Partij van de Arbeid


Den Haag, 11 november 1999

INBRENG VAN DE PVDA-FRACTIE BIJ HET VERSLAG WET INKOMSTENBELASTING 2001

Woordvoerder: Wouter Bos (070-318 2745)

De leden van de fractie van de PvdA hebben met belangstelling kennis genomen van de voorstellen inzake een nieuwe Wet op de Inkomstenbelasting 2001. Op een groot aantal punten constateren zij met instemming hoe gevolg is gegeven aan jarenlange inspanningen van de PvdA om ons belastingstelsel op een groot aantal punten rechtvaardiger en doelmatiger te maken. Zij denken dan bijvoorbeeld aan de vervanging van de overdraagbare belastingvrije som door een individueel toekenbare heffingskorting, het introduceren van een arbeidskorting, het doorgaan met vergroening en het dichten van lekken in het huidige belastingsysteem die met name voordelen bieden aan vermogenden. Daar staat tegenover, zo menen deze leden, dat op een aantal punten de voorstellen nadere motivering en/of bijstelling behoeven teneinde de leden van de PvdA ook op deze punten in staat te stellen over het pakket als geheel tot een positief eindoordeel te komen. Het gaat in dit verband bijvoorbeeld om de gevolgen voor deeltijders en midden-inkomens, hoogte en toekenning van de arbeidskorting, de transparantie van het voorgestelde systeem inzake de oudedagsvoorziening en de grondslag van de vermogensrendementsheffing.

Voor de leden van de PvdA vangt elk oordeel over de regeringsvoorstellen aan bij de constatering dat het huidige belastingsysteem op een aantal punten niet voldoet en dat de voorstellen dus met name getoetst dienen te worden op de vraag of zij ten opzichte van de huidige situatie een verbetering betekenen. In dezen stemmen de leden van de PvdA in grote lijnen in met de analyse die de regering maakt van de sterke en zwakke kanten van ons huidige belastingstelsel. Ook zij zijn bezorgd over hoe het huidige belastingstelsel arbeid nog altijd duur maakt, en consumptie en energiegebruik (te) goedkoop; hoe het huidige belastingstelsel weinig, en soms zelfs verkeerde, prikkels geeft aan mensen die nu nog langs de kant staan en wel willen gaan werken maar voor wie dat onvoldoende lonend is; hoe de combinatie van hoge tarieven en veel aftrekposten langzaam de grondslag van het stelsel uit holt, de concurrentiekracht ten opzichte van het buitenland vermindert en ontwijkingsmogelijkheden biedt aan met name meer vermogende burgers. Ook constateren zij dat het huidige belastingstelsel onvoldoende weerspiegelt hoe de samenstelling van huishoudens in de loop der tijd is veranderd en hoe met name de positie van vrouwen vanuit emancipatoir oogpunt hierbij in het geding is. En tenslotte, zonder in dit kader uitputtend te willen zijn, constateren zij dat het op dit moment voor de overheid buitengewoon moeilijk, zo niet onmogelijk, is om met behulp van belastinginstrumenten inkomenspolitiek ten behoeve van de lagere en midden-inkomens te voeren zonder dat tegelijkertijd de hoogste inkomens daar, vaak zelfs in grotere mate, van mee profiteren. De leden van de PvdA fractie zijn van mening dat de voorstellen op al deze punten een aanzienlijke verbetering ten opzichte van de huidige situatie betekenen. De lastendruk op arbeid wordt verder verlaagd, onder andere door de lastendruk op consumptie en milieubelastend gedrag te verhogen. De introductie van de arbeidskorting betekent een forse stap vooruit bij de bestrijding van de armoedeval en betekent voor veel (potentiële) werknemers dat een bruto vooruitgang zich ook meer dan voorheen netto zal uitbetalen. Het vervangen van de overdraagbare belastingvrije som door een individueel toekenbare heffingskorting neemt een aantal drempels weg voor verdere arbeidsparticipatie van niet of weinig werkende partners, met name vrouwen, en zal voor de laatstgenoemde groep ook bijdragen aan een reflectie in het belastingstelsel van een toegenomen economische zelfstandigheid. Het schrappen van een aantal aftrekposten dat met name hogere inkomens ten goede komt, zoals bijvoorbeeld het niet bedoelde gebruik van kapitaalverzekeringen bij hypothecaire leningen of het overmatig sparen voor een pensioen dat ruim boven de maatschappelijk aanvaarde norm van een "voldoende" pensioen ligt, draagt bij aan de transparantie en eerlijkheid van het stelsel; daarnaast wordt de opbrengst gebruikt om tarieven te verlagen hetgeen het stelsel ook beter plaatst ten opzichte van stelsels in de ons omringende landen. De voorgestelde introductie van een forfaitaire vermogensrendementsheffing lijkt bij te dragen aan een vergroting van de mogelijkheden om op een effectieve manier vermogen te belasten dat zich tot op heden aan belastingheffing weet te onttrekken, met name ook omdat het voor vermogende burgers moeilijk, zo niet onmogelijk, zal zijn om door middel van constructies het betalen van belasting te ontgaan. Tenslotte betekent de introductie van zowel de heffingskorting als de arbeidskorting dat het mogelijk wordt inkomenspolitiek te voeren waar alle inkomens in guldens in de zelfde mate van profiteren. De leden van de PvdA verwachten dat de overheid om die reden met behulp van het nieuwe stelsel beter in staat zal zijn een op draagkracht gebaseerde inkomenspolitiek te voeren, waarbij lusten en lasten eerlijker worden gedeeld, dan waartoe zij vandaag de dag met behulp van de huidige ter beschikking staande instrumenten toe in staat is.

De leden van de PvdA fractie constateren dat de investering in een nieuw belastingstelsel een verschuiving van ruim 23 Miljard gulden met zich mee brengt, waarvan zo'n 8 Miljard terecht komt bij de belastingkorting voor werknemers, de arbeidskorting. De netto lastenverlichting bedraagt ongeveer 5 Miljard. Niettegenstaande het feit dat over de diverse geprognosticeerde budgettaire en inkomenseffecten ook deze leden nog de nodige vragen hebben, constateren zij dat de voorstellen zo zijn opgesteld dat met name de lagere inkomens hiervan verhoudingsgewijs meer voordeel hebben. Deze leden zijn van mening dat dit essentieel is, omdat juist de lagere inkomens beschermd moeten worden tegen de negatieve effecten van vergroening. Daarnaast is het ook belangrijk, zo vinden deze leden, om zeker te stellen dat waar individuele situaties al snel niet gemiddeld zijn, juist de mensen met lagere inkomens er gemiddeld zo veel op vooruit gaan dat ook zij die "niet gemiddeld" zijn, nog steeds mee profiteren van de belastingherziening. Aangezien de voorstellen nadrukkelijk mede zijn opgesteld om bij te dragen aan een verdere versterking van het regeringsbeleid inzake werkgelegenheid, arbeidsmarkt en een duurzame economische ontwikkeling, steunen de leden van de PvdA de voorgestelde lastenverlichting als een zinnige en noodzakelijke investering in de toekomst. Wel hechten zij eraan van de regering een reactie te vernemen op van diverse zijden geopperde bezwaren tegen een impuls van deze omvang voor de economie, gegeven de betrekkelijk gunstige ontwikkeling van de economische groei in 1998, 1999 en naar verwachting latere jaren.

Internationale aspecten
De leden van de PvdA fractie zijn van mening dat de regeringsvoorstellen grondig dienen te worden getoetst op hun houdbaarheid in internationaal verband. Daarbij zijn volgens deze leden tenminste drie invalshoeken relevant: de verhouding van de voorstellen tot het beleid inzake coördinatie van belastingen in Europees verband, de invloed op afgesloten verdragen en de toetsing aan internationaal- en in het bijzonder Europeesrechtelijke beginselen.

De leden van de PvdA fractie zijn met de regering van mening dat het van belang is binnen Europa te komen tot een verdere coördinatie op het gebied van belastingen. Daarbij gaan de gedachten in dit verband bijvoorbeeld uit naar de lopende gesprekken in Europa met betrekking tot de belasting op rente op buitenlandse tegoeden en de pogingen te komen tot een ecotax voor grootverbruikers. Met name met betrekking tot het eerstgenoemde dossier is in de literatuur een aantal malen opgemerkt dat het de vraag is of de voorgestelde forfaitaire vermogensrendementsheffing te verenigen valt met de voorstellen tot een bronheffing en/of renseigneringsverplichting zoals die nu circuleren. Gaarne vernemen de leden van de PvdA fractie een nadere uitleg van de regering op dit punt; is hierover bijvoorbeeld bij andere lidstaten en/of de Europese Commissie advies gevraagd? Daarnaast zijn zij echter ook en vooral geïnteresseerd in de vraag of de regering het zinvol acht te bezien in hoeverre zij in Europa ook andere landen zou kunnen interesseren voor een forfaitaire vermogensrendementsheffing? Gaat het hier om een onderdeel van het belastingsysteem dat de regering uit subsidiariteitoverwegingen vooral een nationale zaak acht of zou het model van de forfaitaire vermogensrendementsheffing, indien breder toegepast binnen Europa een geschikt model zijn om het probleem van kapitaalvlucht binnen Europa aan te pakken daar waar nu zoals gezegd oplossingen vooral gezocht worden in termen van een bronheffing en/of een renseigneringsverplichting? Ook op een ander punt dienen de voornemens van de regering getoetst te worden aan hun verenigbaarheid met lopende Europese dossiers, zo menen de leden van de PvdA fractie. Het gaat dan bijvoorbeeld om de mate waarin de voorgenomen maatregelen ter voortzetting van de steun aan de scheepsbouw en de filmindustrie, en mogelijke andere "maatschappelijke beleggingen", verenigbaar zijn met de Europese afspraken inzake het tegengaan van staatssteun langs fiscale weg. Graag vernemen de leden van de PvdA fractie van de regering nadere informatie welke ruimte Europa biedt voor het materieel voortzetten van het huidige beleid inzake met name commanditaire vennootschappen in met name film en scheepsbouw, in een andere vorm.

De leden van de PvdA fractie hebben enige zorgen over de gevolgen van de kabinetsvoorstellen voor de vele belastingverdragen die Nederland heeft afgesloten. De centrale vraag daarbij is of wat in het algemeen wordt gezien als een sterk punt van het Nederlandse belastingsysteem, namelijk het uitgebreide netwerk van verdragen, niet kan omslaan in een zwak punt als de regeringsvoorstellen zouden leiden tot verdragsproblemen. In de literatuur, maar bijvoorbeeld ook tijdens de hoorzitting die de Kamer recent heeft gehouden, werd er bijvoorbeeld op gewezen dat een aantal begrippen die centraal staan in diverse belastingverdragen (bijvoorbeeld het begrip "commanditaire vennoot") materieel een andere inhoud krijgt door de belastingvoorstellen. De vraag is dan of de verdragspartner dit kan beschouwen als een eenzijdige verandering van het verdrag door Nederland hetgeen dan een reden zou kunnen zijn om op zijn minst over het betreffende artikel de onderhandelingen te heropenen maar wellicht zelfs reden zou kunnen zijn voor de verdragspartner om het verdrag op te zeggen. De leden van de PvdA fractie constateren dat in de Memorie van Toelichting nauwelijks op deze materie wordt ingegaan en vragen zich af of de regering hier een nadere argumentatie kan leveren. Bestaat er een algemene juridische opinie hieromtrent? Is er sprake van relevante jurisprudentie? Is er een inventarisatie gemaakt van verdragen of verdragsartikelen die hier mogelijk door geraakt worden? Zijn standpunten van Nederlands belangrijkste verdragspartners bekend? Om welke verdragen gaat het dan? Wat heeft de regering wellicht reeds gedaan op dit punt? Wat neemt de regering zich voor?

Dit mogelijke probleem lijkt met name ook te kunnen gaan opspelen bij de voorstellen voor de forfaitaire vermogensrendementsheffing. Na aanvaarding van de voorstellen heeft Nederland immers geen vermogensbelasting meer aangezien de forfaitaire vermogensrendementsheffing ten gevolge van de rendementsfictie geacht wordt de inkomsten uit vermogen te belasten en dus als een inkomstenbelasting dient te worden gezien. De leden van de PvdA fractie vragen zich met name af welke zekerheid de regering kan bieden dat deze rendementsfictie internationaal houdbaar is en de forfaitaire vermogensrendementsheffing niet door andere landen aangemerkt wordt als een vermogensbelasting, hetgeen zou kunnen leiden tot grote moeilijkheden bij bestaande en eventueel te heronderhandelen verdragen. Hoe beoordeelt de regering dit?

Tenslotte zijn de leden van de PvdA fractie ook benieuwd naar een nadere uitleg met betrekking tot de manier waarop de regering haar voorstellen al of niet heeft getoetst aan beginselen van het Europese recht. In dit verband speelt bijvoorbeeld het beginsel van gelijke behandeling een rol bij de toetsing van het voorgenomen beleid inzake de oudedagsvoorziening (en de verschillen tussen de "tweede pijler" en de "derde pijler") en meer in zijn algemeenheid de houdbaarheid van het voorgenomen overgangsrecht met betrekking tot lijfrenten en kapitaalverzekeringen in het licht van beginselen van behoorlijk bestuur. Ook vernemen de leden van de PvdA fractie gaarne in hoeverre de regering reeds het toegepaste beleid inzake conserverende aanslagen (bij pensioenen) heeft getoetst aan het Europees recht. Tenslotte zijn zij ook benieuwd hoe zij de koppeling van de aftrekbaarheid van de premies voor lijfrenten en pensioenen aan de belastbaarheid van uitkeringen moeten bezien in het licht van het Wielockx-arrest waar deze samenhang door het Europese Hof van Justitie juist werd afgewezen, zoals door prof. Ellis tijdens de hoorzitting in de Tweede Kamer werd betoogd.

Budgettaire effecten, inkomenseffecten, schijven en tarieven Voor de leden van de PvdA fractie vormen de inkomenseffecten op 1 Januari 2001 een belangrijke toetssteen bij de beoordeling van de regeringsvoorstellen. Zij tekenen daarbij overigens meteen aan dat de inkomenspolitieke betekenis van het voorgenomen beleid niet alleen, en eigenlijk ook niet primair, ligt bij de inkomenseffecten op 1 Januari 2001 maar vooral bij de introductie van instrumenten die een op de lagere inkomens gerichte inkomenspolitiek mogelijk maken (heffingskorting en arbeidskorting) en de (gedeeltelijke) afschaffing van instrumenten die per definitie een denivellerende werking hebben (aftrekposten zoals de belastingvrije som). De leden van de PvdA fractie constateren met instemming dat de gepresenteerde inkomenseffecten op p. 61/65 van de Memorie van Toelichting in zijn algemeenheid lijken te wijzen op een relatief grotere vooruitgang voor de lagere inkomens dan voor de hogere inkomens. Met name de vooruitgang voor minimumloners tot om en nabij de 6% moet zelfstandig, en in verhouding tot de vooruitgang voor andere groepen, als buitengewoon positief worden beoordeeld, zo vinden deze leden.

Niettemin hebben de leden van de PvdA fractie ook een aantal vragen, waarvan sommige samenhangen met de effecten die in de Memorie van Toelichting staan samengevat als "gemiddelde niet standaard effecten". Het mooie beeld van de totale inkomenseffecten is namelijk nogal afhankelijk van de correctie door "gemiddelde niet standaard effecten" op de "gemiddelde standaard effecten" en de cruciale vraag is dan voor de leden van de PvdA fractie hoe representatief het algemene beeld waarin beide bij elkaar worden opgeteld is voor de betreffende categorieën belastingplichtigen. Kan de regering bijvoorbeeld precies aangeven wat hier hoe berekend is? Gaat het om het gemiddelde effect voor iemand met aftrekposten of het gemiddelde effect voor alle inkomens in de betreffende categorie, inclusief belastingplichtigen met en zonder aftrekposten? Valt het dichten van lekken (bijvoorbeeld bij de belasting van vermogen) en het tegengaan van oneigenlijk gebruik ook onder de niet standaard effecten?

Kan de regering in dit verband een overzicht geven van de spreiding van een aantal van de belangrijkste voor verandering in aanmerking komende aftrekposten (waaronder in ieder geval lijfrentepremies, werkelijke kosten, consumptieve rente) naar mate van gebruik en waarde van de aftrekpost over en voor de verschillende inkomenscategorieën? En kan de regering, zo vragen de leden van de PvdA fractie, aangeven hoe de gemiddelde niet standaard effecten verschillen voor belastingplichtigen die deze aftrekposten wel en zij die deze aftrekposten niet hebben?

Voor een meer algemene beoordeling van de inkomenseffecten en de voorgestelde tarief- en schijvenstructuur zouden de leden van de PvdA fractie het op prijs stellen als op een aantal punten de (gevolgen van de) voorstellen nader vergeleken zouden kunnen worden met de huidige situatie. Zo zouden zij graag het huidige stelsel en de voorstellen vergelijken op de volgende punten:
* Het aantal belastingplichtigen per schijf

* De opbrengst per schijf

* Het gemiddelde bruto inkomen waarmee een belastingplichtige de schijf "binnen komt", en de spreiding rond dat gemiddelde, per schijf

In diverse publicaties is er op gewezen dat de lastenverlichting van 5 Miljard zou moeten leiden tot een gemiddelde koopkracht stijging van 1.8%-2%. De leden van de PvdA fractie constateren echter dat de koopkracht-effecten die op p.61/65 van de Memorie van Toelichting worden gepresenteerd, gemiddeld aanmerkelijk hoger uit komen. Kan de regering hier een verklaring voor geven? Is hier sprake van inverdien-effecten of speelt hier weging van de verschillende effecten een rol? In andere publicaties (bijvoorbeeld Giele in Tribuut, oktober 1999, p. 22) wordt er op gewezen dat de doorrekening van de BTW-verhoging in de inkomenseffecten onmogelijk kan kloppen; kan de regering ook hier nader commentaar op geven?

Ook constateren deze leden dat het SER advies toe leek te kunnen met aanzienlijk minder lastenverlichting terwijl toch tegelijkertijd acceptabele inkomenseffecten werden geclaimed? Kan de regering aangeven waarom zij meer middelen nodig heeft dan de SER bij de financiering van de stelselwijziging?

De leden van de PvdA fractie waarderen het zeer dat de regering op p.57 een overzicht geeft van de budgettaire effecten van de diverse maatregelen. Zij zouden het op prijs stellen als daar de opbrengsten en/of kosten van de volgende maatregelen aan kunnen worden toegevoegd:
* het voorgestelde regime inzake kapitaalverzekeringen / eigen huis
* een uitsplitsing van de geprognosticeerde meeropbrengst ten gevolge van de afschaffing van de vermogensbelasting en de invoering van de forfaitaire vermogensrendementsheffing
* de kosten van het verlagen van het toptarief naar 52%
* de opbrengsten van het verhogen (ten opzichte van de voorstellen en bij de voorgestelde schijflengten) van het toptarief naar 53%
* de opbrengsten van het afschaffen van het restant arbeidskostenforfait

Ook vragen de leden van de PvdA fractie aandacht voor de afspraak uit het regeerakkoord dat de opbrengst van het schrappen van aftrekposten, met uitzondering van de opbrengsten van het bestrijden van oneigenlijk gebruik en misbruik, wordt teruggesluisd door middel van verlaging van de desbetreffende tarieven. Graag zien zij een nadere argumentering in hoeverre de verlaging van het toptarief inderdaad geschraagd wordt door de opbrengsten van het schrappen van aftrekposten waar belastingplichtigen met een inkomen dat belast wordt tegen het toptarief van profiteren. Ook vragen zij zich af of een nadere argumentatie gegeven kan worden waarom de percentages van schijf 1A en 1B hoger zijn dan in het regeerakkoord.

Uitkeringen, sociale minima, ouderen
De leden van de PvdA fractie constateren met instemming dat ook het sociaal minimum er bij de belastingherziening op vooruit gaat. Zij vragen de regering om toe te lichten waarom het niet actieven forfait is verlaagd; kan de regering aangeven of hier een zelfstandige reden, anders dan het aanvaardbaar maken van het totale inkomenplaatje, voor aanwezig is? Ook vragen deze leden zich af wat wordt bedoeld met de ietwat cryptische zin op p.62 van de Memorie van Toelichting waarin de regering eerst stelt dat voor bepaalde groepen uitkeringsgerechtigden en VUTters de inkomenseffecten negatief kunnen zijn maar vervolgens dat ze over de hele linie positief zijn. Hoe zien deze inkomenseffecten er precies uit? Wat zijn de inkomenseffecten voor gedeeltelijk arbeidsongeschikten die naast hun uitkering werken? Onder welke voorwaarden krijgen zij de arbeidskorting toegekend?

De leden van de PvdA fractie constateren dat de regering de afgelopen jaren stelselmatig en structureel de ouderenaftrek heeft verhoogd en daarmee een forse bijdrage heeft geleverd aan een verbetering van de inkomenspositie van veel ouderen. Dat doet niet af aan het feit dat deze leden van mening zijn dat ouderen ook voordeel moeten hebben van de belastingherziening. Zij zien dat op dit moment echter onvoldoende duidelijk terug in de gepresenteerde koopkrachtplaatjes. Zij vragen zich af of een uitsplitsing gegeven kan worden van de inkomenseffecten voor ouderen naar directe effecten, indirecte effecten en niet-standaard effecten, net zoals dit voor andere groepen het geval is. Zij wijzen er in dit verband ook op dat berekeningen van FNV, MHP en CSO allemaal op andere per saldo inkomenseffecten voor ouderen uitkomen dan de regering zelf. Gaarne vernemen deze leden een nadere uitleg van de regering op dit punt.

Middeninkomens, alleenverdieners, tweeverdieners
De leden van de PvdA fractie hebben met instemming kennis genomen van het feit dat de regering vrij spoedig na het bekend worden van de voorstellen heeft aangekondigd dat zij nadere voorstellen zal doen om het inkomensbeeld met name voor de middeninkomens recht te trekken. Graag zouden deze leden van de regering vernemen wat verstaan wordt onder "de middeninkomens". De leden van de PvdA fractie zijn van mening dat met name de groep alleenverdieners met een inkomen rond f.70.000,= en sommige groepen ouderen, met name de groep AOW+f.40.000,= , als kwetsbaar uit de diverse inkomensplaatjes naar voren komen. Deelt de regering deze analyse? Om hoeveel huishoudens gaat het hier? Is de regering het ook eens met deze leden dat een groot deel van de problematiek te maken heeft met het feit dat de vooruitgang van de "middeninkomens" niet zozeer mager afsteekt ten opzichte van de vooruitgang van de "lagere inkomens" maar veeleer ten opzichte van de "hogere inkomens"? Is de regering het daarom eens met de leden van de PvdA fractie dat een oplossing zowel gezocht moet worden bij een versteviging van de vooruitgang voor de "middeninkomens" als bij een matiging van de vooruitgang voor de "hogere inkomens"?

De leden van de PvdA fractie gaan er van uit dat een oplossing voor de groep die nadere compensatie behoeft primair gezocht moet worden binnen de in het Regeerakkoord afgesproken ruimte. Zij nodigen de regering uit een aantal varianten in dat verband voor te leggen waarbij ook de opbrengst van het verhogen van het toptarief van 52% naar 53% wordt betrokken. Andere denkbare varianten zouden wellicht gezocht kunnen worden door combinaties van veranderingen in schijflengten en tarieven, zo menen zij.

In dit verband is het ook van belang te weten in hoeverre het bij de regering bekend is of de alleenverdieners uit tabel 4 partners hebben die op dit moment onder de invorderingsvrijstelling vallen, hetgeen dan immers een extra mogelijkheid voor compensatie van deze alleenverdieners op huishoudensniveau met zich mee zou brengen. Met andere woorden, zo vragen zij, worden verdieners die nu onder de invorderingsvrijstelling vallen, feitelijk meegeteld bij de alleenverdieners?

Kan de regering toelichten, zo vragen de leden van de PvdA fractie zich af, welke rekenregel is gehanteerd bij het toerekenen van aftrekposten bij een tweeverdienershuishouden? En kan tevens worden aangegeven of de inkomensplaatjes voor alleenverdieners het beeld op huishoudensniveau weergeven, met andere woorden inclusief de heffingskorting voor de niet werkende partner?

Kleine inkomens en deeltijders
De leden van de PvdA fractie zijn van mening dat zoveel mogelijk burgers baat moeten hebben bij de belastingherziening. Dit geldt met name voor de lagere en middeninkomens en voor die groepen voor wie het op dit moment onvoldoende lonend is om (meer) te gaan werken. Tot deze laatste groep horen nadrukkelijk ook mensen met kleine banen, in uren en in procenten van het minimumloon. Juist gezien het feit dat de laatste jaren veel nieuwe toetreders op de arbeidsmarkt mensen met kleine banen zijn, lijkt het deze leden essentieel dat ook deze groep in voldoende mate mee profiteert van de belastingherziening. De leden van de PvdA fractie zijn vooralsnog niet overtuigd dat dit bij de voorliggende voorstellen ook inderdaad het geval is. De leden van de PvdA fractie constateren dat de koopkrachtplaatjes voor deeltijders moeizaam lezen. Enerzijds lijkt er in tabel 5 van de Memorie van Toelichting sprake van volledige verdiscontering van alle directe, indirecte en niet-standaardeffecten op huishoudensniveau bij tweeverdieners, anderzijds wordt in tabel 7 ook een geïsoleerd effect voor de deeltijder gepresenteerd maar ditmaal zonder de effecten van verschuiving en vergroening en zonder de niet-standaardeffecten. De leden van de PvdA fractie nemen aan dat dit gedaan is omdat er van wordt uitgegaan dat deze laatste effecten slechts eenmaal op huishoudensniveau worden ondergaan en dus meedraaien in de inkomensplaatjes van tweeverdieners. Als dit inderdaad verondersteld wordt, zouden de leden van de PvdA fractie daar de volgende vragen bij willen stellen. Is de regering het met deze leden eens dat sommige vergroeningseffecten, bijvoorbeeld de hogere kosten van gas en licht, inderdaad slechts één maal op huishoudensniveau dienen te worden meegenomen maar dat dit niet geldt voor verschuivingseffecten zoals de hogere BTW en ook niet noodzakelijk voor de niet standaard effecten? En kan de regering duidelijker aangeven hoe de belastingherziening uit pakt voor alleenstaande deeltijders met verdiensten lager dan het minimumloon? Hoe gaat de aanvullingssystematiek in zijn werk? Betekent dit dat voor deze groep de totale inkomenseffecten altijd vergelijkbaar zijn met de inkomenseffecten van minimumloners of het sociaal minimum?

Alfahulpen en de invorderingsvrijstelling
De leden van de PvdA fractie zijn van mening dat bijzondere aandacht op zijn plaats is voor de groep deeltijders die op dit moment onder de invorderingsvrijstelling vallen. Graag vernemen zij van de regering hoe groot deze groep eigenlijk is en hoeveel uren per week zij werken. De schatting van deze leden is dat het hier al gauw om meer dan 100.000 mensen gaat (alfahulpen, gast-ouders, direkte verkoop, call center staf, free lancers in het onderwijs, postbodes etc.). Kan de regering, zo vragen deze leden, deze schatting preciseren en ook aangeven bij hoeveel van diegenen die onder de invorderingsvrijstelling vallen, de voornaamste bron van inkomen winst dan wel arbeid is? Kan de regering aangeven hoe de afschaffing van de invorderingsvrijstelling bij verschillende huishoudenstypes (met name voor wat betreft de hoogte van het inkomen van de partner en het aantal uren dat de minstverdiener werkt) uitwerkt op het inkomen van de minstverdiener en het huishouden?

De leden van de PvdA fractie constateren dat in de Memorie van Toelichting slechts in zeer beperkte mate wordt ingegaan op de reden van afschaffing van de invorderingsvrijstelling en de gevolgen van de belastingherziening voor de groep die nu nog de invorderingsvrijstelling geniet. Het stoort deze leden met name dat hoewel er inderdaad met het afschaffen van de invorderingsvrijstelling sprake is van het verwijderen van een de facto fiscale bevoordeling voor sommigen, er onvoldoende wordt ingegaan op de reden waarom deze groep ooit een bevoorrechte fiscale positie kreeg, namelijk hun achterstand in termen van sociale zekerheid en rechtspositie. Nu de fiscale positie wordt recht getrokken zou het op zijn minst passend zijn aandacht te besteden aan hun sociale zekerheids- en rechtspositie.

De leden van de PvdA fractie zijn van mening dat dit met name op gaat voor de groep van alfahulpen van naar schatting 70.000 mensen, voornamelijk vrouwen. Zij verrichten uiterst nuttig en belangrijk werk in een sector die om arbeidskrachten zit te springen en het is voor deze leden eenvoudigweg onaanvaardbaar als de belastingherziening er toe zou leiden dat het aanbod van arbeidskrachten in de thuishulp zou dalen. De leden van de PvdA fractie kunnen het afschaffen van de invorderingsvrijstelling dan ook niet aanvaarden als de regering niet tegelijkertijd voor de dag komt met een adequate regeling van de sociale zekerheid en rechtspositie van de alfahulpen (zie ook de aangenomen motie Bussemaker c.s van 29 April 1999). Vervolgens willen zij weten hoe de 75 Miljoen door Financiën toegezegde compensatie is berekend en wat daar mee gedaan gaat worden; wat heeft dit bijvoorbeeld voor gevolgen voor de bruto uurvergoeding van de alfahulp? In hoeverre dempt deze 75 Miljoen de hiervoor bevraagde inkomenseffecten? Hoe beoordeelt de regering de resulterende netto uurbeloning voor alfahulpen in vergelijking met de situatie van vandaag? Vervolgens dringen de leden van de PvdA fractie er op aan dat de regering voorstellen overweegt om de sociale zekerheids- en rechtspositie van deze groep adequaat te regelen. Zij zouden het op prijs stellen als daarbij met name ingegaan kon worden op de plannen zoals die recent door de FNV zijn gepresenteerd om de alfa-hulpen in de CAO-thuishulp onder te brengen en zouden de regering willen vragen deze voorstellen van commentaar te voorzien vooral ook daar waar de FNV stelt dat hun voorstellen weliswaar 260 miljoen gulden kosten maar dat 200 Miljoen daarvan gefinancierd kan worden uit verschillende inverdieneffecten.

Inkomensafhankelijke regelingen
De leden van de PvdA fractie zijn bezorgd over het feit dat in de Memorie van Toelichting op geen enkele wijze wordt gerefereerd aan de gevolgen van de belastingherziening voor burgers die afhankelijk zijn van inkomensafhankelijke regelingen. De leden van de PvdA fractie menen dat het hier belangrijk is een onderscheid te maken naar inkomensafhankelijke regelingen binnen de fiscaliteit (bijvoorbeeld de bepaling van de drempels bij de buitengewone lastenregeling die in de huidige wet op basis van het onzuiver inkomen en in de nieuwe wet op basis van het belastbaar inkomen worden bepaald) en inkomensafhankelijke regelingen buiten de fiscaliteit, zoals de WTS, IHS of BEW (waar rechten worden toegekend op basis van het belastbaar inkomen). Deze leden menen dat met name de voorgestelde veranderingen ten aanzien van bijvoorbeeld arbeidskostenforfait en reiskostenaftrek, alsmede het schrappen van aftrekposten, kunnen leiden tot een verandering in de rechten die belastingplichtigen kunnen ontlenen aan deze regelingen. Immers, zo menen deze leden, het per saldo effect van de veranderingen op bijvoorbeeld het belastbaar inkomen is vooralsnog niet inzichtelijk gemaakt. De leden van de PvdA fractie gaan er van uit dat in de inkomenseffecten die in de Memorie van Toelichting zijn gepresenteerd op geen enkele manier met dit feit rekening is gehouden en dringen er bij de regering met de grootste spoed op aan dit alsnog te doen. Het is daarbij allereerst van belang op rijksniveau na te gaan om welke regelingen het gaat, en vervolgens de regeling aan te passen zodat mensen die voor hun inkomen afhankelijk zijn van dit soort regelingen er ten gevolge van de belastingherziening op dit punt niet op achteruit gaan. De leden van de PvdA fractie gaan er van uit dat de regering hiervoor zo nodig het nodige budget zal reserveren. Kunnen deze mogelijke budgettaire effecten worden gekwantificeerd? Vervolgens gaan de leden van de PvdA fractie er van uit dat het zinnig is om ook op gemeentelijk niveau na te gaan of er ook daar inkomensafhankelijke regelingen spelen waarbij de rechten van de burger er op achteruit zouden kunnen gaan ten gevolge van de belastingherziening. Ook op dit punt vragen deze leden de regering om met spoed de nodige initiatieven te nemen. Tenslotte vragen de leden van de PvdA fractie de regering in relatie tot dit aspect van de belastingherziening te reageren op de aanbevelingen van de Commissie Derksen.

Aftrekposten en bijtellingen
De leden van de PvdA fractie onderschrijven het algemene uitgangspunt dat tariefverlaging gefinancierd moet worden met het schrappen van aftrekposten, en zij ondersteunen ook in grote lijnen de keuzes die de regering in dezen heeft gemaakt. Wel vragen zij de regering of er enige reden is om aan te nemen dat het schrappen van sommige aftrekposten, bijvoorbeeld naar analogie van de gang der zaken bij de herziening-Oort, wellicht door de rechter alsnog zou kunnen worden teruggedraaid; met name denken deze leden hierbij aan de asymmetrische behandeling van reiskostenvergoedingen en reiskostenaftrek. Is hierover een juridische opinie gevraagd? Is er op andere terreinen sprake van vergelijkbare asymmetrie? Welke mogelijkheden hebben parlement en regering om op dit punt de houdbaarheid van de voorstellen, anders dan door een kwalitatief goede wet af te leveren, verder te verbeteren?

Acht U in dit verband de suggestie zinnig zoals die door Happé in het WFR (4 November 1999) is gedaan, dat het bij een omvangrijke wetswijziging als deze wellicht een goed idee is om de Hoge Raad op onderdelen om advies vooraf te vragen op grond van art. 22 RO? De leden van de PvdA-fractie zouden deze mogelijkheid te meer onder de aandacht willen brengen omdat bij een goed advies voorafgaand aan de invoering van de wet, het wellicht niet nodig zal zijn te moeten vertrouwen op een delegatiebepaling als voorgesteld in art. 10.2.1. Deze leden achten de voorgestelde bepaling vooralsnog met de Raad van State een aantasting van het primaat van de wet en in praktische zin ook een te grote beperking van de mogelijkheden voor maatschappelijke organisaties tot inspraak en advies in het geval van problemen die tot nadere wetgeving nopen.

De leden van de PvdA fractie constateren dat voor sommige aftrekposten verrekening plaats kan vinden tussen de boxen al naar gelang ze als persoonsgebonden (bv. Scholingsuitgaven) dan wel arbeidgebonden (bv. Kinderopvang) worden beschouwd. Kan de regering aangeven waarom scholingsuitgaven wel en uitgaven voor kinderopvang niet persoonsgebonden worden beschouwd? Is deze redenering terug te voeren op de stelling dat ouders die niet voor het kind kunnen zorgen omdat ze scholing volgen, de kosten van kinderopvang niet mogen aftrekken terwijl ouders die niet voor het kind kunnen zorgen omdat ze werken dit wel kunnen? Vindt de regering dit in overeenstemming met haar eigen beleid dat mede gericht is op het stimuleren van scholing teneinde de arbeidsmarktparticipatie te bevorderen? Is er overwogen om uitgaven voor kinderopvang ook in aanmerking te laten nemen in de situatie waarbij een van de ouders werkt en de andere ouder een opleiding of studie volgt met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning? Zo nee, waarom niet? Is er overwogen om uitgaven voor kinderopvang ook in aanmerking te laten nemen voor een werkende belastingplichtige van wie de partner wegens langdurige ernstige ziekte niet in staat is voor de kinderen te zorgen? Zo nee, waarom niet?

Zou de regering aan kunnen geven in hoeverre zij het mogelijk en wenselijk acht om in de sfeer van persoonlijke verplichtingen, met name met betrekking tot kinderopvang en ziektekosten, de huidige op aftrekposten gebaseerde systematiek te vervangen door een systematiek van heffingskortingen? De leden van de PvdA fractie constateren tevens dat de voorstellen van de regering in Hoofdstuk 6 veelal geen verandering naar inhoud beogen maar slechts de fiscale faciliteiten in lijn brengen met de nieuwe opbouw van de wet in dezen. Niettemin vinden zij in de Memorie van Toelichting op een aantal punten aanwijzingen voor inhoudelijke wijzigingen. Zou de regering de inhoudelijke wijzigingen in dit hoofdstuk (in vergelijking met de Wet IB'64 art. 45 tot en met 47) nog eens op een rijtje kunnen zetten?

De leden van de PvdA fractie constateren dat onder de regeling van persoonsgebonden aftrek bepaalde categorieën kosten in mindering komen op het inkomen. Hoe staat de regering tegenover het idee dat rente over financieringsschulden ten behoeve van deze kosten ook te beschouwen zijn als aftrekbare kosten die onder die categorieën zijn te begrijpen (ziektekosten, scholingsuitgaven), dit ter gedeeltelijke compensatie van de afschaffing van de consumptieve rente-aftrek? Wat zouden de budgettaire consequenties zijn van deze extra faciliteit?

De leden van de PvdA fractie steunen de regeringsvoorstellen inzake de autokostenfictie, al is het maar omdat de Hoge Raad hier weinig ruimte laat. Niettemin vragen zij zich af hoe fraudebestendig de voorgestelde regeling inzake het privé gebruik van de auto moet worden geacht. Wie draagt de verantwoordelijkheid voor het vast stellen van de hoeveelheid privé kilometers? Welke garantie heeft de regering dat de opgave van de belastingplichtige op dit punt klopt en welke controle mechanismen heeft de regering tot haar beschikking? Deze vragen prangen des te meer nu ook de waardering van de voordelen van de bestel-auto in de autokostenfictie wordt betrokken en een moeizame tegenbewijsregeling in het leven lijkt te worden geroepen voor bepaalde bestelwagens en service-auto's (p.187, Memorie van Toelichting). Is het overwogen om in plaats van deze administratief bewerkelijke regeling bijvoorbeeld te kiezen voor de mogelijkheid het grijskentekenregime te ontzeggen aan particulieren?

Met betrekking tot de beperking van het OV-reiskostenforfait vragen de leden van de PvdA fractie zich af of de regering zou kunnen toelichten hoe e.e.a. in de praktijk uit pakt voor deeltijders, met name daar waar zij wellicht niet in staat zijn een OV-verklaring te overleggen. Zou met de OV-bedrijven overeenstemming gezocht kunnen worden om ook in deze gevallen een OV-verklaring af te geven? Welke garantie kan worden gegeven dat "het streven(..)dat de openbaar vervoerbedrijven voor meer kaartsoorten OV-verklaringen gaan afgeven" ergens toe leidt voordat deze wet wordt ingevoerd?

Heffingskortingen, arbeidskorting, arbeidskostenforfait en werkelijke kosten aftrek De leden van de PvdA fractie beschouwen de vervanging van de overdraagbare som door de individueel toekenbare heffingskorting als één van de grootste winstpunten van de stelselherziening. Het wordt hiermee vanaf 1 januari 2001 beter mogelijk inkomenspolitiek ten behoeve van de lagere inkomens te voeren zonder dat dit leidt tot een weglek met grotere voordelen voor de hogere inkomens. Daarnaast leidt de gekozen systematiek van individuele toekenning tot het wegnemen van een belangrijke drempel voor (hogere) arbeidsparticipatie van niet of weinig werkende partners, met name vrouwen.

De leden van de PvdA fractie constateren dat de gekozen systematiek voor toekennen van de heffingskorting weliswaar een forse stap is op weg naar, maar nog niet leidt tot, een volledige individualisering van het recht op een heffingskorting. Dit is met name het gevolg van het feit dat het recht op een heffingskorting, zo begrijpen deze leden, afhankelijk wordt gemaakt van de te betalen belastingen en premies op huishoudensniveau. De leden van de PvdA fractie zouden het, voor een goed begrip van de consequenties van deze systematiek, op prijs stellen als de regering een nadere schets kan geven m.b.t. de vraag of de groep die nu niet of niet volledig gebruik maakt van de belastingvrije som overeenkomt met de groep die straks niet of niet volledig recht heeft op een heffingskorting? Ook vernemen zij graag hoe groot de groep is die, alleenstaand of binnen een huishouden, niet in aanmerking zal komen voor een volledige heffingskorting gezien de beperkingen die de systematiek daar aan stelt?

Ook met betrekking tot de introductie van een arbeidskorting constateren de leden van de PvdA fractie met tevredenheid dat hiermee een instrument van inkomenspolitiek ontstaat dat de weglek naar hogere inkomens minimaliseert. Tevens wordt een belangrijke stap gezet op weg naar het verder bestrijden van de armoedeval zoals die zich op verschillende inkomensniveaus voor doet. De leden van de PvdA fractie zouden graag van de regering vernemen welke reden ten grondslag ligt aan het voorstel de arbeidskorting door te laten lopen tot aan de hoogste inkomens. Zelf zijn zij van mening dat aftopping van de arbeidskorting, zo het al zin heeft, alleen maar zin heeft indien het op een zodanig hoog inkomensniveau gebeurt dat het geen contraire effecten op de arbeidsmarkt veroorzaakt. Deze leden menen dat dit impliceert dat een eventuele aftopping van de arbeidskorting dus waarschijnlijk alleen maar zin heeft voor inkomens belastbaar in de hoogste schijf en vragen de regering aan te geven hoeveel dat op zou brengen en waarom daar niettemin van wordt afgezien.

Met betrekking tot de afschaffing van de werkelijke kosten aftrek zijn de leden van de PvdA fractie geneigd de regering te steunen. Gaarne zouden zij evenwel inzicht krijgen in de groepen die op dit moment werkelijke kosten aftrek genieten, de waarde van die aftrekpost en de redenen waarom de regering meent dat het verantwoord is in dat licht de aftrekpost niet alleen af te schaffen maar ook niet elders (bijvoorbeeld door een tegenbewijsregeling) een compensatiemogelijkheid te scheppen. Deze leden denken in dit verband bijvoorbeeld aan de kosten die werknemers (gedwongen zijn te) maken bij de beslechting van arbeidsconflicten, kosten waarvan in rede aangenomen kan worden dat zij niet snel door de werkgever vergoed zullen worden. Ook vragen deze leden zich af of de categorie "resultaat uit overige werkzaamheden" in box 1 voor sommige van deze mogelijk benadeelde groepen, ook bij samenloop van loon uit dienstbetrekking en inkomen uit overige werkzaamheden, alsnog mogelijkheden biedt om werkelijke kosten in aftrek te brengen. Tenslotte vragen deze leden zich af of de regering van mening is dat ten gevolge van het afschaffen van de werkelijke kosten regeling, de prikkel voor het doen van scholingsuitgaven zal afnemen en regeringsbeleid inzake het bevorderen van employability mogelijkerwijze wordt gefrustreerd?

Met het verdwijnen van de werkelijke kosten aftrek lijkt het de leden van de PvdA fractie niet langer nodig vast te houden aan het arbeidskostenforfait. Zij zouden zich zelfs voor kunnen stellen dat de juridische houdbaarheid van het schrappen van de werkelijke kosten aftrek verbetert als ook het "restant arbeidskostenforfait" wordt geschrapt. Graag vernemen zij het commentaar van de regering op deze redenering. Tevens zijn deze leden benieuwd wat het budgettaire beslag is van het "restant arbeidskostenforfait" en hoe de regering de mogelijkheid beoordeelt om dit om te zetten in een verhoging van de arbeidskorting. Tenslotte wijzen deze leden op het bedrag van 650 Miljoen dat tijdens de APB 99/00 is toegevoegd aan het arbeidskostenforfait. Al eerder hebben zij aangegeven dat wat hen betreft dit bedrag in het nieuwe stelsel ten goede moet komen aan de arbeidskorting. Gaarne vernemen zij de regeringsvoornemens in dezen.

Emancipatie, individualisering en economische zelfstandigheid Veel van de voorstellen die de regering doet worden door de leden van de PvdA fractie mede van een positief oordeel voorzien omdat zij vanuit het perspectief van emancipatie een grote vooruitgang vormen. Deze leden denken dan met name aan de vervanging van de overdraagbare belastingvrije som door een individueel toe te kennen heffingskorting maar ook aan de participatiebevorderende verlaging van de marginale tarieven. Toch constateren deze leden dat bij een aantal punten de voorstellen op gespannen voet staan met het mede door emancipatoire motieven gedreven streven om de economische zelfstandigheid van met name vrouwen te bevorderen.

Allereerst denken deze leden daarbij aan de ietwat vage wijze waarop de inkomenseffecten van deeltijders worden geduid. Juist in deze groep bevinden zich met name vrouwen, hetgeen voor deze leden, naast eerder behandelde motieven, nog een goede reden vormt om bij de regering aan te dringen op een eenduidiger benadering van de effecten van de regeringsvoorstellen op de arbeidsmarkt- en inkomenspositie van deeltijders. In dit kader constateren deze leden met instemming dat het percentage WML waarbij de arbeidskorting (naar rato) wordt toegekend van 70% naar 50% is verlaagd in de regeringsvoorstellen ten opzichte van het regeerakkoord maar zij vragen zich af of dit genoeg is. De leden van de PvdA fractie vragen de regering dan ook te motiveren waarom de arbeidskorting niet is toegekend aan alle werkenden. Zij wijzen in dit verband ook naar de door de Tweede Kamer aangenomen motie Schimmel c.s. (29 April 1999). Hoeveel werknemers vallen nu buiten het bereik van de arbeidskorting en hoeveel zou het kosten hen alsnog binnen dit bereik te brengen als het 100%-punt in guldens gelijk blijft? En wat zijn de consequenties voor de hoogte in guldens van het 100%-punt als de arbeidskorting binnen de bestaande ruimte aan alle werkenden wordt toegekend? Kan de regering de groep die in de huidige voorstellen geen arbeidskorting zou krijgen, uitsplitsen naar sekse, aantal gewerkte uren, status van de werknemer en leefvorm? Wat zijn de budgettaire gevolgen van de hantering van een opbouwpercentage van 5% in plaats van 10%?

Deze vraag speelt voor de leden van de PvdA fractie des te meer omdat het percentage minimumloon betrekkelijk willekeurig is voor de toekenning van de arbeidskorting. Het gekozen criterium bevoordeelt feitelijk hooggeschoolde veelverdieners boven laaggeschoolde weinigverdieners en het is de vraag of dat past bij de doelstellingen van het regeringsbeleid om met name participatie aan de onderkant van de arbeidsmarkt te stimuleren. Deze leden doelen hierbij met name op het feit dat werknemers die weinig uren werken maar dit tegen een hoog uurloon doen de arbeidskorting wel krijgen maar werknemers die meer uren werken en dat tegen een laag loon doen, de kans lopen de arbeidskorting niet te krijgen. Dit nu lijkt deze leden niet bij voorbaat juist. Zij vragen daarom de regering nader te beargumenteren waarom bij het naar rato toekennen van de arbeidskorting is gekozen voor een criterium aan de hand van het percentage WML in plaats van een urencriterium (zoals dat bijvoorbeeld ook al vanuit spak-regelingen naar tevredenheid functioneert).

De leden van de PvdA fractie vinden dat de Emancipatie Effect Rapportage (EER) een nuttige bijdrage heeft geleverd aan de toetsing van de regeringsvoorstellen voor zover dit het bevorderen van emancipatie en economische zelfstandigheid betreft. Zij constateren tevens dat een groot aantal van de voorstellen overeenkomt met de richting die in deze rapportage ook als voorkeur wordt aangegeven. Maar, zo constateren deze leden, er zijn ook aanbevelingen uit de EER die niet zijn overgenomen zoals bijvoorbeeld de aanbeveling op p.133 om een aftrekpost in de loon- en inkomstenbelasting in het leven te roepen voor het aankopen van diensten. Dit zou het ondernemerschap in de persoonlijke dienstverlening kunnen stimuleren zoals dat ook als doel in de regeringsnota Arbeid en Zorg wordt geformuleerd. Heeft de regering deze optie (in de vorm van een heffingskorting) overwogen? Kan de regering aangeven waarom hier niet voor is gekozen?

Recent hebben de leden van de PvdA fractie het initiatief genomen om alternatieven te bedenken voor de regeringsplannen m.b.t. wat wel bekend is als de sollicitatieplicht voor bijstandsmoeders. Een onderdeel van de plannen betrof de verlenging van de regeling aanvullende alleenstaande ouderaftrek. Zou de regering aan kunnen geven wat de kosten zijn van het doortrekken van de heffingskorting voor werkende alleenstaande ouders van kinderen van 12 naar 16 jaar? De regering heeft het invoeren van een zorgkostenforfait, zoals dit bijvoorbeeld ook in de EER voorkomt, afgewezen omdat het bij alle inkomens neerslaat. Dit zou echter niet het geval zijn als gekozen zou worden voor een zorgkostenforfait voor alleenstaande werkende of scholende ouders. Heeft de regering dit overwogen, zo vragen deze leden? Kan de regering in dit verband ook aangeven in hoeverre alleenstaande ouders profiteren van de bijzondere lastenregeling kinderopvang?

De emancipatoire invalshoek is voor de leden van de PvdA fractie ook relevant bij de beoordeling van het voorgestelde regime inzake de oudedagsvoorziening, met name als het gaat om de gehanteerde franchise en de problemen bij het aantonen van een pensioentekort voor werknemers met een gefragmenteerd arbeidsverleden.

De pensioenparaplu
Met belangstelling hebben de leden van de PvdA fractie kennisgenomen van het hoofdstuk oudedagsvoorzieningen in de Wet op de Inkomstenbelasting 2001. Met instemming stellen deze leden vast, dat de principiële uitgangspunten waarop ons stelsel van oudedagsvoorzieningen is gebaseerd ook in het belastingplan recht overeind blijven. Een solide AOW als fundament, een collectief georganiseerde tweede pijler en waar nodig nog een individuele voorziening om mogelijke pensioentekorten te kunnen compenseren, hebben geleid tot een stelsel, waarnaar in menig omringend land met enige jaloezie wordt gekeken. De leden van de PvdA fractie hechten eraan, dat ook in de toekomst iedere burger in dit land een goed pensioen kan opbouwen en dat waar mogelijk en verantwoord de fiscaliteit daar ondersteunend bij dient te zijn. Het handhaven van de omkeerregel is in dit verband dan ook essentieel. Deze leden hebben er waardering voor, dat het kabinet in het belastingplan voor een benadering kiest, waarbij enerzijds de fiscus behulpzaam is om een pensioenopbouw mogelijk te maken, die voldoet aan algemeen maatschappelijk aanvaarde normen, maar anderzijds ook weer niet zodanig ruimhartig is, dat bovenmatigheid van oudedagvoorzieningen met behulp van aftrekposten wordt bewerkstelligd.

De filosofie van de oudedagsparaplu, zoals in het belastingplan geïntroduceerd, kan dan ook op zichzelf op sympathie van de PvdA fractie rekenen. Deze filosofie borduurt in zekere zin voort op de zogenoemde tranchesystematiek, die in het kader van de Brede herwaardering I is ingevoerd en op de Wet Fiscale Behandeling Pensioenen ( de zogenoemde Witteveenvoorstellen). Het idee om de optelsom van AOW, collectief pensioen en individuele arrangementen voor wat betreft de fiscale begeleiding af te grendelen op het niveau van wat maatschappelijk aanvaardbaar geacht wordt en de afzonderlijke pijlers dus integraal te beschouwen, is naar het oordeel van de leden van de PvdA fractie een intellectueel logisch concept dat fiscaal consistent valt uit te werken. Dat in dit concept geen ruimte is voor een voor iedereen geldende vaste ruimte voor individuele voorzieningen, zoals de eerste tranche lijfrente, waarvan onafhankelijk van de hoogte van de pensioenvoorzieningen gebruik gemaakt kan worden, is een logische consequentie.

Dit alles neemt niet weg, dat de PvdA-leden, ondanks de waardering voor de regeringsvoorstellen op dit punt, en met name het daaraan ten grondslag liggende concept, een aantal fundamentele vragen hebben. De leden van de PvdA fractie hanteren daarbij een drietal criteria waaraan zij de voorstellen van de regering en eventuele alternatieven en aanvullingen wensen te toetsen. Het eerste criterium betreft het concept van de pensioenparaplu, uitgewerkt in het beginsel dat een ieder in staat moet worden gesteld een goed pensioen bij elkaar te sparen maar dat de overheid niet gehouden is bovenmatig pensioensparen fiscaal te subsidiëren. Het tweede criterium is dat de nieuwe regeling voldoende transparant moet zijn om ook en juist voor mensen met lagere inkomens en een laag pensioenbewustzijn het inzichtelijk te maken hoe zij er qua pensioenvoorziening voor staan en juist voor hen bij een pensioentekort geen nodeloze drempels op te werpen die hen er om de verkeerde redenen van zou weerhouden extra voor hun pensioen te sparen. En ten derde moet rekening worden gehouden met een taakstellende ombuiging, welke in het regeerakkoord op 1.5 Md is begroot, al geldt ten aanzien van deze taakstelling dat zij het gevolg dient te zijn van het adequaat schrappen van bovenmatige aftrekposten en derhalve geen doel op zich is.

Gelijke behandeling bij oudedagsvoorziening
Met deze criteria als uitgangspunt zouden de leden van de PvdA fractie de aandacht willen vestigen op de relatie tussen de oudedagsparaplu en de Wet Fiscale Behandeling Pensioenen. Bij de voorgestelde herziening van het lijfrenteregime achtte het kabinet het kennelijk niet verantwoord om aan te sluiten bij de ruime normen van de Wet Fiscale Behandeling Pensioenen. Teneinde een eigen oordeel te kunnen vormen over de vraag of dit verschil tussen de "tweede pijler" en de "derde pijler" gerechtvaardigd is, en gezien de voornamelijk op kennelijke budgettaire motieven berustende argumentatie die de regering gebruikt om dit verschil te rechtvaardigen, vragen de leden van de PvdA fractie de regering te analyseren welke precies de verschillen tussen de twee pijlers (enerzijds de Wet Fiscale Behandeling Pensioenen, anderzijds het voorgestelde lijfrenteregime) zijn en welk budgettair belang (per verschillend element) gemoeid zou zijn met het doorvertalen van de ruimere faciliteiten uit de tweede pijler naar de derde pijler. Kan de regering in deze vergelijking ook eventuele verschillen tussen de opbouwmogelijkheden in de regeringsvoorstellen, de Wet Fiscale Behandeling Pensioenen en het SER-advies betrekken?

Zou de regering in dit verband ook aan kunnen geven hoe zij aan kijkt tegen de verschillen tussen "tweede" en "derde" pijler in het licht van de houdbaarheid in internationaal verband, bijvoorbeeld in verhouding tot het beginsel van gelijke behandeling?

Met betrekking tot de argumentatie die het kabinet aanvoert voor een verschillende behandeling van de tweede en de derde pijler, vragen de leden van de PvdA fractie zich af of de regering haar visie zou willen geven op een mogelijk argument voor het hier bedoelde onderscheid, dat in de kring van de PvdA fractie geldigheid wordt toegedicht. De leden van de PvdA fractie wijzen daarbij op de mogelijkheid dat het bij collectieve pensioenen mogelijk is op meer dan 70% eindloon uit te komen ten gevolge van de Wet Fiscale Behandeling Pensioenen. Is het niet zo dat deze mogelijkheid met name voortkomt uit de met de Witteveenvoorstellen beoogde flexibilisering? Is het niet tevens zo, dat een hoger dan 70% resultaat op 65 jarige leeftijd in collectieve regelingen derhalve slechts in uitzonderingssituaties mogelijk is? En zou, zo bezien, het plafond van de oudedagsparaplu optrekken tot het maximale niveau van de Wet Fiscale Behandeling Pensioenen niet betekenen, dat uitzonderingssituaties tot norm voor iedereen worden verheven? Of is het in de praktijk meer zo, dat in de tweede pijler in beginsel álle werknemers via inkoop en individuele arrangementen op 60 jaar een 70% pensioenresultaat kunnen realiseren? De PvdA-leden zagen graag een eenduidig antwoord op deze vragen.

Vragen hebben de leden van de PvdA fractie ook met betrekking tot de gehanteerde franchise. Kan de regering nog eens toelichten, waarom wordt uitgegaan van de hoge franchise van f.30.473,= ? Waarom gaan de argumenten die opgaan voor een lagere franchise in de Wet Fiscale Behandeling Pensioenen, niet op bij het voorgestelde lijfrenteregime? Het komt deze leden logischer voor dat wordt aangesloten bij opvatting in de pensioennota uit 1991, die luidt, dat de in pensioenregelingen gehanteerde hoge franchise past bij het traditionele gezinspatroon, maar dat deze het voor alleenstaanden en tweeverdieners en dan vooral die met een bescheiden inkomen, erg moeilijk maakt om een aanvaardbaar pensioenresultaat te realiseren. Waarom hier niet aangesloten bij de Wet Fiscale Behandeling Pensioenen, waarin een franchise van f.21.062,= is opgenomen, die overeenkomt met de AOW voor gehuwden. Ook in het pensioenconvenant is deze gehuwden AOW uitgangspunt. Kan de regering ook uitleggen waarom in de "derde pijler" geen regeling voor deeltijders is geschapen waardoor zij de franchise pro rata kunnen toepassen, een faciliteit die wel in de "tweede pijler" wordt geschapen? De leden van de PvdA fractie leggen tevens een verband tussen de gehanteerde hoge franchise en de mogelijkheden voor met name de mensen met lage inkomens om een eventueel pensioentekort te kunnen aanvullen. Zij denken dat deze mogelijkheden te beperkt zijn en achten dat in het licht van de aanstaande vergrijzing niet zo verstandig. Kan de regering ook hier nog eens nader op ingaan?

Ten aanzien van de inhaalaftrek hanteert de regering het percentage van 15% van de pensioengrondslag, maar dan wel met een maximum van f.12.149,= gulden. Kan de regering nog eens toelichten waarom zij dit maximum hanteert en hoe zij eraan is gekomen? Kan de regering ingaan op de kritiek dat het onlogisch zou zijn, dat belastingplichtigen wel op jaarbasis een tekort volledig mogen aanvullen, maar dat zulks niet is toegestaan als het om een inhaalaftrek gaat?

Lijfrente-gebruik, uitvoerbaarheid en transparantie Een logisch gevolg van de oudedagsparaplu is het vervallen van de eerste tranche in het lijfrenteregime, omdat de redenering luidt, dat eenieder met een aantoonbaar pensioentekort dat jaarlijks mag aanvullen met een lijfrenteproduct, waarna er van zo'n tekort geen sprake meer is. Tevens is ruimte gecreëerd voor een inhaalaftrek. Hoewel de leden van de PvdA fractie sympathie hebben voor de filosofie onder deze aanpak, leven er toch twijfels over de uitvoeringsmogelijkheden. Deze leden willen de regering de volgende vragen stellen op dit onderdeel. Heeft de regering een goed en actueel overzicht over het voorkomen van pensioentekorten en zo ja kan zij daar de Kamer dan cijfers over verstrekken? Zou de regering daarbij dan tevens willen ingaan op de cijfers van het Verbond van Verzekeraars, die suggereren dat veruit het grootste deel van de thans verstrekte lijfrentepolissen voorzien in het aanvullen van pensioentekorten en dat ook in het nieuwe regime 77% van de belastingplichtigen gebruik kan maken van de aftrekbare lijfrente? Kan de regering inzicht geven in de verdeling van het gebruik van lijfrenten over de verschillende inkomensklassen? Hoe groot is de gemiddelde aftrekpost voor de verschillende inkomensklassen op dit punt? Hoe groot is het jaarlijkse bedrag aan premie-inleg? Hoe kijkt de regering aan tegen de redenering, dat als alle belastingplichtigen met een tekort maximaal gebruik maken van de ruimte onder de paraplu, de belastingderving wel eens veel hoger zal kunnen zijn, dan thans het geval is bij de ongetoetste aftrek in de eerste tranche?

Kan de regering nog eens ingaan op de kritiek, dat het nieuwe systeem buitengewoon complex is en gepaard zal gaan met aanzienlijke uitvoeringskosten? Hoe verhouden deze zich tot het in het pensioenconvenant afgesproken streven te komen tot een verlaging van kosten?

Kan de regering nog eens uitvoerig ingaan op de geuite zorg, dat veel tot zeer veel werknemers, maar ongetwijfeld ook zelfstandigen, geen tot weinig inzicht hebben in de actuele stand van hun pensioenopbouw? Acht de regering het aannemelijk dat burgers met een pensioentekort zelf in staat zijn om de weg te bewandelen, die leidt tot inzicht in het niveau van dat pensioentekort en daarmee tot de ruimte die nog resteert voor het afsluiten van een lijfrentepolis? Houdt de regering er rekening mee, dat burgers met een laag of bescheiden inkomen meer moeite zullen hebben een eventueel tekort te ontdekken dan burgers met een hoger inkomen? Kan de regering zich voorstellen dat een en ander nog wat moeilijker en ingewikkelder wordt naarmate een belastingplichtige bij meerdere pensioenuitvoerders zijn of haar aanspraken heeft opgebouwd? Wie is in dat geval naar het oordeel van de regering verantwoordelijk voor het eenduidig en begrijpelijk inzichtelijk maken van een eventueel pensioentekort aan de belastingplichtige? Zou de regering het aanvaardbaar achten als verzekeraars tarieven in rekening zouden brengen bij burgers voor het inzichtelijk maken van hun eventuele pensioentekort?

De leden van de PvdA fractie constateren in dit verband dat een groep die waarschijnlijk met een aan te tonen pensioentekort zal kampen en dat niet of slechts met grote moeite zal kunnen aantonen, gevormd wordt door werknemers met een gefragmenteerd arbeidsverleden, met veel kleine banen, vaak ook niet in dienstverband. De leden van de PvdA fractie vermoeden dat juist vrouwen vaak tot deze groep behoren en vinden het daarom ook vanuit het perspectief van bevordering van emancipatie en economische zelfstandigheid gepast dat de regering op dit punt de voorstellen nader aanscherpt teneinde te voorkomen dat juist vrouwen het slachtoffer worden van de problemen die deze leden verwachten bij de voorstellen inzake de oudedagsvoorziening, voor zover deze het aantonen van een pensioentekort betreffen.

De leden van de PvdA fractie zouden de regering een aantal alternatieven voor en aanvullingen op de regeringsvoorstellen willen voorleggen vanuit hun zorg dat het nieuwe stelsel weliswaar recht moet doen aan de gedachte van de oudedagsparaplu maar er niet toe mag leiden dat de drempels om voor een voldoende pensioen te sparen zo hoog worden dat met name de mensen met een laag pensioenbewustzijn, en dat zijn volgens deze leden naar alle waarschijnlijkheid juist de mensen met een laag inkomen, zichzelf tekort doen.

Zo zouden de leden van de PvdA fractie de regering uit willen nodigen een concreet voorstel uit te werken waarbij één instantie verantwoordelijk wordt voor het jaarlijks inzichtelijk maken van het pensioentekort van belastingplichtigen. Zij gaan er van uit dat zo'n systeem, dat draait op basis van een informatieplicht van deze instantie, voldoende mogelijkheden biedt voor werknemers met een aaneengesloten arbeidsverleden en voor een ieder die bij het ingaan van die regeling zijn of haar eventuele pensioentekort kent. Is de regering het met deze leden eens dat de belastingdienst zelf de meest geschikte instantie is om deze verantwoordelijkheid op zich te nemen en de belastingplichtigen te wijzen op de risico's (hoogte pensioentekort) en rechten (niveau extra aftrek) in dit verband? Waarop berust de redenering (p.165 artikelgewijze toelichting) dat een door de belastingdienst aan te leggen oudedagsrekening niets heeft toe te voegen?

Deze leden gaan er echter tevens vanuit dat er op dit moment een grote groep bestaat die wel een pensioentekort heeft maar dit niet kent. Zou de hier gesuggereerde benadering worden overwogen, dan lijkt het deze leden verstandig om een eenmalige periode vast te stellen waarbinnen iedereen de mogelijkheid krijgt een vanaf dat moment geldend pensioentekort vast te laten stellen. Als dat eenmaal is vastgesteld, kan de lopende registratie van pensioentekorten zoals die onder de hier beschreven regeling vervolgens door de belastingdienst zou worden gevoerd, vervolgens ook voor deze groep in gaan. Het zou in dit verband, bij een lopende jaarlijkse registratie van het eventuele pensioentekort, zelfs niet langer nodig zijn naast een faciliteit voor een algemene inhaalruimte een aparte faciliteit voor een jaarlijkse inhaalruimte, zoals deze bestaat in de regeringsvoorstellen, te laten bestaan. De leden van de PvdA fractie vragen de regering om een reactie op deze mogelijke aanvulling op de regeringsvoorstellen.

In verband met de zorg of mensen met een laag of een midden inkomen zich wel voldoende bewust zijn van een eventueel pensioentekort, dan wel in staat zijn om zich zo'n tekort te laten voorrekenen, kunnen de leden van de PvdA fractie zich ook een andere oplossing indenken. Zo zou er bijvoorbeeld aangesloten kunnen worden bij het SER-advies, waarbij een lagere ongetoetste aftrek in stand wordt gehouden terwijl er bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd een eindafrekening plaats vindt m.b.t. eventueel teveel gespaard pensioen. Naar het oordeel van de SER wordt met een dergelijke benadering net zo trefzeker als in het wetsvoorstel voorkomen, dat belastingplichtigen uitsluitend lijfrenteproducten kopen teneinde te profiteren van de aftrekmogelijkheden, zonder daarbij een redelijk pensioenresultaat voor ogen te hebben. Kan de regering nog eens ingaan op de voor- en nadelen van het SER-advies?

De leden van de PvdA fractie zouden bij de analyse van eventuele aanvullingen op en alternatieven voor de regeringsvoorstellen vanuit hun zorg voor het pensioensparen van mensen met een laag pensioenbewustzijn, ook de mogelijkheid willen betrekken om een bescheiden ongetoetste aftrekmogelijkheid slechts tot een bepaald inkomensniveau in stand te houden. Te denken valt dan bijvoorbeeld aan de premiegrens werknemersverzekeringen. Boven dat inkomensniveau zullen belastingplichtigen dan een pensioentekort moeten aantonen. Het bedrag aan ongetoetste aftrek zou wel lager kunnen en moeten zijn dan de huidige 6075 gulden. Dat kan ook, omdat onder het inkomensniveau van de premiegrens werknemersverzekeringen het pensioentekort in veruit de meeste gevallen minder zal zijn dan overeenkomt met een aftrek van 6075 gulden. Volgens de PvdA-leden valt dan bijvoorbeeld te denken aan een ongetoetste aftrek van tussen de 3000 en 4000 gulden.

De budgettaire consequenties van een dergelijke begrensde ongetoetste eerste tranche zouden in de ogen van deze leden beperkt kunnen blijven, omdat mensen met een inkomen tot de premiegrens werknemersverzekeringen niet te snel naar een lijfrente zullen grijpen, maar ook omdat deze variant wellicht is te combineren met een eindtoets als bij het SER-advies. Een bovenmatige pensioenopbouw als gevolg van een ongetoetste eerste tranche zal overigens in deze inkomenscategorie slechts in zeer beperkte mate voorkomen. Daar staan vervolgens wel grote voordelen, zoals eenvoud en een betere pensioenopbouw voor deze kwetsbaardere inkomensgroep tegenover. Dat laatste achten de leden van de PvdA fractie in het licht van de aanstaande vergrijzing van groot belang. De PvdA-leden zagen graag een reactie van de regering op de hier gesuggereerde benadering, met inbegrip van de door de regering ingeschatte budgettaire gevolgen.

Tenslotte zouden de leden van de PvdA fractie de regering, indien bij één van bovengenoemde alternatieven en aanvullingen de budgettaire doelstellingen onvoldoende gehaald zouden worden, willen vragen te bezien in hoeverre het invoeren van een assurantiebelasting een zinvol beleidselement kan zijn. Daarmee zou vooraf de zekerheid van een budgettaire opbrengst kunnen worden gerealiseerd zonder het effect van uitstel en onzekerheid dat een eindtoets met zich mee brengt. Naar deze leden begrijpen bestaat deze belasting, niet alleen bij andere verzekeringsvormen in Nederland maar ook reeds bij levensverzekeringen in andere landen. Zij kunnen de consequenties hiervan echter nog niet overzien en vragen de regering daarom voor een nadere analyse op dit punt. Wellicht dat de regering in haar commentaar ook in kan gaan op de vraag of een voorheffing met materieel het zelfde effect als een assurantiebelasting, om technische dan wel andere redenen, wellicht te verkiezen is boven een assurantiebelasting.

Overbruggingspensioen, spaarloon, overdraagbaarheid In het wetsvoorstel wordt voor wat betreft regels ter bepaling van de waardeaangroei van pensioenaanspraken verwezen naar een nog uit te brengen algemene maatregel van bestuur. Het is thans onduidelijk hoe de voorgestelde regels uitwerken bij beschikbare premieregelingen, maar ook bij het prepensioen en het overbruggingspensioen. Begrijpen deze leden de voorstellen goed als zij concluderen dat het niet meer mogelijk zal zijn te sparen voor vervroegde uittreding tenzij er sprake is van een pensioentekort of tenzij er binnen de zogeheten tweede pijler mogelijkheden worden geboden? Deze leden zouden de regering erop willen wijzen dat er in het recente verleden door leden van de PvdA fractie op is gewezen dat het regeringsbeleid gericht op een toename van arbeidsparticipatie door ouderen wel eens gebaat zou kunnen zijn bij het flexibiliseren van de pensioenmogelijkheden. In dat licht vinden deze leden het moeilijk de consequenties van de regeringsvoorstellen m.b.t. overbrugging en vervroegde uittreding te beoordelen en zouden zij een nadere toelichting op prijs stellen.

Kan de regering ook aangeven wat de gevolgen zijn van het feit dat alleen het opvullen van een pensioengat met een geregistreerde lijfrente fiscaal gefacilieerd wordt en het opvullen door middel van een spaar- of beleggingsproduct niet? Welke inkomensgroepen worden hier met name door geraakt?

Tenslotte zagen de PvdA-leden nog graag een reactie van de regering op de stelling van het Verbond van Verzekeraars dat reeds in de nabije toekomst te genereren inkomstenbelasting uit vrijvallende lijfrentepolissen op geen enkele wijze in de rekensommen van het Kabinet is verwerkt, net zo min als rekening zou zijn gehouden met de te verminderen belastinginkomsten op termijn als het aantal fiscaal gefacilieerde polissen afneemt.

De leden van de PvdA fractie hebben de indruk dat de noodzaak tot het op individuele basis aantonen van een pensioentekort, betekent dat aftrekbare lijfrentepremies niet meer kunnen worden overgedragen tussen partners. Vanuit het oogpunt van emancipatie en economische zelfstandigheid juichen zij dit toe. Overigens kunnen zij op dit moment niet goed inschatten wat de eventuele gevolgen hiervan zijn voor bijvoorbeeld nabestaandenregelingen en ANW-gat-verzekeringen. Gaarne vernemen zij op dit punt nadere uitleg van de regering, aan de hand van een beschrijving van de consequenties van art.3.7.1 (zie ook artikelgewijs commentaar). Zou het probleem, zo het er is, opgelost kunnen worden door een zelfde kring van verzekerden/baathebbenden te hanteren als in art.3.6.7?

Spaarloon
De leden van de PvdA fractie hebben met belangstelling kennis genomen van de voorstellen van de regering inzake de bedrijfsspaarregelingen waaronder het spaarloon. In dit verband constateren de leden van de PvdA fractie tevens dat het kabinet in strijd met het regeerakkoord voorstelt om de nog onlangs verruimde deblokkeringsmogelijkheden van bedrijfsspaarregelingen ten behoeve van oudedagsvoorzieningen weer ongedaan te maken. De leden van de PvdA fractie missen echter een grondige motivatie voor dit voornemen en zouden deze graag alsnog vernemen. In dat kader zijn zij ook benieuwd te vernemen of juist op dit punt het voorgestelde overgangsrecht niet buitengewoon hard uit werkt omdat juist werknemers met een bescheiden inkomen die in het kader van een CAO-afspraak met een spaarloonregeling voor lijfrentes sparen, bij het wegvallen van deze faciliteit wel eens in de situatie zouden kunnen geraken dat zij niet in staat zijn het lijfrentesparen voort te zetten en vervolgens geconfronteerd worden met een zeer onvoordelige afkoop-situatie. Kan de regering commentaar leveren op dit scenario? Kan de regering daarbij ook in gaan op mogelijke varianten waarbij tenminste recht gedaan wordt aan lopende spaarregelingen, zoals die ook in CAO's zijn vastgelegd? Kan de regering bijvoorbeeld aangeven hoe zij de variant beoordeelt waarbij de bedragen in de spaarregelingen met ingang van 2001 worden bevroren onder gelijktijdige verhoging van de werkgeversheffing van 10% naar 15%? Onder welk regime voor bedrijfsspaarregelingen vallen overigens spaarpremies die een werkgever in 2001 toekent op in het jaar 2000 gespaarde regelingen?

Voor een meer algemene beoordeling van de voorstellen inzake de bedrijfsspaarregelingen is het voor de leden van de PvdA fractie belangrijk een beter inzicht te hebben in het huidige gebruik van deze regelingen. Hoe is het gebruik van deze regelingen gespreid over de diverse inkomensklassen en tussen CAO- en niet CAO-werknemers? Hoe groot is de benutting van de ruimte binnen de regeling gespreid over de diverse inkomensklassen? Wat zijn de inkomenseffecten die gepaard zouden gaan met een totale afschaffing van de bedrijfsspaarregelingen? Hoe zouden eventueel vrijvallende middelen gebruikt kunnen worden voor een meer gerichte inkomensondersteuning, zoals in een ander verband al eens door het FNV geopperd?

Vermogen
De leden van de PvdA fractie hebben met grote belangstelling kennis genomen van de voorstellen zoals die in Hoofdstuk 5 van de voorgestelde Wet op de Inkomstenbelasting 2001 met betrekking tot het inkomen uit sparen en beleggen naar voren komen. Zij zien vele goede aspecten aan dit voorstel maar hebben tevens nog antwoord nodig op een aantal fundamentele vragen alvorens tot een definitief eind oordeel te kunnen komen. De leden van de PvdA fractie delen de analyse van de regering dat het huidige belastingstelsel op het punt van het belasten van vermogen uit de pas loopt met ontwikkelingen elders in Europa, de verkeerde prikkels geeft en met name door de combinatie van rente-aftrek en onbelaste koerswinst zo lek is als een mandje. Zij beschouwen het als het grootste winstpunt van de voorstellen dat burgers met (grote) vermogens niet zullen kunnen ontkomen aan het betalen van belasting, ongeacht op welke manier zij hun vermogen aanhouden of financieren. Daarmee wordt volgens deze leden een belangrijke stap gezet in de richting van het hernieuwd vormgeven aan het draagkrachtbeginsel in dit deel van het belastingsysteem.

Voor een goede beoordeling van zowel de noodzaak tot hervorming op dit punt als van de effecten van de gedane voorstellen zouden de leden van de PvdA fractie het op prijs stellen als de regering nog eens kan schetsen hoe de belastingdruk op vermogen(sinkomsten) zich in Nederland verhoudt tot die in het buitenland en hoe dit na de voorstellen zou zijn. Zij zouden dit graag beschreven zien zowel in lastendruk op totaal vermogen (totale vermogensinkomsten) als in lastendruk op belast vermogen (belaste vermogensinkomsten) teneinde de respectieve invloed van tarief en grondslag beter uit elkaar te kunnen houden. De leden van de PvdA fractie zijn mede benieuwd naar deze informatie in het licht van de suggestie op p.35 van de Memorie van Toelichting dat de voorstellen zullen leiden tot minder kapitaalvlucht naar het buitenland? Waarom is de regering die mening toegedaan? Is het tarief lager of de grondslag smaller? Kan de regering overigens aangeven in hoeverre kapitaalvlucht binnen Europa samenhangt met verschillen in lastendruk tussen verschillende lidstaten dan wel met de afwezigheid van bronheffingen of renseigneringsplichten? Kan de regering ook aangeven waarom zij denkt dat het systeem van een forfaitaire vermogensrendementsheffing niet zal leiden tot kapitaalvlucht naar het buitenland als het reële rendement onder de 4% zakt?

Ook verzoeken zij de regering een nadere en preciezere duiding te geven van de verwachte meeropbrengst van het per saldo afschaffen van de vermogensbelasting en het introduceren van de forfaitaire vermogensrendementsheffing. Welke grondslagverbreding is hier bijvoorbeeld verondersteld ten aanzien van de terugkeer van kapitaal uit het buitenland, het belastbaar maken van vermogensopbrengsten die voorheen onbelast waren (koerswinsten), en wat is de veronderstelde grondslagverbreding die ontstaat ten gevolge van de afschaffing van bepaalde vrijstellingen in de sfeer van kapitaalverzekeringen en lijfrenten? In hoeverre stroken de berekeningen van de regering met de afspraak uit het Regeerakkoord dat van een grondslag van ca. 750 Miljard zal worden uitgegaan (ongerekend de vrijstelling)?

De leden van de PvdA fractie vragen de regering aan te geven hoeveel mensen naar schatting straks de forfaitaire vermogensrendementsheffing zullen betalen en hoeveel er nu belasting betalen over vermogensinkomsten of vermogen? Ook vragen zij zich af of de regering aan kan geven hoeveel belastingplichtigen op dit moment onder de 68%-regeling vallen, wat de effecten, ook budgettair, zullen zijn van het vervallen van deze regeling en wat op individueel niveau de gevolgen voor de betreffende individuen zal zijn. Heeft de regering overigens inkomenseffecten verondersteld ten gevolge van het voorgestelde regime met betrekking tot zowel lijfrenten als kapitaalverzekeringen? Zo ja, hoe zijn deze effecten? Kan de regering tenslotte in dit verband ook aangeven hoe zij aankijkt tegen de opinie van de SER dat een meeropbrengst in de forfaitaire vermogensrendementsheffing valt te realiseren bij een betere of andere inningssystematiek (p.144 van het SER-advies)?

Bij de toetsing van het voorgestelde systeem van een forfaitaire vermogensrendementsheffing zijn voor de leden van de PvdA fractie een aantal aspecten nadrukkelijk van belang. Allereerst zal de grondslag zo breed mogelijk moeten zijn teneinde de mogelijkheid tot schuiven van kapitaal van "binnen" naar "buiten" zo klein mogelijk te maken. Vervolgens is het voor deze leden van belang dat er sprake is van een materiële progressie in het systeem. Een derde criterium is dat het systeem qua grondslag en qua heffingsdruk aan moet sluiten bij wat maatschappelijk als redelijk wordt ervaren.

Alvorens de voorstellen aan de hand van deze drie criteria nader te bespreken, zouden de leden van de PvdA fractie allereerst nader in willen gaan op de keuze van een systeem van forfaitaire vermogensrendementsheffing boven een systeem van vermogenswinst- of vermogensaanwasbelasting. Voor deze leden is hierbij vooral van belang dat zowel een systeem van vermogenswinst- als van vermogensaanwasbelasting aanmerkelijk meer mogelijkheden lijkt te bieden tot ontwijking dan een systeem van forfaitaire vermogensrendementsheffing. Niettemin constateren deze leden dat de argumentatie pro een forfaitaire vermogensrendementsheffing en contra een vermogenswinst- of vermogensaanwasbelasting in de Memorie van Toelichting tamelijk mager is. Zij constateren dat hoewel er bijvoorbeeld in SER-verband uitgebreid is ingegaan op een vermogenswinstbelasting dit minder het geval was met betrekking tot een vermogensaanwasbelasting. Zij zouden daarom de regering willen vragen vooral nog eens in te gaan op de voor- en nadelen van een vermogensaanwasbelasting vooral ook in het licht van de verwijzing, zoals die in diverse publicaties bijvoorbeeld door prof. Cnossen wordt gemaakt, naar bestaande systemen van vermogensaanwasbelasting in andere Europese landen en de Verenigde Staten van Amerika. Klopt het overigens dat deze systemen in de praktijk niet lijden onder instabiele inkomsten (van den Dool, Elsevier, 2/10/99)?

De leden van de PvdA fractie constateren dat de grondslag van de forfaitaire vermogensrendementsheffing niet identiek is aan de huidige grondslag van de vermogensbelasting. Zij vragen de regering de verschillen precies te duiden, de reden voor deze verschillen aan te geven en tevens te laten zien wat (bij het voorgestelde rendements- en heffingspercentage) per onderdeel de budgettaire effecten zouden zijn van het gelijktrekken van de grondslag van de forfaitaire vermogensrendementsheffing met de grondslag van de vermogensbelasting.

De leden van de PvdA fractie hebben op dit moment onvoldoende zicht op de redenen waarom de regering voorstelt met name de grondslagdefinitie op het gebied van roerende zaken te wijzigen. Met name met betrekking tot zaken als auto's en boten, maar ook met betrekking tot kunst, juwelen en antiek wordt een andere bewijslast gehanteerd dan onder de huidige vermogensbelasting, een verandering die naar het inzicht van deze leden in de praktijk zal leiden tot verminderde mogelijkheden tot het heffen van belasting over deze zaken. De leden van de PvdA fractie vragen de regering nogmaals per onderdeel van de grondslag te beargumenteren waarom dit nodig en wenselijk wordt geacht. Tevens vragen zij de regering toe te lichten wat precies bedoeld wordt met roerende zaken die naar "aard en hoeveelheid" (Memorie van Toelichting p.233) kennelijk voor beleggingsdoeleinden worden aangehouden? Is het niet beter, zo vragen deze leden zich af, om dit preciezer in de wet vast te leggen?

Specifiek met betrekking tot voorwerpen van kunst en wetenschap vragen de leden van de PvdA fractie zich af hoe groot de waarderings- en controleproblemen zijn die voortvloeien uit het afschaffen van de huidige onbeperkte vrijstelling. Hoe verhoudt de voorgestelde bewijslast van de belastingplichtige, zo vragen zij zich af, zich tot het stimuleringsbeleid van de overheid betreffende kunst en cultuur? Heeft de regering overwogen artikel 5.2.2 te schrappen en (roerende) voorwerpen van kunst en wetenschap onder de hoofdregel te laten vallen? Heeft de regering overwogen om elementen van het Engelse model over te nemen waarbij de fiscale behandeling van voorwerpen van kunst en cultuur mede afhankelijk is gemaakt van de mate waarin zij voor het publiek toegankelijk zijn of worden gemaakt? Kan de regering op deze varianten commentaar leveren?

Met betrekking tot de grondslag van de forfaitaire vermogensrendementsheffing constateren deze leden ook dat er geen verband wordt gelegd tussen bezittingen en schulden. Dit kan tot de paradoxale situatie leiden dat schuldfinanciering (door middel van de saldering met positief vermogen) wel fiscaal wordt gesubsidieerd maar dat de bezittingen die met behulp van de betreffende schuld worden gefinancierd, niet belast worden. De leden van de PvdA fractie constateren dat dit bijvoorbeeld betekent dat een boot van f.100,000.= niet wordt belast maar dat de schuld waarmee die boot wordt gefinancierd wel mag worden gesaldeerd met ander positief vermogen, waarmee de grondslag voor de betreffende belastingplichtige aanmerkelijk wordt verminderd. Dit nu strookt noch met het rechtvaardigheidsgevoel van deze leden noch met elementaire fiscale logica. De leden van de PvdA fractie dringen er dan ook bij de regering op aan de omschrijving van de grondslag op dit punt te wijzigen door een ruimere definitie van roerende zaken op te nemen, dan wel een verband tussen schulden en bezittingen te leggen, dan wel bepaalde schulden niet meer voor saldering met het positieve vermogen in aanmerking te laten komen. Zij vragen de regering om commentaar met betrekking tot het geconstateerde probleem en vragen de regering de Kamer enkele alternatieven, bijvoorbeeld zoals de bovenstaande, voor te leggen.

Het is de leden van de PvdA fractie duidelijk dat de vaststelling van de grondslag voor de forfaitaire vermogensrendementsheffing het nodige vraagt van de professionele vermogensbeheerders. Kan de regering aangeven welke precieze veranderingen in de renseigneringsplichten van banken en verzekeraars zij voor staat en in hoeverre daarover reeds overeenstemming met diezelfde banken en verzekeraars is bereikt? Gaat van de professionele vermogensbeheerders een automatische opgaaf van de samenstelling van het vermogen van cliënten gevraagd worden? Tot in welke mate van detail? Gaat dit via koppeling aan het sofi nummer gebeuren?

De leden van de PvdA fractie constateren dat in de literatuur en in de publieke discussie geopperd is het systeem van de forfaitaire vermogensrendementsheffing te splitsen in een systeem voor risicodragende beleggingen en risicomijdende beleggingen, of preciezer, in een systeem voor vermogen dat reeds aan vennootschapsbelasting onderhevig is geweest en een systeem voor vermogen waarbij dit niet het geval is geweest. De reden voor zo'n splitsing, zo begrijpen deze leden, zou dan gelegen zijn in de mogelijkheid zowel forfaitair rendement als heffingspercentage te splitsen. Zou de regering nog eens aan kunnen geven waarom hier niet voor gekozen is en waarom ook niet gekozen is voor een systeem waarbij een primaire dividend aftrek aan de orde is (Telegraaf, 9.10.99, G.Kroon). Tevens vragen zij de regering een toelichting op de kennelijke bewering op p.36 van de Memorie van Toelichting dat het fiscaal theoretisch betwistbaar is dat spaargelden al eens belast zijn geweest of dat spaargelden wanneer betrokken in een vermogensrendementsheffing dubbel belast zouden worden.

De leden van de PvdA fractie constateren dat de regering heeft gekozen voor een systeem waarin de progressie gerealiseerd wordt door het hanteren van een belastingvrije voet. Zij hebben evenwel de indruk dat de hoogte van de belastingvrije voet materieel leidt tot een lagere vrijstelling dan de hoogte van de rente- en dividendvrijstelling onder het huidige systeem. Gaarne vernemen zij van de regering of deze indruk correct is. Een alternatieve vormgeving van progressiviteit in de heffing zou zijn geweest het hanteren van een progressief percentage bij het forfaitaire rendement (hoger forfait voor hogere vermogens) of een progressief percentage bij het heffingspercentage (hoger percentage bij hogere vermogens). Kan de regering aangeven waarom gekozen is voor deze vorm van Benthamiaanse progressie en niet voor differentiatie van het rendements- of heffingspercentage? Kan de regering in dit kader ook aangeven hoeveel (procent van de) huishoudens of belastingplichtigen bij de voorgestelde hoogte van de belastingvrije voet effectief onder forfaitaire vermogensrendementsheffing zullen vallen? Kan de regering tevens aangeven waarom de hoogte van de aanvullende ouderentoeslag in de forfaitaire vermogensrendementsheffing niet is gerelateerd aan het al of niet hebben van een pensioentekort?

Tenslotte, zo stellen de leden van de PvdA fractie, dient het gekozen systeem qua grondslag, rendementsveronderstelling en heffingspercentage aan te sluiten bij wat maatschappelijk redelijk wordt geacht. Met name voor wat betreft de vaststelling van het forfaitair rendement op 4% vinden zij dat de argumentatie van de regering verdere onderbouwing verdient. Soms lijkt de regering te leunen op een argumentatie die stelt dat deze 4% een gemiddeld rendement over verschillende vermogens over een langere tijd is, gecorrigeerd voor inflatie en financieringskosten. Dan weer wordt de indruk gewekt dat het gaat om een minimum percentage dat is afgeleid van het rendement op risico-mijdende beleggingen. Teneinde op dit punt meer helderheid te krijgen vragen deze leden de hoogte van het forfaitair rendementspercentage nader te beargumenteren. Kan zij tevens aangeven wat de rendementen zijn die zijn gerealiseerd op risicodragende producten en aandelen, spaar/renterekeningen, staatsobligaties, roerende en onroerende goederen gedurende de laatste 10, 20, 30, 40 en 50 jaar? Kan ook aangegeven worden wat de gemiddelde financieringskosten bij beleggen zijn?

De leden van de PvdA fractie vragen de regering aan te geven hoe vast het percentage van 4% is. Immers, zowel in het geval dat dit percentage is afgeleid van reële langjarige rendementen als in het geval dat het gaat om een minimumpercentage dat verband houdt met het rendement bij risicomijdend beleggen, is er geen enkele reden om aan te nemen dat deze veronderstelde causaliteiten in de loop der tijd niet eens naar boven of beneden zouden moeten worden bijgesteld. Onder welke omstandigheden acht de regering een aanpassing wenselijk?

De leden van de PvdA fractie zijn er van overtuigd dat de belasting op vermogensrendementen gebaat is bij een grote mate van stabiliteit en voorspelbaarheid. Tevens zijn zij er van overtuigd dat het essentieel is dat de hoogte van de heffing op vermogen op draagvlak kan rekenen in de samenleving, bijvoorbeeld omdat duidelijk is hoe de rendementsfictie verband houdt met reëel gerealiseerde rendementen. De leden van de PvdA fractie zouden de regering daarom graag om commentaar vragen op een variant waarbij beide vliegen in één klap geslagen worden. Het gaat dan om de vraag of het doenlijk en wenselijk is de hoogte van het forfaitaire rendement te berekenen aan de hand van een gecorrigeerd langjarig voortschrijdend gemiddelde, eventueel rekening houdend met de verschillen in rendement tussen verschillende vermogenscomponenten. Het feit dat het gaat om een voortschrijdend gemiddelde betekent dat er een verband bestaat met reële rendementen. Het feit dat het langjarig is, en dat er ook nog gedebatteerd kan worden over de vraag met welke regelmaat het gemiddelde opnieuw vastgesteld zou moeten worden, betekent dat er sprake is van een grote mate van stabiliteit. De correctie op het gemiddelde kan rekening houden met inflatie en financieringskosten. En tenslotte betekent het enkele feit dat de basis waarop de vaststelling van het forfaitaire rendement nauwer omschreven zal staan in de wet, dat een belangrijk element van willekeur wordt weggenomen, hetgeen zal bijdragen aan het vertrouwen van beleggers in de stabiliteit van het systeem waarbinnen rendementen op vermogen worden belast. Graag vernemen deze leden het commentaar van de regering op deze variant. Zij wijzen in dit verband ook op de opinie van Happé in het WFR (4 November 1999) dat het BNB1999/271 een juridisch precedent schept voor de toetsing van een forfait met het oog op de benadering van de werkelijkheid.

Tenslotte willen de leden van de PvdA fractie wijzen op een mogelijk onbedoeld effect van de belastingherziening op dit punt, en wel de consequenties voor het zogeheten groen beleggen. Bij de introductie van de regeling groen beleggen werd, ten gevolge van de extra rente vrijstelling voor groene beleggers, door de overheid een belastingderving van ongeveer 2.5% op groene projecten voor lief genomen. Dit maakte het mogelijk om voor groene projecten goedkoop kapitaal aan te trekken. Bij de voorgestelde vrijstelling van de vermogensrendementsheffing voor groen beleggen vermindert dit voordeel tot 1.2%. Dit is niet genoeg om een aantal met name donkergroene projecten op het gebied van natuur, bos en biologische landbouw in leven te houden en benadeelt nu al de beleggers in groenfondsen omdat de koersen van de groenfondsen al reageren op de kabinetsplannen in dezen. Het lijkt de leden van de PvdA fractie niet wenselijk dat een stelselherziening die zo nadrukkelijk ook in het teken staat van vergroening en een bijdrage aan het natuur- en milieubeleid, als bij-effect zou hebben dat het groen beleggen niet of minder aantrekkelijk wordt gemaakt. Deze leden vragen de regering dan ook met spoed om het nemen van compenserende maatregelen. Zij vragen de regering ook om te bezien of het openen van een deblokkeringsregeling binnen het spaarloon ten behoeve van groen beleggen in dezen een oplossing vormt. Ook herinneren zij de regering in dit verband aan de toezegging per brief aan de Kamer van 6 Juli 1999 dat in het kader van de vergroening in de belastingherziening (door middel van "positieve prikkels" ) nadere invulling gegeven zou worden aan de regeling Duurzaam Bouwen; wat is daarvan nu de nadere uitwerking?

De leden van de PvdA fractie constateren dat de regering nadere regelgeving overweegt met betrekking tot maatschappelijke beleggingen en zouden graag van de regering vernemen wat hier nog meer onder valt behalve groen beleggen, scheepvaart, Agaath en film en of er verdere faciliteiten worden overwogen behalve een vrijstelling van de forfaitaire vermogensrendementsheffing? Dient "groen sparen" (sparen op laagrentende "goede doel"-rekeningen) wat de regering betreft net zo behandeld te worden als "groen beleggen"?

De leden van de PvdA fractie vragen zich af wat de concrete gevolgen van de belastingherziening zijn voor de belastingheffing op opties en vragen de regering dit nader toe te lichten. Is het op grond van de rangorderegeling (art.2.4.1) juist te veronderstellen dat aandelenoptierechten uit dienstbetrekking niet onder de vermogensrendementsheffing vallen, zolang de driejaarsperiode waarin nog een aanvullende loonbelasting geheven kan worden nog niet is verstreken?

Tenslotte vragen de leden van de PvdA fractie zich af of het juist is dat bij de bepaling van de uitkering voor uitkeringsgerechtigden krachtens de Wet Uitkering Vervolgingsslachtoffers (art. 19.5.a) uitgegaan wordt van een eigen vermogen dat met 5% per jaar rendeert? Zou het in het licht van het voorgestelde rendement bij de forfaitaire vermogensrendementsheffing niet redelijk zijn dit percentage van de WUV hiermee in lijn te brengen?

Eigen Huis, kapitaalverzekeringen
De leden van de PvdA fractie hebben met grote belangstelling kennis genomen van de regeringsvoorstellen inzake de fiscale behandeling van het eigen huis. Zij beschouwen het als verstandig dat enerzijds de mogelijkheid gehandhaafd blijft om de rente van een hypothecaire lening af te trekken terwijl tegelijkertijd in de uitvoeringspraktijk maar ook bij de hypotheekverlening aanmerkelijk strakker zal worden getoetst op de vraag of de hypothecaire lening, en in voorkomende gevallen de onderliggende kapitaalverzekering, ook daadwerkelijk wordt gebruikt om de aankoop of verbetering/uitbreiding van een huis te financieren. Daarnaast constateren zij met instemming dat de hypotheekrente met betrekking tot het tweede huis nu niet langer in mindering kan worden gebracht op het belastbaar inkomen en dat het vermogenssaldo van het tweede huis nu onder de forfaitaire vermogensrendementsheffing gebracht wordt.

Niettemin hebben de leden van de PvdA fractie ook enige vragen over het hier voorgestelde beleid. Zo constateren zij dat de regering voornemens is het plafond in het huurwaardeforfait te continueren. Zij zouden de regering willen vragen of het niet fiscaal consistent zou zijn een niet gelimiteerde aftrek van hypotheekrente te combineren met een niet gelimiteerde bijtelling van het huurwaardeforfait.

Met betrekking tot het voorgestelde regime inzake kapitaalverzekeringen constateren deze /leden dat het gebruik van spaar- en gemengd levenhypotheken wordt beperkt voor andere doelen dan aflossing van hypothecaire leningen en/of het financieren van aankoop, verbetering of uitbreiding van een huis. De consequenties van de regeringsvoorstellen voor tal van andere hypotheken zijn echter onduidelijk. Wat zijn bijvoorbeeld de gevolgen voor de bijleenhypotheek, de beleggingshypotheek, de aflossingsvrije hypotheek en de doorloophypotheek? Wat zijn de gevolgen van het aangaan van een hypothecaire lening voor een bedrag dat hoger is dan 100% van de aankoopsom (inclusief kosten koper)? Ligt het niet in de regel hier nadere regels voor te stellen?

Met name de (afwezige?) gevolgen voor zogeheten aflossingsvrije hypotheken baren de leden van de PvdA fractie zorgen. Waar bij spaar- en gemengd levenhypotheken nu stimulansen in het systeem worden gezet om mensen hun lening te laten aflossen, lijkt dit bij andere hypotheken, met name aflossingsvrije hypotheken, niet het geval. In tegendeel, een grote groep fiscalisten verwacht ten gevolge van het nieuwe belastingsysteem zelfs een groeiende populariteit van de aflossingsvrije hypotheek. Acht de regering dit een wenselijk gevolg van haar voorstellen? Is de regering het niet eens met de leden van de PvdA fractie dat de overheidssteun bij het aangaan van een hypothecaire lening mede gemotiveerd wordt door doeleinden van bevordering van eigen woningbezit? En is de regering het niet eens met deze leden dat van daadwerkelijke bezitsvorming alleen maar sprake is als de hypothecaire lening ook wordt afgelost? Zou de regering maatregelen willen overwegen gericht op dan wel het verplichten tot aflossen, dan wel het onaantrekkelijk maken van niet aflossen, dan wel het belonen van versneld aflossen?

Kan de regering in dit verband ook aangeven of de indruk van deze leden juist is dat het voorgestelde regime inzake kapitaalverzekeringen eigen woning, feitelijk impliceert dat fiscale faciliëring beperkt is tot maximaal 30 jaar per contract en tot aan de maximale vrijstellingswaarde één maal per leven? En is de indruk van deze leden juist dat een kapitaalverzekering met een looptijd van minder dan 20 jaar niet voor vrijstelling van de forfaitaire vermogensrendementsheffing in aanmerking komt? Neemt dit dan geen prikkel weg tot aflossing van hypotheken binnen 20 jaar?

Voor een goed inzicht in het effect van deze voorgenomen maatregelen achten de leden van de PvdA fractie het essentieel een beter inzicht te krijgen in de samenstelling van de huidige portefeuille kapitaalverzekeringen zoals die momenteel in Nederland wordt aangehouden. Om wie gaat het hier en wat voor polissen houden zij aan? Deelt de regering de analyse van Theo Mebius in de Telegraaf van 27/9/99 dat +/- 2 miljoen van de 4.5 miljoen spaarverzekeringen die in Nederland zijn afgesloten en momenteel vrijgesteld zijn, straks onder het nieuwe regime gaan vallen? Ervan uitgaande dat dit betekent dat reeds 2.5 Miljoen polissen aan het eigen huis zijn verbonden, kan de regering inschatten hoeveel van deze polissen alsnog aan het eerste eigen huis kunnen worden verbonden en hoeveel niet?

De leden van de PvdA fractie constateren dat houders van kapitaalverzekeringen de mogelijkheid krijgen tot 2003 hun kapitaalverzekering alsnog aan hun eigen huis te verbinden teneinde in aanmerking te kunnen komen voor vrijstelling. Begrijpen deze leden het goed dat dit betekent dat het ook mogelijk blijft voor partners om twee onderscheiden kapitaalverzekeringen, maar beide gebonden aan het gezamenlijke eigen huis, te behouden? In hoeverre hebben overigens de recent naar buiten gekomen voorstellen van de regering inzake het schrappen van de samenwoonplicht voor gehuwden, gevolgen voor de belastingheffing inzake het eigen huis?

Kan de regering ook aangeven in hoeverre zij van mening is dat deze voorstellen kopers bevoordelen boven huurders? Immers, zo begrijpen deze leden, onder het huidige regime geldt de vrijstelling van de kapitaalverzekering voor huurders en kopers maar in het nieuwe systeem blijft de vrijstelling alleen in stand indien de verzekering is gebonden aan het eigen huis. In hoeverre worden huurders met bijvoorbeeld kapitaalverzekeringen met het oog op de oude dag of studerende kinderen hierdoor benadeeld? Of worden kopers in dit opzicht net zo hard getroffen omdat zij een voor die doelen afgesloten kapitaalverzekering niet meer voor dat doel kunnen gebruiken? Om hoeveel kapitaalverzekeringen zou het hierbij gaan? Begrijpen de leden van de PvdA fractie het goed dat ook ouderen die hun hypothecaire lening reeds hebben afgelost, niet langer van een vrijgestelde kapitaalverzekering verbonden aan hun woning kunnen genieten? Is de extra ouderenvrijstelling in de forfaitaire vermogensrendementsheffing ook bedoeld om hiervoor te compenseren? Hoe kijkt de regering in dit verband aan tegen de situatie van ouderen, die nu reeds de leeftijd van 65 gepasseerd zijn, en nu met een ten gevolge van pensioenbreuken onvoldoende pensioen kampen? In hoeverre betekent het nieuwe regime voor deze bestaande groep een inperking van de mogelijkheden om dit pensioentekort aan te vullen, daar waar zij vandaag de dag dit wel kunnen doen met behulp van het gebruik van de consumptieve rente-aftrek, onder hypothekering (e.d.) van het eigen huis?

Ondernemerschap
De leden van de PvdA fractie hebben met belangstelling kennis genomen van de diverse voorstellen die de regering heeft gedaan rakend aan de fiscale behandeling van het ondernemerschap. Zij constateren met instemming dat ook hier een opschoning van het stelsel plaats vindt, onder andere teneinde het oneigenlijk gebruik van diverse ondernemersfaciliteiten te verminderen. Hoe beoordeelt de regering in dit verband de suggestie om (commanditaire) vennoten en anderen die daadwerkelijk ondernemersrisico lopen altijd in box 1 te belasten? De leden van de PvdA fractie brengen deze suggestie met name op om te wijzen op de ook in de literatuur aangeroerde mogelijkheid dat de voorstellen van de regering er toe zouden kunnen leiden dat "huisjesmelkers" en "speculanten" in box 3 in plaats van box 1 worden belast. Kan de regering ook ingaan op de wijze waarop het huidige onderscheid tussen 'normaal vermogensbeheer' (box III) en 'normaal vermogensbeheer te boven gaan' (box I, onderneming), ook in het licht van arbitrage en de stand van jurisprudentie, een juiste grens markeert?

Met betrekking tot de opschoning van het ondernemersbegrip, en met name de consequenties voor commanditaire vennoten, steunen de leden van de PvdA fractie de regering maar wijzen zij wel, met de regering overigens, op de gevolgen die dit heeft voor bijvoorbeeld de scheepsbouw en de film-industrie. Deze leden zijn met de regering van mening dat de cv-regelingen dienen te worden aangepast teneinde meer recht te doen aan het uitgangspunt dat ondernemersfaciliteiten alleen dienen te worden verstrekt aan belastingplichtigen die ook ondernemersrisico's lopen. Ook wijzen zij op het feit dat bijvoorbeeld de cv scheepsbouw gebruikt kan worden voor het herfinancieren van bestaande schepen en dat zowel bij de cv scheepsbouw als bij de cv film het mogelijk blijkt het bouwen van schepen buiten Nederland respectievelijk het produceren van films buiten Nederland, zelfs buiten Europa, door middel van de cv te financieren, hetgeen ook niet strookt met de economische respectievelijk cultureel politieke doelen van dit beleid. De leden van de PvdA fractie begrijpen dat de regering nieuw beleid overweegt om met name de scheepsbouw en de filmindustrie te vrijwaren van al te negatieve effecten van de voorgestelde opschoning van het cv-begrip maar zouden er op aan willen dringen hierbij vooral en vooreerst de genoemde uitwassen te bestrijden. Ook is het voor de leden van de PvdA fractie op dit moment onduidelijk hoeveel precies een belegger in de scheepsbouw er op achteruit zou gaan als hij met zijn belegging in box 3 wordt belast in vergelijking met de situatie van vandaag de dag. Graag vernemen zij daarom van de regering een kwantitatieve duiding van dit effect en nadere precisering over welke alternatieven op dit punt worden overwogen.

Met betrekking tot de toekomst van de Agaath-leningen, heeft MKB-Nederland op de hoorzitting op 25 Oktober in de Kamer voorgesteld een deblokkering in de spaarloonregeling te openen. Hoewel dit uiteraard afgewogen zou moeten worden in een bredere afweging met betrekking tot de toekomst van de bedrijfsspaarregelingen zouden de leden van de PvdA fractie graag een reactie van de regering op dit punt zien en tevens vernemen welke (andere) alternatieven de regering hier overweegt. Is de indruk van deze leden overigens juist dat de verstrekking van een tante Agaathlening door een ouder aan een thuiswonend kind/ondernemer belast wordt in box 1? Daar waar de regering op bijvoorbeeld p. 244 van de Memorie van Toelichting betoogt geen inhoudelijke wijziging van de Agaathregeling te beogen, is dit voornemen opvallend; is de regering voornemens deze fiscale behandeling te handhaven?

Van verschillende kanten zijn de leden van de PvdA fractie erop opmerkzaam gemaakt dat in box 2 zowel directeuren als groot-aandeelhouders belast worden voor hun winst uit aanmerkelijk belang maar dat het in de praktijk kan gaan om twee heel verschillende categorieën belastingplichtigen, namelijk ondernemers enerzijds en beleggers anderzijds. Zou de regering nader kunnen motiveren waarom zij van mening is dat het toch juist is deze groep bijeen te brengen in box 2? Is de regering het oneens met de mening van werkgeversorganisaties dat dit grote beleggingen in het MKB ("seed capital") zou kunnen afschrikken? In hoeverre acht de regering het overigens te verwachten, zo vragen deze leden zich af, dat de verhoging van het AB-tarief zal leiden tot versnelde winstneming voor 1 januari 2001 en acht de regering dat wenselijk? Zo nee, welke maatregelen overweegt de regering te nemen? Kan de regering overigens een overzicht geven van het profiel van belastingplichtigen (aantal, draagkracht) die in box 2 belast worden?

In de Memorie van Toelichting wordt op bladzijde 34 gesproken over het feit dat tegenover de tariefsverhoging voor inkomen uit aanmerkelijk belang ook tariefsverlagingen staan voor bepaalde vormen van inkomen van aanmerkelijk belanghouders. Kan de regering aangeven in welke verhouding deze voordelen staan tegenover de nadelen van tariefsverhoging? Zien deze leden het goed dat voor de aandeelhouder van een fiscale beleggingsinstelling de effectieve belastingdruk daalt tot 30%, terwijl zijn inkomsten in het huidige stelsel progressief worden belast? Wat is het budgettair belang hiervan? Om hoeveel belastingplichtigen gaat het in deze situatie?

De leden van de PvdA fractie hebben in het verleden al vaak aandacht gevraagd voor de fiscale behandeling van deeltijd-ondernemers en ondernemers die (vaak langzaam) starten uit een uitkeringssituatie. Op verscheidene punten in het wetsvoorstel, bijvoorbeeld in art.3.2.1.4 (urencriterium) zien zij wederom weinig begrip van de regering voor deze specifieke situaties. Ook bij art. 3.2.2.7 (van aftrek uitgesloten kosten) wordt geen rekening gehouden met deeltijdondernemers die hun werkruimte thuis hebben, hetgeen bijvoorbeeld voorkomt bij starters die deels een arbeidsongeschiktheidsuitkering genieten. Kan de regering aangeven hoe zij deze artikelen in het licht van de consequenties voor deze groep beoordeelt? De leden van de PvdA-fractie zouden in dit licht ook willen wijzen op de toezegging van de regering in het overleg met de kamer op 29 Oktober 1998, dat zij bij de belastingherziening 21e eeuw terug zou komen op de fiscale behandeling van de deeltijd-ondernemer. Zij constateren in dit verband ook dat de regering niet de zelfstandigenaftrek heeft aangepast conform de aanbevelingen van de Commissie-Oort-III, zodat de urennorm niet meer als criterium wordt gehanteerd. Gaarne vernemen zij alsnog het commentaar van de regering op deze punten.

De leden van de PvdA fractie maken zich zorgen over het feit dat in de Memorie van Toelichting informatie ontbreekt over de inkomenseffecten van de voorstellen voor met name kleine zelfstandigen. Kan de regering dit overzicht alsnog geven of komen deze gevolgen pas definitief aan de orde bij de behandeling van het ondernemerspakket 21e eeuw? Hoeveel geld is er dan beschikbaar voor de eventuele reparatie van minder bedoelde effecten aldaar? In dit licht is het ook belangrijk te constateren, zo menen deze leden, dat ten gevolge van de verhoging van de BTW het grensbedrag in de kleine-ondernemersregeling in de omzetbelasting sneller zal worden bereikt. Is dit een beoogd effect of streeft de regering er naar om het grensbedrag in deze regeling evenredig met het tarief te verhogen? De leden van de PvdA fractie constateren in dit verband met de Raad van State dat de vermogenstoets bij de FOR, die was afgeschaft per 1/1/98, nu toch weer terug lijkt te komen. Ook constateren zij met de Raad van State dat als het urencriterium door ziekte in een jaar niet gehaald wordt, dit leidt tot afname van de FOR. Hoe beziet de regering deze maatregelen in het licht van de kwetsbare inkomenspositie van kleine zelfstandigen? In dit verband is het ook relevant het vervallen van de stakingsvrijstelling in relatie tot de FOR te bezien. Bij geruisloze doorschuiving mag nu nog de stakingsvrijstelling in mindering worden gebracht op de FOR-stand. Deze mogelijkheid vervalt door het vervallen van de stakingsvrijstelling. Het is niet duidelijk of en in hoeverre de zgn. inhaaldotatie (art. 3.2.3.3) adequate compensatie hiervoor biedt. De leden van de PvdA fractie vragen de regering gaarne een toelichting hierop

De leden van de PvdA fractie constateren dat de stakingsvrijstellingen van f. 20.000,- resp. f. 45.000,- en het bijzonder tarief van 45%, geschrapt worden. Zij zijn is het eens met de door de regering gegeven argumentatie hiervoor en de in het wetsvoorstel geboden compensatie in de vorm van verruiming van de doorschuifregeling. Deze oplossing biedt ondernemers die hun bedrijf overdragen adequate compensatie. Bedrijven die echter niet worden overgedragen of geen gebruik kunnen maken van de doorschuifregeling en (noodgedwongen) hun bedrijfsactiviteiten staken, hebben aan het geboden alternatief onvoldoende. Met name het vervallen van het lage bijzondere tarief van 20% bij overlijden van de ondernemer, kan leiden tot grote financiële verschillen in vergelijking met de huidige regeling. Juist in sectoren als de intensieve landbouw waar de komende jaren veel bedrijfsbeëindigingen worden verwacht, mogen fiscale wijzigingen geen extra belemmering vormen voor bedrijfsbeëindiging. De leden van de PvdA fractie nodigen de regering uit dit perspectief in overweging te nemen en op dit punt nadere voorstellen te doen.

Ten aanzien van de man-vrouw-maatschap merken de leden van de PvdA fractie het volgende op. De man-vrouw-maatschap heeft een belangrijke functie bij het streven vrouwen te belonen voor hun verdiensten als mede-ondernemer. Sinds de fiscale voorwaarden voor het oprichten van man-vrouw-maatschappen in 1990 zijn verruimd, zijn er vele van dergelijke maatschappen of firma's opgericht. Naar de mening van deze leden terecht, daar deze bedrijfsvorm recht doet aan de bijzondere positie van veel vrouwen op gezinsbedrijven. Want in toenemende mate zijn beide partners ook feitelijk ondernemer, zij het met veelal verschillende taken en werkzaamheden. De regering wenst nu de fiscale aspecten rond de man-vrouw-maatschap te verscherpen en de voorwaarden in feite onaantrekkelijker te maken. Ten aanzien van de ondermaatschap stemmen de leden van de PvdA fractie in met het voorstel. De ondermaatschap is in te veel gevallen een fiscale constructie om ondernemersfaciliteiten te bemachtigen en te weinig een weerspiegeling van de werkelijke arbeids- en verantwoordelijkheidsverdeling. Ten aanzien van de man-vrouw-maatschap zijn de leden van de PvdA fractie het eens met de constatering dat het fiscale regime volgend is op de te ruime juridische vorm en dat een eigen fiscale aanscherping nodig is. Het gebruikelijkheidscriterium dat de regering echter wenst in te voeren, lijkt onvoldoende rekening te houden met de specifieke aard van gezinsbedrijven, waar echtgenoten verschillende, maar onderling afhankelijke werkzaamheden in het kader van de onderneming uitvoeren. De voorbeelden in de Memorie van Toelichting doen het vermoeden rijzen dat heel veel man-vrouw-maatschappen die nu nog zijn toegestaan dat in de toekomst niet meer zijn. De leden van de PvdA fractie nodigen de regering uit op dit punt nadere verduidelijking te geven en zo nodig voorstellen voor te leggen om niet beoogde effecten tegen te gaan.

De leden van de PvdA fractie zouden de regering ook willen vragen om een reactie op de suggestie een aantal aftrekposten voor de IB/ondernemer om te zetten in heffingskortingen. Deze leden denken dan met name aan de scholingsaftrek, de investeringsaftrekken en de zelfstandigenaftrek. Het komt deze leden voor dat zo'n omzetting met name gunstig uit zou werken voor de kleinere ondernemers in het MKB.

Algemeen
De leden van de PvdA fractie constateren dat één van de dragende elementen van de belastingherziening bestaat uit een verlaging van de directe belastingen onder een gelijktijdige verhoging van de indirecte belastingen. Zij kunnen zich hierin, alles afwegende, vinden maar willen er toch op wijzen dat dit voor werknemers in de grensstreek zou kunnen betekenen dat bij heffing naar werkland, wel de hogere indirecte belastingen worden betaald maar niet de lagere directe belastingen worden genoten. Deelt de regering deze analyse en ziet zij daarin reden voor nadere maatregelen? Zou de regering in dit verband ook kunnen toelichten in hoeverre art.3.7.1.c. (aftrekbaarheid premies waarvan de uitkeringen toekomen aan de belastingplichtige) leidt tot beperkingen voor grensarbeiders, daar waar in het huidige stelsel aftrek van premies van een partner die uitsluitend buitenlands inkomen geniet bij de andere partner plaats kan vinden?

De leden van de PvdA fractie achten het voor een totale beoordeling van de plannen nuttig en nodig een zo volledig mogelijk inzicht te hebben in welke nadere regelgeving de regering voorziet. Kan de regering een overzicht geven van op welke punten in de voorstellen verwezen wordt naar nadere regelgeving?

Van verscheidene kanten hebben de leden van de PvdA fractie vernomen dat het een gemiste kans zou zijn dat de regering dit moment niet heeft benut om te komen tot een verdere coördinatie van het loonbegrip. Zou de regering deze zienswijze van commentaar kunnen voorzien?

Verschillende commentatoren hebben blijk gegeven van hun visie op de vraag of het nieuwe belastingstelsel in zijn uitwerking progressiever zou zijn dan het huidige; kan de regering hier haar mening over geven?

Kan de regering aangeven waarom alleen premies volksverzekering worden geheven over inkomen uit box 1? In hoeverre is hier sprake van ongelijke behandeling tussen bijvoorbeeld ouderen enerzijds die, omdat ze geen premie betalen, een kleinere heffingskorting ontvangen en personen die alleen inkomen uit box 2 en/of box 3 hebben anderzijds die ook geen premie betalen maar wel de volledige heffingskorting ontvangen? Hoe beoordeelt de regering, zo vragen de leden van de PvdA fractie, de mogelijkheid om een regeling in te voeren die bepaalt dat voorzover het maximale premie-inkomen in box 1 in een jaar niet is bereikt, tot ten hoogste dit maximale premie-inkomen ook van inkomen in box 2 en 3 premies volksverzekeringen worden geheven?

De leden van de PvdA fractie constateren dat de regering voorstelt de uitsmeerregeling te doen laten vervallen met als argument dat niet de belastingdienst maar de betalende instantie (vaak semi-overheid) de oorzaak is van het uitbetalingsprobleem. De kennelijke veronderstelling is dat de belastingplichtige in staat zal zijn eventuele problemen te regelen met de betalende instantie. Welke zekerheid heeft de regering dat dat inderdaad mogelijk is? Hoe redelijk is het de uitsmeerregeling af te schaffen zonder enige garantie voor de belastingplichtige dat de problemen die hebben geleid tot de uitsmeerregeling ook daadwerkelijk worden opgelost?

Brieven en reacties
Een veelheid aan reacties op de regeringsvoorstellen is de afgelopen weken binnen gekomen. Graag zouden de leden van de PvdA fractie zien dat de regering ingaat op de punten, voor zover dit nog niet bij andere punten aan de orde is geweest, die zijn aangedragen door de volgende organisaties, personen en instanties:
* VNO-NCW (21.10.99)

* NOB (28.10.99)

* Federatie van Belasting Adviseurs (18.10.99)
* Verbond van Verzekeraars (21.10.99)

* Het artikel van dr. J.Th.L. Brouwer in het FED (als per brief van 22 Oktober via Price Waterhouse Coopers aan de vkc Financiën) waarin hij o.a. beweert dat 15% van de premiegrondslag als jaarruimte onvoldoende is om te kunnen sparen tot 70% van het laatstverdiende loon. Kan de regering ingaan op de redenering en de rekensommen?
* De MHP (20.10.99; m.n. m.b.t. de door hen berekende inkomenseffecten)
* Het onderzoek van het NIBUD in opdracht van de NVM, met name de conclusie dat het nieuwe stelsel aan zal zetten tot het nemen van een maximale hypotheek bij de financiering van de eigen woning

Artikelgewijs

* (1.6a) Wat is de relevantie van de Wet op de Kansspelen met betrekking tot dit artikel?
* (2.2.2) Bij een deels binnenlandse en deels buitenlandse belastingplicht in het kalenderjaar wordt er volgens verschillende regimes één aanslag opgelegd. Hoe werkt dit uit voor de heffingskorting waar binnenlands belastingplichtigen wel recht op hebben en buitenlands belastingplichtigen niet?
* (2.2.3) Buitenlands belastingplichtigen kunnen kiezen om volgens de regels van binnenlandse belastingplicht te worden belast, ook v.w.b. de partner. In hoeverre leidt dit calculerend gedrag m.b.t. bijvoorbeeld de keuze voor de heffingskorting en het in aftrek kunnen brengen van bepaalde aftrekposten zoals die m.b.t. het eigen huis (zie ook het commentaar van de Raad van State in dezen)? Kan de consequentie van dit artikel aan de hand van een praktisch voorbeeld worden aangegeven? De persoongebonden aftrekken lijken het grootste probleem te vormen bij dit keuzerecht voor buitenlandse belastingplichtigen om volgens de regels van binnenlandse belastingplicht te worden belast. Deze worden namelijk niet teruggenomen op grond van lid 3. Dit lijkt met zich mee te brengen dat de aftrekposten gemakkelijk te importeren zijn. Denk bijvoorbeeld aan alimentatieverplichtingen van buitenlandse belastingplichtigen. Het lijkt of er te veel willekeurige aftrekmogelijkheden ten laste van Nederland worden geschapen. Kan de regering hierover zijn mening geven? Zou het niet beter zijn de regeling wat minder ruim op te zetten en aan te sluiten bij de huidige 90%-regeling (of misschien een 75%-regeling)? Heeft de regering overwogen om alleen naar arbeidsinkomen te kijken bij deze keuzemogelijkheid?
* (2.4.4) Heeft de invoering van dit keuzeregime inzake aftrekposten en bijtellingen budgettaire consequenties? Verwacht de regering dat dit in de praktijk zal leiden tot "manipulatie" die weinig van doen heeft met individualisering maar meer met minimalisering van de belastingdruk op huishoudensniveau?
* (3.2.1.2) Gaarne een reaktie op de punten die door de Federatie van Belastingadviseurs worden opgeworpen
* (3.2.1.4) Kan de regering aangeven op welke grond beoordeeld zal worden of iets wel of niet een gebruikelijke samenwerkingsvorm is? Kan een zakelijk samenwerkingsverband altijd als gebruikelijk worden beschouwd? Hoe denkt de regering het risico te kunnen beheersen dat met name waar deze gebruikelijkheidstoets wordt toegepast op man-vrouw-samenwerkingsverbanden, deze verbanden en met name de rol van de vrouw al snel op basis van traditionele rolpatronen zal worden beoordeeld?
* (3.2.2.30) Waarom is het percentage voor de laagste investeringen verlaagd van 27% naar 24%?
* (3.2.2.31/4) Wat is de toegevoegde waarde van de eis dat de ondernemer de onderneming feitelijk voor eigen rekening drijft nu het ondernemersbegrip reeds elders in de wet wordt aangescherpt?
* (3.2.4.3) De leden van de PvdA fractie begrijpen dat de consequentie van dit artikel is dat man en vrouw niet samen de 1225 uren kunnen volmaken maar dat de ondernemer, i.h.a. de man, dit zelf moet doen. Is deze indruk juist? Belemmert dit het streven van partners om onderling goede afspraken te maken over het verdelen van verantwoordelijkheden bij arbeid en zorg? Is dat in lijn met het regeringsbeleid in dezen?
* (3.4.1.2(b/c)) Kan de regering aangegeven waarom het niet voldoende zou zijn dat slechts de op zakelijke gronden overeengekomen vergoeding (zoals vast te stellen door de Belastingdienst) voor ter beschikking gestelde vermogensbestanddelen in de heffing van box 1 wordt betrokken zonder dat het vermogensbestanddeel zelf als een soort "pseudo-ondernemingsvermogen" wordt beschouwd en dus ook vermogenswinsten belast worden. De Memorie van Toelichting verdedigt deze situatie door te stellen dat tegenover een aftrek in de winstsfeer ook een heffing aan de inkomenskant in box 1 moet bestaan. In een zakelijke huurprijs zullen alle relevante kosten zijn doorberekend. Welke vorm van arbitrage heeft men hier nog meer op het oog? Begrijpen de leden van de PvdA fractie het goed dat onder dit artikel het simpele ophouden met verhuren leidt tot een heffing over de meerwaarde van het vermogensbestanddeel zonder dat het staken van de verhuur als rendabel maken gezien kan worden (er wordt niets gerealiseerd)? Leidt dit niet tot overkill? Kan de regering een nadere uitleg geven over de personen die tot de huishouding van de belastingplichtige behoren? In de a.b. regeling wordt gesproken over de echtgenoot of partner. Wat is de reden voor dit verschil? Hoe beoordeelt de regering de situatie dat een vermogensbestanddeel om niet ter beschikking wordt gesteld aan de huisgenoot/ondernemer, terwijl alle kosten ten aanzien van het vermogensbestanddeel ten laste komen van de onderneming? Kan de regering aangeven of in het geval van echtgenoten het huwelijksgoederenregime in de onder dit artikel vallende situaties van belang is? Zo ja, in welk opzicht, zo nee, waarom niet? Kan een nadere uitleg gegeven worden over de aftrek van kosten bij de samenloop van inkomsten uit dienstbetrekking en inkomsten uit resultaat van overige werkzaamheden. Is het niet zo dat kosten apart moeten worden toegerekend aan de inkomensbron waarvoor zij worden gemaakt en dat voor kosten die aan beide bronnen zijn toe te rekenen een verdeling over de bronnen dient plaats te vinden?
* (3.4.2.2) Waarom is in dit artikel niet de doorschuifregeling van artikel 3.2.2.52 opgenomen?
* (3.4.2.4) Geeft dit artikel voor een "duurzame kostganger" een uitbreiding van het begrip kamerverhuur? Zijn de voorwaarden van lid2 cumulatief? Zo ja, moet er dan niet "en" tussen onderdeel a en b gevoegd worden?
* (3.5.1) Wat wordt beoogd met dit artikel? Zien de leden van de PvdA fractie het goed dat hier sprake is van een aanmerkelijke uitbreiding van het heffingsrecht in Nederland? Is dit getoetst op Europeesrechtelijke houdbaarheid? Zien deze leden het goed dat 3.5.1.c leidt tot twee momenten waarop de belastingplichtige iets aannemelijk moet maken? Hoe moet hij dat doen?
* (3.5.2) Kan een nadere uitleg gegeven worden over de samenhang van de leden 3, 4 en 5. Zou het niet duidelijker zijn als in lid 2, 4 en 5 aangegeven wordt welk artikel dan wel van toepassing is of kan zijn?
* (3.5.3) Kan de samenhang tussen artikel 3.5.3 en artikel 3.5.6. worden aangegeven?
* (3.6.2) Hoe wordt de eigen woning behandeld als de belastingplichtige een recht heeft zoals in lid 1,b dat niet verkregen is krachtens erfrecht? Bv. bij overdracht van de woning van ouders aan kinderen, terwijl de ouders een voorbehoud voor het genotsrecht van de woning hebben bedongen? Juist bij de parlementaire behandeling van art. 25b lid 2 IB64 is nog een uitdrukkelijke uitzondering voor dergelijke gevallen gemaakt. Waarom er is er een verschil in behandeling? Hoe is de behandeling van een woonschip dat het enige hoofdverblijf van de belastingplichtige is, maar niet duurzaam aan een plaats gebonden is zonder dat er sprake is van bedrijfsmatige exploitatie van het schip? Wordt onder "lidmaatschap van een coöperatie" ook verstaan "lidmaatschap van een vereniging"?
* (3.6.5) In de Memorie van Toelichting wordt opgemerkt dat de vrijstelling voor kamerverhuur is opgenomen in artikel 3.6.5; echter uit dit artikel blijkt niet dat het om een vrijstelling gaat. Wel dat de hele woning als eigen woning wordt beschouwd (i.e. hele huurwaarde, geen beperking hypotheekrente aftrek). Kan de regering deze vrijstelling wat duidelijker in beeld brengen en tevens de consequenties schetsen voor de keuze deze inkomsten aan te merken als een voordeel uit huurrecht.
* (3.6.7) Niet duidelijk is waarom in dit artikel (lid 2, c en d) en in artikel 3.6.9 een afwijkende terminologie wordt gebruikt, nl. "zijn echtgenoot of degene met wie hij duurzaam een gezamenlijke huishouding voert". Waarom wordt hier niet de term partner gehanteerd, zoals die beschreven is in artikel 1.2. In de Memorie van Toelichting wordt bij dit laatste artikel vermeld dat de term "echtgenoot" uitsluitend wordt gebruikt voor de echtelieden die juist niet duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren.
* (3.6.7(2)a) Wat kan er allemaal verstaan worden onder "schulden die zijn aangegaan ter verwerving van de eigen woning"? Kan het hier gaan om meer dan alleen hypothecaire geldleningen? Is een situatie denkbaar waarbij wel een schuld is aangegaan ter verwerving van de eigen woning maar er geen sprake is van een hypothecaire geldlening? Wat impliceert dit voor het voorgestelde regime kapitaalverzekeringen?
* (3.6.9) Ten aanzien van de vrijstelling kapitaalverzekering eigen woning in de situatie dat de belastingplichtige verhuist naar een huurwoning (niet tijdelijk) en de kapitaalverzekering wordt voortgezet, zijn de fiscale consequenties van één en ander de leden van de PvdA fractie niet direct duidelijk. Kan de regering de fiscale behandeling in dezen verduidelijken?
* (3.6.11) Kan de regering de consequenties aangeven van art.3.6.11 zesde lid, aan de hand van een voorbeeld m.b.t. iemand die na 1995 verhuist?
* (3.7.1) Kan met een rekenvoorbeeld worden aangegeven hoe een belastingplichtige toe kan komen aan lijfrentepremie aftrek voor een verzekering ten behoeve van een nabestaande niet de zijnde de partner of ex-partner? Kan ditzelfde gedaan worden voor een overbruggingslijfrente? Is het mogelijk op grond van dit artikel een aanvullend weduwepensioen of een ANW-hiaat gefaciliëerd te verzekeren? Is onze mening juist dat eigenlijk alleen het pensioen van de belastingplichtige zelf binnen de gestelde normen aangevuld kan worden op basis van deze regeling, maar dat hij delen van zijn pensioentekort kan toedelen aan een nabestaandenvoorziening, overbruggingslijfrente e.d. Kan dit nader worden uitgelegd?
Houdt lid 1 onder a ook in dat de lijfrente na overlijden van de belastingplichtige over kan gaan op de weduwe/langstlevende partner, al dan niet voor een lager bedrag (70%)?
* (3.7.5) Moet een belastingplichtige jaarlijks zijn niet benutte ruimte aangeven om in aanmerking te komen voor de inhaal jaarruimte, met andere woorden zijn ruimte vast claimen? Houden de leden 2 en 3 in dat bij een jaarlijks tekort in de lopende pensioenopbouw en men gebruik moet maken van de inhaalruimte, men niet toekomt aan de tekorten uit het verdere verleden? Kan inzicht gegeven worden hoe op basis van lid 4 een pensioentekort berekend moet worden? Wat is de inhoud van de nadere regels? Lid 5: is in de loonsfeer het huidige persoonlijke inkomen gelijk aan het voorgestelde belastbare loon? Zo nee, in hoeverre verschillen deze begrippen van elkaar?
* (3.8.2, lid 2j) Betekent onderdeel j dat een belastingplichtige met een voortgezette oudedagsvoorziening bij een niet aangewezen buitenlandse verzekeraar, zolang hij binnenlands belastingplichtige is, het eerste jaar wordt geconfronteerd met een conserverende aanslag over de waarde van zijn totale "buitenlandse aanspraak" en vervolgens ieder jaar een nieuwe conserverende aanslag ontvangt onder intrekking van de vorige? Op welke grond kan Nederland rechten doen gelden op een in het buitenland opgebouwde aanspraak? Wat gebeurt er als de belastingplichtige uit Nederland vertrekt? Krijgt hij dan een conserverende aanslag over het in de Nederlandse periode opgebouwde deel van de aanslag?
* (3.8.2. lid 2k) Kan aangegeven worden wat er gebeurt indien een belastingplichtige in eerdere jaren een pensioentekort heeft aangevuld door middel van lijfrentepremies die in aftrek zijn gekomen en de werkgever verbetert de collectieve pensioenregeling, waardoor er een kleiner tekort of zelfs een overschot ontstaat? Is het wel terecht een belastingplichtige die geheel te goeder trouw en volgens de wettelijke regels gehandeld heeft, met een heffing over niet gerealiseerd inkomen op te zadelen, wanner hij zelf de wijziging van de pensioenregeling niet kan beïnvloeden noch enige keuze heeft om zich aan deze wijziging te onttrekken? Moet na toepassing van artikel 3.8.2 de voorziening gesplitst worden in een deel toerekenbaar aan box 1 en een deel toerekenbaar aan box 3? Acht u deze regelingen praktisch uitvoerbaar voor belastingplichtigen?
* (3.8.2)/3.8.6) Is het wel rechtvaardig het rendement over (naar pas later blijkt) onterecht afgetrokken premies te belasten, als de waarde van de polis - ware deze in box 3 in de heffing betrokken - tezamen met andere box 3 bestanddelen niet boven de vrijgestelde grondslag zou zijn gekomen?
* (3.8.3 lid 4) Kan er meer verduidelijkt worden wat kan worden aangemerkt als een onbillijkheid (voorbeelden?)
* (3.8.6. lid 2) Kunt u nader aangeven waarom bij de (conserverende) aanslagen op grond van de artikelen 3.8.2, 3.8.4 en 3.8.5 in geval van een belastingplichtige die een periode geen binnenlands belastingplichtige is geweest, slechts het rendement over de buitenlandse periode buiten beschouwing gelaten wordt? Waarom geldt dit niet tevens voor de in de buitenlandse periode betaalde premies? Deze zijn immers niet ten laste van Nederlands inkomen gekomen?
* (3.8.7) Moet er bij iedere conserverende aanslag die hoger is dan de vorige en zekerheidsstelling noodzakelijk is, de zekerheidsstelling ook steeds worden verhoogd? Moet de belastingplichtige om in aanmerking te komen voor een vermindering van de aanslag op grond van lid 1 een verzoek doen? Naar de leden van de PvdA fractie begrijpen, moet een belastingplichtige op grond van artikel 3.8.7 lid 4 voor het een en ander zelf een verzoek doen? Is dit juist? Kan op eenvoudige wijze worden aangegeven in welke gevallen zich dit kan voordoen? Zal een belastingplichtige zich daar ook van bewust zijn? Wat zijn de consequenties als hij die verzoeken uit onwetendheid of onbegrip niet doet? Naar het deze leden voorkomt is de gehele regeling van afdeling 8 een voor belastingplichtigen ondoorgrondelijke, onbegrijpelijke en voor de belastingplichtige zelf onuitvoerbare regeling. Kan een poging ondernomen worden hier een vereenvoudiging tot stand te brengen? Zo niet, hoe beoordeelt de regering de enorme lasten, administratief en anders, die de regelingen in deze afdeling voor alle partijen veroorzaken?
* (3.9.2) Waarom wordt in artikel 3.9.2 lid 1 onder a uitgegaan van een bedrag ter hoogte van de huidige basisaftrek? Een alfahulp die 10 uur per week werkt, komt zo niet in aanmerking voor aftrek van kosten voor kinderopvang. Kunt u aangeven of dit redelijk is en zo ja, waarom?
* (3.9.4) Waarom wordt in artikel 3.9.4 lid 1 uitgegaan van een plafond van f 11.054, terwijl dit plafond in Belastingplan 2000 aanmerkelijk wordt verhoogd?
* (3.10) Werkt de huidige regeling met inachtneming van een grens van 1000 km naar tevredenheid? Zo nee, waarom niet? Wat zijn de knelpunten? Verwacht u in de voorgestelde meer of minder knelpunten? Is de controle voor de belastingdienst voldoende uitvoerbaar?
* (3.13.1 lid 1) Zou het niet beter zijn de buitenlandse belastingplichtige die gekozen heeft voor heffing naar de regels van binnenlandse belastingplicht aan dit lid toe te voegen onder vermelding van nadere voorwaarden (eventueel in ministeriële regeling)? Als in de uitvoeringssfeer de middeling van degenen die kwalificeren voor de 90%-regeling voldoet, is het niet in te zien waarom er niet tot een zekere codificatie kan worden overgegaan.
* (4.3.4 en 4.3.5) Kan er nader worden aangegeven wat er wordt verstaan onder het indirect ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen aan de vennootschap waarin de belastingplichtige of zijn partner (of bloed- en aanverwanten in de rechte lijn) een aanmerkelijk belang heeft? Valt hier ook onder de situatie dat de B.V. een deel van een pand doorverhuurt aan een derde? Is dit anders als de belastingplichtige zelf een deel aan de B.V. verhuurt en een deel aan een derde? Kan de regering een nadere toelichting geven op het volgende geval. Een belastingplichtige verhuurt een pand aan de vennootschap van een zoon of dochter. Indien de huur op enig moment niet direct wordt betaald maar wordt schuldig gebleven, ontstaat voor deze belastingplichtige de situatie dat hij via de meetrekregeling als een aanmerkelijk belanghouder wordt aangemerkt. Doorat hij als aanmerkelijk belanghouder wordt aangemerkt, wordt ook het verhuurde pand in de a.b.-regeling meegesleept. Zien de leden van de fractie van de PvdA het goed dat al naar gelang het ontstaan van een huurvordering (al dan niet bewust) en het ophouden van het bestaan van de huurvordering, het pand als vermogensbestanddeel van deze belastingplichtige heen en weer springt tussen Box 2 en Box 3? Liggen hier geen arbitrage mogelijkheden op de loer?
* (5.1.1) In artikel 6.1.2 staat dat de persoonsgebonden aftrek eerst in mindering komt op het inkomen uit werk en woning, dan op inkomen uit sparen en beleggen en vervolgens uit inkomen uit aanmerkelijk belang. Is het dan niet wenselijker om in dit artikel te stellen: ".... verminderd met de persoonsgebonden aftrek voor zover deze nog niet in mindering is gekomen op inkomen uit werk en woning."
* (5.1.3) Geldt voor de waardering van onroerende zaken de WOZ-waarde? Is deze gelijk aan de waarde in het economisch verkeer? Zo nee, welke reden is er om af te wijken van de WOZ-waarde? Leidt dit niet tot een grotere kans op conflicten? Lid 1, c: roerende zaken worden in de grondslag betrokken tenzij ze ge- en verbruikt worden en tevens niet hoofdzakelijk ter belegging worden gehouden. De inspecteur moet stellen en bewijzen dat deze zaken wel in de grondslag moeten worden begrepen. Wat is in deze zin "hoofdzakelijk"? Normaalgesproken heeft dit woord in het fiscale de betekenis van 70% of meer. Hoe wordt dat hier bepaald? Dit artikel wil een dam opgooien tegen het aankopen van kostbare zaken om zo aan de forfaitaire vermogensrendementsheffing te ontkomen (of de heffing te verminderen). Zijn een aantal Rolexen die je regelmatig draagt een belegging of niet? Hoe bepaalt de fiscus hier zijn maatstaf? Lid 2, e: in de Memorie van Toelichting worden hier onder andere genoemd "rechten op kapitaalsuitkeringen uit levensverzekeringen".Waarom wordt er niets gezegd over rechten op periodieke uitkeringen? Lid 2, f: wat wordt er verstaan onder "niet bedrijfsmatig geëxploiteerde vergunningen"? Valt een dergelijke vergunning niet onder resultaat uit overige werkzaamheden? Of is hier enkel het bezit van een dergelijke vergunning bedoeld? Zo ja, hoe wordt deze gewaardeerd?
* (5.1.3a) Kan er nader worden toegelicht (eventueel met voorbeelden) wanneer er geen sprake is van "inhoudelijk overeenkomt met" in de in de zien van artikel 5.1.3a lid 4? Kan worden uitgelegd waarom een vruchtgebruiktestament niet valt onder de werking van lid 4?
* (5.1.4) Geldt het verzoek van lid 2 in combinatie met het verzoek van artikel 5.1.3b lid 2 of staan deze verzoeken geheel los van elkaar?
* (5.2.1) Onderdeel b: kan al inzicht worden gegeven wat er onder een natuurterrein zal worden verstaan? Onderdeel c: kan al worden aangeven wat de uitzondering voor gebouwde eigendommen inhoudt? In de Memorie van Toelichting wordt gesproken van een woning. Valt deze op grond van de rangorderegeling niet buiten de rendementsgrondslag? Voorts noemt de Memorie van Toelichting anderszins geëxploiteerde gebouwde gedeelten. Vallen deze niet al onder hoofdstuk 3 of 4? Ook hier lijkt te worden afgeweken van de WOZ-waarde. Waarom moet er persé rekening worden gehouden met de actuele waarde - met alle discussies van dien - bij een forfaitaire heffing die zelf al een wat grove benadering kent?
* (5.2.2.) Voorwerpen van kunst en wetenschap behoren in principe tot de rendementsgrondslag tenzij belastingplichtige aannemelijk maakt dat zij niet hoofdzakelijk als belegging dienen. Waarom rust hier de bewijsplicht op de belastingplichtige in tegenstelling tot de bewijslast verdeling van artikel 5.1.3? Hoe moeten de leden van de PvdA-fractie zich voorstellen: dat een belastingplichtige zijn kunstwerken vermeldt met een aantekening dat zij vrijgesteld zijn? Hoe gaat de inspecteur deze vrijstelling toetsen? Kan de regering, meer specifiek dan in de Memorie van Toelichting, aangeven wanneer er sprake is van een belegging en wanneer niet en welke factoren van invloed zijn op de kwalificatie? Wordt dit subjectief (intentie belastingplichtige) of objectief (redelijk handelend) getoetst?
* (5.2.3) Kan de relatie tussen dit artikel en artikel 5.1.3a aangegeven worden? Wat wordt verstaan onder de in de Memorie van Toelichting genoemde "normale voorwaarden"?
* (5.2.4) Onder a: houdt deze bepaling in dat voor de bepaling van de vrijstelling niet uitgegaan wordt van de te verwachten uitkering, maar van de waarde van de lopende polis? Klopt het dan dat de uiteindelijke uitkering meer kan bedragen dan f 12.200? Hoe bepaalt een belastingplichtige de waarde van de lopende polis? Waarom is er geen vrijstelling opgenomen voor een verzekering die uitkeert bij overlijden van de partner van de belastingplichtige?
* (5.3.1) Lid 2: kan nader worden toegelicht wanneer bezittingen of schulden "als een eenheid" kunnen worden beschouwd? Wie bepaalt of er sprake is van een eenheid? Lid 4: hoe wordt de waarde van een huurrecht bepaald bij een zakelijke huurprijs? Hoe wordt de waarde van een huurrecht bepaald bij vooruitbetaalde huur?
* (5.3.3) Kan worden aangegeven welke regels zullen worden gesteld voor de waardering van genotsrechten? Wordt hierbij aangesloten bij het successierecht?
* (5.4.3) Dit artikel spreekt van waarderingsregels die kunnen worden gesteld. Is het niet duidelijker dat die regels daadwerkelijk worden gesteld? Zo ja, wat gaan die regels dan inhouden?
* (6.2.1) Wat moeten de leden van de PvdA fractie zich precies voorstellen bij een periodieke uitkering die voor de ontvanger in rechte vorderbaar is, maar voor de betaler berust op een dringende morele verplichting. Moet er een overeenkomst gesloten worden om de uitkering in rechte vorderbaar te maken?
* (6.7.1. t/m 6.7.4) Bij de scholingsuitgaven zijn de reiskosten buiten de regeling gebleven. Van een gemengd karakter - zoals gesteld in de Memorie van Toelichting - zal geen sprake zijn indien de reiskosten worden gemaakt om te reizen naar de plaats waar de opleiding wordt gevolgd. Is het beperken van de reiskostenaftrek in dit geval niet te zien als een anti-stimulans? De in de huidige regeling bekende drempel voor scholingskosten van 2% van het onzuiver inkomen - indien dit lager is dan de vaste drempel van f 800 - komt te vervallen. De Memorie van Toelichting vermeldt dat dit geschiedt uit het oogpunt van kenbaarheid. In de giftenaftrek regeling blijft evenwel een drempel uitgedrukt als het percentage van het inkomen bestaan. Kan de regering een nadere uitleg geven voor het vervallen van deze procentuele drempel voor scholingsuitgaven? Ziet de regering redenen of mogelijkheden om een lagere drempel in stand te houden voor lage inkomens? Kan de regering aangeven in welk opzicht de scholingsaftrek een verruiming inhoudt ten opzichte van de huidige situatie, zoals wordt beweerd op p.54 van de Memorie van Toelichting?
* (7.4.1) Waarom is de toevoeging "voorzover zij niet voortspruiten uit effectenbezit of uit dienstbetrekking" niet overgenomen uit het huidige artikel 49 (i.t.t. wat gesuggereerd wordt in de Memorie van Toelichting)? Is beoogd dat buitenlandse belastingplichtigien hier belastingplichtig worden voor rechten op aandelen in de winst van een onderneming, terwijl geen sprake is van een aanmerkelijk belang?

Deel: ' PvdA-fractie over verslag wet inkomstenbelasting 2001 '




Lees ook