Katholieke Universiteit Nijmegen

Bron: Pers en Voorlichting, tel. (024) 361 22 30 Aanmaakdatum: 3 februari 1999

PERS & VOORLICHTING Persbericht

Bijzonder hoogleraar P. de Lange op de bres voor juridische positie pensioengerechtigde
GEBRUIK OVERSCHOTTEN PENSIOENFONDSEN VOOR KOOPKRACHTBESCHERMING

"Gebruik de zogenaamde overschotten van de pensioenfondsen voor koopkrachtbescherming van pensioen", bepleit bijzonder hoogleraar dr. P.M.C. de Lange in zijn oratie, woensdag 3 februari, bij de aanvaarding van zijn leerstoel Pensioenrecht aan de KU Nijmegen. De leerstoel is ingesteld door het mr. H.P.L.C. de Kruyff-fonds.

In de oratie Subjectief pensioenrecht besteedt De Lange (directeur van het Fiscaal Juridisch Adviesbureau van Centraal Beheer) vooral aandacht aan de juridische positie van de pensioengerechtigde zelf. Zo geeft hij onder meer aan dat ook een betrekkelijk lage inflatie op termijn nog een aanzienlijk deel van het ingegane pensioen kan laten verdampen. Zo zal iemand bij een inflatie van 2% per jaar op zijn
85ste verjaardag erachter komen dat zijn pensioengulden nog maar 67 cent waard is. Ook gaat hij in op gelijke behandeling van mannen en vrouwen, de vormgeving van de pensioenregeling, de invloed op de pensioenuitvoerder en de eigendom van het pensioengeld in relatie met de inflatiebescherming van pensioen.

Grote 'overschotten'

Op dit moment kennen de pensioenuitvoerders en in het bijzonder de pensioenfondsen enorme overschotten. Naar deze overschotten wordt natuurlijk met een begerig oog gekeken door alle belanghebbenden. De tegoeden zijn onder andere ontstaan als gevolg van voorzichtige uitgangspunten die in pensioenregelingen moeten worden gehanteerd. Om zeker te zijn dat in ieder geval de beoogde pensioengelden worden opgebouwd, wordt verplicht uitgegaan van een lage rekenrente. Dit is ook logisch aangezien het nogal uitmaakt of gedurende 40 jaar 4, 5 of
6% rendement per jaar wordt gerealiseerd. Een gulden, aan het begin gestort, levert namelijk na 40 jaar een opbrengst op van respectievelijk fl. 4,80, fl. 7,04 of fl. 10,29.

Wiens eigendom?

"Wie is eigenlijk eigenaar van het pensioenvermogen?" vraagt De Lange zich af. Dat is immers van belang als het gaat over verdeling van overschotten. Als de toezegging van bepaalde bedragen uitgangspunt is, behoeft daaraan niet meer vermogen besteed te worden dan nodig is om de belofte na te komen. Met andere woorden: de overschotten kunnen dan in beginsel - zonder rechtvaardigheidsproblemen - terugvloeien naar de werkgever.

Volgens De Lange is het echter niet altijd juist om te spreken over overschotten. Deze zogenaamde overschotten vormen namelijk volgens hem mede een onderdeel van een redelijke pensioendekking. Met deze gelden is het mogelijk om de noodzakelijke koopkrachtbescherming van pensioen te realiseren. Het praktische probleem is echter dat de verzekeringstechnische dekking van waardevastheid (of welvaartsvastheid) zodanig lastig is dat op dit punt vrijwel nooit een harde toezegging wordt gedaan. De toekomstige inflatie is namelijk zo onzeker dat er eigenlijk niet voor verzekerd kan worden.

Aan de hand van een concreet rekenvoorbeeld toont De Lange het belang van koopkrachtbescherming aan. Bij een geringe geldontwaarding van 2% per jaar is de pensioengulden na tien jaar nog maar 82 cent waard (na
20 jaar 67 cent). Anders gezegd iemand die vanaf zijn 65ste verjaardag een pensioen ontvangt van fl. 60.000 per jaar, krijgt door de geldontwaarding op zijn 75ste nog maar fl. 49.200 (op leeftijd 85 is dat fl. 40.200).

De Lange pleit er dan ook voor om de koopkrachtbescherming op te nemen als verplicht en noodzakelijk onderdeel van de pensioenregeling. De zogenaamde overschotten kunnen op deze wijze worden ingezet als onderdeel van de noodzakelijke dekking. Zo kan worden gegarandeerd dat het pensioen daadwerkelijk een redelijke voortzetting vormt van het besteedbaar inkomen. Dat is uiteindelijk de bedoeling. Per slot van rekening wil iedereen daadwerkelijk van een waardevast pensioen kunnen genieten.

Gelijke behandeling

In het begin van de volgende eeuw moet in elke pensioenregeling de mogelijkheid zijn opgenomen om in plaats van een nabestaandenpensioen te kiezen voor een vervroegde pensioenuitkering of de mogelijkheid om wat meer ouderdomspensioen te ontvangen. Bij het maken van die keuze speelt het verschil in levensverwachting tussen mannen en vrouwen (die leven gemiddeld 5 jaar langer) een grote rol. De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is van mening dat een actuariële waardering, die rekening houdt met deze ongelijke levensverwachting voor mannen en vrouwen, geen goede grondslag kan zijn voor de uitwerking van deze keuze.

Volgens De Lange gaat de staatssecretaris met deze beoogde regelgeving voorbij aan het wezenlijke verschil tussen een pensioenregeling, die is gebaseerd op een toezegging van bepaalde pensioenbedragen en een regeling, die is gebaseerd op beschikbare premie. Het voornemen van de staatssecretaris levert duidelijke problemen op voor de op dit moment steeds populairder wordende beschikbare premieregelingen. Door dit voorstel komt volgens De Lange de gewenste gelijke beloning voor mannen en vrouwen in dit soort regelingen onder druk te staan. Hij vindt het dan ook onjuist dat de regelgever gebruik lijkt te maken van het gebrek aan inzicht van de belanghebbenden over deze lastige materie.

De Lange is van mening dat bij een beschikbare premieregeling de premie voor mannen en vrouwen gelijk moet zijn. Dat leidt dan wel tot ongelijke uitkeringen, omdat de levensverwachting van mannen en vrouwen ongelijk is. Vanwege het verschil in levensverwachting kunnen gelijke uitkeringen niet worden gebaseerd op gelijke premies, want dan worden mannen ongelijk behandeld. In de 'klassieke' regeling is het overigens wel toegestaan om de verplichte gelijke uitkeringen voor mannen en vrouwen te baseren op ongelijke premies voor de werkgever.

Medezeggenschap beter gewaarborgd

In de praktijk is een pensioenfonds vaak een stichting (hoewel niet wettelijk vereist). Binnen een dergelijke stichting worden de bevoegdheden en de macht geconcentreerd bij een bestuur dat eigenlijk geen verantwoording verschuldigd is aan de belanghebbenden. De gezonde checks en balances, die bijvoorbeeld in het verenigingsrecht wel aanwezig zijn, ontbreken in het stichtingenrecht. De pensioengerechtigden kunnen daardoor weinig directe invloed uitoefenen op het beleid van het stichtingsbestuur.

De Lange pleit er dan ook voor om de pensioenfondsen om te zetten in onderlinge waarborgmaatschappijen. Leden daarvan zijn naast klant ook beïnvloeder van het beleid. De onderlinge waarborgmaatschappij is een bijzondere vorm van de vereniging, die zich bezig houdt met het sluiten van verzekeringsovereenkomsten met haar leden. Het onderlinge karakter sluit dan ook voortreffelijk aan bij de taak van een pensioenuitvoerder. De mondige burger wordt zo in staat gesteld om meer betrokken te worden bij de ontwikkelingen rondom zijn eigen pensioenregeling. De al bestaande deelnemersraden hebben daarvoor te weinig macht.

Deel: ' Oratie Overschot pensioenfondsen voor koopkrachtbescherming '




Lees ook