Ministerie van Buitenlandse Zaken


Aan de Voorzitter van de Algemene

Commissie voor Europese Zaken van de

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Binnenhof 4

's-Gravenhage
Directie Integratie Europa

Bezuidenhoutseweg 67

Postbus 20061


2500 EB Den Haag

Datum 29 januari 1999
Kenmerk DIE-097/99
Blad /7
Bijlage(n) 1
Betreft Notitie over de stand van zaken m.b.t. Agenda 2000

Zeer geachte Voorzitter,

Conform het verzoek van de Griffier van de Algemene Commissie voor Europese Zaken, doe ik U hierbij toekomen een Notitie over de stand van zaken met betrekking tot Agenda 2000, ten behoeve van het Algemeen Overleg van 11 februari a.s.

DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN

_________________________________________________________________

AGENDA 2000

STAND VAN ONDERHANDELINGEN

Algemeen

De Europese Raad van Wenen heeft op 12 december jl. zijn voornemen bevestigd om tijdens de Europese Raad van 24/25 maart 1999, die in Berlijn zal worden gehouden, algehele overeenstemming te bereiken over het pakket Agenda 2000. Het Duitse voorzitterschap heeft daartoe een strak vergaderschema opgesteld:

Januari Februari

Ecofin Raad 18 Ecofin Raad 8

Landbouw Raad 18/19 Algemene Raad 22/23

Algemene Raad 25/26 Landbouw Raad 22/23

Speciale top 26

Maart

Ecofin Raad 15

Landbouw Raad 15/16

Algemene Raad 22/23

Europese Raad 24/25

Het Voorzitterschap heeft een zogenaamde 'negotiating box' op tafel gelegd, waarin de elementen van het pakket worden opgesomd. Deze box vormt de basisstructuur van het pakket besluiten dat op 24/25 maart moet vallen. Het Voorzitterschap zal voorts in de voorbereidende onderhandelingen non-papers met vragen aan delegaties over de verschillende onderdelen van het pakket op tafel leggen.

Na de speciale top van regeringsleiders en staatshoofden op 26 februari te Petersberg wil het Voorzitterschap niet meer over afzonderlijke onderdelen van Agenda 2000 onderhandelen, maar alleen over compromispakketten. Het Voorzitterschap zal dan ook in toenemende mate zijn toevlucht nemen tot bilaterale gesprekken met delegaties ('biechtstoel'), naast de gebruikelijke plenaire onderhandelingen.

Hieronder volgt een overzicht van de stand van de besprekingen tot dusver op de drie onderdelen van het pakket. Over de Nederlandse inzet ten aanzien van het pakket werd U ingelicht in de notities over Agenda
2000 van 3 november 1997, 3 april 1998 en 26 oktober 1998.
_________________________________________________________________

Financieel kader

Onder het Oostenrijks Voorzitterschap hebben zich bij de besprekingen over het toekomstig financieel kader twee ontwikkelingen voorgedaan. Ten eerste vindt het concept van reële stabilisatie van het uitgavenkader steeds meer ingang. Ten tweede accepteren steeds meer lidstaten en de Commissie dat de oplossing van de netto-lastenproblematiek een inherent onderdeel vormt van definitieve besluitvorming over Agenda 2000.

De eerste ontwikkeling wordt ingegeven door het gestaag groeiend aantal lidstaten dat de groei van de toekomstige uitgaven wil beperken; op dit moment gaat het om een achttal lidstaten. De voornaamste overwegingen hierbij zijn:


- de Europese Unie moet er voor zorgen dat er voldoende middelen aanwezig zijn voor de kosten van de uitbreiding;


- de noodzakelijke interne beleidshervormingen moeten door kunnen gaan;


- het nationale politieke en maatschappelijke draagvlak voor de Europese integratie moet gewaarborgd blijven;


- de ontwikkeling van de Uniebegroting moet een weerspiegeling zijn van de nationale budgettaire inspanningen in het kader van de Economische en Monetaire Unie.

De tweede ontwikkeling is mede het gevolg van een gerichte inzet van Nederland, Duitsland, Oostenrijk en Zweden om het netto-lastenprobleem onder de aandacht te brengen. Deze ontwikkeling wordt ook ondersteund door het Commissierapport over de werking van het Eigen-Middelenstelsel. Dit rapport, dat begin oktober 1998 is uitgekomen, heeft als grootste pluspunt dat voor het eerst door de Commissie de netto-lastenproblematiek erkend wordt. Bovendien blijkt uit dit rapport dat de Nederland de grootste netto-betaler is (in % BNP).

Onder Duits Voorzitterschap heeft tijdens de ECOFIN Raad van 18 januari een algemene gespreksronde plaatsgevonden, waar de lidstaten merendeels bekende standpunten verkondigden over de Financiële Perspectieven en de scheve lastenverdeling. Het valt toe te juichen dat het Voorzitterschap de besluitvorming over het pakket als geheel duidelijk in het kader van een strak financieel beheer plaatst. Beide onderwerpen, perspectieven en lastenverdeling, staan geagendeerd voor de ECOFIN Raad van 8 februari.

Hoewel de besluitvorming op hoofdpunten nog moet plaatsvinden, beginnen zich enkele contouren van een mogelijk eindresultaat af te tekenen.

Er bestaat weinig weerstand meer tegen het maximum voor het Eigen-Middelenplafond van 1,27 % van het EU-BNP.

De kosten voor de uitbreiding en de voorbereiding daarop (pre-accessie) zijn ook weinig omstreden. Het is zo goed als aanvaard dat deze kosten in de meerjarencijfers moeten worden afgeschermd van de voorziene middelen voor de huidige vijftien lidstaten ('ringfencing').

Zoals vermeld is er een meerderheid van lidstaten gegroeid die voorstander zijn van reële stabilisatie van de uitgaven voor de bestaande vijftien lidstaten op basis van het huidige uitgavenniveau. Reële stabilisatie begint aldus een steeds belangrijker uitgangspunt voor de uiteindelijke besluitvorming te worden.

Het probleem van de scheve lastenverdeling wordt tot slot door een toenemend aantal lidstaten en schoorvoetend door de Commissie erkend. Over de wijze waarop dit moet gebeuren zijn de lidstaten het nog lang niet eens. Zoals bekend zijn er verschillende manieren om de scheve lastenverdeling tegen te gaan:


- een groter aandeel van de uitgaven van de Unie doen toevallen aan de lidstaten die nu een onevenredige last dragen;


- de invoering van een generiek compensatiemechanisme (nettobegrenzer) waarin de compensatieregeling voor het Verenigd Koninkrijk is opgenomen;


- cofinanciering van de inkomenscompensaties in het GLB;


- de invoering van één BNP-middel ter vervanging van de huidige Eigen Middelen.

De meningen over de mogelijke opties voor de aanpak van de scheefgroei zijn nog sterk verdeeld tussen voor- en tegenstanders. Voor de genoemde opties zijn verschillende varianten mogelijk. De opties sluiten elkaar niet uit. Het eindpakket zal hoogstwaarschijnlijk een combinatie te zien geven.

Structuurfondsen.

Onder Oostenrijks Voorzitterschap hebben de besprekingen over de structuurfondsen zich met name gericht op het instrument voor de pre-accessiesteun en op de technische aspecten van de kaderverordening voor de structuurfondsen voor de EU-15 (programmering, financieel beheer, enz.). Bij de pre-toetredingssteun is duidelijke vooruitgang geboekt.

Voor de EU-15 ondersteunen de lidstaten het streven om het aantal doelstellingen in de volgende programmeringsperiode tot drie terug te brengen: twee regionale doelstellingen en een horizontale doelstelling gericht op het brede werkgelegenheidsgebied.

Bij de structuurfondsen gaat het uiteindelijk met name om de punten die samenhangen met het financiële kader: het totaalbeslag van de structuurfondsen, de verdeling over de lidstaten en het geprivilegieerd karakter. Daarover is tijdens het Oostenrijks Voorzitterschap louter in oriënterende zin gesproken; de lidstaten hebben hun posities terzake naar voren gebracht. Voor met name de zuidelijke lidstaten en Ierland geldt dat zij afwijzend staan tegenover elke teruggang in de hoogte van hun huidige aandeel.

De regering is zeer ontevreden over de 'technical note' van de Commissie met daarin een voorlopige verdeling van de middelen onder de drie doelstellingen. Daaruit valt af te leiden dat het Nederlandse aandeel in de fondsen, in vergelijking met de huidige periode, verder zou dalen. Kort gezegd is dit het gevolg van de relatief lage regionale ongelijkheid en de lage werkloosheid in Nederland. De regering heeft bij de Commissie ernstig bezwaar aangetekend tegen het feit dat Nederland onder de door de Commissie voorgestelde criteria beduidend minder dreigt te gaan ontvangen dan onder het huidige systeem. Hierop is ook een vervolgaktie ondernomen. De regering volgt de zaak nauwkeurig en onderneemt indien nodig verdere vervolgakties. Nederland wenst een aandeel dat vergelijkbaar is met dat van even welvarende lidstaten. Daartoe moet het aandeel van Nederland stijgen ten opzichte van het huidige aandeel.

Onder het Duitse Voorzitterschap wordt verder gesproken over de verdeling van de structuurfondsen onder de lidstaten en het beheer van de fondsen. In de Algemene Raad van 25 januari is overeenstemming bereikt over een ondergeschikt punt, de zogenaamde prestatiereserve. Op voorstel van de Commissie is afgesproken dat 4% van de beschikbare middelen opzijgezet wordt als bonus voor lidstaten die een goed beheer voeren van de fondsen. Nederland heeft hiermee ingestemd, maar erop gewezen dat de reserve onderdeel uitmaakt van een geheel van maatregelen om het beheer van de structuurfondsen te verbeteren.

De overige aspecten van het beheer van de structuurfondsen, het cohesiefonds en de voorbereiding van de besluitvorming over de verdeling zullen in de Algemene Raad van 22/23 februari aan de orde komen.

Besluiten over het totaalbedrag van de structuurfondsen voor de EU-15 in de periode 2000-2006, de verdeling over de lidstaten en het cohesiefonds worden pas aan het slot van de onderhandelingen verwacht.

Hervorming Gemeenschappelijk Landbouw Beleid.

Onder het Oostenrijkse Voorzitterschap is vooral gewerkt aan de technische bespreking van de verschillende ontwerpverordeningen. Op politiek niveau hielden de lidstaten nog vast aan hun uitgangsposities.

Met betrekking tot de hervorming van het Gemeenschappelijk Landbouw Beleid (GLB) is het Duitse Voorzitterschap voortvarend van start gegaan. In de eerste plaats is een intensief onderhandelingsproces op touw gezet binnen het kader van de Landbouw Raad om de uitstaande punten ten aanzien van de verschillende ontwerpverordeningen te bespreken. In de tweede plaats wordt zowel in de Landbouw Raad als in de Algemene Raad en de ECOFIN Raad door het Voorzitterschap veel werk verricht om zeker te stellen dat de hervorming van het GLB in samenhang met de overige onderdelen van Agenda 2000, in het bijzonder het financiële kader, plaatsvindt.

Bij de onderhandelingen in het kader van de Landbouw Raad ontstaat het beeld dat de steun voor de Commissievoorstellen gaandeweg gegroeid is. De Commissie toont zich dan ook vastbesloten vast te houden aan de hoofdlijnen van de hervormingen. Zij houdt vast aan haar standpunt dat de drie grote marktordeningen (akkerbouw, rundvlees en zuivel) hervormd moeten worden en verzet zich tegen pogingen van lidstaten om de voorgestelde prijsdalingen voor deze produkten te verkleinen.

De krachtigste tegenspeler van de Commissie op dit punt is Frankrijk, dat voorstelt om de zuivelhervorming te schrappen en de prijsdaling bij rundvlees te verkleinen. Voorts is Frankrijk voorstander van degressiviteit van de inkomenscompensaties. Duitsland zet eveneens in op geringere prijsdalingen. Voorts krijgt Frankrijk op onderdelen steun van andere lidstaten, waaronder België, Luxemburg, Oostenrijk en Ierland.

Anderzijds is er een groep landen (VK, Zweden, Denemarken, Italië) die pleit voor verdergaande hervormingen, met name in de zuivelsector.

Nederland bevindt zich in een middengroep, die de hoofdlijnen van de Commissievoorstellen volgt, maar van mening is dat de hervormingen binnen een reëel gestabiliseerd kader moeten plaatsvinden.

In de hier beschreven situatie, waarin de Commissie stevig vasthoudt aan haar voorstellen en belangrijke groepen lidstaten wijzigingen in verschillende richtingen voorstellen, valt nog moeilijk te voorspellen hoe het uiteindelijke compromis eruit zal zien.

De bredere besprekingen over de samenhang van de landbouwhervormingen met de overige onderdelen van Agenda 2000 leidden tot een uitspraak van de Algemene Raad van 25 januari dat het toekomstige niveau van de Financiële Perspectieven voor het GLB sterker diende aan te sluiten bij het werkelijke uitgavenniveau, en dat dit uitgavenniveau volgens verscheidene delegaties op zijn minst reëel gestabiliseerd diende te worden.

Een ongewijzigde uitvoering van de hervormingsvoorstellen van de Commissie zou leiden tot uitgaven die in de periode 2000-2006 ongeveer
2 tot 6 miljard euro hoger liggen dan het niveau van reële stabilisatie. Het Nederlandse standpunt is dat de hervormingen voortgang moeten vinden, doch binnen een reëel gestabiliseerd uitgavenkader.

Het Voorzitterschap streeft ernaar de discussie in de Landbouw Raad eind februari af te ronden. Besluitvorming over het gehele pakket Agenda 2000 zal plaatsvinden tijdens de Europese Raad van Berlijn van
24/25 maart.

Resumerend kan worden gesteld dat er rondom de hervorming van het GLB en de financiële implicaties ervan nog belangrijke onzekerheden zijn. Het staat vrijwel vast dat de oplossingsrichting van de Commissie (prijsverlagingen, gecompenseerd door directe inkomenssteun) zal worden gevolgd, maar de exacte omvang van de prijsverlagingen, alsmede de vormgeving van de directe inkomenssteun is nog in discussie.

Ten aanzien van het streven naar een strak budgettair kader voor het GLB, kan worden vastgesteld dat het vrijwel algemeen geaccepteerd lijkt te zijn dat het Financiële Perspectief, anders dan in het verleden steeds het geval was, op een duidelijk lager niveau dan het Landbouwrichtsnoer zal worden vastgesteld. Voorts is opmerkelijk dat de Commissievoorstellen voor het GLB thans als bovengrens voor het uiteindelijke compromis worden gezien, niet als startpunt voor een serie opwaartse bijstellingen.


*****

DIE TASK FORCE AGENDA 2000

Deel: ' Notitie BUZA over stand van zaken m.b.t. Agenda 2000 '




Lees ook