Rijks Universiteit Groningen


Promotie

Speciale aandacht voor kind met taalstoornis mag niet verslappen

Datum en tijd donderdag 20 mei 1999, 14.45 uur

Promovendus J. de Jong

Proefschrift Specific language impairment in Dutch: inflectional morphology and argument structure

Promotores prof.dr. F. Zwarts, prof.dr. P.J. Fletcher

Faculteit letteren

Plaats Aula Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen

De Jong (Wageningen, 1955) studeerde algemene taalwetenschap aan de Universiteit van Amsterdam. Hij verrichtte zijn promotieonderzoek bij de vakgroep Nederlands van de Rijksuniversiteit Groningen, binnen de onderzoekschool BCN (Groningen graduate school for Behavioral and Cognitive Neurosciences). Het project is opgezet in samenwerking met de vakgroep Linguïstiek van de universiteit van Reading (GB). De vergelijking van de resultaten uit de twee taalgebieden moet nog plaatsvinden. Momenteel werkt hij in deeltijd als klinisch taalkundige in een multidiciplinair team. Het team diagnostiseert kinderen bij wie een taalprobleem wordt vermoed.

Taalkundige Jan de Jong onderzoekt kinderen die een taalachterstand hebben waarvoor geen oorzaak (neurologisch, perceptueel, cognitief of anderszins) valt aan te wijzen. Dit heet een specifieke taalstoornis, ook wel aangeduid als SLI naar de Engelse benaming specific language impairment. De symptomen van SLI zijn tot nu toe voornamelijk in Engelstalige landen onderzocht. De Jong heeft er in zijn onderzoek onder meer naar gekeken of de symptomen in het Nederlands afwijken. Dat is mogelijk omdat de symptomen bestaan uit bijvoorbeeld problemen met het vervoegen van een werkwoord, iets wat in elke taal weer anders is. Bij zijn poging om het beeld van de taalstoornis compleet te maken, keek hij in welke vorm problemen met werkwoordvervoeging voorkwamen bij Nederlandse kinderen met SLI. Het gaat dan om vragen als: 'zet het SLI-kind het werkwoord in het meervoud als het onderwerp daarom vraagt' of 'gebruikt het kind een verleden tijd als uit de context blijkt dat dat nodig is'. Als onderzoeksmethode liet De Jong de kinderen filmpjes zien. Na afloop vroeg hij ze om scènes daaruit na te vertellen. Een tweede vraag in het onderzoek was, hoe het precies zit met de problemen die te maken hebben met de relatie tussen het werkwoord en de bijbehorende zinsdelen (de 'argumentstructuur'). Hebben kinderen met SLI er besef van dat het werkwoord 'geven' om twee zinsdelen na het werkwoord vraagt, zodat een zin als 'ik geef jou een cadeau' ontstaat? Bovendien onderzocht De Jong of beide soorten problemen (met werkwoordvervoeging en argumentstructuur) voorkomen bij dezelfde kinderen. De promovendus komt tot de conclusie dat de Nederlandse symptomen inderdaad deels afwijken van het beeld van de stoornis dat uit de Engelse literatuur bekend is. Zijn onderzoek vult dat beeld aan. Omdat een juiste karakterisering van SLI moet gelden voor alle talen, heeft een aanvulling vanuit (bijvoorbeeld) Nederlandse onderzoeksgegevens een grote waarde. De Jong is van mening dat de overheid te gemakkelijk bezuinigt op de voorzieningen die voor kinderen met SLI bestaan. Door de ernst van de stoornis te beschrijven in zijn proefschrift hoopt hij dat het besef groeit dat kinderen met deze taalstoornis recht hebben op speciale aandacht.

Deel: ' Promotie Speciale aandacht voor kind met taalstoornis '




Lees ook