Provincie Utrecht


Persbericht
27 januari 1999

OVERLEGPARTNERS KOMEN MET VISIE OP DE TOEKOMST VAN DE LANDBOUW

De landbouw is een essentiële functie voor Utrecht, niet alleen als voedselproducent, maar ook voor het beheer en de instandhouding van het prachtige landelijke gebied. De functie moet sterker worden, juist omdat ze niet groter wordt. Dat is de centrale boodschap vanuit de landbouwsector in de provincie Utrecht. Gedeputeerde Staten van Utrecht onderschrijven die visie.

Vier procent van de landbouwers stopt met het bedrijf en 15.000 van de 69.000 hectare landbouwgronden krijgt een andere functie. De landbouwbedrijven krijgen ook te maken met een achterblijvende bedrijfsomvang vergeleken met elders in Europa. In Utrecht is de toenemende stedelijke druk duidelijk en hogere grondprijzen aan de ene kant en prijsdaling als gevolg van de vrije Europese markt aan de andere kant schetsen de problematiek. Maar naast de bedreidingen zijn er ook kansen.

Dat blijkt uit het rapport "Naar een sterkere landbouw in Utrecht" van het Provinciaal Overleg Landbouw Ontwikkelingen (POLO). In het POLO zitten vertegenwoordigers van de provincie Utrecht, de Gewestelijke Land- en Tuinbouworganisatie en het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Tot op heden functioneert de Nederlandse landbouw goed ten opzichte van de gemiddelde situatie in de EU. Dat komt onder andere door een goede benutting van de praktijkkennis, grote afzetgebieden op korte afstand, een intensieve en doelmatige productie en een goed georganiseerde handel. Maar er zijn regio's in de EU waar de landbouw zich sterker ontwikkelt. Tegen die achtergrond heeft het POLO een studie gemaakt naar de markt en de concurrentiekracht van de landbouw in Utrecht.

Tien jaar vooruitkijken
De notitie schetst een visie op de toekomst voor de komende tien jaar vanuit de landbouw. Er is vooral gelet op factoren die de ontwikkeling van duurzame bedrijven kunnen belemmeren. De in de notitie opgenomen actiepunten (21 in getal) moeten bijdragen aan de gewenste oplossingen. Afgesproken is welke van de overlegpartners het voortouw neemt voor de uitvoering daarvan. Naast de actiepunten kan ook het beleid van de provincie in het kader van het landelijk gebied bijdragen aan een versterking van de structuur van de landbouw.

Afstemming met Koepelnotitie
De aanbevelingen in de rapportage komen sterk overeen met die in de Koepelnotitie, die in het najaar van 1998 door Provinciale Staten is vastgesteld. Zo worden in beide notities verbreding en verdieping van de landbouw, met name in de niet kerngebieden, als oplossingsrichting genoemd. Verbreding betekent dat er meer ruimte moet komen voor functies als natuur, recreatie en zorglandbouw. Verdieping houdt in dat er meer aandacht komt voor het inpassen van extra waarden aan de landbouw, zoals biologische producten, boeren zuivel en andere streekeigen producten. Bovendien is in de eindrapportage een indeling gemaakt van het landelijk gebied in landbouwkerngebieden, verwervingsgebieden en overgangsgebieden rond steden. De indeling van het landelijk gebied en de inpassing van andere functies is gemaakt om op Europese schaal te kunnen blijven concurreren.

Actiepunten
De provincie is trekker bij de uitwerking van algemene of gebiedsgerichte actiepunten.


* Herstructurering en reconstructie van de varkenshouderij en het onderzoek naar het effect daarvan op andere takken van de veehouderij.
In het voorjaar van 1999 stelt het Bestuurlijk Overleg Reconstructie Concentratie Oost-Nederland (BORCO) stelt een nota van uitgangspunten op voor de nog in te stellen reconstructiecommissies, waarin ook de samenhang met andere takken van de veehouderij aan de orde komt.

* Plan van Aanpak voor de biologische landbouw. Het plan is eind 1999 gereed en schenkt vooral aandacht aan de structuur en de organisatiegraad van de biologische landbouw.
* Onderzoek naar meer ruimte voor de intensieve veehouderij. Onderzocht wordt welke ruimte de intensieve veehouderij nodig heeft om zich gezond te kunnen ontwikkelen. De resultaten worden ingebracht bij de herziening van het streekplan. Het onderzoek wordt afgerond in 1999.

* Onderzoek naar vereenvoudiging van de regelgeving. De complexiteit van de milieuregelgeving en de kostenverhoging door het systeem van productierechten (bijvoorbeeld melkquotum, ammoniakrechten) tasten de corurrentiekracht van de landbouw aan. Het ministerie van LNV neemt de resultaten van het onderzoek mee in 2000.

* Opstellen van een regionaal ontwikkelingsplan (ROP). Dit gebeurt in samenwerking met ander provincies in regio-verband. Het ROP moet begin 2000 gereed zijn en dient als basis voor het toekennen van EU-subsidies.

* Zonering van functies in het Kromme Rijn-gebied. In samenwerking met de gebiedscommissie Groenraven-Oost wordt het gebied tussen Houten en Utrecht zo ingericht dat de verschillende functies (waaronder de landbouw) zich optimaal kunnen ontwikkelen.
* Beperken van de niet-agrarische bebouwing Lopikerwaard. De ontwikkeling van de landbouw blijft daar achter door het toestaan van niet-agrarische bebouwing. In de eerste helft van 1999 stuurt de provincie haar standpunt hierover naar de gemeenten.
(Voor informatie: Frank Santman actueel@prvutr.nl 030 - 258 33 25)

Deel: ' Overlegpartners komen met visie toekomst landbouw Utrecht '




Lees ook