persbericht

den haag, 16 juni 1999

partij van de arbeid houdt belastingconferentie
belastingherziening 21ste eeuw

aan de vooravond van de parlementaire behandeling van de belastingherziening 21ste eeuw formuleert de partij van de arbeid haar inzet bij dit debat en geeft zij aan waar de tweede-kamerfractie zich de komende tijd hard voor zal maken.

hiertoe houdt de partij van de arbeid op zaterdag 19 juni een belastingconferentie alwaar gediscussieerd wordt met belangstellenden en critici van binnen en buiten de partij. tijdens de conferentie staan de kabinetsplannen met betrekking tot de belastingherziening 21ste eeuw centraal. hoe kijkt de pvda tegen deze plannen aan? hoe verhouden de plannen zich tot de politieke uitspraken van de pvda in het recente verleden? op welke punten moeten de plannen worden verbeterd? wat zijn de langetermijnperspectieven voor verdere hervormingsvoorstellen?

om 13.00 uur opent de voorzitter van de pvda marijke van hees de conferentie waarna het tweede-kamerlid wouter bos een inleiding houdt over onder andere de afspraken die in het regeerakkoord gemaakt zijn. daarbij geeft hij tevens, in een eerste schets, aan op welke punten de tweede-kamerfractie van de pvda tijdens de behandeling van het belastingplan zal inzetten. agnes jongerius van de fnv en bas jacobs van niet nix reageren op de uitspraken van bos waarna er gediscussieerd wordt met de aanwezigen in de zaal.

om 14.10 uur komt de draagkracht in de inkomens- en vermogensbelasting aan de orde. tweede-kamerlid jan van zijl gaat op basis van twee stellingen in debat met sybren cnossen van de erasmus universiteit in rotterdam. de stellingen luiden:

- biedt het nieuwe belastingstelsel voldoende aanknopingspunten voor het voeren van een inkomenspolitiek volgens het principe sterkste schouders/zwaarste lasten?

- zijn de voorgestelde maatregelen op het gebied van de oudedagsvoorziening uitvoerbaar en rechtvaardig?'

na de pauze, om 15.30 uur, gaan kamerlid ferd crone, henk vording van de universiteit leiden en alman metten, voormalig europarlementariër in op de problematiek van aftrekposten, de mogelijke verdere hervormingen op langere termijn, ook nadrukkelijk in het perspectief van europese belastingcoördinatie en -concurrentie aan de hand van de volgende stellingen:
- vormen de voorliggende voorstellen in voldoende mate antwoord op de uitholling van de belastinggrondslag?'

- zijn de belastingvoorstellen van het kabinet kok-ii het juiste antwoord op de toenemende belastingconcurrentie?'

na elk debat is er gelegenheid tot discussie met de aanwezigen in de zaal, onder leiding van dagvoorzitter leo stevens van de erasmus universiteit rotterdam.

de conferentie wordt om 16.45 uur afgesloten door de voorzitter van de pvda- tweede-kamerfractie ad melkert. hij zal concluderend ingaan op de discussies van deze middag.

de conferentie wordt gehouden in het vakbondsmuseum in amsterdam, henri polaklaan 9 en begint om 13.00 uur.

u bent hiervoor van harte uitgenodigd.

bijlage: de stellingen die als basis dienen voor de discussies

voor nadere informatie: altie blanken 070-318 2698

====================

bijlage


1. biedt het nieuwe belastingstelsel voldoende aanknopingspunten voor het voeren van een inkomenspolitiek volgens het principe sterkste schouders/zwaarste lasten?

voor sociaal-democraten geldt traditioneel het principe "sterkste schouders dienen de zwaarste lasten te dragen" als een leidend beginsel bij inkomenspolitiek.
Ook bij de (her)inrichting van het belastingstelsel dient dit principe uiteraard centraal te staan. Want als er één ding duidelijk is, dan is het wel dat het huidige belastingstelsel onvoldoende instrumenten biedt voor een progressieve inkomenspolitiek. Met name de mogelijkheid om met geleend geld (waarvan de kosten aftrekbaar zijn) vermogenswinsten te genereren die vervolgens onbelast blijven, heeft geleid tot een uitholling van de belastinggrondslag die de progressiviteit in de effectieve belastingdruk heeft aangetast. Met andere woorden: geld met geld maken wordt in ons huidige belastingstelsel beloond en die beloning komt met name terecht bij de hogere inkomens.
Het is verre van gemakkelijk om in deze ongewenste situatie verandering te brengen. In het tijdperk van de internationale beleidsconcurrentie kunnen belastingtarieven niet naar believen worden vastgesteld. Meer nadruk op progressie in het belastingstelsel stuit bovendien op politieke problemen (zie de gevoeligheid van de herziening van bepaalde aftrekposten). Niet voor niets heeft dit kabinet "inkomensneutraliteit" als uitgangspunt voor de belastinghervorming genomen.
In de plannen van het kabinet worden enkele nieuwe instrumenten geïntroduceerd die de mogelijkheden voor het voeren van inkomenspolitiek, met name gericht op de lagere inkomens, verbeteren: een nieuwe eerste schijf met een laag tarief, de omzetting van belastingvrije sommen in heffingskortingen en de nieuwe arbeidskorting (een extra heffingskorting voor werkenden). Daar staat tegenover dat een en ander gepaard gaat met een aanzienlijke lastenverlichting (netto 4.6 Miljard) en een verlaging van het toptarief (van 60% naar 51-53%). Ook de directe inkomenseffecten bij invoering van het nieuwe stelsel roepen zowel enthousiasme als vraagtekens op. Enerzijds zal menig sociaal democraat het toejuichen dat de grootste inkomensstijging (+ 6%) op minimumnivo plaatsvindt, anderzijds zijn de inkomenseffecten voor deeltijders met een inkomen onder het minimum en die voor de middeninkomens (in vergelijking met de topinkomens) moeilijk uit te leggen.
Tenslotte roept de invoering van de vermogensrendementsheffing in plaats van een vermogenswinstbelasting een fors aantal vragen op, ook m.b.t. rechtvaardigheid en sterkste schouders/zwaarste lasten. Een fictief rendement wordt gehanteerd in plaats van een heffing naar draagkracht. Beleggers met hoge rendementen betalen evenveel als beleggers met lage rendementen. Beleggers met veel vermogen betalen evenveel als beleggers met weinig vermogen. Een vermogenswinstbelasting lijkt op al die punten rechtvaardiger maar kent weer veel problemen qua uitvoerbaarheid; daar getuigen voorbeelden in andere Europese landen van. Ook levert een vermogenswinstbelasting veel onzekerheid op m.b.t. de belastingopbrengst (afhankelijk van wanneer mensen hun winst of verlies nemen) terwijl een forfaitaire vermogensrendementsheffing een stabiele opbrengst garandeert in tijden van winst en verlies.


2. Zijn de voorgestelde maatregelen op het gebied van de oudedagsvoorziening uitvoerbaar en rechtvaardig?

Eén van de meest gecompliceerde onderdelen van de kabinetsplannen betreft de fiscale regelgeving rondom de aanvullende pensioenen. De plannen beogen de bestaande regelgeving rondom aanvullende pensioenen in lijn te brengen met de recent aangepaste regels rond collectieve pensioenen ("Witteveen") en duidelijke hanteerbare kaders te stellen voor de fiscale facilitering van pensioensparen.
Bij het pensioensparen geldt op dit moment de zgn. omkeerregel: betaalde premies en lijfrentes zijn binnen bepaalde kaders aftrekbaar maar de pensioenuitkering is (tegen een laag tarief) belast. Hoewel het kabinet enkele beperkingen in de sfeer van de lijfrente-aftrek heeft aangekondigd en een besparingsdoelstelling van 1.5 miljard wil bereiken, blijft de omkeerregel ook in het nieuwe voorgestelde stelsel overeind. Dat is niet zonder problemen. De combinatie van een omkeerregel in de pensioenen met een verlaagd ouderentarief, staat feitelijk gelijk aan het subsidiëren van kapitaalaccumulatie in de vorm van pensioensparen. Per jaar kost de aftrekpost voor de pensioenen meer dan 12 miljard gulden aan belastinginkomsten. Met name mensen uit de hogere inkomensklassen, die veel sparen, profiteren hiervan.
In de herziening van het belastingstelsel blijft dit grotendeels onveranderd. Dat heeft o.a. te maken met het feit dat het alternatief (belasten van sparen en geen belasting meer betalen over pensioen) ook zo z'n nadelen heeft. Het schrappen van de omkeerregel zou kunnen leiden tot hogere premies en dat kan vervolgens aanleiding geven tot een loongolf. Ook zou het in zo'n stelsel moeilijker worden om de inkomensverdeling tussen ouderen en jongeren bij te sturen. Tevens is het aannemelijk dat vooral de middeninkomens het gelag betalen: zij zouden een beetje minder belasting gaan betalen terwijl ze een forse aftrekpost kwijt zouden zijn. Tenslotte moeten we ons afvragen of het verstandig is juist nu de babyboomers met pensioen gaan en de vergrijzing in omvang toe neemt, de belastinggrondslag van pensioenontvangers ter discussie te stellen.
Dit neemt niet weg dat er rond de nieuwe voorstellen een aantal prangende vragen leven, bijvoorbeeld rond de uitvoerbaarheid van de nieuwe voorstellen. De lijfrente-tranchesystematiek is betrekkelijk overzichtelijk. Wat afgetrokken mag worden is duidelijk en voor een ieder te traceren. In de nieuwe voorstellen wordt echter niet op tranches gestuurd maar mag afgetrokken worden totdat een bepaald percentage van het laatstverdiende loon is opgebouwd. Dit is uitvoeringstechnisch buitengewoon gecompliceerd.
Tenslotte roepen de voorstellen ook vragen op met betrekking tot het rechtvaardigheidsbeginsel. De centrale vraag is dan of het rechtvaardig en nodig is dat de fiscale faciliteiten bij het pensioensparen voor hoge inkomens gelijk zijn aan de faciliteiten voor lage inkomens.


3. Vormen de voorliggende voorstellen in voldoende mate een antwoord op de uitholling van de belasting grondslag?

Eén van de doelstellingen van de belastinghervorming is verbreding van de zgn. belastinggrondslag via beperking of afschaffing van de vele aftrekposten die ons belastingstelsel kent.
Daarmee kunnen een aantal doelstellingen worden gediend. Zo kan afschaffing van aftrekposten leiden tot ruimte om belastingtarieven te verlagen. Ook kunnen aftrekposten omgezet worden in belastingkortingen, zoals in de voorstellen bijvoorbeeld gebeurt met betrekking tot de belastingvrije som. Vervanging van aftrekposten door belastingkortingen heeft twee positieve effecten. Allereerst is het goedkoper om in een systeem met heffingskortingen inkomenspolitiek te voeren dan in een systeem met aftrekposten, de weglek is geringer en de benodigde tariefveranderingen zijn kleiner. Belangrijker wellicht, is dat aftrekposten voor hogere inkomens meer waard zijn dan voor lagere inkomens terwijl heffingskortingen voor alle inkomens in guldens even groot zijn en dus voor lagere inkomens relatief meer waard zijn dan voor hogere inkomens. Ze vormen daarmee een nivellerend instrument van inkomenspolitiek.
In de kabinetsvoorstellen wordt de grootste aftrekpost, de belastingvrije som, omgezet in een heffingskorting. Ook worden, nog niet nader uitgewerkte, maatregelen aangekondigd met betrekking tot het reiskostenforfait en wordt het arbeidskostenforfait voor een groot deel vervangen door een andere heffingskorting, de arbeidskorting. Tenslotte wordt een eind gemaakt aan de rente-aftrekbaarheid bij vermogensproducten waarmee een eind gemaakt wordt aan een funeste uitholling van de belastinggrondslag waar vooral hoge inkomens van profiteren. Twee andere grote aftrekposten lijken echter buiten schot te blijven: de aftrekbaarheid van de hypotheekrente en de pensioenopbouw. Deze aftrekposten kosten de overheid veel geld, en die bedragen zouden in de toekomst verder op kunnen lopen. Ook komen zij in hun huidige vorm onevenredig aan de hogere inkomensgroepen ten goede. Hier staat tegenover dat er wel degelijk voor anderhalf miljard wordt ingegrepen in de sfeer van de pensioenopbouw en lijfrentes. Ook wordt voor ruim een miljard gulden ingegrepen in excessen bij de aftrek van hypotheekrente. Tenslotte zal de hypotheekrente-aftrek in toenemende mate beschikbaar komen voor lagere inkomens bij invoering van de initiatiefwet Duivesteijn, welke beoogt mensen met lage inkomens in staat te stellen hun (huur)huis te kopen.
In de kabinetsplannen wordt dus een nadrukkelijk begin gemaakt met het verbreden van de belastinggrondslag. De vraag is dan interessant wat de perspectieven voor verdere verbreding zijn op middellange en langere termijn. Komen ook andere aftrekposten in aanmerking voor afschaffing of omvorming? Hoe houdbaar is de voorgestane systematiek in het licht van beleid dat in andere Europese landen wordt voorgestaan?


4. Zijn de belastingvoorstellen van het Kabinet Kok-II het juiste antwoord op de toenemende belastingconcurrentie in Europa?

Eén van de leidende gedachten achter de belastinghervorming is de idee dat Nederland niet in isolement zijn belastingstelsel kan vormen maar daarbij continu zal moeten kijken naar wat er in de omringende landen, in Europa, gebeurt.
Deze "bench-marking" dient er volgens het kabinet bijvoorbeeld toe te leiden dat Nederland zijn toptarief in de inkomstenbelasting matigt en de effectieve belastingdruk voor vermogensverschaffers/aandeelhouders (de zgn. dubbele druk van vennootschaps- en dividendbelasting) concurrerend houdt. Ook de toenemende mobiliteit van kapitaal en arbeid in de Europese interne markt zet toenemende druk op het belastingstelsel. De vraag is dan of het niet verstandig zou zijn om juist de immobiele belastinggrondslagen zoals "eigen huis" en "pensioenen" zwaarder te gaan belasten. Meer fundamenteel zal op langere termijn de noodzaak tot coördinatie van fiscaal beleid op Europees niveau steeds belangrijker worden. Problemen die samenhangen met de sterke groei van grensoverschrijdende activiteiten kunnen niet op nationaal niveau opgelost worden. Dit blijkt bijvoorbeeld bij discussies over de belasting op spaartegoeden in het buitenland maar ook bij de discussie over de belastingdruk op internationale ondernemingen die in toenemende mate toe trekken naar het land met het ook in fiscale zin meest gunstige vestigingsklimaat. Ook de Europese muntunie dringt de lidstaten in deze richting. Ze zijn niet alleen aan een maximum begrotingstekort gebonden, maar zullen (daardoor) ook de continuïteit van hun belastingopbrengsten steeds strenger moeten gaan bewaken. De centrale vraag is dan in hoeverre bij de aanpassing van nationale belastingstelsels mee gegaan moet worden in de concurrentie met andere stelsels of in hoeverre niet meer ingezet kan en moet worden op het streven naar sterkere vormen van belastingcoördinatie in Europa, bijvoorbeeld voor wat betreft de vennootschapsbelasting en de belasting op kapitaalinkomen. Treft het kabinetsbeleid hier de juiste balans?

Deel: ' PvdA belastingconferentie Belastingherziening 21ste eeuw '




Lees ook