Ministerie van Buitenlandse Zaken


Aan de Voorzitter van de Vaste Commissie

voor Buitenlandse Zaken van de

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Plein 2

's-Gravenhage

Directie Veiligheidsbeleid

Afdeling Veiligheids- en Defensiebeleid

Bezuidenhoutseweg 67

Postbus 20061


2500 EB Den Haag

Datum 10 maart 1999
Kenmerk DVB/VD-116/99
Blad /8
Bijlage(n) 3
Betreft Europese veiligheid en defensie
C.c.

Zeer geachte Voorzitter,

In antwoord op het verzoek van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken van 15 februari, waarin werd verzocht om nadere uitvoerige informatie over de Brits-Franse voorstellen inzake de ontwikkeling van een Europese veiligheidsidentiteit en de visie van de Nederlandse regering daarop, om informatie over de wijze waarop de regering uitvoering zal geven aan de motie Verhagen/Hoekema en voorts om een uitvoerige standpuntbepaling van de regering over de ontwikkeling van een Europees defensiebeleid, hebben wij de eer U onderstaande notitie te doen toekomen.

Tevens zenden wij U bijgaand kopie van de tekst van de toespraak welke eerste ondertekenaar dezes heden zal geven op uitnodiging van het Nederlands Genootschap voor Internationale Zaken. Deze toespraak gaat eveneens in op de ontwikkeling van een Europese Veiligheids- en Defensie Identiteit (EVDI) en daarmee samenhangende vragen.

Tenslotte zenden wij u bijgaand (Engelstalige) kopie van de toespraak welke de Britse Minister-President gisteren, 8 maart, gaf in Londen over dezelfde materie en die de laatste stand weergeeft van de positie van de Britse regering over dit onderwerp, een en ander in het perspectief van -met name- de aanstaande NAVO-top in Washington.

Inleiding

De ontwikkeling van een Europese veiligheids- en defensieidentiteit is de afgelopen maanden hoger op de internationale agenda gekomen. De directe aanleiding daarvoor was de gewijzigde opstelling van het Verenigd Koninkrijk inzake deze materie. Met name het teleurstellende optreden van de Europese landen in het voormalig Joegoslavië heeft het VK tot de overtuiging gebracht dat Europa ook op veiligheidsgebied een grotere verantwoordelijkheid moet kunnen dragen. Het is daarbij noodzakelijk dat ten behoeve van crisisbeheersing behalve politieke, economische en diplomatieke middelen ook de mogelijkheid voor militair optreden wordt gecreëerd.

Omdat de achtergrond van dit debat verder terug reikt, wordt eerst in vogelvlucht een overzicht gegeven van de ontwikkelingen. Daarna wordt nader ingegaan op de stand van zaken op dit moment en op de Nederlandse positie terzake.

Achtergrond

Op dit moment wordt het veiligheids- en defensiebeleid binnen verschillende organisaties vormgegeven, in het bijzonder in de EU, de WEU en de NAVO.

EU

In het Verdrag van Amsterdam is een aantal bepalingen opgenomen over de geleidelijke ontwikkeling van een gemeenschappelijk defensiebeleid:


- de Europese Raad zet richtlijnen uit voor het Gemeenschappelijk Buitenlands- en Veiligheidsbeleid (GBVB), ook voor aangelegenheden met gevolgen op defensiegebied,


- in die gevallen waarin de EU zich bedient van de WEU gelden de richtlijnen van de Europese Raad rechtstreeks voor de WEU,


- het GBVB omvat alle zaken met betrekking tot de veiligheid van de EU, o.a. de geleidelijke vormgeving van een gemeenschappelijk defensiebeleid. Dit kan leiden tot een gemeenschappelijke defensie, indien de ER daartoe besluit,


- de WEU is een integraal onderdeel van de ontwikkeling van de EU en voorziet de EU van toegang tot een operationele capaciteit, met name op het gebied van de Petersbergtaken (humanitaire en reddingsopdrachten, vredeshandhavingsopdrachten en opdrachten van strijdkrachten op het gebied van crisisbeheersing, met inbegrip van het tot stand brengen van vrede),


- binnen een jaar na ratificatie van het Verdrag van Amsterdam moet de EU samen met de WEU regelingen hebben getroffen voor verbeterde samenwerking tussen de EU en de WEU,


- in de nieuw te vormen Eenheid voor Beleidsvorming en Vroegtijdige Waarschuwing (EBVW) die onder de leiding zal staan van de Hoge Vertegenwoordiger voor het GBVB, zal ook een functionaris van de WEU zitting hebben (waarschijnlijk van de WEU Militaire Staf).

Inmiddels heeft de nauwere samenwerking tussen de EU en de WEU enkele resultaten opgeleverd:


- het voorzitterschap van de WEU en de EU valt sinds 1999 zoveel mogelijk samen


- in geval van een WEU-operatie op verzoek van de EU kunnen de EU-leden die geen vol WEU-lid zijn toch op gelijkwaardige wijze deelnemen aan de besluitvorming in de WEU.

De Europese Raad te Wenen heeft in december 1998 aan Duitsland in zijn hoedanigheid van EU- en WEU-voorzitter gevraagd ervoor zorg te dragen dat de regelingen voor verbeterde samenwerking tussen de EU en de WEU gelijktijdig met het Verdrag van Amsterdam in werking kunnen treden. Hierbij moet onder meer worden gedacht aan vertegenwoordiging van de EU en de WEU bij elkaars vergaderingen, uitwisselingen van personeel en een betere informatie-uitwisseling tussen beide organisaties.

WEU

Zolang nog geen sprake is van de door de regering nagestreefde integratie van de WEU in de EU, zulks overeenkomstig de strekking van de motie Verhagen/Hoekema, functioneert de WEU als het scharnier tussen de EU en de NAVO. De afgelopen jaren is de WEU in toenemende mate geoperationaliseerd. Er is een Planningcel, een satellietcentrum met de capaciteit om satellietbeelden te interpreteren, een situatiecentrum dat in geval van een crisis 24 uur per dag informatie kan vergaren, en een Militair Comité, bestaande uit de Chefs Defensiestaven van de WEU-leden. Er is daarbij voor gewaakt geen duplicerende structuur op te bouwen naast die van de NAVO. De omvang van de genoemde WEU-organen is dan ook bescheiden gebleven.

NAVO

Het begrip Europese veiligheids- en defensie identiteit (EVDI) kreeg concrete betekenis op de NAVO-Top te Brussel in 1994. Toen werd tegen de achtergrond van de totstandkoming op 1 november 1993 van de Europese Unie (inwerkingtreding van het Verdrag van Maastricht) door de NAVO steun uitgesproken voor de versterking van de Europese pijler binnen de NAVO. Er werd vastgelegd dat de NAVO in principe de bereidheid had middelen beschikbaar te stellen ten behoeve van WEU-operaties die door de Europese Bondgenoten zouden worden ondernomen in het kader van hun streven naar een Gemeenschappelijk Buitenlands- en Veiligheidsbeleid (GBVB). Ook op latere WEU- en NAVO-Ministeriële vergaderingen (Birmingham, Berlijn en Brussel, allen in 1996) heeft de vormgeving van EVDI centraal gestaan. Met name de NAVO-Ministeriële in Berlijn, in juni 1996, is van belang omdat daar werd bevestigd dat de EVDI zich binnen de NAVO verder zou ontwikkelen. Zo herhaalde de NAVO dat de WEU in principe gebruik kan maken van NAVO-middelen en capaciteiten (o.a. planningsstaven en commandostructuren). Nadere afspraken over het gebruik door de WEU van NAVO-middelen- en capaciteiten bij een operatie die door de WEUwordt geleid, zullen hoogstwaarschijnlijk op de NAVO-Top te Washington in april a.s. worden bekrachtigd.

Britse ideeën en St. Malo

Zoals in de inleiding reeds werd aangegeven, bleek in oktober 1998 dat de Britse positie evolueerde. Op de informele Europese Raad te Poertschach gaf de Britse Premier Blair aan dat een Europees vermogen om te kunnen optreden in crises op dit moment onvoldoende aanwezig was en diende te worden ontwikkeld. De Europese Unie diende met het oog hierop van een defensie-capaciteit te worden voorzien. Als mogelijkheden noemde premier Blair onder meer een opsplitsing van de WEU in een politiek deel dat naar de EU zou worden overgeheveld, en een militair deel dat naar de NAVO zou overgaan. Een andere optie was de WEU in haar geheel in de EU te doen opgaan. Behalve de duidelijke uitspraak dat de EU tot militair optreden in staat zou moeten zijn, was er overigens niet werkelijk sprake van uitgewerkte 'Britse voorstellen' op dit vlak.

Vervolgens heeft op 4 december 1998 het VK samen met Frankrijk de Verklaring van St. Malo uitgegeven (voor de goede orde gaat deze Verklaring U nogmaals toe). Deze Verklaring vormde het eerste concrete resultaat van het hernieuwde debat over Europese defensie. In de Verklaring wordt bevestigd dat de EU haar rol op het wereldtoneel moet kunnen spelen. Het GBVB moet op basis van het Verdrag van Amsterdam verder worden opgebouwd en er moet een gemeenschappelijk defensiebeleid worden ontwikkeld. De EU dient te worden voorzien van een capaciteit om autonoom operaties uit te kunnen voeren. Dit betekent enerzijds toegang tot NAVO-middelen en -capaciteiten en anderzijds het opbouwen van een eigen capaciteit in de EU voor inlichtingen, analyse daarvan, en strategische planning, waarbij de huidige WEU-capaciteit relevant is. De NAVO blijft de aangewezen organisatie voor collectieve defensie, zoals ook thans het geval is.

De Europese Raad te Wenen in december j.l. toonde zich ingenomen met de impuls die aan de discussie over het gemeenschappelijk Europees beleid inzake veiligheid en defensie is gegeven en met de Verklaring van St. Malo. Naar inzicht van de regering sluit deze Verklaring goed aan op hetgeen in de motie Verhagen/Hoekema werd bepleit. Het voornemen van de WEU om de voor Europese operaties beschikbare middelen te inventariseren werd begroet en Duitsland werd als aankomend EU-voorzitter gevraagd het debat voort te zetten.

De politieke reactie van de Verenigde Staten is tot nu toe overwegend positief. Mevrouw Albright formuleerde in dit verband "de drie d's": "no duplication, no discrimination, no decoupling", dat wil zeggen geen duplicatie van een Europese structuur naast de NAVO-structuur, geen discriminatie van de Europese landen die wel lid van de NAVO zijn maar niet van de EU en geen loskoppeling van de VS enEuropa op het veiligheidsterrein.

De bijgevoegde toespraak van Minister-President Blair bevestigt dat het VK thans concreet, en op defensieterrein, vorm wil geven aan vergroting van de geloofwaardigheid van het GBVB. Deze inzet wordt door de regering gedeeld, zoals ook blijkt uit bijgevoegde toespraak van Minister Van Aartsen.

Nederlandse positie

In de visie van de Regering vertaalt het economische potentieel van de EU zich onvoldoende in buitenlandspolitieke invloed. De Unie is een economische reus maar een politieke dwerg. Europa moet zijn eigen verantwoordelijkheid kunnen dragen, met name ook op het gebied van crisisbeheersing. Nu de Fransen bereid zijn gebleken tot militaire samenwerking in de NAVO en de Britten een Europese defensie niet langer tot taboe verklaren, breken daarvoor ook de mogelijkheden aan.

Tegelijkertijd kan op die manier de onevenwichtigheid in de transatlantische verhouding worden verminderd. Dat komt ook de NAVO ten goede.

De regering draagt actief bij aan de discussie over dit onderwerp. Het doel dat de regering daarbij voor ogen staat is de EU het vermogen te verschaffen voor de uitvoering van de Petersbergtaken, zoals verwoord in het Verdrag van Amsterdam. Dit kunnen vredesoperaties zijn zoals die momenteel in voormalig Joegoslavië plaatsvinden. Daarbij moeten de volgende politieke, politiek-militaire en militaire doeleinden in het oog worden gehouden.

Politieke doeleinden


1. De ontwikkeling van het Europees defensiebeleid is onlosmakelijk verbonden met de voortdurende verdere ontwikkeling en versterking van het Gemeenschappelijk Buitenlands- en Veiligheidsbeleid (GBVB). Met de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam zullen enkele nieuwe stappen worden gezet die in het Verdrag zijn voorzien om het GBVB slagvaardiger te maken, zoals de aanstelling van een Hoge Vertegenwoordiger voor het GBVB, en de oprichting van een Eenheid voor Beleidsplanning en Vroegtijdige Waarschuwing. De Eenheid heeft onder meer tot taak ontwikkelingen te volgen en te analyseren die relevant zijn voor het GBVB. Ook personeel van de WEU wordt bij deze Eenheid gestationeerd.

De Hoge Vertegenwoordiger zou in de visie van de regering voorzitter moeten zijn van het Politiek Comité, dat mede de Algemene Raad van de Ministers van Buitenlandse Zaken voorbereidt en een personele unie moeten vormen met de Secretaris-Generaal van de WEU.

De politieke aansturing voor militaire operaties door de Europese Unie berust bij de raad van ministers van Buitenlandse Zaken en van Defensie.

Het GBVB zal eveneens verder kunnen worden versterkt door het instrument van de gemeenschappelijke strategieën, dat door het Verdrag van Amsterdam in het leven is geroepen. Met behulp van deze strategieën kan coherentie tussen de politieke, economische en militaire aspecten van het Europese beleid worden bereikt. Deze gemeenschappelijke strategieën zullen deel uit moeten maken van een breder Europees veiligheidsbeleid. De Europese Unie zou naar Nederlandse visie op basis van het Strategisch Concept van de NAVO een gemeenschappelijk veiligheidsconcept moeten ontwikkelen. De meerwaarde van EVDI ligt immers in het feit dat het beleid van de Europese Unie al deze aspecten omvat.


2. Doelstelling van de Nederlandse regering is de ontwikkeling van het Europees vermogen tot uitvoeren van vredesoperaties. Opzet van een Europees vermogen tot zelfverdediging is niet aan de orde. Daarvoor dient de NAVO. Uiteraard dragen de Europese NAVO-leden daaraan ten volle bij.


3. Het doel van het opzetten van een Europees militair-operationeel vermogen is een evenwichtige Europese bijdrage te kunnen leveren aan de operaties die door de NAVO worden uitgevoerd, en zonodig zonder de VS te kunnen optreden. Samenwerking met de VS ook op het gebied van veiligheid en defensie blijft essentieel. Een te grote afhankelijkheid van de VS is echter niet wenselijk nu de Europese Unie steeds vaker wordt geconfronteerd met spanningen en conflicten in haar directe omgeving. Voor de aanpak van deze conflicten moet Europa in staat zijn zelf verantwoordelijkheid te dragen. Een versterkt GBVB moet kunnen steunen op een Europees militair vermogen, dat zich kenmerkt door flexibiliteit, mobiliteit, goede uitrusting en goede training.


4. Het is belangrijk dat de geassocieerde WEU-leden Turkije, Noorwegen en IJsland en binnenkort ook Hongarije, Polen en Tsjechië zo goed mogelijk worden betrokken bij het EU-defensiebeleid. Wellicht kunnen deze landen bij het defensiebeleid van de EU worden betrokken naar analogie van de manier waarop Noorwegen en IJsland betrokken zijn bij het Verdrag van Schengen. Een recente informele WEU-vergadering geeft overigens hoop dat ook op dit punt consensus bereikt kan worden.

Politiek-militaire doeleinden

De Europese Unie zal rechtstreeks moeten beschikken over een politiek-militaire ondersteuning voor de besluitvorming over en de aansturing van militaire operaties. Dit zou kunnen betekenen dat de organen die de WEU de afgelopen jaren heeft gecreëerd, te weten de Planningcel, het situatiecentrum, het satellietcentrum, het Militaire Comité en de politiek-militaire groep in de EU worden ondergebracht.

In de hierboven beschreven opzet is een rechtstreekse band tussen de EU en de NAVO onontbeerlijk, omdat de eventuele militaire operatie die door de NAVO wordt uitgevoerd naadloos moet kunnen aansluiten bij de politieke besluitvormingin de EU. Nederland is overigens ook op dit moment reeds voorstander van informeel overleg tussen de EU en de NAVO.

Realisatie van deze politiek-militaire doeleinden sluit tenslotte aan op de (in het Verdrag van Amsterdam vastgelegde) lijn op zeker moment een Europees defensiebeleid te kunnen gaan voeren.

Militaire doeleinden

De militaire planning in de Europese Unie zou zich dienen te beperken tot de zgn. "strategische planning". Voor meer gedetailleerde planning en de operationele planning voor een concrete operatie zou de Unie een beroep moeten kunnen doen op de NAVO, die daarvoor over omvangrijke staven beschikt. Dit betekent dat de EU te allen tijde gebruik moet kunnen maken van de militaire planningscapaciteit van de NAVO. De Europese Unie moet wel in staat zijn zich een verantwoord en onderbouwd eigen oordeel te vormen over de operationele plannen. Deze werkverdeling voorkomt onnodige en kostbare duplicatie van activiteiten.

Eenzelfde werkwijze zou kunnen worden gevolgd bij de verzameling van inlichtingen.

Indien de Europese Unie onder alle omstandigheden gebruik moet kunnen maken van adequate militaire middelen dan zal een vergaande beginselbereidheid van de VS moeten worden verkregen om collectieve NAVO-middelen ter beschikking te stellen voor een Europese operatie. Zelfs kan gedacht worden aan het gebruik van de aan NAVO toegewezen nationale Amerikaanse middelen. Dit is thans onderwerp van overleg.

De Europese Unie dient naar de mening van de regering niet te beschikken over een eigen, staande commandostructuur. De WEU kent 'Forces Answerable to WEU (FAWEU), dat wil zeggen strijdkrachten die in beginsel gebruikt kunnen worden voor een WEU-operatie. Dat zijn vaak eenheden die ook zijn toegewezen aan de NAVO. Voor de commandovoering zal de WEU nu, en in de toekomst de EU, gebruik maken van bestaande (multi)nationale hoofdkwartieren. Momenteel wordt een inventarisatie gemaakt van hoofdkwartieren die voor WEU-operaties beschikbaar zijn. Van bijzonder belang zijn de hoofdkwartieren die leiding kunnen geven aan eenheden uit verschillende landen en van meerdere krijgsmachtdelen. Het is van groot belang flexibel gebruik te maken van de bestaande NAVO-commando-structuur en zo de vorming van een parallelle structuur voor louter Europese doeleinden te voorkomen. _________________________________________________________________

Slot

In zowel EU, WEU als NAVO wordt over Europese defensie gesproken maar nog niet op basis van concrete tekstvoorstellen. Veel overleg vindt op bilaterale basis plaats; de Fransen en Britten overleggen intensief en het Duitse EU- en WEU-voorzitterschap overlegt eveneens bilateraal met verschillende lidstaten. In deze fora liggen nog geen teksten ter tafel. Er is inmiddels in zowel de EU als de WEU consensus gebleken ten aanzien van de onderstaande uitgangspunten.


* Het GBVB moet verder worden ontwikkeld en versterkt


* De EU moet een grotere rol spelen op het gebied van veiligheid en defensie


* Europees militair optreden blijft beperkt tot de Petersbergtaken


* Europees defensievermogen moet aanvullend zijn op dat van de NAVO. De NAVO blijft de basis voor collectieve verdediging


* Transparantie is geboden in de discussie jegens de VS en overige Europese NAVO-bondgenoten die geen EU-lid zijn: Noorwegen, IJsland en Turkije (en binnenkort ook Polen, Hongarije en Tsjechie)


* De discussie moet niet beginnen bij de institutionele structuur maar gericht zijn op de doelstellingen van een Europese defensie.

De regering onderschrijft deze uitgangspunten. Waar het om gaat is dat binnen het bredere Atlantische verband een grotere Europese inbreng en verantwoordelijkheid tot stand wordt gebracht. De regering zal zich de komende periode verder inzetten voor een ook voor Nederland bevredigende uitkomst van het overleg in de verschillende internationale fora, zoals de NAVO-Top te Washington (april), de Ministeriële Raad van de WEU (mei), en de Algemene Raad en de Europese Raad te Keulen (juni).

De Minister van Buitenlandse Zaken De Minister van Defensie

J.J. van Aartsen F.H.G. de Grave

Deel: ' Notitie Europese veiligheid en defensie '




Lees ook