Universiteit Twente


99/21 8 maart 1999

Ruim 1000 huisartsen passen nieuwe methode toe

Huisarts helpt bij stoppen met roken

Roken is veruit de belangrijkste bedreiging voor onze gezondheid die valt te vermijden. Daarom geldt het terugdringen van het aantal rokers als één van de grootste uitdagingen voor de gezondheidszorg. Onder leiding van de Universiteit Twente is een voorlichtingsprogramma ontwikkeld, de Minimale Interventie Strategie (MIS) genoemd, waarmee huisartsen hun rokende patiënten met meer succes kunnen adviseren en begeleiden bij het stoppen met roken. Dankzij een implementatieproject op landelijke schaal wordt het programma in zeker 1000 huisartspraktijken gebruikt.

Op 19 maart aanstaande verdedigt drs. M. Pieterse van de faculteit Wijsbegeerte en Maatschappijwetenschappen zijn proefschrift over 'Stoppen met roken met hulp van de huisartspraktijk'.

De huisarts heeft persoonlijk contact met patiënten. Veel van de klachten die hij of zij ziet hangen samen met roken. Een huisarts heeft dus goede mogelijkheden om rookgedrag aan de orde te stellen. Toch hebben huisartsen tot nu toe weinig kunnen bijdragen aan de bestrijding van rookgedrag. Dit wordt onder meer veroorzaakt door de traditie dat een huisarts 'geneest' en niet preventief voorlicht, de hoge werklast van de arts, onvoldoende vaardigheden en een gebrek aan effectieve hulpmiddelen. Aan de Universiteit Twente is daarom een methode ontworpen die een antwoord biedt op deze belemmeringen en waarmee de huisarts en de praktijkassistente samen rokers daadwerkelijk kunnen helpen bij het stoppen.

In nauwe samenwerking met de Universiteit Maastricht toetste drs. Marcel Pieterse deze methode aan de praktijk. Het programma, de Minimale Interventie Strategie (MIS), is tot stand gekomen nadat huisartsen kenbaar hadden gemaakt aan welke randvoorwaarden voorlichting over het stoppen met roken moet voldoen. Zo moesten minimaal 10 tot 20% van de patiënten succesvol stoppen, moest het programma eenvoudig inpasbaar zijn, weinig tijd kosten, en moest ook de assistent een deel van de taken kunnen verrichten. Op basis hiervan is het materiaal ontwikkeld: een stappenplan, een bijscholingscursus en een handleiding voor de huisartsen, een registratiekaart en een geïllustreerde brochure voor de patiënt.

Het programma MIS is vervolgens zowel op praktische uitvoerbaarheid als op werkzaamheid getoetst. De uitkomsten hiervan waren positief: huisartsen en praktijkassistentes waren tevreden over de training, konden goed met MIS uit de voeten en boekten succes bij het ondersteunen van rokende patiënten. De MIS kost de huisarts slechts ongeveer 10 minuten per toepassing, terwijl de adviezen twee tot drie keer zo effectief zijn als het traditionele advies dat huisartsen geven. Circa 15% van de rokers stopt met succes.

Vervolgens ontwikkelde Pieterse een strategie om het voorlichtingsprogramma planmatig te implementeren onder de Nederlandse huisartsen. De landelijke verspreiding, in nauwe samenwerking met de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV), het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) en Stichting Volksgezondheid en Roken, startte in 1994. Eén van de ambitieuze doelstellingen was dat binnen twee jaar 15% van de Nederlandse huisartsen de MIS zou toepassen. Deze doelstelling is gehaald: zo'n 1000 artsen gebruiken sinds 1996 het programma.

Ook huisartsen-in-opleiding worden al geschoold in het toepassen van de MIS.

Bovendien is het programma inmiddels opgenomen in het beleid van zowel de LHV als de NHG. Dit betekent dat de MIS een vaste plek heeft gekregen in de huisartswereld. Het programma vindt daarnaast inmiddels toepassing bij andere beroepsgroepen. Tenslotte leent het voorlichtingsprogramma zich goed voor vertaling naar andere ongezonde eetgewoontes (alcohol, medicijnverslaving, voeding).

Deel: ' Promotie Huisarts helpt bij stoppen met roken '




Lees ook