Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek


Onduidelijkheid over aantal allochtone studenten aan universiteiten en hogescholen 2 juli 1999

Nog altijd is niet bekend hoeveel allochtone studenten studeren aan de Nederlandse universiteiten en HBO-instellingen. Evenmin weten we precies wat ze studeren en waar en hoe de onderwijspositie van deze studenten zich in de afgelopen jaren heeft ontwikkeld. Gegevens over allochtone studenten berusten grotendeels op schattingen en zijn onderling niet goed vergelijkbaar omdat criteria verschillen. De invoering van een uniform registratiesysteem stuit op weerstanden. Een en ander valt te lezen in het jongste nummer van Hypothese, het kwartaalblad over onderzoek en wetenschap van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek, NWO.

Volgens het SCO-Kohnstamm Instituut valt gemiddeld 7,5% van de studenten aan de Nederlandse universiteiten en HBO-instellingen in de categorie 'allochtone student'. Dat wil zeggen bij de universiteiten is dat 6,6% en bij de HBO-instellingen 8,3%. In 1995 was het aandeel allochtone studenten gemiddeld 6,4%. Dit blijkt uit steekproefonderzoek onder eerstejaarsstudenten. Van het aantal eerstejaarsstudenten van de Universiteit van Amsterdam is naar schatting maximaal acht procent allochtoon en aan de Erasmus Universiteit Rotterdam wordt het aantal Antilliaanse, Arubaanse, Marokkaanse, Surinaamse en Turkse eerstejaarsstudenten geschat op 3,6 procent. De Technische Universiteit Delft komt op 2,5 procent allochtone studenten, terwijl een tiende van de studenten wordt gerekend onder het kopje 'van buitenlandse afkomst'. Voor het begrip 'allochtoon' zijn verschillende definities in omloop. Allochtoon betekent letterlijk: 'van oorsprong buiten Nederland afkomstige migranten en hun directe nakomelingen'. Deze definitie wordt, zo blijkt, in het algemeen als te ruim ervaren. ECHO, het Expertise Centrum Allochtonen Hoger Onderwijs dat enkele jaren geleden door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen werd opgericht, sluit OESO-landen en Indonesië dan ook uit; studenten uit deze landen komen, zo is de redenering, in de Nederlandse samenleving niet in een vergelijkbare minderheidspositie terecht. Het ministerie zelf omschrijft allochtonen op zijn beurt als die groepen die zonder extra beleidsmaatregelen in de marge van de samenleving zouden terechtkomen.
Ook de universiteiten hanteren onderling verschillende definities. Bovendien staat het verzamelen van getallen ter discussie, en verschillen de universiteiten in hun opvattingen over het al dan niet registreren naar etniciteit. Zo worden studenten in Utrecht, Rotterdam en Tilburg gevraagd aan te geven wat hun land van geboorte is en wat dat van hun beide ouders. In Amsterdam en Leiden vragen de universiteiten dat niet en moeten beleidsmakers het doen met schattingen op basis van enquêtes. Een en ander is des te opvallender omdat voor het basisonderwijs, het voortgezet onderwijs en het beroepsonderwijs wel veel meer getalsmatige informatie beschikbaar is. Daar is de toekenning van additionele faciliteiten gekoppeld aan de nationaliteit ofwel de etniciteit van de leerling.

Het kwartaalblad Hypothese is op aanvraag gratis verkrijgbaar bij de afdeling Voorlichting & Communicatie van NWO, postbus 93138, 2509 AC Den Haag, telefoon 070 3440713, e-mail news@nwo.nl.

Deel: ' Onduidelijkheid over aantal allochtone studenten '




Lees ook