Erasmus Universiteit Rotterdam

16 februari 2000

RSV bronchiolitis als zuigeling leidt niet tot het ontwikkelen van astma op latere leeftijd

Zuigelingen die een ontsteking van de kleine luchtwegen door een infectie met het respiratoir syncytieel virus (RSV) doormaken, hebben geen verhoogde kans op het ontwikkelen van astma op latere leeftijd. Dit is één van de conclusies van klinisch-epidemiologisch onderzoek naar infecties door RSV op de zuigelingenleeftijd, verricht door M.C.J. Kneyber in het Rotterdamse Sophia Kinderziekenhuis.

Hij verdedigt op 16 februari 2000 aan de Erasmus Universiteit zijn proefschrift Respiratoir syncytieel virus (RSV) infecties op jonge leeftijd: epidemiologische en klinische aspecten.

RSV is de belangrijkste verwekker van lagere luchtweginfecties bij zuigelingen en jonge kinderen. Ofschoon jaarlijks vele kinderen in de wintermaanden worden geïnfecteerd door het virus, hoeft slechts een klein percentage van deze kinderen te worden opgenomen in het ziekenhuis. In het algemeen kennen infecties door RSV een mild ziektebeloop. Een aantal kinderen heeft echter zuurstoftoediening of kunstmatige beademing nodig. Van het virus is bekend dat er twee subtypes bestaan die zowel onafhankelijk als gezamenlijk kunnen circuleren in de populatie tijdens een epidemie. In verband met de ontwikkeling van een vaccin is het van belang om te weten of een van de twee subtypes is geassocieerd met een ernstiger ziektebeloop (meer zuurstofbehoefte, toegenomen noodzaak tot beademing of vaker opname op de intensive care). Uit onderzoek van Kneyber blijkt dat dit echter niet het geval is. Zodoende dient een vaccin te worden ontwikkeld dat tegen beide subtypes bescherming geeft.

Kinderen met een infectie door RSV kunnen zich, naast tekenen van een bovenste of een onderste luchtweginfectie, ook presenteren met een periode van een ademstilstand. De kans hierop blijkt het grootst bij zuigelingen van 2 maanden of jonger. Ook kinderen die in het ziekenhuis worden opgenomen, lopen nog het risico om een dergelijke periode van een ademstilstand door te maken. Het risico is het grootst gedurende de eerste 48 uur van opname. In het proefschrift wordt dan ook geadviseerd om zuigelingen van 2 maanden of jonger op te nemen en gedurende enkele dagen te bewaken teneinde een mogelijke periode van ademstilstand te ontdekken.

Bij kinderen met een infectie door RSV die zich presenteren aan de kinderarts wordt vaak een thoraxfoto gemaakt om een mogelijke longontsteking uit te sluiten. Er is echter geen relatie tussen de bevindingen bij lichamelijk onderzoek en de afwijkingen op de thoraxfoto. Bovendien kent het veelvuldig maken van röntgenfotos nadelen zoals blootstelling aan straling en brengt hogere kosten met zich mee. In het proefschrift wordt een model beschreven waarmee patiënten geïdentificeerd kunnen worden die zeer waarschijnlijk een normale thoraxfoto hebben. Zodoende kan het aantal onnodige thoraxfotos sterk worden gereduceerd.

Kinderen die een ontsteking van de kleinere luchtwegen (bronchiolitis) hebben doorgemaakt ten gevolge van een infectie door RSV, ervaren vaak in de jaren volgende op hun ziekenhuisopname episodes met een piepende ademhaling gelijkende op astma. Gedacht kan dan ook worden dat een infectie door RSV aanleiding geeft tot de ontwikkeling van astma op latere leeftijd. In het proefschrift worden de resultaten van een literatuurstudie beschreven. Hieruit blijkt dat kinderen die een bronchiolitis hebben doorgemaakt, niet vaker allergisch zijn of vaker een familielid met astma en/of allergie hebben in vergelijking met controlegroepen. Het voorkomen van episodes met een piepende ademhaling kan doorgaan tot op lagere-schoolleeftijd, ofschoon de incidentie sterk afneemt. Er is echter geen relatie tussen RSV bronchiolitis op de zuigelingenleeftijd en het doormaken van meer dan drie episodes met een piepende ademhaling gelijkende op astma bij kinderen ouder dan vijf jaar.

Kneyber geeft een uitgebreid overzicht over de therapeutische mogelijkheden bij kinderen met infecties door RSV. Er is geen effectieve medicatie, hooguit kan ondersteunende therapie worden aangeboden. Bescherming tegen infecties door RSV kan door middel van vaccinatie of passieve immunisatie. De ontwikkeling van een vaccin vordert, doch het zal nog zeker een aantal jaar duren voordat er een effectief vaccin beschikbaar komt. Passieve immunisatie kan met een recent beschikbaar gekomen middel, palivizumab. Het betreft een middel bestaande uit monoclonale antilichamen tegen RSV. Het is echter duur en blijkt niet bij alle kinderen even effectief. Het gebruik ervan wordt vooralsnog alleen overwogen bij kinderen die een verhoogd risico hebben op het doormaken van een ernstige infectie door RSV. Dit betreft te vroeg geboren kinderen en kinderen met chronisch longlijden. De promovendus is van mening dat lokale richtlijnen nodig zijn om tot een verantwoord gebruik te komen van palivizumab.

Promotor: prof.dr. R. de Groot, Kindergeneeskunde, in het bijzonder infectieziekten en de immunologische aspecten daarvan.

Deel: ' Promotie Ersamus geen verband RSV-bronchiolitis en astma '




Lees ook