Bron: Pers en Voorlichting, tel. (024) 361 22 30

Aanmaakdatum: 4 januari 1999

------------------------------------------------------

Oratie dhr. dr. F.W.A. van Poppel

Benoemd tot bijzonder hoogleraar aan de Faculteit der Letteren op de wisselleerstoel L.J. Rogier, met als aandachtsgebied 'Sterfte in Nederland sedert 1800'

vrijdag 15 januari 1999 om 15.45 uur precies

------------------------------------------------------

'DE STATISTIEKE ONTLEDING VAN DE DOODEN': EEN SPRAAKZAME BRON?

SAMENVATTING

Het beeld van de patholoog die het ziekteverloop van de overleden patiënt probeert te reconstrueren om daaruit lering te trekken voor de levenden, werd door 19e-eeuwse geneeskundigen gretig gebruikt om te illustreren welk belang de statistische analyse van gegevens van sterfgevallen voor de levenden kon hebben. Ook voor de historisch geïnteresseerde onderzoeker kan een dergelijke analyse waardevolle informatie over het leven van de Nederlander opleveren. Of groepen mensen gemiddeld langer leven dan anderen dan wel over het algemeen vaker voortijdig overlijden, is van wezenlijke betekenis voor de beantwoording van de vraag of groepen in de samenleving ten opzichte van anderen in een bevoordeelde of benadeelde positie verkeren.

De bruikbaarheid van historische sterftegegevens wordt geïllustreerd aan de hand van een tweetal thema's die in het onderzoek naar de sociale en economische geschiedenis van de 19e en 20e eeuw belangrijk zijn: de verschillen in de positie van mannen en vrouwen, c.q. van jongens en meisjes, en het belang van het gezin en de gezinsomstandigheden voor de levenskansen van de Nederlanders. In belangrijke mate wordt daarbij gebruik gemaakt van gegevens betreffende de sterftekansen van zuigelingen, kinderen en meer in het algemeen jongeren. Dat houdt onder meer verband met het overwegende belang dat de sterfte onder jongeren in het verleden had en met de grote invloed die het teruglopen van de sterfte op deze leeftijden had voor de toename van de menselijk levensduur.

Sekseverschillen

Sterfteverschillen tussen jongens en meisjes hebben in de jaren negentig een plaats gekregen op de internationale politieke agenda. Oversterfte van meisjes en vrouwen wijst er op dat de belangen van vrouwen op het terrein van gezondheid, opleiding, voeding, en zorg in het gezin onvoldoende aandacht krijgen. Het is op grond daarvan redelijk om te veronderstellen dat ook in de historische Europese situatie vrouwen met hogere sterfterisico's werden geconfronteerd dan op grond van biologische verschillen te verwachten valt.

Gegevens voor Nederland wijzen uit dat in de 19e eeuw en tot circa 1930 meisjes in Nederland tussen de drie en 19 jaar door hogere sterfte gekenmerkt werden dan jongens. Aan de hand van het schaarse historische materiaal is getracht na te gaan waaraan deze situatie was toe te schrijven. Nagegaan is of er sprake was: van een verschillende mate van blootstelling van jongens en meisjes aan infecties en andere levensbedreigende factoren (als gevolg van andersoortige activiteiten, mate van toezicht op activiteiten, andere hygiënische normen; van verschillen in de mate waarin jongens en meisjes weerstand kunnen bieden aan risico's (onder meer als gevolg van verschillen in voeding, de ziektegeschiedenis en verschillen in vaccinatie); en ten slotte van verschillen in de wijze waarop gereageerd wordt op ziekten van jongens en meisjes (binnen het gezin en de gezondheidszorg).

In Nederland liepen ook tussen het 25e en het veertigste levensjaar vrouwen lange tijd hogere overlijdensrisico's dan mannen. Deze oversterfte blijft onverminderd hoog tot het einde van de jaren dertig en verdwijnt zeer abrupt vanaf het begin van de Tweede Wereldoorlog. Voor een deel houdt deze oversterfte direct verband met de risico's die vastzitten aan zwangerschap en bevalling. Er deden zich ook op middelbare leeftijd in Nederland echter aanzienlijke regionale verschillen voor in de mate waarin de sterftekansen van vrouwen van die van mannen afweken. Het gaat om een tegenstelling die vergelijkbaar is met die welke op jongere leeftijden werd gevonden. Onderzoek in Duitsland en Engeland wees uit dat deze hogere sterfte door de ondergeschikte positie van vrouwen in het gezin werd beïnvloed, terwijl ook het belang dat mannen en vrouwen aan hun huwelijk en hun kinderen hechtten een rol speelde. Moeders leken zich meer te ontzeggen dan vaders, een constatering die goed te rijmen valt met de schaarse bronnen van kwalitatieve aard.

Gezinsomstandigheden

Sekseverschillen in sterfte staan dus in verband met de context van het huishouden waarin de voor overleven relevante beslissingen worden genomen. Dat is het tweede thema dat aan de orde wordt gesteld: de historische verschillen in de sterfterisico's van personen die in verschillende gezinsomstandigheden leefden.

Het onderscheid tussen vrouwen op grond van hun burgerlijke staat leverde in de 19e eeuw een verschil op met grote politieke en sociale gevolgen. De gehuwde vrouw had in Nederland lang geen zeggenschap over eigen persoon en goed en evenmin over haar eigen kinderen. Hadden gehuwde vrouwen ook op het punt van de gezondheid een prijs te betalen voor hun afhankelijkheid? Sterfteverschillen tussen gehuwden, ongehuwden, gescheidenen en verweduwden en de veranderingen daarin over de tijd kunnen op deze vraag een antwoord geven.

Gedurende de gehele periode 1850-1969 hadden gehuwde mannen lagere sterfterisico's dan nooit-gehuwde mannen, terwijl tot het eerste decennium van de 20e eeuw weduwnaars hogere sterftecijfers hadden dan nooit-gehuwde mannen. Gescheidenen mannen hadden tussen 1870 en 1920 een twee maal zo hoog sterfterisico als de gehuwde mannen. De sterfteverschillen volgden bij de vrouwen ongeveer hetzelfde patroon, waarbij gehuwden de laagste en gescheiden vrouwen de hoogste sterfte kenden. De onderlinge verschillen waren bij vrouwen echter veel geringer.

In de literatuur worden twee verklaringen gegeven voor de relatie tussen burgerlijke staat en gezondheid: er wordt van uitgegaan dat burgerlijke staat de gezondheid beïnvloedt of dat gezondheid de burgerlijke staat beïnvloedt.

Selectie, direct en indirect, speelde inderdaad een rol maar daarnaast hadden verschillen in leefstijl, materiële omstandigheden, psychosociale factoren en het gebruik van gezondheidszorgvoorzieningen betekenis. Dat bleek onder meer uit verschillen in sterfte als gevolg van alcoholisme en als gevolg van ongevallen, verdrinking, verbranding en andere externe doodsoorzaken. Een meer geregeld en verzorgd leven, verschillen in materiële omstandigheden, in economische, sociale en emotionele steun van een partner en in psychosociale stress vertaalden zich ook in een afwijkende sterfte aan longtuberculose en suïcide. Ook zijn er aanwijzingen voor een verschillend gebruik van gezondheidszorgvoorzieningen.

Gezinssituatie van kinderen

Voor de betrokken mannen en vrouwen was de gezinssituatie dus van grote invloed op de gezondheidstoestand. Hoe zat dat met hun kinderen? Ook hun levenskansen waren afhankelijk van de vraag of ze ter wereld kwamen in een woning waarin één dan wel twee ouders aanwezig waren. Onderzoek naar de sterfte van kinderen die opgroeiden in een volledig gezin, in een gezin waarin de vader was overleden en de weduwe niet was hertrouwd, in een gezin waarin de moeder was overleden en de vader niet was hertrouwd, en in gezinnen waarin een van de ouders was overleden doch de overblijvende echtgeno(o)t(e) was hertrouwd wezen uit dat kinderen die opgroeiden met een stiefouder er niet slechter aan toe waren dan kinderen die in een volledig gezin opgroeiden.

Anders lag het echter bij de niet-hertrouwden. Kinderen die minder dan een half jaar oud waren op het moment dat hun moeder stierf, liepen een 6,5 keer zo grote kans om voor hun twaalfde te sterven dan even oude kinderen in een compleet gezin. Het wegvallen van de vader had minder ernstige gevolgen dan het sterven van de moeder maar werkte wel in dezelfde richting uit. Voor kinderen die al wat ouder waren op het moment dat ze wees werden bleek dat het verlies van de moeder geen effect meer had op het overlijdensrisico van het kind; wel gold dat voor het overlijden van de vader, althans in de eerste zes maanden na diens dood. Het onderzoek wijst erop hoe kwetsbaar een kind was als het een ouder moest missen. Het duidt ook op de grote verschillen in het belang van de vader- en de moederrol en op de weerbaarheid van het kind als dat eenmaal de eerste maanden van het leven had doorstaan.

Ook kinderen die opgroeiden in eenoudergezinnen van ongehuwde moeders hadden meer kans om in hun eerste levensjaar te sterven dan echtelijk geborenen. Deze grotere kwetsbaarheid van de buitenechtelijke kinderen nam echter na het eerste levensjaar af. Opmerkelijk was dat wanneer een kind na de geboorte werd gewettigd doordat de ouders een huwelijk sloten, een duidelijke verbetering van de levenskansen zichtbaar werd.

Belang van historisch onderzoek

De vraagstellingen en de gegevens van het onderzoek op het terrein van de geschiedenis van de volksgezondheid zijn de laatste jaren van steeds grotere betekenis geworden voor het actuele onderzoek naar de volksgezondheid. We kunnen daarbij enerzijds verwijzen naar opzienbarende recente studies waarin historische gegevens zijn gebruikt om biologische theorieën te testen, anderzijds naar een meer fundamentele heroriëntatie van onderzoek naar risicofactoren voor chronische ziekten. In de afgelopen jaren is er steeds meer aandacht gekomen voor de vroege oorsprong van chronische ziekten. De recent voorgestelde 'life course approach', die suggereert dat zowel gebeurtenissen tijdens de foetale periode als tijdens de jeugd en het volwassen leven invloed hebben op het ontstaan van chronische ziekten, maakt het belang van historisch onderzoek alleen nog groter.

* Plaats: Aula/Congresgebouw, Comeniuslaan 2, Nijmegen

* Titel van de rede: 'De statistieke ontleding van de dooden': een spraakzame bron?

------------------------------------------------------

Deel: ' Oratie 'de statistieke ontleding van de dooden' '




Lees ook