Katholieke Universiteit Nijmegen

Bron: Pers en Voorlichting, tel. (024) 361 22 30 Aanmaakdatum: 10 februari 1999

PERS & VOORLICHTING Persbericht

Nijmeegse Studentenenquête 1998:
Ouders compenseren overheidsbezuiniging
PRESTATIEBEURS HEEFT GEEN POSITIEF EFFECT OP STUDIEVOORTGANG

Prestatiebeursstudenten besteden niet meer uren aan hun studie dan tempobeursstudenten. Prestatiebeurs leidt niet tot sneller studeren en daarmee wordt het doel van die beurs - een hogere prestatie en dus een hoger studietempo - niet bereikt. Daarbij blijven de nadelen overeind: door de prestatiebeurs zullen uiteindelijk minder begaafde studenten hun studie beëindigen zonder diploma, maar met een hoge rentedragende schuld. Ondanks de beurskorting van de afgelopen jaren, is de financiële situatie van studenten niet verslechterd. Ze gaan liever werken dan dat ze lenen en ouders springen bij. De overheidskorting is door de ouders gecompenseerd.

Dit blijkt uit de resultaten van de Nijmeegse Algemene Studentenenquête 1998, een onderzoek onder ruim 1500 studenten van de Katholieke Universiteit Nijmegen (zie noot). De enquête wordt jaarlijks verricht in opdracht van de Dienst Studentenzaken en het College van Bestuur. De prestatiebeurs mist een regelmatige terugkoppeling van de studievoortgang naar de studiebeurs zoals bij de tempobeurs het geval is. Volgens de vorige week gepresenteerde plannen van minister Hermans wordt de prestatiebeurs ook ingrijpend gewijzigd. De hoogte van de beurs verandert niet. Ouders zullen dus financieel moeten blijven bijspringen.

Tempo- en prestatiebeurs

Studenten die in 1996 zijn gaan studeren vallen onder een andere studiefinancieringsregeling dan hun voorgangers. Tot die tijd gold de tempobeurs, waarbij de beurs was gekoppeld aan studievoorgang. Als men de norm niet haalde, werd de aanvullende beurs omgezet in een rentedragende lening. Onder het regime van de prestatiebeurs worden studenten niet meer jaarlijks 'afgerekend' op behaalde studiepunten. Men is meer vrij om de studie in te delen, mits men in totaal niet langer dan zes jaar studeert. Doet men er langer over, dan dreigt er een hoge rentedragende schuld. De prestatiebeursstudenten hebben vanaf het vijfde jaar geen studiebeurs meer. De kans is groot dat ze dan nog meer uren gaan werken en zodoende nog langer over hun studie gaan doen. Als gevolg hiervan zullen een extra aantal studenten de diplomatermijn overschrijden en met een nog grotere rentedragende studieschuld worden opgezadeld.

De tempobeurs had in vergelijking met de prestatiebeurs twee voordelen:

* Studenten werden sneller geconfronteerd met de gevolgen van een te langzame studievoortgang. Ze waren zodoende eerder geneigd hun studieplannen aan te passen.

* De kans op een grote rentedragende studieschuld is veel kleiner.

Ouders compenseren korting op studiefinanciering

Ruim 88% van de studenten in het Nijmeegs onderzoek ontvangt een studiebeurs. Bij 80% dragen de ouders financieel bij. Slechts 13% heeft bovendien een aanvullende rentedragende lening. Veel studenten schrikken daarvoor terug en gaan liever werken.

Ondanks inkomsten uit betaalde arbeid, blijft het gemiddelde studenteninkomen onder de norm zoals die door OC&W wordt geïndiceerd (fl. 1.160,- uitwonend): 48% heeft een lager maandinkomen. Minder dan de helft van het maandinkomen (fl. 551,-) krijgt de 'modale' student uit studiefinanciering. Een derde krijgt men uit ouderlijke bijdrage en 20% wordt zelf verdiend. De maandelijkse ouderbijdrage is in de afgelopen jaren gestegen van fl. 230,- naar circa fl. 400,-. Het inkomen uit betaalde arbeid ging van fl. 117,- naar fl. 236,- per maand.

Hier komt bij dat het norminkomen zoals OC&W dat opstelt te laag is. Daarin is bijvoorbeeld een component opgenomen van fl. 94,47 voor boeken en leermiddelen. Niet meegenomen is het feit dat bijna alle studenten de afgelopen jaren een eigen PC hebben aangeschaft. De extra exploitatielasten van een PC (circa fl. 100,- per maand) zijn niet in het norminkomen verwerkt.

Ondanks het feit dat studenten meer genoodzaakt zijn te werken, resteert gemiddeld 5 uur per week voor vrijwilligerswerk. Gemiddeld studeert men 32 uur per week, gedurende 42 weken per jaar. Er zijn wel aanzienlijke verschillen tussen de faculteiten. Bij de alfa- en gamma-faculteiten studeert men circa 29 uur per week; voor de bèta-faculteiten is dat 39-40 uur per week.

Noot
Algemene Studentenenquête 1998, IOWO-Nijmegen, drs. A.H.M. Verrijt, in opdracht van de Dienst Studentenzaken van de Katholieke Universiteit Nijmegen.

Deel: ' Prestatiebeurs heeft geen positief effect op studievoortgang '




Lees ook