Ingezonden persbericht

Promotieonderzoek Ed Brand over het persoonlijkheidsonderzoek in het strafrecht.

Onderzoek naar toerekeningsvatbaarheid van (vermeende) criminelen mist hecht theoretisch fundament

Het huidige gedragskundig onderzoek van psychisch gestoorde verdachten ontbeert een hecht weten schappelijke fundament. Omdat de conclusies van de gedragsdeskundigen grote consequenties kunnen hebben voor de sanctie die de rechtbank de verdachte oplegt - behandeling in een Tbs-kliniek of een psychiatrisch ziekenhuis - behoeft dit zogenoemde Pro Justitia onderzoek bijstelling. Dat stelt klinisch psycholoog drs. E.J.P. Brand die vrijdag 14 september met een studie op het gebied van het strafrecht promoveert aan de Katholieke Universiteit Brabant.

In geval van een ernstig misdrijf, waarbij het vermoeden bestaat dat de verdachte psychisch gestoord is, geeft de rechtbank aan gedragsdeskundigen de opdracht een psychiatrisch en/of psychologisch onderzoek te verrichten. In bijzondere gevallen wordt de verdachte daartoe opgenomen in het Pieter Baan Centrum in Utrecht.

In zijn proefschrift stelt Brand echter vast dat het door gedragsdeskundigen aangenomen verband tussen een bepaalde psychiatrische stoornis en de mate van toerekeningsvatbaarheid theoretisch niet is onderbouwd. Het verslag van de gedragskundigen (het zogeheten Pro Justitia-rapport) geeft de rechterlijke macht niet het gewenste inzicht in het verband tussen de persoon van de psychisch gestoorde verdachte en diens delict.

De vraag die centraal staat in Brands onderzoek is welke gedragswetenschappelijke theorie aan de toerekeningsvat baarheidsbepaling ten grondslag ligt, meer in het bijzonder de bestaande gradaties daarin: ontoerekeningsvatbaar, sterk verminderd, verminderd, enigszins verminderd en toerekeningsvatbaar? Zijn proefschrift biedt een theoretisch model om het verband tussen de persoon van de psychisch gestoorde verdachte en zijn delict vast te stellen. Ook biedt het een methode om de psychisch gestoorde het delict - indien bewezen geacht - gradueel toe te rekenen, en om te bepalen welke straf of behandeling zinvol is gegeven de persoonlijkheid van de verdachte. Dit laatste met het oog op het voorkomen van recidive.

Om de mate van toerekeningsvatbaarheid en behandelbaarheid van de verdachte vast te stellen, en het persoonlijkheidsonderzoek ook voor de rechterlijke macht inzichtelijk te maken, zou de gedragsdeskundige niet zozeer het psychiatrische ziektebeeld van een verdachte moeten beschrijven (zoals nu gebruikelijk is), maar diens persoonlijkheids- en denkstructuur. Niet het psychiatrisch ziektebeeld maar het abstractieniveau waarop de verdachte zijn gevoelsleven interpreteert (waarneemt) bepaalt volgens Brand in hoeverre hij ten tijde van het delict in staat was de morele consequenties van zijn (criminele) handelen te voor- en te overzien.

Een dergelijk onderzoek zou slechts een minimum aan details over de persoon van de verdachte hoeven te bevatten, en geeft de rechterlijke macht op efficiënte wijze inzicht in het vermogen van de verdachte om zijn (criminele) gedrag te verantwoorden en zich in voorkomende gevallen schuldig te weten. Een dergelijk onderzoek zou ook toegepast kunnen worden bij jeugdigen: Brand acht het op ontwikkelingspsychologische gronden verantwoord om de minimumleeftijd in het strafrecht te verlagen van 12 naar 10 jaar.

Klinisch psycholoog drs. Ed Brand (1955) is momenteel werkzaam in de Forensische Observatie en Begeleidingsafdeling te Amsterdam en is daarnaast verbonden aan Psychiatrisch Ziekenhuis Duin en Bosch te Castricum. Zijn onderzoek betreft het strafrecht.

Deel: ' Promotie Begrip 'toerekeningsvatbaarheid' mist fundament '




Lees ook