Ministerie van Financien

Titel: Eeffectieve belastingdruk op ondernemingen in Europa



Aan:

De Voorzitter van de vaste Commissie voor Financiën uit de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Postbus 20018

2500 EA Den Haag

Uw brief van/kenmerk

Ons kenmerk

Den Haag

21-99-Fin

AFP99/102 U

21 april 1999

Onderwerp

Onderzoeken naar de effectieve belastingdruk op ondernemingen in Europa

De vaste Commissie vraagt in haar brief om de beleidsconsequenties van de twee onderzoeken naar de effectieve belastingdruk op ondernemingen in Europa die in opdracht van het ministerie van Financiën zijn verricht. Ik verwijs voor het antwoord op deze vraag naar de bijgevoegde notitie.

Met betrekking tot de toegang van derden tot de uitkomsten van de twee onderzoeken kan ik u mededelen dat de rapporten via de website van het ministerie van Financiën te raadplegen zijn.

De Staatssecretaris van Financiën Beleidsconsequenties van de onderzoeken naar de effectieve belastingdruk in Europa

Historische context

De huidige discussie over schadelijke belastingconcurrentie staat niet op zich. Zij is onderdeel van een belastingpakket dat door de Ecofin-raad op 1 december 1997 is aangenomen1. Dit pakket is het eerste resultaat van discussies over de grenzen van Europees belastingbeleid die op gang zijn gekomen naar aanleiding van een plan van aanpak dat door Commissaris Monti werd gepresenteerd aan de informele Ecofin-raad van Verona in 1996. De groep belastingpolitiek, beter bekend als de Monti-groep, geldt als de motor achter deze discussies. In deze groep worden voor het eerst nieuwe ideeën over wenselijk Europees optreden op het belastingvlak besproken.

Hoewel het begrijpelijk is dat de discussie over schadelijke belastingconcurrentie (politiek) de meeste aandacht krijgt, moet derhalve niet worden vergeten dat het een onderdeel is van de bredere discussie over de toekomst van het Europese belastingbeleid. Deze discussie ligt niet stil en zal doorgaan nadat er een antwoord is gevonden op de vraag welke belastingmaatregelen schadelijke belastingconcurentie opleveren.

Reden achter verrichten onderzoeken

Verdere coördinatie op het terrein van de belastingheffing op ondernemingen zal op termijn wenselijk zijn. Zo zal door het wegnemen van de grootste verschillen tussen de lidstaten de mogelijkheden voor ondernemingen verminderen om via belastingarbitrage en het opzoeken van de witte vlekken tussen belastingsystemen2 op een soms ongewenste manier belastingheffing te voorkomen. Bovendien zal coördinatie bijdragen aan een grotere transparantie waardoor de administratieve lasten van ondernemingen zullen dalen en de concurrentiepositie van de EU in zijn geheel zal verbeteren. Om goed voorbereid deze discussie over de grenzen van het Europese fiscale beleid op het terrein van de belastingheffing op ondernemingen in te gaan, leek het mij raadzaam te beschikken over een uitvoerig vergelijkend onderzoek naar belastingheffing op ondernemingen in Europa en de daaruit vloeiende effectieve belastingdruk. Bovendien is dit in lijn met eerder verrichte verkenningen (zoals de Oriëntatienota fiscaal vestigingsklimaat3 en de Verkenning Belastingheffing in de 21e Eeuw4) waarbij

steeds aandacht is geschonken aan de internationale context van het Nederlandse belastingbeleid.

De gedragscode ter voorkoming van schadelijke belastingconcurrentie en de gedachtewisselingen in de gedragscode groep die belast is met de uitvoering van de gedragscode hebben bijgedragen aan de behoefte tot een beter inzicht in de belastingheffing in de lidstaten en de bestaande fiscale faciliteit voor bepaalde economische activiteiten. Dit vanuit de doelstelling dat vergelijkbare fiscale maatregelen van de lidstaten dezelfde behandeling krijgen. Het kan immers niet zo zijn dat maatregelen van de ene lidstaat worden verboden en dat daarna de onderneming slechts zijn activiteiten hoeft te verplaatsen om in een andere lidstaat van vergelijkbare maatregelen te genieten. Om deze doelstelling te kunnen verwezenlijken is om te beginnen een goed inzicht in de vennootschapsbelastingstelsels van andere lidstaten noodzakelijk. Van de kant van Nederland is tijdens het werk in de gedragscode groep aangedrongen op een duidelijke crosscountry review waarbij wordt bekeken welke fiscale behandeling een bepaalde activiteit in de lidstaten krijgt.

Uitkomsten van de onderzoeken

Voor beide doeleinden geven de twee onderzoeken inzicht. Zo blijkt dat Nederland op Europese schaal gemiddeld scoort met de effectieve vennootschapsbelastingdruk. Daarnaast kan op basis van de onderzoeken worden geconcludeerd dat bijna alle lidstaten fiscale maatregelen inzetten ter stimulering van bepaalde economische activiteiten. De lidstaten worstelen met dezelfde economische problemen maar komen op het terrein van het belastingbeleid vaak met verschillende oplossingen. Dit versterkt de bestaande grote verschillen tussen de systemen van belastingheffing op ondernemingen in de lidstaten. Dit blijkt alleen al uit de omvang van de verrichte onderzoeken die deze verschillen in systemen beschrijven. De discussie over schadelijke belastingconcurrentie is derhalve complexer en minder zwart-wit dan soms wordt beweerd. De onderzoeken ondersteunen de conclusie dat binnen de EU een discussie louter op basis van de gedragscode onevenwichtig is en dat daarmee dan ook niet kan worden volstaan. Bovendien onderstrepen de uitkomsten het gevoerde fiscale beleid en de voorgenomen belastingherziening waarbij de lastendruk op arbeid wordt verlaagd en de gezamenlijke belastingdruk van de vennootschapsbelasting en de inkomstenbelasting op aandelen meer in overeenstemming wordt gebracht met de vergelijkbare belastingdruk in andere lidstaten.

Nederland vindt het noodzakelijk dat de discussie over belastingconcurrentie wordt verbreed door de effectieve belastingdruk erbij te betrekken. Deze noodzaak is thans door de inzet van Nederland terzake zowel door de Commissie als door andere lidstaten onderkend. In de Verkenning Belastingheffing in de 21e Eeuw is reeds kenbaar gemaakt dat Nederland echter geen volledige harmonisatie van de belastingheffing nastreeft (zie § 2.4.3). Het eigen fiscale beleid is en blijft van groot belang voor het realiseren van doelstellingen op het terrein van het inkomensbeleid, de ontwikkeling van de economie en werkgelegenheid en het milieu. Dit neemt niet weg dat louter nationale oplossingen voor belangrijke knelpunten op het terrein van de belastingheffing niet beschikbaar zijn of niet optimaal werken. Zo kan er aanleiding zijn voor vormen van beleidscoördinatie binnen de EU in het geval van: * Belastingheffing met het oog op gedragsregulering bij grensoverschrijdende dan wel nationale (milieu)problemen.

Hoewel dit in beginsel een nationale afweging is, kan er niettemin behoefte zijn aan Europese regelgeving doordat de nationale beleidsruimte is verkrapt als gevolg van bijvoorbeeld grenshandel of de mobiliteit van kapitaal.

* Systeemverschillen die het functioneren van de interne markt belemmeren.

Een optimale werking van de interne markt is niet verzekerd zolang systeemverschillen zorgen voor intransparantie of de mogelijkheid van dubbele belastingheffing.

* Fiscale staatssteun of schadelijke belastingconcurrentie.

Hierbij kan verwezen worden naar het reeds bestaande Europese staatssteunbeleid en de gedragscode ter voorkoming van schadelijke belastingconcurrentie. * Belastingontwijking en -ontduiking als gevolg van mobiele belastinggrondslagen.

Mobiele belastinggrondslagen (bijv. kapitaal) kunnen optimaal gebruik maken van de witte vlekken tussen belastingsystemen bij de vormgeving van de fiscale structuur. Een grote rol hierbij speelt de mogelijkheid om economische activiteit en belastinggrondslag te ontkoppelen waardoor geen belastingheffing wordt betaald in het land waar de activiteit wordt uitgeoefend maar in het land met de laagste (of geen) belastingdruk.

Deel: ' Notitie Effectieve belastingdruk op ondernemingen Europa '




Lees ook