplan gestalte kon krijgen.
De komst van ondergetekende als nieuwe korpschef, die zich vanzelfsprekend het nodige nog eigen moest maken, heeft ook het implementatieproces niet bespoedigd.
Hoe je het ook wendt of keert, een dergelijke transfer heeft toch zijn invloed op de ontwikkelingen in het korps.

Met veel respect heb ik gezien hoe velen in het korps het afgelopen jaar zich voor 100% hebben ingezet.
Dat het korps Drenthe , aldus de politiemonitor, nog steeds de meest veilige provincie van Nederland is is mede, naast andere factoren, aan de inzet van het gehele korps te danken.

Zijn we er dan?
Moeten we op de winkel passen en op onze lauweren gaan rusten, of wordt er nog iets meer van ons verwacht?
Het is een retorische vraag en u snapt dat het antwoord op de laatste vraag zonder meer bevestigend is.
De vorig jaar ingevoerde manier van werken, dicht bij de burgerij, de zogenaamde buurt –en wijkzorg, moet verder ontwikkeld worden. NB. Overigens moet mij wel van het hart dat op die wijze, vóór de fusie, in grote delen van Drenthe al zo gewerkt werd. Het is dus niet écht onbekend, maar wij zullen moeten zorgdragen voor het scheppen van randvoorwaarden opdat die moderne/ouderwetse manier van werken, weer als vanzelfsprekend wordt aanvaard.
Teveel is er het afgelopen jaar een beroep gedaan op onze “frontsoldaten”, de wijkagenten, om te helpen organisatorische tekortkomingen en personele tekorten op te lossen, zonder dat ze daarvoor voldoende in de gelegenheid waren.
Er was ook (en is nog steeds) teveel onduidelijkheid wat van onze medewerkers verwacht werd en wordt.
Ook de randvoorwaarden waaronder gewerkt moest worden, zijn voor verbetering vatbaar.

Ik ben bijzonder blij dat ik u kan melden dat een projectgroep uit het korps, onder leiding van de districtchef West, de heer van Wijk, mij voor de feestdagen een tussenrapport heeft overhandigd waarin op heldere wijze de rollen van de diverse spelers in de buurt – en wijkzorg binnen de wijkeenheid staan omschreven.
Het is de bedoeling dat hierover snel en goed met elkaar gecommuniceerd wordt.
Voordat deze rolbeschrijvingen worden vastgesteld wil de projectgroep toetsen of ze als duidelijk en realistisch worden ervaren. De projectgroep gaat deze toets verrichten in een viertal zogenaamde gidswijken, per district één, die samen met het hoofd politiezaken van hun district als klankbordgroepen voor de projectorganisatie gaan fungeren.
Pas na deze toets zijn de beschrijvingen rijp voor besluitvorming door stuurgroep, medezeggenschap en bestuur. Dan is immers getoetst of het besluit voor de medewerkers de vereiste duidelijkheid zal geven en de haalbaarheid niet te veel ter discussie staat.
Het is dan vervolgens aan de lijnchefs om de genomen besluiten door te voeren en te implementeren in hun onderdelen.

Onze belangrijkste filosofie, die mede hieruit blijkt, is dat wij onze gehele organisatie moeten richten op het kleinschalige, gebiedsgebonden politiewerk.
De wijkagent is daarbij de spil van de organisatie. De rest van de organisatie, van korpschef tot specialist, zal zich moeten inzetten om te zorgen dat onze basispolitiezorg (zo wil ik toch graag buurt –en wijkzorg blijven zien) zo goed en professioneel mogelijk ondersteund wordt.

Eén van de knelpunten die we daarbij op moeten lossen is de verdeling van de capaciteit over de verschillende taken in de basispolitiezorg. Achteraf kunnen we constateren dat de als tijdelijk bedoelde “hulpconstructie” van directe politiezorg (DPZ), de capaciteit voor buurt -en wijkzorg teveel onder druk heeft gezet. Vandaar dat de deelprojectgroep “Capaciteit” nu voor de taak staat concrete voorstellen te doen, die ervan uitgaan dat ook het verlenen van directe politiezorg een onderdeel wordt van buurt- en wijkzorg, naast projectmatig werken, het verrichten van onderzoeken, het houden van controles enzovoort.

Een knelpunt wat daarmee samenhangt is dat we met zijn allen nog moeten wennen aan het nieuwe regime voor dienstplanning dat is ontstaan na invoering van de Arbeidstijdenwet en de 36-urige werkweek. We moeten nog consensus ontwikkelen over de toepassing van de spelregels en daar weer routine in krijgen, in een goed en flexibel evenwicht tussen wat het werk vraagt en wat individueel wenselijk is.

Leidend, ook bij de planning moet zijn dat buurt –en wijkzorg geen sluitpost is;
integendeel het is onze “core-business” .
Het is de kern van onze organisatie en van ons werk. Ook in het Beleidsplan Nederlandse Politie, dat vlak voor de jaarwisseling verscheen, kiezen beide politieministers voor het uitbreiden van het concept van gebiedsgebonden politiezorg. Zij zullen erop toezien dat het concept aan het einde van deze kabinetsperiode in elke regio is ingevoerd.
Natuurlijk zijn we er nog niet met deze uitspraken. Maar laat helder zijn dat het "opwaarderen" van buurt –en wijkzorg tot de kern van onze organisatie en van ons werk mijn vast voornemen is en dat ik er alles aan zal doen dit ook in het korps over het voetlicht te krijgen.

Dit brengt mij tevens naar het tweede onderwerp dat ik graag onder uw aandacht zou willen brengen: Communicatie
Communicatie is een van de onderwerpen waar iedereen z’n mond van vol heeft, maar waar we kennelijk nog niet zoveel van “bakken”. Hoe komt dat?
We communiceren toch elke dag met elkaar.
We praten, bellen, mailen, schrijven brieven en communiceren ook non-verbaal.
En toch bestaat er in grote delen van het korps wrevel over het gebrek aan communicatie zoals dit ervaren wordt.
Dat blijkt uit mijn werkbezoeken en de informatie die ik van de OR ontvang, de verslagen van de diverse werkbesprekingen, maar vooral in de “wandelgangen”.

Ik denk dat we hier een wezenlijk punt te pakken hebben.

Wij kunnen met z’n allen nog zo’n mooi beleid afspreken, maar als er niet echt over gecommuniceerd wordt,
dat wil zeggen als er geen draagvlak voor gezocht èn gevonden wordt; als er onvoldoende helderheid over gegeven wordt, dan is elke visie, elk beleid gedoemd te mislukken. Het helpt niet om te zoeken naar een organisatorische, -een structuuroplossing.
De afdeling Communicatie, hoe goed deze afdeling ook z’n best doet, kan het werk van de echte communicatoren niet overnemen. De echte communicatoren in mijn ogen zijn chefs en medewerkers die bereid zijn naar elkaar te luisteren en die elkaar wat te vertellen hebben. Het is de verantwoordelijkheid van mij, als korpschef, dat ik zorg dat het geformuleerde beleid
-de kaders die met elkaar, korpsleiding, RMT, Ondernemingsraad, GO, Regionaal College zijn afgesproken-,
vertaald wordt in operationele en hanteerbare informatie. Alleen dan kunnen gemeenschappelijke beelden ontstaan over wat de bedoeling is.
Ik acht het mijn zorg dat de knelpunten, die op de werkvloer ervaren worden in wisselwerking met het beleid, opgepakt en opgelost worden op een zodanige wijze dat het voorgenomen beleid als realistisch wordt ervaren en goed uitgevoerd kan worden.
De afdeling Communicatie is niet verantwoordelijk voor de door mij bedoelde communicatie. De medewerkers van die afdeling leveren daarbij wél ondersteuning; zij leveren daarbij advies, faciliteiten en hulpmiddelen.
DE communicatie echter vindt plaats tussen medewerkers onderling; tussen chefs en medewerkers én medewerkers en chefs.
Dit laatste zeg ik bewust erbij om te duiden dat communicatie tweerichtingsverkeer moet zijn, interactief, en niet een uitsluitend hiërarchisch aangestuurd proces.
Het is natuurlijk onmogelijk over alles met iedereen te praten en het voorgenomen beleid van tevoren helemaal individueel te vertalen. Toch zullen wij als collega’s in het korps, medewerkers en leiding, wegen moeten vinden om op een of andere wijze dit wel te doen. Aan het begin van het nieuwe jaar heb ik als “goed voornemen” om elke organisatorische eenheid van het korps één dag per jaar te bezoeken en met de daar aanwezige collega’s van gedachten te wisselen over alle onderwerpen die zij graag willen behandelen.
Ook ik zal daarbij mijn onderwerpen inbrengen, maar ik zal vooral luisteren naar de reacties die ik krijg en naar de informatie die u aan mij wilt doorgeven. Ik hoop erg veel te leren van deze bezoeken en ik vertrouw erop dat het reilen en zeilen van het korps, zoals dat door velen beleefd wordt, op deze wijze bij mij over het voetlicht kan komen. De “wandelgangen” zijn, helaas, in het algemeen de beste informatiebron. Als het aan mij ligt zullen de “wandelgangen” mij in de toekomst geen nieuws meer brengen, maar heb ik de benodigde informatie al in een gesprek van de medewerkers persoonlijk gehoord, danwel is mij op andere wijze, via de lijnchefs, ter ore gekomen wat er speelt in de organisatie.

Overigens een goed voornemen voor allen zou kunnen zijn dat wij met elkaar gaan praten en niet (meer) zonder elkaar, over elkaar! Dan worden we een hechte, volwassen organisatie, waar wij trots op zijn om daarbij te kunnen en mogen werken.
Met andere woorden: dan zijn we een echt korps met een positief-kritische korpsgeest.
Dat zullen we hard nodig hebben.

Als korps moeten wij de komende tijd elkaar goed helpen en ondersteunen. Het beleidsplan Nederlandse Politie van de minister van Binnenlandse Zaken zal eisen aan de organisatie gaan stellen.
Eisen waar wij nog niet klaar voor zijn, maar die wel terecht aan ons gesteld zullen worden.
Dat is niet erg (het hoeft ook nog niet morgen zover te zijn) maar het zal onvermijdelijk op ons afkomen. Als het zover is, moeten wij geprepareerd zijn om antwoord te kunnen geven op de vragen die aan ons gesteld zullen worden.
Dit mede omdat de geleverde prestaties (die wij dus “zichtbaar” moeten maken) ook gebruikt zullen worden voor de toekenning van mensen en middelen.
Het onderzoek door externen naar onze werkprocessen en onze prestaties, de korpsaudit, is afgerond.
Wij zijn nog in afwachting van de uitslag daarvan, maar ik ben ervan overtuigd dat daar vele verbeterpunten in aangegeven zullen worden die wij als leidraad kunnen gebruiken om ons, het korps, voor te bereiden op de eisen die de minister van Binnenlandse Zaken ons gaat stellen.

Daar hebben wij, als korps, ruim voldoende kwaliteit voor. We moeten echter wel zorgen dat we als één korps verdergaan, dat we goed met elkaar praten en elkaar ook openhartig blijven informeren over de koers en de problemen bij de uitvoering van de koers. Met andere woorden wéér de echte communicatie.
Ik ben er van overtuigd dat wij dat kunnen. Het is mij de afgelopen maanden duidelijk gebleken dat het niet aan de inzet ligt van het korps, dat het niet aan de kwaliteit van de individuele medewerkers ligt.

“Echte” communicatie is voor mij het sleutelbegrip. Daarbij hoort óók dat je communiceert over de dingen die goed gegaan zijn.
Dat is verreweg het meeste, maar daarmee vertel ik u geen nieuws. De burgerij weet dit al lang en is nog steeds tevreden over de politie Drenthe.
Het feit dat als er eens iets niet goed is gegaan (en ook dat komt voor) en dat dat nieuwswaarde heeft, betekent dat het nog steeds uitzonderlijk is.
“Géén nieuws is goed nieuws” of anders gezegd: “Goed nieuws is géén nieuws”.

Ik wil afsluiten met een bijzonder verheugende ontwikkeling. In 1998 is de verjonging van de Regiopolitie Drenthe eindelijk stevig ingezet.
Het afgelopen jaar zijn ± 100 over het algemeen jonge tot zeer jonge collega’s, aangesteld.
De helft daarvan is nog in opleiding, zodat u daar effectief in de praktijk nog niet veel van merkt, de andere helft is reeds in het korps aangetreden.
Een situatie die Drenthe vele jaren niet gekend heeft en die zeker zal bijdragen tot een goede werksfeer. De gemiddelde leeftijd is dit kalenderjaar met 1,3 jaar gedaald tot 41,8 jaar.
Nog niet ideaal, maar we zijn op de goede weg.
En als u dan weet dat van de nieuwe instroom er 51% vrouw zijn, dan ziet u dat er hard aan gewerkt wordt het streefgetal van 25% vrouwen in de executieve dienst,te halen. Per 01-01-1998 waren er ± 10% vrouwen in executieve dienst incl. aspiranten. Nu, een jaar later, is dit percentage gestegen tot nagenoeg 13%.

Ik noemde de goede werksfeer als één van de allerbelangrijkste aspecten om te komen tot een goede prestatie.
Mensen moeten fluitend naar hun werk gaan én ook weer fluitend thuiskomen.
Als we in het komend jaar horen dat er meer gefloten wordt dan denk ik dat we op de goede weg zijn, want de rest volgt dan automatisch.

Ik sluit af met een groet aan al onze medewerkers en hun dierbaren die ziek zijn en ik hoop dat zij het komend jaar weer spoedig in ons midden kunnen zijn.

Dames en heren,
Ik wens u een heel goed en veilig 1999.
Ik dank u voor uw aandacht.

info@politie-drenthe.nl Politie Drenthe, voor een veilig en leefbaar Drenthe

Deel: ' Nieuwjaarsrede Korpschef Politie Drenthe '




Lees ook