Erasmus Universiteit Rotterdam

10 september 1999

Nietzsches invulling van vriendschap en liefde inspireert tot een streven naar kennis zonder waarheid

Vrolijke wetenschap

Friedrich Nietzsche (1844-1900) was meer vakwetenschapper dan filosoof. Als `taalgeleerde' (filoloog) stond voor hem het streven centraal naar begrip van mensen - in het verleden (klassieke Grieken), het heden (vrienden en geliefden) en tenslotte ook in de toekomst (Übermenschen). Zijn gerichtheid op contact met mensen ondersteunt een wetenschapsopvatting die niet gericht is op het vinden van de waarheid, maar op het vinden van manieren om met anderen te leven.

Dit vereist dat wetenschap ertoe aanzet om te lachen om zichzelf. Herlezing van Nietzsches werk draagt zo, behalve tot een onverwacht beeld van deze uitzonderlijke `filosoof', bij tot een ongebruikelijke opvatting van wetenschap - die bij de huidige ondermijning van grote waarheden uitermate opbouwend kan zijn. Dit betoogt Niels Helsloot in zijn proefschrift `Vrolijke wetenschap, Nietzsche als vriend'. Hij promoveert op vrijdag 10 september 1999 aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.

Meer dan een eeuw geleden stelde Nietzsche dat één van zijn boeken waarschijnlijk pas tegen het jaar 2000 echt kon worden gelezen. Via teksten zocht hij contact met verre anderen - desnoods in de toekomst, maar eerst in zijn eigen tijd, en aanvankelijk juist in het verleden. Die zoektocht vormde de inzet van zijn studie en hoogleraarschap in de klassieke filologie: in het lezen van geschriften uit de oudheid. Al zijn omgang met mensen draagt een filologisch stempel; hij bevond zich steeds in het spanningsveld tussen de afstand die nodig is voor goed begrip, en de nabijheid waartoe verlangen naar begrip drijft. Vanuit die spanning probeert ook dit proefschrift de tussenliggende eeuw te overbruggen.

De nadruk op `lezen' werpt een ander licht op Nietzsches werk dan tot dusver gebruikelijk is. Hij was meer wetenschapper dan filosoof. Zijn wetenschapsopvatting was gericht op taalonderzoek om begrip tot stand te brengen tussen scherp van elkaar onderscheiden individuen, maar hij probeerde binnen de wetenschap ook plaats te maken voor `filosofische' bevlogenheid door een culturele eenheid die alle verschillen overstijgt. Dit culturele doel drukte hij uit in de gezamenlijke roes die optreedt wanneer men gegrepen wordt door muziek. Nietzsche is `filosofisch' interessant omdat hij in zijn taalopvatting de muziek niet wilde buitensluiten, hoezeer dat ook in de wetenschap van zijn tijd - en tot op heden - gangbaar was.

Deze aandacht voor muziek verleent wetenschappelijk belang aan Nietzsches `stemmingen', aan de manier waarop hij in zijn persoonlijke leven heen en weer werd geslingerd tussen afstandelijk streven naar begrip, en zelfverlies in contacten met mensen waarvan hij hield. Zijn sceptische (en aanvankelijk tragische) wetenschapsopvatting ontwikkelde zich geleidelijk tot een levenshouding die het mogelijk maakte om te lachen om alles wat hem dierbaar was, met inbegrip van zichzelf. Deze `wetenschappelijke vrolijkheid' was een reactie op zijn intense vriendschap met de musicus Richard Wagner. Terwijl Wagner in zijn composities de taal centraal stelde, was Nietzsche in hun verhouding de eigenlijke musicus. Dit komt vooral tot uiting in Nietzsches volgende grote liefde, die gericht was op een vrouw (Lou von Salomé).

Terwijl liefde tussen mannen strijd inhield, draaide de liefde tot een vrouw om het bezingen van een onbereikbaar ideaal. Dit troubadoursideaal bood een uitgangspunt voor werkelijk begrip doordat het de mogelijkheid biedt om een afstand te bepalen van waaruit de eigen ondergang in de strijd, liefde opwekt voor `het goddelijke kind' dat over je heen loopt. De schrikaanjagende Übermensch die hem overwint, blijkt een onschuldig klein meisje te zijn. Vrolijke wetenschap, in de zin van troubadourswetenschap, maakt het mogelijk om daarom te lachen.

Helsloot bespreekt zijn proefschrift Nietzsches vakwetenschappelijke ontwikkeling , zijn wetenschapskritiek, zijn filosofie van de afstand, de persoonlijke aspecten van deze filosofie en de uitwerking ervan in het project van een `vrolijke wetenschap'. De proloog en epiloog gaan in op de handvatten die dit project biedt om de huidige wetenschappelijke cultuur voort te zetten in het licht van de (post-)moderne teloorgang van waarheid en betekenis.

Promotoren: prof.dr. A.C. Zijderveld, Sociologie en prof.dr. J. de Mul, Wijsgerige antropologie en haar geschiedenis

Deel: ' Promotie over Nietzsches invulling van vriendschap en liefde '




Lees ook