Ministerie van Defensie


Rapporten - Nabestaandenpensioen

Blijkens de mededeling van de plv. Directeur van Uw kabinet van 25 maart 1999, no. 99.001309, machtigde Uwe Majesteit de Raad van State zijn advies inzake het bovenvermelde voorstel van wet rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 21 mei 1999, no. W07.99.0140/II, bied ik u hierbij aan.

Het advies geeft mij aanleiding tot de volgende opmerkingen. 1. De Raad van State signaleert dat de duur van de overlijdensuit-kering voor ouderdomspensioenen die ingaan na 1 juli 1999 wordt teruggebracht van 2 maanden naar 1 maand, terwijl deze beperking niet aan de orde zou zijn bij invaliditeitspensioenen. De Raad beveelt aan objectief te motiveren waarom, in geval van overlijden van een ooit geïnvalideerde militair gedurende de looptijd van het desbetref-fende pensioen, de overlijdensuitkering hoger zou moeten zijn dan wanneer diezelfde militair eenmaal de 65 zou zijn gepasseerd. In tegenstelling tot hetgeen de Raad opmerkt zal, in geval van overlijden van een militair die arbeidsongeschikt is geworden, de duur van de overlijdensuitkering één maand bedragen, ongeacht of dit overlijden vóór het bereiken van de 65-jarige leeftijd zal plaatsvinden (en er sprake is van een arbeidsongeschiktheidspen-sioen) of daarna (als het ouderdomspensioen is ingegaan). De beperking van de overlijdensuitkering is daarentegen niet aan de orde in geval van overlijden van een militair die recht heeft op een invaliditeitspensioen (ingevolge artikel E 11 Amp-wet in geval van invaliditeit met dienstverband) of een verhoogd arbeidsongeschikt-heidspensioen (ingevolge artikel E 11a Amp-wet in geval van een dienstongeval in vredesomstandigheden). In die gevallen blijft de duur van de overlijdensuitkering gehandhaafd op twee maanden (onderdeel a van het genoemde tweede lid), ongeacht het moment waarop dat pensioen is ingegaan. Sociale partners binnen de sector Defensie hebben er aan gehecht op dit punt de reeds bestaande specifieke regelgeving in stand te houden. Ook de Kaderwet militaire pensioenen, waarnaar de Raad in punt 4 van zijn advies verwijst, handhaaft op het punt van deze specifieke pensioenen voor mili-tairen een specifieke positie. De toelichting is in deze zin aangevuld.
2. De voorgestelde beperking van de duur van de overlijdensuitkering heeft als ingangsdatum 1 juli 1999. Het wetsvoorstel bevat hiertoe een bepaling van terugwerkende kracht (artikel II). De Raad van State beveelt aan in de toelichting aandacht te besteden aan de nadelige gevolgen voor de betrokkenen die uit de terugwerkende kracht kunnen voortvloeien en zonodig de terugwerkende kracht achterwege te laten. Nadere beschouwing van dit onderwerp heeft geleid tot de overweging dat het beter ware de terugwerkende kracht niet op dit onderdeel van het wetsvoorstel van toepassing te laten zijn. Artikel II is met het oog hierop aangepast. 3. De Raad van State acht de tekst van het wetsvoorstel en de toelichting onvoldoende duidelijk ten aanzien van de situatie waarin een militair de leeftijd van 65 jaar bereikt, op welke leeftijd hij de mogelijkheid krijgt te kiezen voor uitruil van nabestaandenpensioen in ouderdomspensioen, op een moment dat dit wetsvoorstel nog niet tot wet is verheven. De Raad acht ofwel een aparte overgangsbepaling, ofwel het opnemen van uitleg in de toe-lichting noodzakelijk om dit probleem op te lossen. De militairen die vanaf 1 juli 1999 met ouderdomspensioen gaan worden door de uitvoeringsorganisatie bij die gelegenheid op de hoogte gesteld van de mogelijkheid van uitruil en van de eventuele effecten daarvan voor hen zelf en hun eventuele partner. Ook in algemene zin worden niet alleen de actieve, maar ook alle postactieve militairen via een uitgebreide informatiecampagne op de hoogte gebracht van de wijzigingen per 1 juli 1999. Vooruitlopend op het inwerkingtreden van deze wetswijziging zal bij de berekening van het ouderdomspensioen - mocht de betrokkene voor uitruil kiezen - met de verhoging, die daarvan het gevolg is, worden rekening gehouden. In zoverre behoeven de betrokkenen geen hinder te ondervinden van de terugwerkende kracht. Ook de effecten van de uitruil voor de eventuele partner van de militair zullen bij de voorlichting vanuit de uitvoerings-organisatie omtrent de pensionering in beeld komen. Daarbij zal aangegeven worden dat het effect van de uitruil is dat - in geval van vooroverlijden van de militair na pensioendatum - de pensioenopbouw vanaf 1 juli 1999 niet meer meetelt bij de berekening van het nabestaandenpensioen, en dat dat nabestaandenpensioen dus puur op basis van de voor 1 juli 1999 opgebouwde diensttijd berekend zal worden. Zowel de tekst van artikel II als de toelichting bij dat artikel is in deze zin aangevuld.
4. De Raad van State adviseert de toelichting aan te vullen in verband met de te ver-wachten korte werkingsduur van de voorgestelde bepalingen. Het wetsvoorstel Kaderwet militaire pensioenen, dat een kader biedt voor het onderbrengen van het "reguliere" ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen voor militairen bij het ABP, bepaalt immers onder andere dat de Algemene militaire pensioenwet - op een nader te bepalen moment - zal worden ingetrokken. Het leidende beginsel is dat wijzigingen in de pensioenregeling voor het overheids-personeel worden doorvertaald naar de pensioenregeling voor militairen, tenzij er specifieke redenen zijn om van doorvertaling af te zien. Het nabestaandenakkoord bepaalt dat de wijzigingen in de pensioenregeling per 1 juli 1999 ingaan. Achterwege laten van het doorvertalen van het akkoord naar de Amp-wet zou bijvoorbeeld betekenen dat militairen vooralsnog niet de mogelijkheid van uitruil zouden hebben, waar het overige overheids-personeel (inclusief het burgerpersoneel van Defensie) deze mogelijkheid wel heeft. Daarbij komt dat de pensioenaanspraken van militairen- op het moment van in werking treden van genoemde Kaderwet - zullen worden geconverteerd naar pensioenaanspraken ingevolge het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP. In dit pensioenreglement is het nabestaandenakkoord reeds volledig verwerkt. Het zou de conversieprocedure en de com-municatie daarover onnodig bemoeilijken indien de pensioenaanspraken van militairen inhoudelijk nog zouden afwijken van die van de overige overheidswerknemers. Om deze redenen is er voor gekozen doorvertaling wel te laten plaatsvinden, ondanks het feit dat de Amp-wet zelf niet meer zo'n lang leven is beschoren. 5. Met betrekking tot de eerste redactionele kanttekening van de Raad wordt het volgende opgemerkt. In tegenstelling tot hetgeen de Raad stelt is niet zo dat, wanneer de militair op pensioendatum kiest voor uitruil van nabestaandenpensioen voor een hoger ouderdoms-pensioen, de aanspraak van de partner op pensioen wegens ziekten of gebreken vervalt, maar dat de aanspraak van de partner op nabestaandenpensioen vervalt voor het geval de militair na pensionering vooroverlijdt - althans, voor zover dit nabestaandenpensioen afgeleid zou kunnen worden van het ouderdomspensioen dat na 30 juni 1999 wordt opgebouwd. De tweede redactionele kanttekening van de Raad heeft geleid tot opneming in het opschrift van de materiële aanduiding van het onderwerp van het wetsvoorstel. De ambtelijk doorgegeven kanttekeningen bij de memorie van toelichting zijn gevolgd.

Ik moge U verzoeken het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.

DE STAATSSECRETARIS VAN DEFENSIE,
H.A.L. van Hoof.

Wet van, tot wijziging van de Algemene militaire pensioenwet (doorvertaling akkoord nabestaandenpensioen overheidspersoneel en enige andere wijzigingen)

VOORSTEL VAN WET

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een recht op bijzonder ouderdomspensioen in het leven te roepen, alsmede enige andere maatregelen te treffen op het terrein van het militaire ouder-domspensioen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel I

De Algemene militaire pensioenwet wordt als volgt gewijzigd.

A

Na artikel E 2a wordt een nieuw artikel E 2b ingevoegd, luidende:

Artikel E 2b
1. De gewezen echtgenoot, of de gewezen geregistreerde partner, van de militair heeft uitzicht of recht op bijzonder ouderdomspen-sioen, indien toepassing wordt gegeven aan artikel 5 van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding. 2. De gewezen echtgenoot, of de gewezen geregistreerde partner, van de gewezen of gepensioneerde militair heeft recht of uitzicht op bijzonder ouderdomspensioen, indien toepassing wordt gegeven aan artikel 5 van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding en uitzicht of recht bestaat, of recht heeft bestaan op een pensioen waarop een verhoging is of had kunnen worden toegepast als bedoeld in artikel R 15a, tweede lid.

B

Na artikel F 3a worden nieuwe artikelen F 3b en F 3c ingevoegd, luidende:

Artikel F 3b

Indien recht op een bijzonder ouderdomspensioen als bedoeld in artikel E 2b is ont-staan, wordt de aanspraak of het recht op het pensioen van de militair, gewezen of gepensioneerde militair, waarop een verhoging is of had kunnen worden toegepast, als bedoeld in artikel R 15a, tweede lid, verminderd met het deel van het eigen pensioen dat in aanmerking is genomen bij de vaststelling van dat bijzonder ouderdomspensioen.

Artikel F 3c
1. Behoudens het tweede lid, gaat het bijzonder ouderdomspensioen ingevolge artikel E 2b in op de dag waarop de gewezen echtgenoot, of de gewezen geregistreerde partner, de leeftijd van 65 jaar bereikt, of indien scheiding, of beëindiging van het geregistreerd partnerschap heeft plaatsgevonden na dat tijdstip, zodra toepassing kan worden gegeven aan artikel 5 van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding.
2. Het bijzonder ouderdomspensioen ingevolge artikel E 2b gaat niet eerder in dan een maand na de datum waarop Onze Minister de ter zake vereiste bescheiden heeft ontvangen.
3. Het bijzondere ouderdomspensioen ingevolge artikel E 2b wordt vastgesteld met in achtneming van de pensioengrondslag waarnaar het eigen pensioen van de militair, gewezen of gepensioneerde militair zou zijn berekend, indien deze met ingang van de dag waarop de echtscheiding, of de beëindiging van het geregistreerd partnerschap, heeft plaatsgevonden, recht zou hebben gekregen op dat pensioen.

C

Artikel K 3 wordt vervangen door:

Artikel K 3
1. In dit artikel wordt onder partner verstaan degene die als nagelaten betrekking van een gepensioneerde militair anders dan als kostwinner of als wees aanspraak heeft op pensioen in de zin van §8 van de Wet privatisering ABP.
2. Zo spoedig mogelijk na het overlijden van een gepensioneerde militair wordt aan de partner van wie hij niet duurzaam gescheiden leefde een overlijdensuitkering toegekend ten bedrage van het pensioen van die gepensioneerde militair over een tijdvak van: a. twee maanden indien die militair aanspraak had op pensioen, ongeacht het moment waarop dit pensioen is ingegaan, ten gevolge van: 1° verwonding, ziekten of gebreken als bedoeld in artikel E 11 van de Amp-wet of daarmee overeenkomende bepalingen in een vroegere militaire pensioenwet in de zin van die wet; 2° andere oorzaken dan genoemd onder 1°, terwijl de militair op het moment van zijn overlijden op grond of mede op grond van de onder 1° bedoelde verwonding, ziekten of gebreken recht op militair pensioen kon of zou kunnen doen gelden, dan wel 3° verwonding, ziekten of gebreken als bedoeld in artikel E 11a van de Amp-wet; b. één maand indien dit pensioen, anders dan bedoeld in onderdeel a, is ingegaan op of na 30 juni 1999.
3. Bij ontstentenis van een partner als bedoeld in het eerste lid, geschiedt de overlijdensuitkering ten behoeve van degene die in de hoedanigheid van wees aanspraak heeft op pensioen in de zin van § 8 van de Wet privatisering ABP.
4. Indien de overledene geen betrekkingen als bedoeld in het eerste of derde lid nalaat, geschiedt de overlijdensuitkering ten behoeve van de ouders, meerderjarige kinderen, broers of zusters, indien de overledene de kostwinner was van genoemde betrekkingen. 5. Indien de overledene geen betrekkingen als bedoeld in het eerste, derde of vierde lid nalaat, kan het bedrag van de overlijdensuitkering door Onze Minister geheel of gedeeltelijk worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging, indien de nalatenschap van de overledene voor de betaling van die kosten ontoereikend is. 6. Voor de toepassing van het derde tot en met vijfde lid wordt de overlijdensuitkering berekend volgens de condities die gelden voor toekenning aan een partner.

D

Na artikel R 15 wordt een nieuw artikel R 15a ingevoegd, luidende:

Artikel R 15a
1. In dit artikel wordt onder partner verstaan degene die in de hoedanigheid van nagelaten betrekking van een militair of gewezen militair anders dan als kostwinner of wees aanspraak zou hebben op pensioen in de zin van §8 van de Wet privatisering ABP, voorzover dat pensioen is afgeleid van een eigen pensioen dat is opgebouwd vóór het bereiken van de leeftijd van 65 jaar en na 30 juni 1999. 2. De militair en de gewezen militair hebben bij ingang van pensioen, indien dat is toegekend anders dan wegens ziekten of gebreken, ter zake van het bereiken of overschrijden van de leeftijd van 65 jaar eenmalig de keuzemogelijkheid dat pensioen met 12% te verhogen, voorzover dat pensioen is berekend naar de diensttijd die: a. is gelegen na 30 juni 1999; en
b. overeenkomt met de tijd die voor de berekening van pensioen aan de partner in aanmerking wordt genomen.
3. De keuze, bedoeld in het tweede lid kan slechts met instemming van de partner worden uitgeoefend. Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot het uitoefenen van de keuzemogelijkheid.
4. De verhoging van het pensioen gaat in met ingang van de dag waarop recht op dat pensioen ontstaat. De verhoging is onherroepelijk. 5. Met de verhoging van het pensioen vervalt de in het eerste lid bedoelde aanspraak van de partner op pensioen, voorzover dat is opgebouwd overeenkomstig de in de onderdelen a en b van het tweede lid bedoelde tijd.

Artikel II
1. Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad, waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 juli 1999 voor wat betreft de onderdelen A, B en D van artikel I.
2. Voor de toepassing van onderdeel D van artikel I wordt, indien betrokkene kiest voor uitruil, en overigens aan de voorwaarden van artikel R 15a is voldaan, vooruitlopend op het in werking treden van deze wet, bij de berekening van het ouderdomspensioen rekening gehouden met de verhoging die het gevolg is van deze uitruil.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

DE STAATSSECRETARIS VAN DEFENSIE

Memorie van toelichting

ALGEMEEN DEEL

Op 22 april 1998 is tussen sociale partners, vertegenwoordigd in de Raad voor het Overheidspersoneel, een onderhandelaarsakkoord gesloten met als hoofdlijnen

- uitruilmogelijkheid van nabestaandenpensioen naar ouderdomspensioen
- verkorting van de overlijdensuitkering tot één maand - overstap naar rentedekking voor het nabestaandenpensioen voor overlijden vóór de 65-jarige leeftijd - compensatie voor het ontbreken van een uitkering ingevolge de Algemene nabestaan-denwet.
Daar een en ander ook wordt doorvertaald naar militairen, dient ook de Algemene militaire pensioenwet (Amp-wet) te worden aangepast, in het bijzonder waar dit akkoord wijzigingen bevat met betrekking tot het ouderdomspensioen. Artikel I, onderdelen C en D, bevat de uit het akkoord voortvloeiende wijzigingen van het ouderdomspensioen. De reguliere nabestaandenpensioenen voor militairen zijn, in navolging van de privatisering van de pensioenregeling voor het (overige) overheidspersoneel, sinds 1 januari 1996 niet meer bij wet geregeld. Formalisering van (wijzigingen in) pensioenaanspraken vindt, op grond van de Wet privatisering ABP, voor het overheidspersoneel plaats in het pensioen-reglement van de Stichting pensioenfonds ABP (ABP) en voor beroepsmilitairen - tijdelijk, en vooruitlopend op de overgang van het militaire ouderdoms- en nabestaandenpensioen naar het ABP-pensioenreglement middels de Kaderwet militaire pensioenen - in het (privaat-rechtelijke) Nabestaandenreglement militairen. De uit het akkoord voortvloeiende wijzigingen voor het reguliere militaire nabestaandenpensioen vallen derhalve buiten het kader van dit wetsvoorstel.

ARTIKELSGEWIJS

Artikel I

Onderdelen A en B
In de onderdelen A en B van dit wetsvoorstel is van de gelegenheid gebruik gemaakt om enige bepalingen in de Amp-wet op te nemen met het oog op het invoeren van bijzonder ouderdomspensioen. Artikel 5 van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding biedt de mogelijkheid om in plaats van recht op uitbetaling van (een deel van) het pensioen van betrokkene een eigen recht op pensioen toe te kennen aan de ex-partner. De pensioen-aanspraken van de betrokkene worden in één keer omgerekend (geconverteerd) tot een eigen pensioen voor de ex-partner. Rechthebbende is de gewezen echtgenoot of de gewezen geregistreerde partner van de actief dienende, gewezen dan wel gepensioneerde militair. Met het oog hierop zijn nieuwe artikelen E 2b, F 3b en F 3c in de Amp-wet opgenomen. In artikel E 2b van die wet is het recht op bijzonder ouderdomspensioen geregeld. De artikelen F 3b en F 3c geven aan hoe het bijzonder ouderdomspensioen dient te worden berekend. Is een recht op bijzonder ouderdomspensioen voor genoemde ex-partner ontstaan, dan wordt de aanspraak of het recht van de militair op ouderdomspensioen overeenkomstig ver-minderd. Het gaat hier om vermindering van het eigen pensioen van de militair dat is of zal worden toegekend ter zake van het bereiken van de 65-jarige leeftijd, voor zover het geen pensioen betreft dat is toegekend ter zake van ziekten of gebreken.

Onderdeel C
Het in onderdeel C voorgestelde nieuwe artikel K 3 betreft de beperking van de overlijdens-uitkering aan de nabestaanden van ouderdomsgepensioneerden en militairen met een (gewoon) arbeidsongeschiktheidspensioen, voorzover die pensioenen ingaan op of na 30 juni 1999 (onderdeel b van het tweede lid van het nieuwe artikel K 3). In geval van overlijden van een militair die op enig moment arbeidsongeschikt is geworden, zal de duur van de overlijdensuitkering één maand bedragen, ongeacht of dit overlijden vóór het bereiken van de 65-jarige leeftijd zal plaatsvinden (en er sprake is van een arbeidsongeschiktheids-pensioen) of daarna (als het ouderdomspensioen is ingegaan). In geval van overlijden van een militair die recht heeft op een invaliditeitspensioen (ingevolge artikel E 11 Amp-wet in geval van invaliditeit met dienstverband) of een verhoogd arbeidsongeschiktheidspensioen (ingevolge artikel E 11a Amp-wet in geval van een dienstongeval in vredesomstandigheden) blijft de duur van de overlijdensuitkering gehand-haafd op twee maanden (onderdeel a van het genoemde tweede lid), ongeacht het moment waarop dat pensioen is ingegaan. Sociale partners binnen de sector Defensie hebben er aan gehecht op dit punt de reeds bestaande specifieke regelgeving in stand te houden. Hierbij zal geen sprake van een verschil in positie vóór en na het bereiken van de 65-jarige leeftijd; een
dienstinvaliditeitspensioen loopt immers door nadat de betrokkene 65 jaar is geworden. Als voorbeeld van de in dit onderdeel onder 1° genoemde vroegere militaire pensioenwetten worden hier genoemd de Pensioenwet voor de zeemacht 1922, de Pensioenwet voor de landmacht 1922 en de Pensioenwet voor het personeel der Koninklijke marine-reserve 1923. Overlijdensuitkeringen in verband met een overlijden tijdens de actieve militaire dienst ten gevolge van een dienstongeval, vallen buiten dit kader (en zijn geregeld in het Algemeen militair ambtenarenreglement).

Onderdeel D
Het in onderdeel D voorgestelde nieuwe artikel R 15a betreft de uitruil van nabestaanden-pensioen voor een hoger ouderdomspensioen. Het eerste lid maakt duidelijk dat de uitruilmogelijkheid slechts betrekking kan hebben op diensttijd na 30 juni 1999. Uitruil houdt in dat de waarde van het vanaf 1 juli 1999 op te bouwen nabestaandenpensioen (voor overlijden na pensionering) actuarieel wordt omgerekend naar en opgeteld bij het ouder-domspensioen. Uitruil zal kunnen leiden tot een 12% hoger ouderdomspensioen. De daad-werkelijke verhoging is uiteraard afhankelijk van het aantal dienstjaren vanaf 1 juli 1999. De militair heeft eenmalig, bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd, de mogelijkheid te kiezen voor uitruil (tweede lid). De echtgenoot of partner moet instemming verlenen met deze uitruil, omdat deze van invloed kan zijn op de positie van die echtgenoot of partner bij vooroverlijden van de militair (derde lid). Het vijfde lid bepaalt dat de keuze voor een verhoging van het ouderdoms-pensioen betekent dat de echtgenoot of partner, bij een overlijden van de betrokkene na pensioendatum, geen aanspraak op nabestaandenpensioen meer kan doen gelden - althans, voor zover dat nabestaandenpensioen afgeleid zou worden van diensttijd vanaf 30 juni 1999. De aanspraken op nabestaandenpensioen die betrokkenen hebben opgebouwd tot 1 juli 1999, blijven vanzelfsprekend in tact.

Artikel II

De terugwerkende kracht tot en met 1 juli 1999, waarin het eerste lid van artikel II - voor wat betreft de onderdelen A, B en D van artikel I - voorziet, houdt verband met de doorvertaling van de wijzigingen van pensioenen voor burger-overheidspersoneel met ingang van die datum en strekt alleen ter verbetering van de pensioenvoorwaarden. De terugwerkende kracht heeft derhalve geen betrekking op de beperking van de overlijdensuitkering. Voor wat betreft de effecten van de terugwerkende kracht op de mogelijkheid van uitruil wordt het volgende opgemerkt. De militairen die vanaf 1 juli 1999 met ouderdomspensioen gaan worden door de uitvoeringsorganisatie bij die gelegenheid - en vooruitlopend op de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel - op de hoogte gesteld van de mogelijkheid van uitruil en van de eventuele effecten daarvan voor hen zelf en hun eventuele partner. Overigens worden zowel de actieve, als ook alle postactieve militairen via een uitgebreide informatie-campagne op de hoogte gebracht van de wijzigingen per 1 juli 1999. Ook de effecten van de uitruil voor de eventuele partner van de militair zullen bij de voorlichting vanuit de uitvoeringsorganisatie omtrent de pensionering in beeld komen. Daarbij zal aangegeven worden dat het effect van de uitruil is dat - in geval van vooroverlijden van de militair na pensionering - de pensioenopbouw vanaf 1 juli 1999 niet meer meetelt bij de berekening van het nabestaandenpensioen, en dat dat nabestaandenpensioen dus puur op basis van de voor 1 juli 1999 opgebouwde diensttijd berekend zal worden. Om elke mogelijke onduidelijkheid op te heffen wordt in het tweede lid van artikel II expliciet bepaald dat, vooruitlopend op het inwerkingtreden van deze wet, bij de berekening van het ouderdomspensioen - mocht de betrokkene voor uitruil kiezen - met de verhoging die het gevolg is van uitruil, rekening zal worden gehouden.

DE STAATSSECRETARIS VAN DEFENSIE,
H.A.L. VAN HOOF

Deel: ' Rapport Ministerie van Defensie over Nabestaandenpensioen '




Lees ook