Ministerie van Binnenlandse Zaken


Opening tentoonstelling Jan Cremer

17 januari 1999
Amstelveen
Dames en heren,

Een paar maanden geleden stond er een interview met Jan Cremer in De Volkskrant. Jan zei daar dat hij nooit 'officieel' op de opening van zijn eigen tentoonstellingen komt 'want d'r lopen zoveel idioten rond'. Aan mij vandaag de eer om al die idioten welkom te heten. Een kwalificatie die mij eerder met trots dan met gène vervult. Want een idioot zijn in de ogen van iemand die bijnamen als De Barbaar, de piraat, de eeuwige nomade en viespeuk met trots draagt, is een compliment, een erkenning van je bestaan! Dat Jan Cremer bestaat weet hij iedereen al 58 jaar onmiskenbaar duidelijk te maken. Door grenzen te overschrijden, taboes te doorbreken, door onverwacht en explosief gedrag, maar vooral door zijn boeken, zijn toneelstukken, zijn grafieken en schilderijen. Allemaal manieren om zijn ideeën en waarnemingen aan ons over te brengen. Om verhalen te vertellen over een ruig en avontuurlijk leven, over het jongetje in de man Cremer, verhalen die je doen griezelen en bewonderen, die je laten zien dat gewoon niet bestaat. Zijn verhalen, zijn kunstwerken leren ons dat je het onderste uit de kan moet halen als het om leven gaat. Dat je steeds zes onmogelijke dingen moet bedenken vóór het ontbijt. Dat je steeds scherp om je heen moet kijken om dingen echt te zien, dat je moet luisteren om echt te horen. In het werk van Jan Cremer worden gewone mensen opeens een karikatuur van zichzelf, zien we de absurditeit van het dagelijks leven. Hij maakt wat anders is gewoon, prikt gaten in onze moraal, kleurt een steppe tot een bloeiend landschap, maakt van een tulp een liefdessymbool. Maar, u zult zich wel afvragen wat de minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid hier doet als inleider van deze overzichtstentoonstelling van grafieken en prints van Jan Cremer. Geen politieke daad, kan ik u verzekeren. Meer een vriendendienst. Een paar jaar geleden was ik uitgenodigd als gast op een boot die van IJmuiden naar Amsterdam zou varen, naar Sail. Jan Cremer en Babette waren ook aan boord. We werden voorgesteld, hebben wat gepraat, maar we hebben toen vooral samen gezwegen. Aan de railing gestaan en naar het water gekeken, lekker niksen. Maar het was alsof ik Jan juist door die stilte heb leren kennen; alsof we een gesprek voerden zonder woorden. Misschien heel gewoon voor een zeeman, maar heel bijzonder voor deze landrot. We hebben elkaar sindsdien nog een paar keer getroffen, onder andere tijdens het Jan Cremer festival in Jan's geboortestad Enschede, toen de toneelgroep Hollandia één van Jan's toneelstukken speelde. Een bijzonder festival voor een bijzondere man. Al liep Jan rond met een gezicht alsof het allemaal wel een tandje minder had gekund. Al die belangstelling voor iemand die liever kijkt dan bekeken wordt, die liever oordeelt dan beoordeeld wordt. Een zoete kwelling moet het zijn geweest, met als kers op zijn gebakje een overvliegende Duitse bommenwerper.
Het werk van Jan Cremer blinkt uit in simpelheid: eenvoudige lijnen, primaire kleuren, herkenbare symbolen: tulpen en koeien. Het is herkenbaar. Maar het heeft een zinderende vitaliteit, een besmettelijke levenslust. Boven onze eetkamertafel hangt een grafiek van Jan, een Toscaans landschap, en het is steeds zomer in huis.
Een eer en een vriendendienst dus, het openen van deze tentoonstelling. Maar ook een beetje in functie. Dat heeft te maken met de relatie tussen kunst en politiek.
In de catalogus wordt gesproken over de 'adem van het barbarisme à la Cremer'. Ik citeer: 'Hij versterkt de geest van extreme spanning en absolute vitaliteit in uitingen die voertuigen samenpersen, schroot tot leven brengen, een strand of een vallei inpakken, of affiches van de huid van de muren losmaakt. (...) Een revival van de grootstedelijke grotschilderkunst, die het kenmerk is van alle marginale buitenwijken van de planeet: muurschilderingen en graffiti zijn de kreet van het immense koor van alle verdoemden op aarde geworden, de ultieme taal van overleving van de stedelijke getto's of etnische minderheden.' Einde citaat.
Als minister voor het Grote Steden- en Integratiebeleid spreekt deze waarneming mij bijzonder aan. Ik moet toegeven dat ik liever naar de grafieken van Jan kijk, dan naar de gemiddelde graffiti, maar het zijn allebei commentaren op de realiteit, columns in lijn en kleur.
Zo bekeken zijn kunst en politiek keerzijden van dezelfde medaille. Het gaat om waarnemen en overbrengen, in beelden of in woorden. Beeldende kunst is in staat je toe te schreeuwen, stilte te laten voelen, inspiratie te geven. Politiek moet inspiratie verwoorden, overbrengen, in daden omzetten. Maar de politiek staat op achterstand als het er om gaat een bindende factor te zijn tussen individu en maatschappij. Dat bleek ook weer gisteren in Gorcum.
De beeldende kunst heeft als oneindig voordeel dat er geen grenzen zijn, geen barrières in taal en teken. Kunst gaat dwars door alle volkeren heen, heeft nauwelijks vertaling nodig, verbindt mensen van alle sentimenten en continenten. Wat we als politici ook doen om de sociale samenhang in de samenleving te versterken, we kunnen niet tippen aan de verbindende kracht van kunst en cultuur. En, ook een belangrijk verschil: over kunst valt niet te twisten. Er zijn geen ideologische valkuilen, geen partijpolitieke belangen. Behalve in Amsterdam, waar de benoeming van de voorzitter van de Kunstraad een partijpolitieke kwestie is geworden.
Mijn functie vraagt om de kunst een verbindende factor te zijn. Ik moet versnipperd en verkokerd beleid samen zien te brengen: een samenhangend, integraal beleid voor de grote steden, zonder de rand uit het oog te verliezen; een beleid gericht op integratie, zonder de verschillende culturele identiteiten te veronachtzamen. Jan zei in dat interview met De Volkskrant dat hij bij tegenwerking altijd op z'n scherpst is. Dat heb ik met hem gemeen. Ik ben geen kunstenaar, Jan is geen politicus, maar je kunt je afvragen wat we samen allemaal zouden kunnen bereiken. Mijn partijgenoot Nuis had toen hij staatssecretaris van Cultuur was, een poëtisch adviseur. Misschien moet ik eens nadenken over een confronterend adviseur...
Jan, houdt de 'wind in je kop' en blijf ons - ook na deze overzichtstentoonstelling - verrassen.
De tentoonstelling is voor ons idioten hierbij geopend. Dank u wel.

Deel: ' Opening tentoonstelling Jan Cremer '




Lees ook