ministerie van sociale zaken en werkgelegenheid

c o n c e p t

nadere uitwerking van een onderdeel van de structuur uitvoering werk en inkomen ten behoeve van consultatiegesprekken

1 naar een nieuwe uitvoeringsorganisatie voor de sociale zekerheid in deze notitie worden de hoofdlijnen geschetst van het nadere kabinetsstandpunt over de toekomstige structuur uitvoering werk en inkomen. op een aantal terreinen worden de voorstellen zoals die zijn gedaan in de suwi-nota van maart 1999, en waarvoor in juni in de tweede kamer brede steun bleek te bestaan, gehandhaafd en nader uitgewerkt. het gaat hier om de spoedige inrichting van de centra voor werk en inkomen, om de taken van gemeenten, om de verdergaande marktwerking op het terrein van de reïntegratie en om de privatisering van het reïntegratiedeel van arbeidsvoorziening.

op enkele essentiële onderdelen echter, hebben het commentaar vanuit de uitvoeringsinstellingen en de kritiek van de kamer, geleid tot ingrijpende aanpassingen van de voorstellen. dit geldt in het bijzonder voor de verdeling van de verantwoordelijkheden tussen het publieke en het private domein en de direct daarmee samenhangende kwesties van het waarborgen van een werkelijk onafhankelijke claimbeoordeling en van de mogelijkheden voor beleidsmatige aansturing in de uitvoering van de sociale verzekeringen.

de vernieuwing van de uitvoeringsorganisatie is te zien als het sluitstuk van het langlopende proces van hervormingen in onze sociale zekerheid dat is gestart na de parlementaire enquête buurmeijer in 1993. dit unaniem door de kamer onderschreven rapport formuleerde vier uitgangspunten voor een modern en duurzaam stelsel van sociale zekerheid: activering (preventie en reïntegratie), regionale uitvoering, geen invloed van werkgevers en werknemers op de individuele gevalsbehandeling en onafhankelijk toezicht.

de afgelopen jaren is veel van het gedachtengoed van de commissie buurmeijer verwezenlijkt. in de organisatiewet sociale verzekeringen van 1995 is een scheiding aangebracht tussen beleid en uitvoering en is een onafhankelijk toezicht tot stand gekomen. verder worden nu langs een veelheid van wegen werkgevers financieel geprikkeld om de instroom van werknemers in ziekte en arbeidsongeschiktheid te doen verminderen, de arbeidsomstandigheden te verbeteren en de uitstroom uit de sociale verzekeringen te bevorderen. voorbeelden van deze maatregelen zijn de nieuwe ziektewet (wulbz), de nieuwe arbeidsomstandighedenwet, de premiedifferentiatie in de wao (pemba), en de wet op de reïntegratie arbeidsgehandicapten.

de nieuwe ordening van de uitvoering van de werknemersverzekeringen is een zeer gecompliceerd deel van het hervormingsproces gebleken, door de veelheid van partijen en belangen die in het geding zijn. in de organisatiewet sociale verzekeringen 1997 (osv 1997) werd het opdrachtgeverschap voor de uitvoering van de werknemersverzekeringen overgeheveld van de sociale partners naar het lisv. daarbij bleef de vraag openstaan in hoeverre marktwerking en concurrentie in de uitvoering mogelijk en wenselijk is, onder de randvoorwaarden dat beleidsmatige aansturing mogelijk blijft en de aanspraken van verzekerden te allen tijden tot hun recht komen en niet blootstaan aan commerciële invloeden. deze vraag moet door het huidige kabinet beantwoord worden.

in het regeerakkoord 1998 is daartoe een modus neergelegd waarin de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de werknemersverzekeringen werd verdeeld over publieke en private instanties. dit concept is vervolgens uitgewerkt in de suwi-nota van maart 1999.

in de suwi-nota werd het spanningsveld tussen concurrentie aan de ene kant en publieke waarborgen aan de andere kant duidelijk zichtbaar. reële concurrentie vraagt om zo weinig mogelijk belemmeringen voor het verrichten van taken en voor toetreding tot de markt. tegelijk werd duidelijk dat met name de beoordeling van het recht op een uitkering (claimbeoordeling) en de handhaving en opsporing in het kader van de premie-inning werkzaamheden bevatten die naar hun aard publiek bepaald zijn en die geheel los dienen te staan van commerciële belangen en invloeden.

het kabinet koos daarom in de suwi-nota voor een deels publieke en deels private uitvoering van de in de wet neergelegde publieke taken. daarbij realiseerde het kabinet zich dat dit gevolgen zou hebben voor de werkprocessen en tot personele verschuivingen zou leiden. om deze gevolgen tot het uiterste te beperken werd, zoals bekend, gekozen voor het zogenoemde loodsmodel. in dit model wordt de claimbeoordeling verricht door medewerkers van de publieke centra voor werk in inkomen, maar vindt de feitelijke uitvoering van de beoordeling plaats bij de private uitvoeringsinstellingen.

over de suwi-nota is in de tweede kamer een indringend debat gevoerd. daarbij kwam een groot aantal knelpunten aan de orde. geconstateerd werd dat de voorgestelde verdeling van de verantwoordelijkheid leidt tot ‘knips’ in de individuele gevalsbehandeling en daardoor tot een zeer groot aantal extra overdrachtsmomenten. behalve dat dit leidt tot meer bureaucratie, afnemende klantvriendelijkheid en hogere uitvoeringskosten, komt daardoor ook de beheersbaarheid van het gehele uitvoeringsproces in het geding. ook in het loodsmodel, zo bleek, moeten ingrijpende en kostbare reorganisaties plaatsvinden. het leggen van de verantwoordelijkheid voor de claimbeoordeling bij de centra voor werk en inkomen zal leiden tot veel grotere personele verschuivingen dan aanvankelijk voorzien.

de hybride verdeling van de verantwoordelijkheid bleek nog meer bezwaren op te roepen. het uitvoeringsproces wordt niet transparant. cliënten die het oneens zijn met besluiten, moeten bij twee organisaties bezwaar en beroep aantekenen. en verder maakt de verdeling van samenhangende taken over cwi’s en uitvoeringsinstellingen het uitoefenen van toezicht en gerichte beleidsmatige aansturing zeer problematisch.

tenslotte kleeft aan de uitvoering van werknemersverzekeringen door commerciële partijen het risico dat persoonsgegevens voor andere doeleinden worden gebruikt dan waarvoor ze zijn verkregen. dat vraagt om uitgebreide regelingen voor bescherming van de privacy, die echter de beoogde marktwerking weer kunnen belemmeren.

2 alternatieve modellen
de kritiek is voor het kabinet aanleiding geweest voor een fundamentele heroverweging van de voorgestelde toedeling van verantwoordelijkheden in de uitvoering van de werknemersverzekeringen. daarbij staat het voor het kabinet vast dat de huidige structuur niet lang meer kan blijven bestaan. de huidige situatie - die een overgangsfase is - kenmerkt zich door vele schijven en (bestuurs)lagen en door allerlei beperkingen die aan uitvoeringsinstellingen worden gesteld. dat maakt dat er momenteel noch sprake is van reële concurrentie in een marktomgeving, noch van goede mogelijkheden voor beleidsmatige aansturing.

de afgelopen maanden heeft een verkenning en afweging plaatsgevonden van een vijftal alternatieve modellen die alle in meer of mindere mate afwijken van het concept in het regeerakkoord 1998, dat in de suwi-nota van maart is uitgewerkt. daarbij is zowel in de richting gezocht van meer publieke modellen als in de richting van meer private modellen, onder de randvoorwaarde dat een objectieve en publiek bepaalde claimbeoordeling te allen tijde gewaarborgd moet zijn.

gegeven deze randvoorwaarde is een tweetal private modellen onderzocht. in het eerste alternatief wordt de feitelijke uitvoering van de claimbeoordeling bij private uitvoeringsinstellingen gelegd, maar wordt de objectiviteit van die beoordeling steekproefsgewijs getoetst en zo nodig gecorrigeerd door een publieke instantie, het landelijk instituut voor werk en inkomen (liwi). dit is het ‘goedkeuringsmodel’. het tweede private model voorziet in een aparte juridische entiteit zonder winstoogmerk binnen de uitvoeringsinstelling. dit is het ‘ser-model’.

daarnaast zijn drie modellen onderzocht in de richting van een meer publieke uitvoering. het eerste model gaat uit van de bestaande situatie, met dit verschil dat het opdrachtgeverschap voor de uitvoering van de werknemersverzekeringen van het lisv wordt vervangen door een gedecentraliseerd bipartiet opdrachtgeverschap van werkgevers en werknemers. dit is het ‘geamendeerde status quo model’.
in het tweede publieke model worden de huidige uitvoeringsinstellingen uit de holdings gehaald en gaan zij functioneren als publieke organisaties. deze publieke organisaties gaan onderling concurreren om opdrachten van bipartiete opdrachtgevers. dit is het ‘overheidsbedrijvenmodel’. in het derde en laatste publieke model wordt geen onderlinge concurrentie toegestaan in de uitvoering van de werknemersverzekeringen. de zogenoemde a-poten van de uitvoeringsinstellingen worden losgemaakt van de holdings en vervolgens ondergebracht en uiteindelijk samengevoegd in één publieke organisatie. dit is het ‘publieke zbo-model’.

het kabinet heeft bovenstaande vijf modellen aan een uitvoerige analyse onderworpen en is daarbij tot de volgende twee conclusies gekomen. de eerste conclusie is dat, wil van een werkelijk onafhankelijke claimbeoordeling sprake zijn, in alle private modellen een ‘knip’ in de individuele gevalsbehandeling onvermijdelijk is. alle private modellen zijn derhalve hybride en kennen daardoor vele overdrachtsmomenten, zijn ondoorzichtig voor de cliënt en hebben risico’s van inbreuk op de privacy. de private modellen lijden aan een onheldere verantwoordelijkheidsverdeling, hetgeen het toezicht en de beleidsmatige aansturing bemoeilijkt. de tweede conclusie is dat in alle publieke modellen waarin voorzien wordt in concurrentie in de uitvoering, er onvoldoende uitzicht bestaat op volwaardige concurrentie in de zin van betere dienstverlening aan de cliënt en lagere uitvoeringskosten. en voor zover toch enige concurrentie ontstaat, zou dit tot spanningen kunnen leiden ten aanzien van de objectieve claimbeoordeling en de premie-inning, waardoor weer ‘knips’ in de werkprocessen noodzakelijk zijn.

3 de keuze van het kabinet: publieke claimbeoordeling, uitkeringsverzorging en premie- inning; private reïntegratie.

het kabinet komt tot de conclusie dat de uitvoering van de werknemersverzekeringen zich niet verdraagt met echte concurrentie. gekozen wordt voor een ondubbelzinnige en heldere verdeling van verantwoordelijkheden tussen de publieke en de private sector. concreet betekent dit dat het kabinet voornemens is om de uitvoering van de premie-inning, de claimbeoordeling en de uitkeringsverzorging op te dragen aan één publiekrechtelijke organisatie, het uitvoeringsorgaan werknemersverzekeringen (uwv). daarnaast zal de reïntegratie van werklozen en arbeidsongeschikten worden uitgevoerd door private reïntegratiebedrijven.

de voordelen van het onderbrengen in één publieke organisatie van de uitvoering van de werknemersverzekeringen zijn:


1. samenhang
met één uitvoeringsorgaan blijft de logische samenhang in de werkprocessen intact. er ontstaan geen ‘knips’ tussen de premie-inning, uitkeringsverzorging en claimbeoordeling.

2. bestuurlijke helderheid en eenvoud
de verantwoordelijkheden zijn helder gescheiden. partijen kunnen beter op hun verantwoordelijkheid worden aangesproken.

3. betere aansturingsmogelijkheden
door het verdwijnen van bestuurlijke tussenlagen kan de politieke verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de werknemersverzekeringen beter worden waargemaakt.

4. beter toezicht
het onderbrengen van de claimbeoordeling, premie-inning en uitkeringsverzorging in één organisatie vereenvoudigt het toezicht aanzienlijk.

5. grotere doelmatigheid
het op termijn samenvoegen van de vijf uitvoeringsorganisaties biedt uitzicht op kostenbesparing door schaalvergroting. deze mogelijkheden doen zich in het bijzonder voor op het gebied van ict, de interne accountantsdienst, de financiële administratie, de benutting van de schaarse deskundigheid van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen, de samenvoeging van back-offices en de samenvoeging van leidinggevende en ondersteunende functies.

aan de keuze voor publieke uitvoering van de werknemersverzekeringen door één organisatie kleeft ook een zeker risico. een grote overheidsorganisatie heeft geen (externe) doelmatigheidsprikkels die voortvloeien uit concurrentieverhoudingen. veel zorg zal dus moeten worden besteed aan een vormgeving van de nieuwe uitvoeringsorganisatie, die de beste garanties inhoudt dat er een dynamisch en efficiënt bedrijf ontstaat. de ervaringen bij sommige overheidsorganisaties (te denken valt aan de belastingdienst en de sociale verzekeringsbank) wijzen uit dat toepassing van moderne managementtechnieken, een strikte budgettering en waar mogelijk ‘outsourcing’ kunnen zorgen voor klantgerichte en kwalitatief hoogwaardige dienstverlening en kostenbewaking. voorts zal onder andere benchmarking worden ingezet als instrument om de doelmatigheid te bevorderen. bovendien zijn er - aangezien het uwv gedeconcentreerd (dat wil zeggen op regionaal niveau) zijn werk zal gaan doen - ook binnen de organisatie mogelijkheden om prestaties te vergelijken en daar bij de aansturing rekening mee te houden. de door het uwv te behalen schaalvoordelen zullen in kaart worden gebracht en via een stappenplan moeten worden behaald.

reïntegratie
door de keuze voor een publieke uitvoering van de werknemersverzekeringen ontstaan nieuwe mogelijkheden om tot een dynamische aanpak van de reïntegratie te komen.
momenteel is het lisv de opdrachtgever van de uitvoeringsinstellingen voor de uitvoering van alle wettelijke taken: premie-inning, claimbeoordeling, uitkeringsverzorging en reïntegratie. het lisv nam dit opdrachtgeverschap in de osv 1997 over van de sociale partners. in het eerste suwi-concept was voorzien dat bipartiete opdrachtgevers de rol van het lisv als opdrachtgever zouden overnemen, met uitzondering van de claimbeoordeling. in het nieuwe concept worden de wettelijke taken door een nieuwe publieke uitvoeringsorganisatie, waarin de bestaande uitvoeringsinstellingen opgaan, uitgevoerd. voor premie-inning, claimbeoordeling en uitkeringsverzorging is dus geen opdrachtgeverschap meer nodig: deze taken worden voor alle werknemers verricht door één organisatie.

dit geldt niet voor de wettelijke taak van reïntegratie. in het nieuwe concept worden de feitelijke reïntegratiewerkzaamheden niet door een publieke organisatie uitgevoerd, maar door private reïntegratiebedrijven. uitkeringsgerechtigden moeten bij deze bedrijven worden ondergebracht en aan deze bedrijven moet een opdracht tot het leveren van overeen te komen prestaties worden verstrekt.
beperking van de opdracht tot reïntegratie, maakt het contract niet alleen eenvoudiger dan in het suwi-concept was voorzien, maar maakt het tevens mogelijk om beter aan te sluiten bij de verschillen in de incentivestructuur in de ww en wao.
het kabinet is van oordeel dat bij reïntegratie een belangrijke rol voor werkgevers en werknemers is weggelegd. werkgevers en werknemers dragen thans reeds een belangrijke verantwoordelijkheid bij het voorkomen van ziekte, arbeidsongeschiktheid en werkloosheid van werknemers. indien ziekte, arbeidsongeschiktheid of werkloosheid optreden moeten zij voor het bevorderen van de terugkeer van de betrokken werknemers eveneens verantwoordelijkheid kunnen dragen.

het kabinet hanteert hierbij drie uitgangspunten:


1. het opdrachtgeverschap moet daar worden uitgeoefend, waar het belang bij reïntegratie van de betrokken werknemer het grootst is. daarbij wordt aansluiting gezocht bij de desbetreffende materiewetgeving.
2. opdrachtverlening door werkgevers geschiedt uitsluitend met instemming van of gezamenlijk met (vertegenwoordigers van) werknemers (bipartiet).
3. het uwv draagt als publieke instantie zorg dat met betrekking tot alle cliënten een reïntegratie-inspanning plaatsvindt. het houdt toezicht op de kwaliteit van de reïntegratie-inspanning en stelt daarvoor publieke middelen beschikbaar. het werkt samen met werkgevers en werknemers waar deze als opdrachtgever optreden en treedt waar dit niet het geval is, zelf als opdrachtgever op.
deze uitgangspunten worden hieronder nader uitgewerkt.

zieke en arbeidsongeschikte werknemers
omdat in het nieuwe concept geen complexe contracten voor de uitvoering van de wettelijke taken premie-inning, claimbeoordeling en uitkeringsverzorging, behoeven te worden afgesloten, is het mogelijk het opdrachtgeverschap voor de reïntegratie van zieke en arbeidsongeschikte werknemers in beginsel bij de onderneming te leggen, in het verlengde van wat thans bij arbodiensten het geval is. evenzeer is een gezamenlijke aanpak op cao-niveau mogelijk. met name voor bedrijven in het mkb kan het zeer zinvol zijn het opdrachtgeverschap op cao-niveau te organiseren.

voor de zieke en arbeidsongeschikte werknemers is het uitgangspunt dat de werkgever, met instemming van zijn or of personeelsvertegenwoordiging, optreedt als opdrachtgever, ten minste voor de periode dat het dienstverband bestaat. als het dienstverband wordt verbroken - veelal zal dit na het eerste wao-jaar het geval zijn - mag het opdrachtgeverschap worden overgedragen aan het uwv, maar de onderneming mag er ook voor kiezen om het opdrachtgeverschap te continueren. in ieder geval zal (uiterlijk) 6 jaar na de eerste ziektedag het opdrachtgeverschap overgaan naar het uwv. ondernemingen met minder dan 10 werknemers worden in principe verplicht het opdrachtgeverschap na het einde van het dienstverband over te dragen aan het uwv. de werkgever kan echter een verzoek indienen bij het uwv om het opdrachtgeverschap te behouden. voorwaarde daarbij is dat de werkgever een ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging heeft ingesteld.

een gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemer kan ook een ww- of een bijstandsuitkering ontvangen. teneinde onnodige overdrachten in het reïntegratieproces te voorkomen, is in dat soort gevallen de werkgever met instemming van de or of de personeelsvertegenwoordiging opdrachtgever.

het instemmingsrecht voor or resp. personeelsvertegenwoordiging wordt expliciet vastgelegd in de wet op de ondernemingsraden (wor). dit instemmingsrecht van de ondernemingsraad/personeelsvertegenwoordiging is geclausuleerd. werkgevers- en werknemersorganisaties kunnen in een bedrijfstak-cao regelen met welk reïntegratiebedrijf een contract wordt afgesloten. de werkgevers die lid zijn van een werkgeversorganisatie die de desbetreffende cao hebben afgesloten, zijn aan deze afspraak gebonden. de cao prevaleert derhalve boven het instemmingsrecht van de ondernemingsraad/ personeelsvertegenwoordiging. dit geldt ook ingeval in een ondernemings-cao afspraken zijn gemaakt over de keuze van een bepaald reïntegratiebedrijf. dergelijke afspraken zullen echter niet algemeen verbindend worden verklaard.

reden om het opdrachtgeverschap in beginsel bij het bedrijf te leggen, is dat zieke en arbeidsongeschikte werknemers nog lang in dienst van het bedrijf zijn en de verantwoordelijkheid van het bedrijf voor deze werknemers groot blijft. dat blijkt ook uit de grote financiële prikkels, die bedoeld zijn om het bedrijf zijn uiterste best te laten doen om ziekte en arbeidsongeschiktheid te voorkomen en reïntegratie te bevorderen. een langdurig arbeidsongeschikte werknemer kan een bedrijf al snel enkele tonnen kosten. vanaf het jaar 2003, wanneer het structurele niveau is bereikt, is met wulbz en pemba een bedrag gemoeid van in totaal ca. f. 18 miljard.

het nieuwe concept biedt volop ruimte voor een aanpak van het vraagstuk van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid op cao-niveau. werkgevers- en werknemersorganisaties kunnen bij cao afspraken maken over reïntegratie, waaronder de keuze van een bepaald reïntegratiebedrijf of bepaalde reïntegratiebedrijven. ook is het denkbaar dat een aantal individuele werkgevers gezamenlijk het opdrachtgeverschap organiseren, uiteraard met instemming van hun ondernemingsraden of personeelsvertegenwoordigingen. van belang is dat op het te kiezen niveau effectieve samenwerking tussen werkgevers en werknemers mogelijk is. op sectorniveau lijkt dit in mindere mate het geval dan op cao-niveau. de indeling in sectoren heeft vooral een administratieve betekenis en spoort niet altijd met de niveaus waarop cao‘s worden afgesloten. waar sectorraden zijn opgericht bestrijken deze slechts een deel van het bedrijfsleven. ook thans worden in sommige cao’s afspraken gemaakt over het door partijen af te nemen pakket bedrijfsgezondheidszorg , teneinde een bepaald kwaliteitsniveau te garanderen. met name voor de kleinere mkb-bedrijven kunnen op cao-niveau schaalvoordelen worden bereikt en expertise-ontwikkeling en kwaliteitsbewaking meer inhoud krijgen.

het kabinet is bereid via een convenantenaanpak deze ontwikkeling te ondersteunen, daar waar sociale partners zelf verantwoordelijkheid willen nemen. reeds nu bestaat in arbo-convenanten de mogelijkheid om afspraken te maken over aanvullende pakketafname bij arbodiensten. dergelijke overeenkomsten zijn aanvullend ten opzichte van wat individuele werkgevers en arbodiensten reeds zijn overeengekomen. het kabinet is bereid via een convenantenaanpak ruimte te bieden voor aanvullende afspraken inzake de reïntegratie van arbeidsgehandicapten. de convenanten kunnen dan door sociale partners benut worden om beter inhoud te geven aan opdrachtgeverschap in cao-verband. het is aan sociale partners om te bepalen hoe ver zij daarin willen gaan: zij kunnen zich beperken tot afspraken over de inhoud van de af te nemen pakketten, of zij kunnen overgaan tot gezamenlijk opdrachtgeverschap.

de rol van het uwv met betrekking tot de reïntegratie van arbeidsgehandicapte werknemers betreft in de eerste plaats het ter beschikking stellen van reïntegratiegelden. tevens zal het uwv bewaken dat arbeidsgehandicapten adequate reïntegratiemogelijkheden krijgen aangeboden. zo kunnen arbeidsgehandicapte werknemers een second-opinion aanvragen bij het uwv als zij naar hun mening geen passend traject krijgen aangeboden. voorts zal het uwv in het kader van de claimbeoordeling wao nagaan of er voldoende inspanningen zijn verricht om de betrokkene te doen terugkeren in het arbeidsproces. daarbij komt ook aan de orde of de betrokkene zelf voldoende heeft meegewerkt aan zijn reïntegratie. het uwv kan eventueel besluiten om een reïntegratietraject te laten opstellen indien naar zijn oordeel te weinig is ondernomen door het reïntegratiebedrijf of de arbeidsgehandicapte.

de voorgestelde vormgeving van het opdrachtgeverschap heeft vele voordelen:


1. zij sluit aan bij de financiële prikkels in de wulbz en pemba.
2. er ontstaat volledige aansluiting tussen het eerste ziektejaar en de wao-periode daarna. er hoeft geen overdracht van dossiers meer plaats te vinden.

3. de arbomarkt wordt verdiept, hetgeen de kwaliteit ten goede zal komen.
4. er is een goede verantwoordelijkheidsverdeling tussen werkgever en werknemer.

ww-uitkeringsgerechtigden
kenmerkend bij de ww is dat de relatie van het bedrijf met de werknemer in de regel wordt verbroken, en ook niet na een reïntegratie-inspanning zal worden hersteld. toch moet voor elke werkloze een inspanning worden gepleegd om hem weer (elders) aan het werk te krijgen.voor een deel kunnen die inspanningen los van bijzondere publieke bemoeienis plaatsvinden. het grootste deel van de ontslagwerklozen vindt immers op eigen kracht een baan. daarbij kan private dienstverlening of de publieke basisdienstverlening (cwi) op het gebied van de arbeidsbemiddeling een rol spelen. werklozen met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt hebben echter een specifiek reïntegratietraject nodig, zoals bij- of herscholing. de enige financiële prikkel in de ww is thans gelegd op het sectorale niveau. deze (zwakke) prikkel heeft echter slechts betrekking op de eerste zes maanden van de werkloosheid. de reïngratietrajecten zijn echter bedoeld voor personen die naar verwachting langer dan zes maanden werkloos zullen zijn. aangezien de band met de voormalige werkgever dan reeds lang verbroken is en het niet ondenkbaar is dat een plaatsing in een andere sector van bedrijvigheid moet worden voorbereid, kiest het kabinet ervoor de publieke taakorganisatie uwv in beginsel met het opdrachtgeverschap voor reïntegratie te belasten. daartoe sluit het uwv contracten met private reïntegratiebedrijven en stelt het voor de reïntegratie publieke middelen ter beschikking.

het kabinet is van mening dat werkgevers en werknemers ook hier gezamenlijk een belangrijke rol moeten kunnen spelen. zeker in tijden van spanning op de arbeidsmarkt, waarin bedrijven en sectoren zeer moeilijk in hun personeelsbehoefte kunnen voorzien, zal bij hen belangstelling bestaan om aan de reïntegratie van werklozen mee te werken. daarbij kunnen ook eigen gelden worden ingezet, bv. uit de o en o-fondsen. in minder gunstige tijden kan er vanuit bedrijven en sectoren behoefte bestaan aan een eigen rol naar reïntegratiebedrijven bij afvloeiing van personeel. in het kader van een sociaal plan worden vaak gelden opzij gezet om werklozen elders aan een baan te helpen. nu speelt arbeidsvoorziening daarin een grote rol, maar ook private bedrijven. het ligt voor de hand dat als een bedrijf of een sector zelf een actieve rol bij reïntegratie wil spelen en daarvoor eigen middelen wil inzetten, zij hun krachten bundelen met die van het uwv en gezamenlijk daarmee als opdrachtgever optreden. het uwv heeft daarbij een toetsende rol, omdat het hierbij ook gaat om het verantwoord inzetten van publieke middelen.

op de volgende wijze kan ruimte worden geboden voor de hierboven bedoelde initiatieven:


1. waar de werkgever eigenrisicodrager ww is (overheid) kunnen werkgevers, met instemmingsrecht van de ondernemingsraden, opdrachtgever voor de reïntegratie van ww-ers worden.

2. mocht het kabinet in de toekomst besluiten tot premiedifferentiatie ww, dan biedt dit wellicht nieuwe mogelijkheden voor bipartiet opdrachtgeverschap.

3. waar sociale partners vanuit cao-gelden of o en o-fondsen reïntegratiemiddelen willen inzetten om plaatsing van werklozen te bevorderen, kunnen zij (tezamen met het uwv) mede-opdrachtgever van een reïntegratiebedrijf worden. bij co-financiering behoort immers co-opdrachtgeverschap.

4. de reïntegratiebedrijven kunnen inspelen op initiatieven die sectoren willen ontplooien om (ook preventief) een beroep op het wachtgeldfonds te beperken.

5. de reïntegratiebedrijven hebben groot belang bij het plaatsen van werklozen. de marktwerking zal hen ertoe brengen aansluiting te zoeken bij bedrijven die personeel nodig hebben, dan wel personeel wegens grote reorganisaties willen omscholen.

in dit verband moet worden opgemerkt dat reïntegratiebedrijven verschillend van aard zullen zijn. sommige zullen zich specialiseren op bepaalde groepen werklozen. andere zullen taken op het gebied van preventie, reïntegratie en arbeidsbemiddeling combineren. het ligt voor de hand dat opdrachtgevers relaties aangaan met die bedrijven die de cliënt de meeste kansen bieden.

recapitulerend:
hierboven is uiteengezet hoe het reïntegratieproces vorm zal krijgen. ten opzichte van het eerdere suwi-concept ontstaan enkele belangrijke verbeteringen:


1. in het eerdere model was voorzien dat het opdrachtgeverschap betrekking zou hebben op premie-inning, uitkeringsverzorging en reïntegratie. dat model sloot minder goed aan op de in de materiewetgeving neergelegde prikkels. dat is nu beter mogelijk. ook kunnen werkgevers en werknemers besluiten om op cao-niveau (co-)opdrachtgeverschap te organiseren.
2. de beperking van het opdrachtgeverschap tot reïntegratie leidt tot aanzienlijk lagere transactiekosten, omdat de contracten veel minder complex van aard zijn.

3. het model biedt perspectief op een geïntegreerde aanpak in de hele keten van ziektepreventie, verzuimbegeleiding en reïntegratie, zowel in het eerste ziektejaar als daarna. de huidige knip tussen de dienstverlening van arbodiensten en uitvoeringsinstellingen komt te vervallen.

4. de toetreding van nieuwe bedrijven tot de reïntegratiemarkt wordt bevorderd. de verplichting om ook de wettelijke administratieve taken op het terrein van de sociale zekerheid te verrichten, wierp een hoge toetredingsdrempel op. deze is in het nieuwe voorstel weggevallen.
5. in het nieuwe model is het uwv geen potentiële concurrent van private reïntegratiebedrijven. in het oude concept konden de uvi’s uitkeringsverzorging en reïntegratie combineren. bij potentiële toetreders tot de reïntegratiemarkt bestond de vrees dat de uvi’s selectie zouden toepassen op de bestanden ten behoeve van hun eigen reïntegratiebedrijven. dat is nu niet meer mogelijk.


4. hoofdlijnen bestuurlijke inrichting

het uitvoeringsorgaan werknemersverzekeringen (uwv) het uwv verzorgt de uitvoering van de werknemersverzekeringen, dat wil zeggen de premie-inning, de claimbeoordeling en de uitkeringsverzorging. daarnaast wordt het uwv verantwoordelijk voor de reïntegratie van al degenen die geen eigen werkgever (meer) hebben. de feitelijke reïntegratie wordt uitbesteed aan private reïntegratiebedrijven.

het zal het uwv worden toegestaan om, rekening houdend met het kader "Markt en Overheid", ook bovenwettelijke uitkeringen te verzorgen en bovenwettelijke premies te innen, mits sociale partners daarom verzoeken, en de regelingen een semi-collectief karakter hebben en aansluiten op de wettelijke regelingen.

Het UWV krijgt de vorm van een zelfstandig bestuursorgaan (ZBO). Het kabinet stelt zich, binnen dit ZBO, in grote lijnen de volgende verantwoordelijkheidsverdeling en organisatie-opbouw voor:


* Er is een professionele hoofddirectie die wettelijk belast is met de algehele dagelijkse leiding en voor de inhoudelijke aansturing van het orgaan. Zij draagt zorg voor een goede uitvoering van de aan het UWV opgedragen taken. De hoofddirectie wordt op beleidsmatige hoofdlijnen aangestuurd door de minister van SZW en is voor hem ook het primaire aanspreekpunt.

* Er is een raad van beheer, bestaande uit door de minister van SZW benoemde onafhankelijke leden, die wettelijk belast is met het toezicht op de bedrijfsvoering. Deze functie wordt vormgegeven door met name een goedkeuringsbevoegdheid ten aanzien van de jaarrekening en het jaarverslag. De raad van beheer benoemt en ontslaat de leden van de hoofddirectie, met instemming van de minister van SZW.

De keuze voor een ZBO vloeit voort uit de wens om beleid en uitvoering te scheiden. De minister van SZW is verantwoordelijk voor het beleid, maar niet voor beslissingen in individuele gevallen. De minister stelt het jaarplan en de begroting vast en krijgt een nader te bepalen aanwijzingsbevoegdheid.

De Centra voor Werk en Inkomen (CWI’s)
De Centra voor Werk en Inkomen, die centraal worden aangestuurd door het LIWI (zie hierna), fungeren als aanbieder van de publieke diensten voor arbeidsbemiddeling. Het CWI verzorgt daarnaast de administratieve en kwalificerende ‘intake’ van werkzoekenden, waarbij de afstand tot de arbeidsmarkt (fase-indeling) wordt bepaald, een reïntegratie-advies voor de cliënt wordt opgesteld en de gegevens worden verzameld die nodig zijn voor de aanvraag van een uitkering.
Voor fase-1 werkzoekenden is het CWI de enige locatie. De cliënten die zijn ingedeeld in fase 2, 3 en 4 worden na de ‘intake’ met een reïntegratie-advies overgedragen aan het UWV of de gemeente. Uit een oogpunt van optimale dienstverlening aan de klant en een effectieve en efficiënte bedrijfsvoering is het wenselijk dat CWI’s, gemeenten en UWV zo goed mogelijk met elkaar samenwerken en hun werkprocessen op elkaar afstemmen. Dat voorkomt het risico van dubbel werk en onzorgvuldige overdracht tussen organisaties. Dit kan het best gerealiseerd worden door gemeenschappelijke huisvesting in een bedrijfsverzamelgebouw. Ook private organisaties die op dit terrein actief zijn, zoals uitzendbureaus en reïntegratiebedrijven/arbodiensten kunnen zich hier vestigen. Het LIWI krijgt tot taak om met het UWV en de betrokken gemeente(s) te overleggen over de totstandkoming van bedrijfsverzamelgebouwen.

Het Landelijk Instituut voor Werk en Inkomen (LIWI) Het LIWI zal worden vormgegeven als een zelfstandig bestuursorgaan (ZBO). Dit orgaan krijgt bij wet een aantal taken toegekend. Primair is het LIWI verantwoordelijk voor de landelijke, professionele aansturing van de Centra voor Werk en Inkomen (CWI’s). De aansturing van de CWI’s is een taak van de hoofddirectie van het LIWI. Daarnaast is het LIWI verantwoordelijk voor de uitvoering van "overige wettelijke taken", zoals ontslagtaken, Wet Arbeid Vreemdelingen en wet SAMEN, die nu nog door de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie worden uitgevoerd.

De verantwoordelijkheid om een rechtmatige, doelmatige en doeltreffende uitvoeringspraktijk te realiseren, vereist primair een organisatie die in staat gesteld en gestimuleerd wordt om de uitvoeringsprocessen naar de hoogste maatstaven van professioneel handelen gestalte te geven. Het kabinet stelt zich, binnen dit ZBO, in grote lijnen de volgende verantwoordelijkheidsverdeling en organisatie-opbouw voor:


* Er is een professionele hoofddirectie die wettelijk belast is met de algehele dagelijkse leiding en voor de inhoudelijke aansturing van het orgaan. Zij draagt zorg voor een goede uitvoering van de aan het LIWI opgedragen taken. De hoofddirectie wordt op beleidsmatige hoofdlijnen aangestuurd door de minister van SZW en is voor hem ook het primaire aanspreekpunt.

* Er is een raad van beheer, bestaande uit door de minister van SZW benoemde onafhankelijke leden, die wettelijk belast is met het toezicht op de bedrijfsvoering. Deze functie wordt vormgegeven door met name een goedkeuringsbevoegdheid ten aanzien van de jaarrekening en het jaarverslag. De raad van beheer benoemt en ontslaat de leden van de hoofddirectie, met instemming van de minister van SZW.

De keuze voor een ZBO vloeit ook hier voort uit de wens om beleid en uitvoering te scheiden. De minister van SZW is verantwoordelijk voor het beleid, maar niet voor beslissingen in individuele gevallen. De minister stelt het jaarplan en de begroting vast en krijgt een nader te bepalen aanwijzingsbevoegdheid.

Raad van Advies
Voorts komt er een Raad van Advies voor het arbeidsmarktbeleid die de minister van SZW en het LIWI adviseert. Het instellen van een dergelijke adviesraad is van grote betekenis voor het tot stand brengen van een verknoping van het landelijke, het regionale en het sectorale arbeidsmarktbeleid. De Raad van Advies moet het platform zijn waarin sociale partners en gemeenten hun adviserende inbreng kunnen leveren. De Raad van Advies wordt samengesteld volgens de verhouding 3 kroonleden, 3 vertegenwoordigers van werkgevers, 3 vertegenwoordigers van werknemers en 3 vertegenwoordigers van gemeenten. De raad heeft een onafhankelijk voorzitter. Eén van de kroonleden is afkomstig uit de raad van beheer van het UWV. Sociale partners en gemeenten brengen kennis en deskundigheid in over ontwikkelingen in sectoren en op de regionale arbeidsmarkt, zodat het beleid van de minister en van het LIWI aansluiting kan vinden bij de dynamiek op de arbeidsmarkt.
De Raad van Advies adviseert de minister over de hoofdlijnen van het te voeren arbeidsmarktbeleid en over de omvang en verdeling van de daartoe in te zetten publieke reïntegratiemiddelen. De Raad van Advies adviseert het LIWI over onderwerpen die de taken van het LIWI aangaan, wat betreft zijn werkzaamheden met betrekking tot het algemene arbeidsmarktbeleid en de sectorinitiatieven. De Raad van Advies wordt door het LIWI secretarieel ondersteund.

Gemeenten
De gemeenten zijn volledig verantwoordelijk voor de uitvoering van de Algemene bijstandswet en de reïntegratie van bijstandsgerechtigden. Ook zijn de gemeenten verantwoordelijk voor de reïntegratie van werkzoekende niet-uitkeringsgerechtigden. De gemeenten brengen de feitelijke reïntegratie onder bij gecertificeerde reïntegratiebedrijven.

Cliënten
Voor werknemers die werkloos worden, is het CWI de instantie waar zij terecht kunnen voor bemiddeling en de aanvraag van een uitkering. Zieke werknemers hebben in de eerste plaats te maken met de eigen werkgever als het gaat om begeleiding en reïntegratie.
Bij het CWI vindt voor werkloze werknemers de ‘intake’ plaats die bestaat uit een bepaling van de afstand tot de arbeidsmarkt (fase-indeling), het opstellen van een reïntegratie-advies voor de cliënt en het verzamelen van gegevens die nodig zijn voor het recht op een uitkering. Deze gegevens worden doorgestuurd naar het UWV of de gemeente.
Cliënten die direct bemiddelbaar zijn -fase 1- worden door het CWI ondersteund bij het zoeken naar werk. Cliënten in fase 2, 3 of 4 worden verwezen naar het UWV (WW-gerechtigden) of de gemeente (bijstandsgerechtigden, niet-uitkeringsgerechtigden) voor een reïntegratietraject. In het kader van de sluitende aanpak worden het UWV en de gemeenten verplicht om aan iedereen die in fase 2, 3 of 4 wordt ingedeeld een reïntegratietraject aan te bieden. De cliënt zelf speelt bij de reïntegratie de hoofdrol. Hij of zij heeft recht op een adequate begeleiding door het reïntegratiebedrijf dat wordt ingeschakeld en de plicht om aan reïntegratie mee te werken. In een reïntegratietrajectplan worden de rechten en plichten van de cliënt en het reïntegratiebedrijf duidelijk vastgelegd.

Cliënten die het niet eens zijn met het aangeboden trajectplan kunnen bij het UWV een ‘second-opinion’ vragen.

Voor werknemers die ziek worden, gebeurt de feitelijke begeleiding en reïntegratie direct door een arbodienst en/of reïntegratiebedrijf.

Uiterlijk na een jaar moet de werknemer worden gekeurd om het recht op een WAO-uitkering vast te stellen. De keuringsarts bepaalt welke werkzaamheden de werknemer nog kan verrichten en stelt op basis van de resterende ‘verdiencapaciteit’ de mate van arbeidsongeschiktheid vast.

Na verloop van tijd (einde dienstverband of maximaal 6 jaar na de eerste ziektedag, afhankelijk van de keuze van de werkgever) wordt het UWV verantwoordelijk voor de reïntegratie van de WAO-gerechtigde werknemer.

Werkgevers/werknemers
De werkgevers worden verplicht, met instemming van de ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging, contracten te sluiten met arbodiensten/reïntegratiebedrijven voor preventie en reïntegratie van zieke en arbeidsgehandicapte werknemers.
De werkgever blijft maximaal 6 jaar (eerste ziektejaar plus 5 jaar in het kader van de WAO) verantwoordelijk voor reïntegratie van de zieke/arbeidsgehandicapte werknemer. De werkgever kan er echter ook voor kiezen om na 2 jaar, als het dienstverband met de werknemer is beëindigd, de verantwoordelijkheid voor de reïntegratie over te dragen aan het UWV.

Bedrijven kunnen ook besluiten - in cao-verband of anderszins - collectieve contracten af te sluiten met arbodiensten/reïntegratiebedrijven.

Sectorale initiatieven met betrekking tot de reïntegratie van WW-gerechtigden zullen door het LIWI worden ondersteund, onder meer door het subsidiëren van sectorprojecten. Daarnaast kunnen sociale partners hun reïntegratie-activiteiten bundelen met die van het UWV.

Toezicht
Het Ctsv houdt toezicht op de rechtmatige en doelmatige uitvoering door het LIWI en het UWV.
De minister van SZW is belast met het toezicht op de gemeentelijke uitvoering van de ABW, de WSW en de WIW.

5 Gefaseerde overgang
Het kabinet is er zich van bewust dat de beoogde structuurverandering grote gevolgen zal hebben voor het Lisv, voor de Arbeidsvoorziening en voor de huidige uitvoeringsinstellingen. Daarom zal een veranderingsmanagement worden benoemd dat tot taak krijgt in overleg met alle betrokkenen - inclusief management en personeel - een plan op te stellen en daarbij de continuïteit van het uitvoeringsproces zeker te stellen. Voor de huidige uitvoeringsinstellingen zal sprake zijn van een fasegewijze overgang. In eerste aanleg zal, op een nader te bepalen moment, sprake zijn van de overdracht van de uvi-aandelen aan een door de Staat op te richten stichting.
De volgende fase bestaat uit het op gang brengen van een interne reorganisatie die gericht is op integratie van de werkprocessen en van de organisaties. Een en ander dient nauw te worden afgestemd met de reorganisatie-trajecten die zich rondom het LIWI, de CWI’s en de gemeenten afspelen.

Deel: ' Notitie Nieuwe uitvoeringsorganisatie sociale zekerheid '




Lees ook