Ministerie van Financien

de Koningin

Datum Uw brief Ons kenmerk (Kenmerk)


1 oktober 2001 BZ 2001-01175 U

Onderwerp

Nader rapport wetsvoorstel Eerste wijziging Comptabiliteitswet 2001

Blijkens de mededeling van de directeur van Uw Kabinet van 24 juli 2001, nr. 01.003472, machtigde Uwe Majesteit de Raad van State zijn advies betreffende bovengenoemd wijzigingsvoorstel rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 29 augustus 2001, nr. W06.01.0367/IV, moge ik U hierbij aanbieden. Het advies geeft mij aanleiding tot onderstaande reactie.


1. Naar de mening van de Raad is de in artikel 45 voorgestelde delegatie aan de minister - het betreft het opstellen van een A- en een B-lijst waarop de RWT's worden opgenomen die hun liquide middelen rentedragend moeten aanhouden in 's Rijks schatkist (A-lijst), respectievelijk de RWT's waarvoor risicobeperkende eisen gelden ten aanzien van de uitzettingen van hun liquide middelen (B-lijst) - niet juist, omdat de regeling zodanig ingrijpend van karakter is dat het aanbeveling verdient de lijsten in de wet zelf op te nemen dan wel te bepalen dat deze bij algemene maatregel van bestuur worden vastgesteld.

Ik deel de zienswijze van de Raad niet. Het karakter van de regeling is mijns inziens niet ingrijpend, zeker gelet op de eenvoudige wijze waarop de regeling in de praktijk kan worden uitgevoerd. De betrokken RWT's van de A-lijst kunnen hun bestaande bancaire relaties

voor het betalingsverkeer behouden. In plaats van bij hun huisbankier worden de creditsaldi op rekeningen-courant bij het Ministerie van Financiën aangehouden, waartegenover een vergoeding staat. Dure treasury-activiteiten om het (dagelijkse) renteresultaat te optimaliseren, kunnen achterwege blijven.

Het vaststellen van de lijsten is, aan de hand van de criteria die in het wetsvoorstel zijn uiteengezet, in het algemeen een technische uitvoeringskwestie waarbij de criteria een zekere mate van beleidsvrijheid bieden voor een (politieke) beleidskeuze. Om die keuzes transparant te maken heb ik besloten om de concept-lijsten zoals deze thans met instemming van de ministerraad zijn vastgesteld, op te nemen als bijlagen bij de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel.


2. De Raad vindt het gevolg van de regeling ingrijpend, namelijk dat alle liquide middelen van een RWT (derhalve naast de publieke middelen ook eventueel aanwezige private middelen) onder regeling van het geïntegreerd middelenbeheer vallen, indien en zolang er bij een RWT geen sprake is van een adequate scheiding tussen private en publieke activiteiten en het daarmee samenhangende kasbeheer. De Raad pleit er daarom voor om de regeling van scheiding tussen publieke en private gelden, die in het wetsvoorstel in de toelichting was beschreven, in de wet zelf op te nemen. Op die wijze komt het uitgangspunt van het wetsvoorstel zoals dat uit de considerans blijkt, namelijk dat het geïntegreerd middelenbeheer alleen betrekking heeft op de publieke gelden, beter in de wettekst zelf tot uitdrukking.

Deze aanbeveling van de Raad heb ik overgenomen. De systematiek die in het wetsvoorstel vastligt, wijzigt daarmee niet. Alleen bij een adequate scheiding van de private en de publieke gelden binnen een RWT kunnen de private gelden buiten het geïntegreerd middelenbeheer blijven. Uit de toelichting blijkt dat - naast een juridische scheiding (d.w.z. het onderbrengen van de private activiteiten en daarmee samenhangende gelden in een aparte privaatrechtelijke rechtspersoon) - ook sprake kan zijn van een adequate scheiding als separaat verantwoording over de publieke en de private middelen wordt afgelegd.

Dit impliceert dat in de jaarrekening c.q. in het jaarverslag van een RWT de publieke en de private geldstromen in een afzonderlijke cijferopstelling moeten worden weergegeven. De accountant die is belast met de controle van de jaarrekening van de RWT, zal de splitsing van de publieke en de private geldstromen in zijn controle dienen te betrekken. Aan de hand van de uitkomsten van deze controle (accountantsverklaring en de gerapporteerde bevindingen in het accountantsrapport) kan dan worden vastgesteld of de jaarrekening aan de daaraan te stellen eisen voldoet.

Als aan deze vereisten wordt voldaan, kunnen de private geldmiddelen buiten het geïntegreerd middelenbeheer worden gehouden. Als aan deze vereisten niet wordt voldaan, kan door de betrokken RWT ook niet transparant worden gemaakt welke risico's in de beleggingssfeer met de private gelden worden gelopen. In zo'n situatie blijft het gevaar aanwezig dat verliezen in de beleggingssfeer van de private middelen aangezuiverd moeten worden uit de publieke middelen.

Het wetsvoorstel is met het vorenstaande in overeenstemming gebracht. Ook is voorzien in een overgangsbepaling.


3. De redactionele kanttekening bij het advies is door mij verwerkt.
Inmiddels is het noodzakelijk gebleken om in de artikelen 48 en 49 tot uitdrukking te brengen dat ook aan de rechtspersonen, bedoeld in artikel 45, derde lid, de mogelijkheid te bieden voor investeringen leningen en voor tijdelijke liquiditeitstekorten rekening-courantkredieten bij het Ministerie van Financiën te betrekken. Deze artikelen zijn daartoe aangepast.

Voorts heb ik in het wetsvoorstel de uitdrukking Onze Minister wie het aangaat, respectievelijk Onze Ministers wie het aangaan, in lijn met de gebezigde terminologie in de Comptabiliteitset 2001 vervangen door: Onze betrokken Minister(s).

Verder is het noodzakelijk gebleken via het wetsvoorstel in de Prijzennoodwet een wijziging aan te brengen. In artikel 101 van het voorstel van wet tot vaststelling van de Comptabiliteitswet 2001 is een verwijzing naar artikel 39 van de Comptabiliteitswet 2001 opgenomen. Met artikel I, onderdeel A, van de onderhavige wijzigingswet wordt bewerkstelligd dat de tekst van artikel 39 wordt opgenomen in artikel 37. De verwijzing in de Prijzennoodwet dient daarmee in overeenstemming te worden gebracht.

Ik moge u thans verzoeken het hierbij gevoegde voorstel van wet en de daarbij behorende memorie van toelichting c.a. aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.

DE MINISTER VAN FINANCIEN,

Wijziging van de Comptabiliteitswet houdende bepalingen inzake het beheer van liquide middelen van rechtspersonen die collectieve middelen beheren, inzake de financiering van die rechtspersonen en inzake de beheersing van het EMU-saldo voor zover dit saldo door het financieel beheer van deze rechtspersonen wordt beïnvloed (Eerste wijziging van de Comptabiliteitswet 2001)

VOORSTEL VAN WET

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is in de Comptabiliteitswet 2001 onder meer bepalingen op te nemen ter beperking van de financiële risico's die kunnen voortvloeien uit het beheer van liquide middelen door rechtspersonen die collectieve middelen beheren en inzake de beheersing van het EMU-saldo voor zover dat saldo wordt beïnvloed door het financieel beheer van deze rechtspersonen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Comptabiliteitswet 2001 wordt als volgt gewijzigd.

A.

Aan artikel 37 wordt, onder vervanging in onderdeel b van de punt na "kasbeheer" door een puntkomma, een onderdeel c toegevoegd dat luidt:


c. het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen en kan worden voorgeschreven dat bepaalde privaatrechtelijke rechtshandelingen worden verricht in afwijking van de artikelen 32 en 33.

B.

Onder vernummering van de artikelen 40 tot en met 44 tot 39 tot en met 43 vervalt artikel 39.

C.

Na artikel 43 wordt een nieuw artikel 44 ingevoegd, dat luidt:

Artikel 44


1. Ter bewaking van de ontwikkeling van het EMU-saldo kan Onze Minister van Financiën regels stellen ten aanzien van de verstrekking van gegevens door de rechtspersonen die op basis van het geldende Europees Stelsel van Rekeningen (PbEG L310) tot de sector overheid worden gerekend.


2. Indien een dreigende overschrijding van de geldende norm voor het EMU-saldo van de overheid wordt veroorzaakt door een ongewenste ontwikkeling van het EMU-saldo van de rechtspersonen, bedoeld in het eerste lid, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld ter beheersing van het EMU-saldo van die rechtspersonen.


3. Een krachtens het tweede lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur treedt niet eerder in werking dan acht weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan de beide kamers der Staten-Generaal.


4. Tot de rechtspersonen, bedoeld in het eerste lid, worden voor de toepassing van het bepaalde in het tweede lid, niet gerekend de openbare lichamen, bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet financiering decentrale overheden.

D.

Na hoofdstuk III wordt een nieuw hoofdstuk IV ingevoegd, dat luidt:

Hoofdstuk IV. Het liquidemiddelenbeheer en de financiering van rechtspersonen die collectieve middelen beheren

Artikel 45


1. Onze Minister van Financiën, in overeenstemming met Onze betrokken Ministers, wijst de rechtspersonen, bedoeld in artikel 91, eerste lid, onder d, aan die ten behoeve van een doelmatig en risico-arm kasbeheer hun liquide middelen rentedragend aanhouden in 's Rijks schatkist.


2. Onze Minister van Financiën, in overeenstemming met Onze betrokken Ministers, wijst de rechtspersonen, bedoeld in artikel 91, eerste lid, onder d, aan die ten behoeve van een risico-arm kasbeheer hun liquide middelen uitzetten in de vorm van producten die voldoen aan door Onze Minister van Financiën te stellen eisen.


3. Onze Minister van Financiën, in overeenstemming met Onze betrokken Ministers, kan andere rechtspersonen met een publieke taak aanwijzen waarop het eerste of het tweede lid van toepassing is.


4. Het eerste tot en met derde lid is niet van toepassing ten aanzien van de liquide middelen die niet als collectieve middelen kunnen worden aangemerkt, indien die liquide middelen op een adequate wijze separaat in de jaarrekening van de betrokken rechtspersoon worden verantwoord.

Artikel 46

Het aantrekken van financiële middelen door de rechtspersonen, bedoeld in artikel 45, met als doel daarmee via het uitzetten ervan additionele financiële middelen te verwerven, is verboden.

Artikel 47


1. Onze betrokken Minister is belast met het toezicht op artikel 45, tweede en vierde lid, en op artikel 46.


2. Een rechtspersoon verstrekt desgevraagd aan Onze Minister alle voor dit toezicht benodigde inlichtingen. Onze Minister kan inzage vorderen in alle zakelijke gegevens en bescheiden, indien dat voor het toezicht redelijkerwijs nodig is.


3. Onze Minister kan een rechtspersoon die zich niet houdt aan artikel 45, tweede of vierde lid, of artikel 46, de aanwijzing geven hieraan alsnog te voldoen.

Artikel 48


1. Onverminderd het bij of krachtens andere wetten bepaalde kunnen de rechtspersonen, bedoeld in artikel 45, eerste lid, met de instemming van Onze betrokken Minister, ten behoeve van de financiering van investeringen, leningen bij Onze Minister van Financiën verkrijgen, indien de investeringen benodigd zijn voor de uitvoering van de bij of krachtens de wet geregelde taken van de rechtspersoon.


2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de rechtspersonen, bedoeld in artikel 45, derde lid, indien op die rechtspersonen het eerste lid van artikel 45 van toepassing is.


3. Indien in enig jaar een rechtspersoon waaraan door Onze Minister van Financiën een lening is verstrekt, in gebreke blijft de daaruit voortvloeiende verplichtingen aan rente en aflossing na te komen, kan Onze Minister van Financiën het bedrag van de niet-nagekomen verplichtingen ten laste van de begroting van Onze betrokken Minister overboeken naar de begroting van Nationale Schuld.

Artikel 49


1. Onverminderd het bij of krachtens andere wetten bepaalde kan Onze Minister van Financiën, in overeenstemming met Onze betrokken Minister, aan de rechtspersonen, bedoeld in artikel 45, eerste lid, ter overbrugging van tijdelijke liquiditeitstekorten een rekening-courantkrediet verstrekken.


2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de rechtspersonen, bedoeld in artikel 45, derde lid, indien op die rechtspersonen het eerste lid van artikel 45 van toepassing is.


3. Indien in enig jaar een rechtspersoon waaraan door Onze Minister van Financiën een rekening-courantkrediet is verstrekt, in gebreke blijft de daaruit voortvloeiende verplichtingen aan rente en aflossing na te komen, kan Onze Minister van Financiën het bedrag van de niet-nagekomen verplichtingen ten laste van de begroting van Onze betrokken Minister overboeken naar de begroting van Nationale Schuld.

Artikel 49a

Onze Minister van Financiën kan nadere regels stellen met betrekking tot het bepaalde in de artikelen 45 tot en met 49.

ARTIKEL II


1. Het eerste en tweede lid van artikel 45 zijn gedurende zes maanden na de inwerkingtreding van deze wet niet van toepassing voor op het moment van inwerkingtreding van deze wet op een andere wijze uitgezette liquide middelen.


2. Het eerste en tweede lid van artikel 45 zijn voorts in aansluiting op de periode van zes maanden, bedoeld in het eerste lid, gedurende zes maanden niet van toepassing op uitgezette liquide middelen die binnen de in het eerste lid bedoelde periode van zes maanden door de betrokken rechtspersoon bij Onze betrokken Minister zijn aangemeld, teneinde afspraken te maken over de periode waarbinnen de betrokken rechtspersoon alsnog aan artikel 45, eerste lid, dan wel tweede lid, zal voldoen.


3. Onze Minister van Financiën kan de periode van zes maanden, bedoeld in het tweede lid, verlengen.


4. Onze betrokken Minister kan een rechtspersoon die niet binnen de in het eerste lid bedoelde periode van zes maanden de op een andere wijze uitgezette liquide middelen heeft aangemeld, een aanwijzing geven ten aanzien van de periode waarbinnen de aanmelding alsnog dient te geschieden.


5. Gedurende een periode van maximaal 18 maanden na inwerkingtreding van deze wet is het bepaalde in artikel 45, vierde lid, ook van toepassing, indien de separate verantwoording van de niet-collectieve middelen nog niet op een adequate wijze plaatsvindt. In het koninklijk besluit, bedoeld in artikel IV, kan deze periode zo nodig worden verlengd.

Artikel III

In artikel 8, derde lid, van de Prijzennoodwet wordt de tekst "39 van de Comptabiliteitswet
2001" vervangen door: 37, aanhef en onder c, van de Comptabiliteitswet 2001.





ARTIKEL IV

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Minister van Financiën,

Wijziging van de Comptabiliteitswet houdende bepalingen inzake het beheer van liquide middelen van rechtspersonen die collectieve middelen beheren, inzake de financiering van die rechtspersonen en inzake de beheersing van het EMU-saldo voor zover dit saldo door het financieel beheer van deze rechtspersonen wordt beïnvloed (Eerste wijziging van de Comptabiliteitswet 2001)

MEMORIE VAN TOELICHTING

Algemeen


1. Inleiding


De uitoefening van bepaalde publieke taken is - veelal bij of krachtens de wet - vaak toegewezen aan rechtspersonen die geen deel uitmaken van de Staat (der Nederlanden). Deze rechtspersonen worden wel aangeduid als rechtspersonen met een wettelijke taak (RWT). De publieke activiteiten van een RWT worden gefinancierd met publieke middelen. De publieke middelen kunnen zowel betrekking hebben op een rijksbijdrage ten laste van een departementale begroting, als op de opbrengsten uit wettelijke heffingen, dan wel een combinatie van beide. De Algemene Rekenkamer heeft in het rapport "Vermogensvorming bij instellingen op afstand van het Rijk" vastgesteld dat instellingen steeds meer geld lenen, uitlenen en beleggen en heeft gewezen op de noodzaak van een wettelijke regeling op dit gebied. Daarbij heeft de Algemene Rekenkamer voorgesteld om het lenen en beleggen bij het Rijk voor bepaalde categorieën instellingen open te stellen.

In de onderhavige 1e wijziging van de Comptabiliteitswet 2001 (CW 2001) worden nadere eisen gesteld aan het beheer van publieke middelen door RWT's. Op deze wijze wordt voorkomen dat met deze publieke middelen ongewenste financiële risico's worden gelopen. Tevens is het vanuit het oogpunt van een doelmatige financiering van publieke taken gewenst dat de publieke middelen waarover een RWT het beheer voert, waar mogelijk, worden aangehouden bij het Rijk.

De wijziging bestaat uit een aantal onderdelen. Een eerste onderdeel heeft betrekking op een verbod op oneigenlijk kasbeheer en regels ter beperking van de risico's van liquidemiddelenbeheer. Een tweede onderdeel heeft betrekking op het verplicht aanhouden van liquide middelen bij het Rijk. Daardoor zullen de financiële middelen van RWT's pas de schatkist verlaten op het moment dat deze middelen ook daadwerkelijk worden uitgegeven ten behoeve van de publieke taak. Het derde onderdeel betreft de mogelijkheid voor de RWT's die hun liquide middelen aanhouden bij het Rijk, om voor de financiering van hun investeringen leningen bij het Rijk af te sluiten. Deze laatste twee onderdelen van de wijziging worden ook wel aangeduid als geïntegreerd middelenbeheer.

Uiteraard hebben bovengenoemde voorschriften inzake het oneigenlijk kasbeheer, de beperking van risico's van liquidemiddelenbeheer en het verplicht aanhouden van liquide middelen in beginsel alleen betrekking op de publieke gelden die een RWT beheert. Voor de eventuele private activiteiten van een RWT en het daarmee samenhangende kasgeldbeheer worden geen wettelijke regels gesteld via de CW 2001. In artikel 45, vierde lid, wordt bepaald onder welke voorwaarde een RWT zijn eventuele private liquide middelen buiten het geïntegreerd middelenbeheer kan houden.

Op basis van het Europees Stelsel van Rekeningen 1995 worden de meeste rechtspersonen met een publieke taak gerekend tot de sector overheid en deze zijn derhalve mede bepalend voor de ontwikkeling van het EMU-saldo. In deze wijziging van de CW 2001 worden tevens regels gesteld voor het kunnen monitoren en beheersen van het EMU-saldo.

Bij de vormgeving van deze wijziging van de CW 2001 is op de relevante onderdelen aangesloten bij de wettelijke eisen die voor het beheer van publieke middelen van decentrale overheden zullen gaan gelden (Wet financiering decentrale overheden, Stb. 2000, 587).

In het vervolg van deze memorie van toelichting wordt in paragraaf 2 de reikwijdte van deze wijziging aangegeven. In paragraaf 3 wordt het onderdeel verplicht aanhouden van liquide middelen bij het Rijk uiteengezet. In paragraaf 4 komt de mogelijkheid van het lenen bij de Minister van Financiën aan de orde. Tezamen dekken deze twee onderdelen het begrip geïntegreerd middelenbeheer. De budgettaire verwerking van het geïntegreerd middelenbeheer staat in paragraaf 5 centraal. De regels ter beperking van het risico van liquidemiddelenbeheer en inzake het verbod op oneigenlijk kasbeheer zijn in paragraaf 6 opgenomen. Paragraaf 7 bevat bepalingen over het beheersen en monitoren van het EMU-saldo. Tot slot worden de financiële gevolgen van dit wetsvoorstel in paragraaf 8 behandeld.


2. Reikwijdte geïntegreerd middelenbeheer

Onder RWT's worden in dit wetsvoorstel verstaan rechtspersonen met een publieke taak, die bij of krachtens de wet is geregeld. Dit zijn de rechtspersonen als bedoeld in artikel 91, eerste lid, onder d, van de CW 2001.

De wettelijke regels voor het geïntegreerd middelenbeheer gelden in principe voor elke RWT. Er is echter voorzien in een aantal uitzonderingen. Er zullen RWT's worden uitgezonderd op algemene beleidsmatige gronden, op grond van de (geringe) omvang van hun liquide middelen en op categoriale gronden. Ten einde op voorhand duidelijkheid te verschaffen over de RWT's waarvoor het geïntegreerd middelenbeheer zal gelden, zal de minister van Financiën in overeenstemming met de betrokken ministers deze rechtspersonen als zodanig aanwijzen (artikel
45, eerste lid).






De algemene beleidsmatige uitzonderingen zijn:


- rechtspersonen met activiteiten die een evident marktkarakter hebben (o.a. zorgverzekeraars);


- rechtspersonen waaraan de publieke taak is opgelegd om deelnemingen te verwerven of leningen aan derden te verstrekken;


- rechtspersonen met een maatschappelijke functie waaraan een relatief beperkte publieke neventaak is toegevoegd (bijvoorbeeld de ANWB en de APK-erkenninghouders).

Rechtspersonen die voldoen aan één van deze algemene beleidsmatige uitzonderingsgronden vallen in beginsel buiten de regel dat zij hun publieke liquide middelen in de schatkist moeten aanhouden. Het is echter niet uitgesloten dat er RWT's zijn die tot een van deze uitzonderingscategorieën worden gerekend, maar die op grond van eigen overwegingen toch aan het geïntegreerd middelenbeheer willen deelnemen. Indien de minister van Financiën in overeenstemming met de betrokken minister die overwegingen valabel acht, kan hij besluiten ook deze RWT's aan te wijzen als deelnemer aan het geïntegreerd middelenbeheer.

Rechtspersonen die niet zijn aangewezen, zijn niet gerechtigd deel te nemen aan het geïntegreerd middelenbeheer. Ook de bepalingen inzake het verbod op oneigenlijk kasbeheer en de regels ten aanzien van het beperken van de risico's van liquidemiddelenbeheer zijn niet van toepassing op niet-aangewezen rechtspersonen.

Ook RWT's met een te geringe financiële omvang worden uitgesloten van het geïntegreerd middelenbeheer. Van de integratie van de liquide middelen van kleine RWT's met 's Rijks kas zijn geen significante doelmatigheidsvoordelen te verwachten. Deze kleine RWT's zijn echter wel onderworpen aan het verbod op oneigenlijk kasbeheer en aan de regels ter beperking van de risico's van het liquidemiddelenbeheer.

Naast de bovenstaande uitzonderingsgronden voor het geïntegreerd middelenbeheer, zijn er ook categoriale uitzonderingen mogelijk. De categoriale uitzonderingen hebben betrekking op een specifiek beleidsveld. Het gaat dan om categorieën RWT's waarvan een groot deel beleidsmatig is uitgezonderd of een geringe financiële omvang heeft en waarvan op grond van rechtsgelijkheid ook de overige tot die categorie behorende rechtspersonen niet verplicht worden tot het aanhouden van hun liquide middelen bij het Rijk. Onder deze categoriale uitzonderingen vallen bijvoorbeeld de rechtspersonen in het primair onderwijs en het voortgezet onderwijs. Een rechtspersoon, vallend onder de categoriale uitzonderingen, kan wel vrijwillig deelnemen aan het geïntegreerd middelenbeheer. Voorwaarde is dan wel dat de RWT voldoet aan één van de financiële omvangcriteria. De rechtspersonen die onder de categoriale uitzonderingen vallen en niet op vrijwillige basis deelnemen aan het geïntegreerd middelenbeheer, moeten voldoen aan de regels ter beperking van de risico's van het liquidemiddelenbeheer en het verbod op oneigenlijk kasbeheer.

Bij ministeriële regeling van de minister van Financiën worden de RWT's aangewezen waarop de voorschriften omtrent het middelenbeheer van toepassing zijn (artikel 45). Daarbij worden twee lijsten met RWT's opgesteld. De eerste lijst RWT's (lijst A) heeft betrekking op de RWT's die deelnemen aan het geïntegreerd middelenbeheer. Deze RWT's houden hun middelen aan bij het Rijk en hebben de mogelijkheid te lenen bij het Rijk, voor zover zij over een leningsbevoegdheid beschikken op grond van de op hen van toepassing zijnde specifieke regelgeving (bijvoorbeeld de instellingswet). Daarnaast is het deze RWT's verboden een oneigenlijk kasbeheer te voeren.

De tweede lijst RWT's (lijst B) heeft betrekking op de RWT's waarvoor, naast het verbod op oneigenlijk kasbeheer, de regels ter beperking van de risico's van liquidemiddelenbeheer

gelden.

Beide lijsten worden door de Minister van Financiën in overeenstemming met de betrokken ministers opgesteld.

Samenvattend kan het volgende schema worden opgemaakt voor de verschillende onderdelen van de voorschriften voor het middelenbeheer van RWT's.

RWT's vallende onder lijst A of B lijst A lijst B


1 RWT's die vallen onder de algemene beleidsmatige uitzonderingen
nee, nee tenzij bij keuze


2 RWT's met een geringe financiële omvang nee ja






3 RWT's die vallen onder de categoriale nee, ja, uitzonderingen tenzij tenzij bij keuzebij keuze onder A


4 RWT's die niet vallen onder 1, 2, of 3 ja nee





Bepalingen van toepassing op lijst A of B lijst A lijst B

a Verplicht aanhouden van liquide middelen ja nee bij het Rijk

b Mogelijkheid om te lenen bij het Rijk, ja nee mits leningsbevoegdheid o.g.v. specifieke regelgeving

c Verbod op oneigenlijk kasbeheer ja ja

d Regels ter beperking van het risico van nee ja liquidemiddelenbeheer

De beide lijsten zullen in beginsel om de vijf jaar op volledigheid worden bezien. Het omvangscriterium ter bepaling van de plaatsing op lijst A of lijst B wordt daarbij zodanig toegepast dat RWT's alleen van lijst B naar lijst A kunnen worden overgeplaatst, maar niet andersom. Uit een oogpunt van administratieve doelmatigheid is het namelijk wenselijk te voorkomen dat RWT's periodiek tussen beide lijsten zouden moeten switchen. Deze vijfjaarlijkse integrale toets op volledigheid betekent niet dat tussentijds geen RWT's op een lijst kunnen en zullen worden bijgeplaatst dan wel van een lijst kunnen of zullen worden afgevoerd.

3. Verplicht aanhouden van liquide middelen bij het Rijk


a. algemeen

Een RWT voert het kasbeheer over zijn publieke middelen tot aan het moment waarop de publieke activiteiten tot daadwerkelijke uitgaven leiden. Het beheer van publieke middelen door een RWT zal binnen het kader van de toegewezen publieke taak moeten worden vormgegeven. Deze publieke taak mag niet worden opgerekt en/of aangetast doordat een RWT zich begeeft in risicovolle transacties buiten het publieke domein.

Om te voorkomen dat de aan een RWT verstrekte financiële middelen voor de uitvoering van de publieke taak door het uitzetten van die middelen of door tijdelijke beleggingen geheel of gedeeltelijk verloren gaan, zal een RWT bij het beheer van de publieke middelen geen overmatig risico mogen lopen. Door het verplicht aanhouden van de publieke middelen bij het Rijk wordt bereikt dat een RWT per definitie een risico-arm kasbeheer voert. De liquide middelen worden rentedragend aangehouden bij het Rijk op een rekening-courant of een deposito. Het Rijk is een eersteklas en solide debiteur voor het RWT, zodat het risico van de bij het Rijk aangehouden liquide middelen nihil is.

De integratie van de publieke middelen met 's Rijks schatkist laat de bestuurlijke verantwoordelijkheid van een RWT onverlet. Het is een RWT die vanuit zijn publieke activiteiten bepaalt wanneer uitgaven verricht moeten worden . De beschikkingsmacht van RWT's over hun financiële middelen wordt door de integratie met 's Rijks schatkist niet aangetast. De minister van Financiën is uit hoofde van de treasury-functie slechts volgend, in de zin dat de (verwachte) ontvangsten en uitgaven van een RWT een uitgangspunt zijn voor zijn treasury-activiteiten.


b. Doelmatigheid

Ook op grond van doelmatigheidsoverwegingen is het gewenst de publieke middelen die door RWT's worden beheerd zo lang mogelijk beschikbaar te houden binnen het totaalverband van 's Rijks schatkist. Door bundeling van publieke geldstromen worden eerst binnen de overheid (rijksoverheid en RWT's) alle tijdelijke of structurele kastekorten of -overschotten gesaldeerd voordat de Minister van Financiën zich op de geld- en kapitaalmarkt begeeft om externe financiering aan te trekken. Zolang een RWT de bij haar aanwezige publieke middelen nog niet daadwerkelijk heeft uitgegeven voor de uitoefening van de publieke activiteiten, kunnen die publieke middelen dus beschikbaar blijven voor de treasury-functie die de minister van Financiën vervult. Indien de kort opeisbare middelen van de RWT's worden geïntegreerd met 's Rijks schatkist ontstaat een structureel rentevoordeel doordat Financiën minder lang hoeft te lenen (met een relatief hoge rente), terwijl de RWT's, die hun kort opeisbare middelen in de schatkist aanhouden, een rentevergoeding krijgen die past bij de korte looptijd. Uitgangspunt hierbij is dat de RWT's een marktconforme rentevergoeding ontvangen, waarbij rekening wordt gehouden met looptijd en kredietwaardigheid. Zolang de middelen kort uitstaan bij particuliere banken en nog niet tot daadwerkelijk uitgaven voor de uitoefening van de publieke taak hebben geleid, kan het middelenbeheer voor de publieke sector als geheel worden verbeterd. Doordat de RWT's hun middelen nu gaan aanhouden in 's Rijks schatkist, kan de minister van Financiën deze middelen betrekken bij zijn financiering, zodat hij minder, relatief dure, lange middelen op de kapitaalmarkt behoeft aan te trekken. De mate waarin dit rentevoordeel gerealiseerd kan worden hangt onder andere af van de structurele hoogte van het totaal van de publieke middelen die de RWT's aanhouden bij het Rijk.

Op de tegoeden en kredieten in rekening-courant zal voor het gehele saldo de interbancaire rente zonder op- en afslagen worden vergoed respectievelijk in rekening worden gebracht. Dit is voor de RWT aantrekkelijk omdat het gehele saldo risicoloos tegen een hoge korte rente (zonder afslagen) uitstaat en bovendien voor het roodstaan geen toeslagen berekend worden.

Het rente-arrangement voor leningen aan RWT's zal worden aangeboden op het niveau waartegen de Staat zelf leent. Ook deposito's zullen op dit niveau worden aangeboden. Daar bovenop zullen RWT's die in enig jaar gemiddeld een groter bedrag aan deposito's dan aan leningen bij de schatkist aanhouden, voor het meerdere een bonusrente ontvangen. Daarmee wordt het renteniveau, dat kredietwaardige banken maximaal aan hun klanten zouden kunnen bieden, geëvenaard. Hiermee wordt beoogd dat zowel RWT's met leningen als RWT's met deposito's er niet op achteruit gaan door deel te nemen aan het geïntegreerd middelenbeheer.

Tevens zal het rente-arrangement een efficiënter werkkapitaalbeheer van de RWT's mogelijk maken, doordat de betaalrekening, die de RWT bij haar bank aanhoudt, in directe verbinding staat met 's Rijks schatkist. Evenzo wordt indien de specifieke regelgeving dit toestaat een kredietfaciliteit aangeboden om tijdelijke liquiditeitstekorten op te vangen, tegen een relatief lage rente. Dit alles genereert meer rentebaten (of vermijdt rentekosten) op het werkkapitaal van de RWT's dan in de huidige situatie, waarin RWT's hun tegoeden aanhouden bij het commerciële bankwezen. Het komt daarbij vaak voor dat banken over roodstaan een hoger tarief (debetrente) in rekening brengen dan zij over positieve saldi vergoeden (creditrente). Door het bundelen van geldstromen worden de positieve saldi van de RWT's met overschotten eerst gesaldeerd met de debetsaldi van de RWT's die een tekortpositie hebben. Daardoor wordt voorkomen dat het verschil tussen debetrente en creditrente door de banken in rekening wordt gebracht.

De doelmatigheid van de financiering van de door RWT's uitgevoerde publieke taken wordt tevens vergroot doordat de RWT's indien de specifieke regelgeving dit toestaat toegang krijgen tot een leenfaciliteit bij de minister van Financiën. Hierbij wordt de RWT's relatief gunstige voorwaarden geboden.

Daarnaast is een aanvullend positief effect op de bedrijfsvoering van een RWT te verwachten. Een RWT die zijn geld aanhoudt bij het Rijk voert per definitie een risicoloos kasbeheer, hetgeen tot een vereenvoudiging van de treasury-activiteiten kan leiden.


c. Rekening-courant

Een RWT houdt de publieke middelen aan bij het Rijk op een eigen rekening-courant bij het ministerie van Financiën. In de Zevende wijziging van de CW (Stb. 2001, 240) is de bevoegdheid van de minister van Financiën geregeld om met derden zo'n externe rekening-courantrelatie aan te gaan (artikel 24, zesde lid). Het openen van een rekening-courant bij het Rijk kan zo worden vormgegeven, dat een RWT gebruik kan blijven maken van de betalingsdienstverlening die door particuliere banken wordt aangeboden. Een RWT, het Rijk en de particuliere bank kunnen overeenkomen dat de betaalrekening van de RWT bij een particuliere bank in het concernverband wordt gebracht met de overige bankrekeningen van het Rijk. Op deze wijze worden de rekening-courant bij het Rijk en een betaalrekening bij een particuliere bank als het ware aan elkaar gekoppeld en kan een RWT gebruik blijven maken van de betaalrekening bij de particuliere bank.

Vanuit het Ministerie van Financiën zal geen toezicht worden uitgeoefend op het betalingsverkeer en of de besteding van de geldmiddelen door de RWT's. Het toezicht op de RWT's is volledig een taak van de verantwoordelijke ministers.

Aan de rekening-courant bij het Rijk is een depositofaciliteit gekoppeld. Indien een RWT op basis van zijn actuele liquiditeitenprognose voorziet dat een deel van zijn saldo op de rekening-courant bij het Rijk naar verwachting voor een langere periode niet uitgegeven zal worden, kan een bepaald bedrag voor een bepaalde toekomstige periode worden vastgezet tegen een rente die doorgaans hoger is dan de rente die wordt vergoed op de rekening-courant. Een RWT kan op elk gewenst moment het initiatief nemen tot het afsluiten van een deposito bij het Rijk.

De financiering van een RWT vindt in het algemeen gespreid plaats gedurende een jaar. Daarbij zal zo veel als mogelijk moeten worden aangesloten bij de specifieke omstandigheden in de bedrijfsvoering van een RWT. Uitgangspunt is dat een RWT niet rood mag staan op de rekening-courant. Er kunnen zich echter situaties voordoen, waarbij een tijdelijke roodstand van de rekening-courant bij het Rijk niet te vermijden is. De op een RWT van toepassing zijnde specifieke wet- en regelgeving is daarvoor een belangrijke omgevingsfactor. Aan de rekening-courant bij het Rijk kan daarom een kredietfaciliteit worden gekoppeld. Voor het overbruggen van een tijdelijke situatie waarin de kasontvangsten lager zijn dan de kasuitgaven kan het een RWT worden toegestaan tot een maximaal bedrag rood te staan op de rekening-courant. Het betrokken vakdepartement zal zich voor een roodstand garant moeten stellen ten opzichte van de Minister van Financiën. Een RWT zal een krediet onderbouwd moeten aanvragen via de verantwoordelijke vakminister die het verzoek van de RWT toetst. De toetsing van het krediet bestaat uit het beoordelen van de hoogte van het krediet in relatie tot het aan het krediet ten grondslag liggende benodigde werkkapitaal en de inpasbaarheid van de rente- en aflossingsverplichtingen in de (meerjaren)begroting van de desbetreffende RWT.

De modaliteiten van de rekening-courant en de daaraan gekoppelde deposito- en kredietfaciliteit worden vastgelegd in een op artikel 49a gebaseerde ministeriële regeling van de minister van Financiën (voorlopige werktitel: Regeling geïntegreerd middelenbeheer RWT's). Vanuit het oogpunt van transparantie en eenvoud is het uitgangspunt een generieke regeling, met objectief en eenvoudig te bepalen marktconforme rente-niveaus waarbij rekening wordt gehouden met verschillen in looptijd.

4. Lenen bij de Minister van Financiën

Een RWT die de publieke middelen aanhoudt bij het Rijk (in de schatkist) heeft de mogelijkheid om te lenen bij de Minister van Financiën. Daarbij wordt er overigens wel vanuit gegaan dat de betrokken RWT op grond van de voor hem geldende specifieke wet- en regelgeving in het algemeen bevoegd is tot het aangaan van leningen, dan wel dat de bevoegdheid tot het aangaan van leningen in die regelgeving niet is ingeperkt of aan de RWT is ontnomen. Vandaar de in artikel 48, eerste lid, opgenomen voorwaarde dat onverminderd geldt hetgeen bij of krachtens andere wetten is bepaald. De leenfaciliteit bij de Minister van Financiën heeft betrekking op het financieren van investeringen in vaste activa die benodigd zijn voor de uitoefening van de publieke taak. Er worden geen leningen verstrekt met een looptijd korter dan een jaar. Bij het afsluiten van een lening wordt uitgegaan van de intentie om de looptijd van de lening zo veel mogelijk te koppelen aan de economische levensduur van de onderliggende investering. Door het koppelen van de looptijd van de financiering aan de economische levensduur van de investering wordt voorkomen dat een RWT onnodig renterisico loopt bij de uitoefening van de bedrijfsvoering.

Een RWT vraagt een lening via de betrokken vakminister bij de Minister van Financiën aan (artikel 48, eerste lid). De verantwoordelijke vakminister toetst het verzoek. De toetsing van het nut en de noodzaak van investeringen maakt deel uit van de reguliere toezichtsrelatie tussen het vakdepartement en een RWT, voor zover in de specifieke wet- en regelgeving een dergelijke toets aan de minister is voorbehouden. Bij de toetsing van de aangevraagde leningen gaat het in ieder geval om het beoordelen van de hoogte van de leningen in relatie tot de inpasbaarheid van de rente- en aflossingsverplichtingen in de meerjarenbegroting van de desbetreffende RWT. De toetsing van de leningen ligt bij het vakdepartement, omdat het vakdepartement de kennis heeft en de verantwoordelijkheid draagt indien de RWT bij zijn rente- en aflossingsverplichtingen in gebreke blijft.

De modaliteiten van de leenfaciliteit worden vastgelegd in de eerder genoemde ministeriële regeling van de Minister van Financiën.

Het verstrekken van een lening door de Minister van Financiën is een alternatief voor het verstrekken van een lening direct ten laste van de begroting van de betrokken vakminister dan wel voor de verstrekking van een lening door een (commerciële) financiële instelling met een garantie van de vakminister. Het voordeel van het verstrekken van een lening door de Minister van Financiën boven een directe begrotingsbelasting van de betrokken departementale begroting is dat via de begroting van Nationale Schuld het uitgavenkader niet behoeft te worden belast; dit is overeenkomstig de gehanteerde methode bij baten-lastendiensten. Het voordeel boven verstrekking door een financiële instelling is dat het Rijk een lening onder gunstigere voorwaarden zal kunnen verstrekken, omdat de Minister van Financiën als grote en buitengewoon kredietwaardige partij op de kapitaalmarkt de gunstigste condities zal kunnen bedingen.


5. Budgettaire verwerking van het geïntegreerd middelenbeheer

De verplichtingen, uitgaven en ontvangsten die samenhangen met de door RWT's aangehouden saldi op rekening-courant bij het Ministerie van Financiën, alsmede met de leningen en kredieten die worden afgesloten tussen de RWT's en het Ministerie van Financiën, worden in de begroting van Nationale Schuld (IXA) verwerkt.

In de memorie van toelichting bij de CW 2001 (Kamerstukken II, 2000/2001, 27.849), artikel 7, is uitgebreid ingegaan op de begrotingstechnische verwerking van deze geldstromen in de begroting van nationale schuld. Kortheidshalve wordt daarnaar verwezen.

Het budgettaire risico van een eventuele niet-(terug)betaling van rente en aflossing door een RWT ligt bij het vakdepartement. Afdekking van dat risico wordt vormgegeven doordat de vakminister zich tegen over de minister van Financiën garant dient te stellen voor de rente- en aflossingsverplichtingen van de betrokken RWT. Daartoe zal per lening of krediet een garantstellingsconvenant worden opgesteld. De daaruit voortvloeiende garantieverplichting dient door het vakdepartement in het jaar van sluiten van het convenant opgenomen te worden in de departementale begroting.


6. Relatie met artikel 24 CW 2001

Artikel 24 bevat bepalingen over het kasbeheer. Bij de Zevende wijziging van de CW (Stb. 2001, 240; Kamerstukken II, 1999-2000, 26.974) is dit artikel ingrijpend gewijzigd. Het zesde lid heeft betrekking op externe rekening-courantrelaties die de Minister van Financiën met derden die collectieve middelen beheren, kan aangaan. Dit artikellid luidt als volgt:

Onze Minister van Financiën kan ten behoeve van een doelmatig en risico-arm kasbeheer aan derden voor zover deze collectieve middelen beheren, toestaan deze middelen in rekening-courant aan te houden bij het Ministerie van Financiën.

De onderhavige bepalingen inzake het geïntegreerd middelenbeheer sluiten hier goed op aan. Het rentedragend aanhouden van liquide middelen bij 's Rijks schatkist op grond van artikel 45, eerste lid, door rechtspersonen die op lijst A staan, leidt tot het instellen van een rekening-courantverhouding met die rechtspersonen op grond van artikel 24, zesde lid. Artikel 24, zesde lid, moet echter thans niet zo beperkt worden geïnterpreteerd, dat externe rekeningen-courant alleen mogen worden aangehouden in het kader van het geïntegreerd middelenbeheer ex artikel 45. Er zijn in de praktijk ook een aantal rekening-courant verhoudingen, gebaseerd op artikel 24, zesde lid, met rechtspersonen die niet in het kader van het geïntegreerd middelenbeheer op lijst A staan. Voorbeelden hiervan zijn de rekening-courant met de Europese Gemeenschap en met de academische ziekenhuizen.


7. Regels ter beperking van het risico van liquidemiddelenbeheer en verbod op oneigenlijk kasbeheer

Zoals in paragraaf 3 is aangegeven zal het beheer van publieke middelen door een RWT binnen het kader van de toegewezen publieke taak moeten worden vormgegeven. Deze publieke taak mag door een RWT niet worden opgerekt en/of aangetast door risicovolle beleggingstransacties buiten het publieke domein.

Om te voorkomen dat de aan een RWT verstrekte financiële middelen geheel of gedeeltelijk verloren gaan, zal een RWT bij het beheer van de publieke middelen geen overmatig risico mogen lopen. De RWT's die verplicht hun publieke liquide middelen bij het Rijk aanhouden, lopen door plaatsing op lijst A "per definitie" geen risico.

De eis van risico-arm liquidemiddelenbeheer moet daarom worden gematerialiseerd voor de RWT's die op grond van hun omvang niet verplicht worden hun publieke middelen aan te houden bij het Rijk (de RWT's op lijst B). In artikel 45, tweede lid, worden daartoe aan deze RWT's beperkingen opgelegd ten aanzien van de vormen (producten) waarin zij dat kunnen doen. Die eisen zullen door de Minister van Financiën in een ministeriële regeling worden opgenomen. Die eisen kunnen zowel betrekking hebben op de aard van de producten (producten met een beperkt marktrisico, dat wil zeggen het risico van hoofdsomverlies door koersdalingen of het risico dat geen vergoeding voor de beschikbaarstelling van de middelen wordt verkregen, hetgeen beide het geval kan zijn bij belegging in aandelen) als op de instellingen waarbij die producten kunnen worden betrokken (beperking van debiteurenrisico). Bij de opstelling van deze ministeriële regeling zal nauw worden aangesloten bij de ministeriële regeling die in het kader van de Wet financiering decentrale overheden voor decentrale overheden is ontworpen (de "Regeling uitzettingen en derivaten decentrale overheden").

Het beheer van publieke middelen door een RWT mag niet leiden tot het oprekken van de toegewezen publieke taak. Het genereren van inkomsten met publieke middelen zonder dat sprake is van een activiteit uit hoofde van de publieke taak is niet toelaatbaar. Het aantrekken van financiële middelen om daarmee via het opnieuw uitzetten van die financiële middelen additionele middelen te verwerven wordt aangeduid als oneigenlijk kasbeheer. Oneigenlijk kasbeheer door een RWT wordt voorkomen door de verbodsbepaling in de CW 2001 dat een RWT geen financiële middelen mag aantrekken om daarmee via het opnieuw uitzetten van die financiële middelen additionele middelen te verwerven. De verbodsbepaling inzake oneigenlijk kasbeheer heeft betrekking op de RWT's op lijst A en lijst B en is opgenomen in artikel 46.


8. Bewaken EMU-saldo

Landen die deelnemen aan de derde fase van de Europese Monetaire Unie moeten voldoen aan een aantal financieel-economische criteria, waaronder een maximale toegestane waarde van het EMU-tekort van drie procent van het Bruto Binnenlands Product. De rechtspersonen die collectieve middelen beheren worden volgens het Europees Stelsel van Rekeningen 1995 gerekend tot de sector overheid en zijn derhalve mede bepalend voor de ontwikkeling van het EMU-saldo.

Over de actuele ontwikkeling van het EMU-saldo wordt thans twee maal per jaar gerapporteerd aan de Europese Unie. Voor een adequate berekening van het EMU-saldo is inzicht nodig in de financiële transacties van de bedoelde instellingen. De door de Minister van Financiën op grond van artikel 44, eerste lid, op te stellen regels zullen gericht zijn op het waarborgen van een adequate informatievoorziening, daar waar sprake is van transacties die een significante invloed hebben op het EMU-saldo.

In de uitzonderlijke situatie dat de plafondwaarde van drie procent bereikt dreigt te worden en de rechtspersonen die collectieve middelen beheren hier mede een oorzaak van zijn, kan de Ministerraad besluiten dat de Minister van Financiën de bevoegdheid krijgt om aanvullende regels op te stellen ten aanzien van deze instellingen. Bij deze regelgeving kan gedacht worden aan regels inzake een tijdelijke lening- en/of investeringsstop. Dit ultimum remedium is vastgelegd in de bepaling in artikel 44, tweede lid, dat bij algemene maatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld ter beheersing van het EMU-saldo. Deze bepaling is ontleend aan artikel 7 van de Wet financiering decentrale overheden.


9. Financiële gevolgen

De financiële gevolgen van deze wetswijziging zijn voornamelijk een uitvloeisel van het geïntegreerd middelenbeheer (het aanhouden van liquide middelen door RWT's bij de Minister van Financiën en de mogelijkheid om leningen en kredieten bij de Minister van Financiën aan te trekken). Deze gevolgen kunnen worden onderscheiden naar de aspecten:


a. doelmatigheidsvoordelen (rente- en risicovoordelen) voor het Rijk en/of de RWT's:

b. directe budgettaire gevolgen voor het Rijk;

c. administratieve lasten.

In bijlage 1 bij dit wetsvoorstel is het zogenaamde Standaardformulier inzake de financiële gevolgen opgenomen. Onderstaande informatie geldt daarbij als toelichting.

Ad a. Doelmatigheidsvoordelen (rentevoordelen) voor het Rijk en/of de RWT's

De doelmatigheidsvoordelen die voortvloeien uit het geïntegreerd middelenbeheer vallen uit een in een tweetal categorieën.

In de eerste plaats leidt het integreren van de kort opeisbare publieke middelen van RWT's met de middelen van het Rijk ('s Rijks schatkist) tot structurele kostenvoordelen. Indien de kort opeisbare middelen van de RWT's worden geïntegreerd met 's Rijks schatkist ontstaat een structureel rentevoordeel doordat Financiën minder lang hoeft te lenen (met een relatief hoge rente), terwijl de RWT's, die hun kort opeisbare middelen in de schatkist gaan aanhouden, een rentevergoeding krijgen die past bij de korte looptijd. Uitgangspunt hierbij is dat de RWT's een marktconforme rentevergoeding ontvangen. Het rentevoordeel voor de begroting van de Nationale Schuld wordt, op basis van de voorlopige lijst van RWT's die aan het geïntegreerd middelenbeheer deelnemen, geraamd op ca NLG 50,0 mln. (EUR 22,7 mln) per jaar. Bij het integreren van de publieke middelen van de RWT's is er voor de RWT's tevens sprake van een vermindering van het kredietrisico op hun uitstaande middelen, aangezien de Staat een buitengewoon betrouwbare debiteur is.

Het aan de RWT's geboden rente-arrangement zal tevens een efficiënter werkkapitaalbeheer van de RWT's mogelijk maken, doordat de betaalrekening, die de RWT bij haar bank aanhoudt, in directe verbinding staat met 's Rijks schatkist. Evenzo wordt een kredietfaciliteit (rekening-courantkrediet) geboden met een rente op niveau waarop de Staat zelf inleent. Dit alles genereert meer rentebaten (of vermijdt rentekosten) op het werkkapitaal van de RWT's dan in de huidige situatie, waarin RWT hun tegoeden aanhouden bij het commerciële bankwezen. Deze additionele rente- en kostenvoordelen voor de RWT's worden geraamd op ca NLG 75,0 mln. (EUR 34,0 mln.) per jaar.

In de tweede plaats wordt de doelmatigheid van de financiering van de door RWT's uitgevoerde publieke taken tevens vergroot doordat de RWT's, indien de specifieke regelgeving dit toestaat, toegang krijgen tot een leenfaciliteit bij de minister van Financiën. Rentevoordelen voor de RWT's worden hierbij geraamd op ca NLG 25,0 mln. (EUR 11,3 mln.) per jaar.

Op basis van het bovenstaande is het totale doelmatigheidsvoordeel geraamd op NLG 150,0 mln. (EUR 68,1 mln.) per jaar.

Ad b. Directe budgettaire gevolgen voor het Rijk

Als directe budgettaire gevolgen voor het Rijk worden in de eerste plaats aangemerkt de bedragen aan liquide publieke middelen die RWT's in de vorm van rekening-courantsaldi en kortlopende termijndeposito's gaan aanhouden bij de Minister van Financiën. Deze bedragen vormen ontvangsten op de begroting van de Nationale Schuld (IXA) voor zover ze niet binnen hetzelfde jaar weer worden opgevraagd. Worden er door de RWT's in enig jaar meer gelden opgevraagd dan aangehouden in de 's Rijks schatkist, dan is per saldo sprake van uitgaven op de begroting van IXA. Tijdens de invoering van het geïntegreerd middelenbeheer wordt er vooralsnog uitgegaan van een (ontvangsten)bedrag aan rekening-courantsaldi en kortetermijndeposito's van ca. NLG. 6,5 mrd (EUR 2,95 mrd.) uit hoofde van de door RWT's in 's Rijksschatkist aangehouden middelen. Naast de rekeningen-courantsaldi en de kortetermijndeposito's zullen de RWT's langetermijndeposito's kunnen aanhouden bij de Minister van Financiën, welke bij het afsluiten leiden tot ontvangsten en bij expiratie (afloop) tot uitgaven op de begroting van de Nationale Schuld. Hierbij wordt uitgegaan van een per saldo ontvangstenbedrag van ca. NLG 2,0 mrd. (EUR 0,9 mrd) tijdens de invoering van het geïntegreerd middelenbeheer.

In de tweede plaats worden de leningen en rekening-courantkredieten die door de Minister van Financiën - onder garantie van de betrokken vakminister - aan RWT's zullen worden verstrekt, als directe budgettaire gevolgen aangemerkt. Omdat dit een optie voor de RWT's op de A-lijst is en er vooralsnog geen inzicht bestaat in de mate waarin de RWT's van die mogelijkheid gebruik zullen en - gegeven de specifieke wet- en regelgeving die geldt - kunnen maken, is hiervoor thans moeilijk een realistische uitgavenraming te geven. Bovendien leiden de verstrekte leningen en kredieten tot aflossingen (ontvangsten), waardoor naar verwachting het meerjarige budgettaire (saldo)effect na een bepaalde beginperiode zal gaan afvlakken. Tentatief wordt de totale omvang van door RWT's bij de Minister van Financiën te sluiten leningen geraamd op ca. NLG 3,0 mrd. (EUR 1,4 mrd.).

De ontvangsten uit in de schatkist aangehouden rekening-courantsaldi en termijndeposito's, evenals de uitgaven aan verstrekte leningen en kredieten, zijn overigens voor het budgettaire kader (de ijklijnen) niet-relevant.

Ad c. Administratieve lasten

De administratieve lasten die met dit wetsvoorstel samenhangen zullen zich voornamelijk bij het ministerie van Financiën concentreren. Het betreft de uitvoeringskosten voor de informatievoorziening aan en het relatiebeheer met de RWT's, alsmede de kosten van saldoregulatie. Deze uitvoeringskosten worden op ca. NLG. 2,5 mln. geraamd (EUR 1,1 mln.).

Bij de vakdepartementen brengt het garant stellen voor door RWT's aan te vragen leningen en rekening-courantkredieten (artikelen 48 en 49) administratieve lasten met zich mee. Ook thans staan de departementen meestal al garant voor door derden aan RWT's verstrekte leningen en kredieten. Voor zover dat niet het geval is, zal in de praktijk afgewacht moeten worden in welke mate de RWT's (op vrijwillige basis) van de leenfaciliteit gebruik zullen maken om een redelijke raming van de daarmee samenhangende departementale kosten te kunnen maken. Er wordt vooralsnog van uitgegaan dat deze kosten binnnen de bestaande begrotingen opgevangen kunnen worden.

Voor de RWT's zijn noch aan de centralisatie van de liquide middelen in de schatkist noch aan de leenfaciliteit extra kosten verbonden. De centralisatie vindt plaats via de constructie van een concernrekening die het ministerie van Financiën zal aanhouden bij banken waarmee de RWT's een bancaire relatie hebben. De organisatie van het betalingsverkeer van een RWT hoeft hierdoor geen verandering te ondergaan. De administratieve lasten met betrekking tot het aantrekken van leningen door RWT's veranderen voor RWT's niet als gevolg van het feit dat het Rijk in plaats van een financiële instelling als leninggever gaat optreden.

oOo

Artikelsgewijs

Artikel I

Onderdelen A en B.

Door middel van de wijzigingen in deze onderdelen worden de artikelen 37 en 39 van de CW 2001 (Kamerstukken II, vergaderjaar 2000-2001, 27.849) in elkaar geschoven.

Onderdeel C

Artikel 44 (Emu-saldoartikel)

Naast de Staat en de openbare lichamen, bedoeld in de Wet financiering decentrale overheden (Stb. 2000, 587), zijn er nog een groot aantal andere rechtspersonen met een publieke taak waarvan de financiële middelen invloed hebben op de hoogte van het aan de lidstaat Nederland toegerekende EMU-saldo. Dit saldo (tekort) thans is genormeerd op 3% van het Bruto Binnenlands Produkt. Over de actuele ontwikkeling van het saldo dient twee maal per jaar door de Minister van Financiën aan de Europese Unie te worden gerapporteerd.

Om de invloed van de verschillende organen/rechtspersonen op de ontwikkeling van het EMU-saldo te kunnen vaststellen, dient een adequate gegevensverstrekking aan de Minister van Financiën te worden gewaarborgd. In de benodigde gegevens van de rechtspersoon de Staat (het Rijk) wordt voorzien op basis van de Rijksbegrotingsvoorschriften. De gegevensverstrekking door de openbare lichamen, bedoeld in de Wet financiering decentrale overheden, ligt vast in de bepaling in artikel 8 van die wet, waarin is voorgeschreven dat bij ministeriële regeling regels worden gesteld ten aanzien van de verstrekking van gegevens welke nodig zijn voor het toezicht op de naleving van het bepaalde inzake het EMU-saldo.

De onderhavige bepaling in het eerste lid van artikel 44 heeft betrekking op andere rechtspersonen dan de Staat en de openbare lichamen, bedoeld in de Wet financiering decentrale overheden. Het betreft rechtspersonen die op basis het Europees Stelsel van Rekeningen (ESR, thans het stelsel uit 1995) tot de sector overheid worden gerekend. Dit zijn voor een belangrijk deel de rechtspersonen met een publieke taak als bedoeld in artikel 45. De belangrijkste categorie uitzonderingen zijn de rechtspersonen die (bij of krachtens de wet vastgestelde) tarieven hanteren voor geleverde goederen of diensten. Die worden in het ESR tot de marktsector gerekend. Als voorbeeld hiervan geldt het Kadaster.

De regels die in het kader van artikel 44, eerste lid, aan de gegevensverstrekking zullen worden gesteld, zullen in het algemeen dezelfde regels zijn als die in het kader van de Wet financiering decentrale overheden voor het zelfde doel aan de openbare lichamen zullen worden gesteld. Dat houdt onder andere in dat een kwartaalrapportage over het vorderingensaldo per rechtspersoon nodig is. Nader zal nog worden bezien of deze rapportage rechtstreeks aan de Minister van Financiën dient te geschieden of, zoals voor de openbare lichamen is voorzien, aan het CBS.

In het tweede en derde lid wordt bepaald dat bij een dreigende overschrijding van de geldende norm voor het EMU-saldo (3%) van de overheid als gevolg van een ongewenste ontwikkeling van het EMU-saldo van de bovenbedoelde rechtspersonen, er bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld kunnen worden ter beheersing van het EMU-saldo van die rechtspersonen. Met deze bepalingen is aangesloten bij artikel 7 van de Wet financiering decentrale overheden).

Bij de regels die in dit verband gesteld kunnen worden, moet worden gedacht aan regels inzake een tijdelijke lening- en of investeringsstop. Er moet hierbiju niet worden gedacht aan regels die de rechtspersonen kunnen beperken in hun beschikkingsbevoegdheid over hun bancaire tegoeden - waaronder de tegoeden aangehouden bij de schatkist - en termijndeposito's.

Concreet aangrijpingspunt is de overschrijding van de norm voor het EMU-saldo van de overheid, zoals is vastgelegd in artikel 104C en het daarop gebaseerde Protocol nr. 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (het Verdrag van Maastricht). Gekozen is voor een geclausuleerde benadering; er kan alleen worden ingegrepen bij een dreigende overschrijding van de EMU-norm die door een ongewenste ontwikkeling van het EMU-saldo van de bedoelde rechtspersonen wordt veroorzaakt. Hiermee wordt recht gedaan aan het "ultimum remedium" karakter van de voorziening: alleen in uitzonderlijke situaties kan worden ingegrepen.

Het vierde lid bevat de bepaling die voorkomt, dat op grond van de definitie van rechtspersonen in het eerste lid, het bepaalde in het tweede lid van toepassing zal zijn op de openbare lichamen, bedoeld in de Wet financiering decentrale overheden (provincies, gemeenten, waterschappen, de politieregio's en lichamen, ingesteld met toepassing van de wet gemeenschappelijke regelingen). Dat is niet nodig, omdat voor die openbare lichamen een overeenkomstige bepaling in de Wet financiering decentrale overheden is geregeld.

Onderdeel D

Artikel 45 (Beperking van risico's en bevordering doelmatigheid van kasbeheer/treasurybeheer)

Voor een toelichting bij dit artikel wordt ook verwezen naar de paragrafen 3, 4 en 6 van het algemeen deel van de toelichting.

In dit artikel wordt de reikwijdte van de bepalingen in de artikelen 45 tot en met 49a in eerste aanleg afgebakend door de verwijzing in het eerste en tweede lid van artikel 45 naar de rechtspersonen als bedoeld in artikel 91, eerste lid, onder d, van de CW 2001. De reikwijdte betreft rechtspersonen die een bij of krachtens de wet geregelde taak uitvoeren en die daartoe geheel of gedeeltelijk bekostigd worden uit de opbrengst van bij of krachtens de wet ingestelde heffingen. Het derde lid biedt de mogelijkheid om de reikwijdte nog enigszins uit te breiden. Er zijn namelijk ook een aantal rechtspersonen met een publieke taak die niet bij of krachtens de wet is geregeld. Voorbeelden van deze laatste categorie rechtspersonen zijn de Stichting Groenfonds, de Stichting Marorgelden Overheid, de Stichting Joods Humanitair Fonds, de Stichting Rechtsherstel Sinti en Roma. Deze rechtspersonen kunnen op grond van het bepaalde in het derde lid door de Minister van Financiën in overeenstemming met de betrokken vakminister worden aangewezen voor opname op lijst A of lijst B.

Artikel 45 bevat bepalingen ter beperking van de financiële risico's die RWT's lopen bij het uitzetten van hun liquide middelen bij bancaire of andere (financiële) instellingen of bij het beleggen van de liquide middelen. In algemene zin waren voor RWT's nog geen regels gesteld.

In artikel 45 wordt onderscheid gemaakt tussen twee categorieën RWT's. Voor een eerste categorie (lijst A) is in het eerste lid de verplichting opgenomen om de liquide middelen aan te houden in 's Rijks schatkist. Op die manier wordt elk risico op hoofdsom- en of renteverlies voorkomen. Bovendien is hiermee voor de betrokken RWT's en het Rijk een doelmatigheidsvoordeel te behalen.

In het tweede lid wordt een tweede categorie RWT's (lijst B) onderscheiden waarvoor risicobeperking wordt bereikt door eisen te stellen aan de vormen (producten) waarin de liquide middelen mogen worden uitgezet of belegd. Die eisen zullen door de Minister van Financiën in een ministeriële regeling worden opgenomen. De RWT's die in deze categorie worden opgenomen, zullen door de Minister van Financiën in overeenstemming met de betrokken ministers worden aangewezen. Wat de te stellen eisen aan de producten betreft, zal nauw aangesloten worden bij de regeling die daartoe in het kader van de Wet financiering decentrale overheden is ontworpen (Regeling uitzettingen en derivaten decentrale overheden).

In het algemeen deel van de memorie van toelichting is aandacht besteed aan de criteria die worden gehanteerd om tot de indeling van beide lijsten te komen.

De te hanteren financiële omvangscriteria die de eerste maal worden toegepast bij de verdeling van de RWT's over de lijsten A en B zijn de volgende. Deze criteria zijn alternatief ten opzichte van elkaar (of/of):


a. een totaalbedrag aan inkomsten in het jaar 2000 van NLG 34,0 mln./EUR 14,0 mln. of meer (categorie A);


b. een totaalbedrag aan liquide middelen en beleggingen op 31 december 2000 van NLG 2,0 mln. of EUR 0,9 mln. of meer (categorie A).

RWT's die onder een van deze criteria blijven, worden ingedeeld in categorie-B.

Met uitzondering van de categoriale uitzonderingen met een bepaalde minumumomvang aan liquide middelen ligt het niet in het voornemen om niet-categorie A-RWT's op vrijwillige basis de mogelijkheid te geven hun liquide middelen in de schatkist aan te houden. De categoriale uitzonderingen die op vrijwillige basis deel willen nemen aan het geïntegreerd middelenbeheer zullen zich daartoe tot de minister van Financiën dienen te wenden met het verzoek om opgenomen te worden op lijst A.

Op grond van het bepaalde in artikel 49a, waarin aan de Minister van Financiën de bevoegdheid is verleend om nadere regels te stellen, zullen de hiervoor uitgezette beleidsmatige keuzes en de daaruit voortvloeiende categorie-indeling A en B in een ministeriële regeling worden opgenomen. Dat geldt ook voor de aanwijzing van de instellingen waarbij en van de producten waarin RWT's hun liquide middelen kunnen vastleggen (tweede lid van artikel 45).

In het vierde lid is een bepaling opgenomen die de mogelijkheid biedt om de liquide middelen van een rechtspersoon die zijn verkregen uit private activiteiten buiten het geïntegreerd middelenbeheer te houden. De voorschriften inzake het oneigenlijk kasbeheer, de beperking van risico's van liquidemiddelenbeheer en het verplicht aanhouden van liquide middelen hebben uiteraard in beginsel alleen betrekking op de publieke gelden die een RWT beheert. Voor de eventuele private activiteiten van een RWT en het daarmee samenhangende kasgeldbeheer worden geen wettelijke regels gesteld via de CW 2001.

In dit lid wordt uitgegaan van het op een adequate wijze separaat in de jaarrekening verantwoorden van de niet-collectieve (of private) liquide middelen. Daartoe is in zijn algemeenheid binnen een RWT een adequate administratieve scheiding vereist tussen de inkomsten en uitgaven die samenhangen met enerzijds de publieke activiteiten en anderzijds de private activiteiten. In de wettelijke regeling met betrekking tot een RWT (de zogenaamde instellingswet) kunnen daartoe de nodige voorschriften zijn opgenomen. Indien en zolang er bij een RWT geen sprake is van een adequate (administratieve) scheiding gelden de voorschriften uit de onderhavige wet voor alle liquide middelen. Een adequate scheiding is in dit verband in elk geval een juridische scheiding, waardoor kan worden voorkomen dat verliezen in de beleggingssfeer van de private middelen aangezuiverd moeten worden uit de publieke middelen. Ook zonder juridische scheiding kan er sprake zijn van een adequate scheiding als er een separate verantwoording van de publieke en de private middelen wordt opgesteld. Een separate verantwoording kan worden opgesteld aan de hand van een gescheiden administratie van de private en publieke geldstromen. Voor het doel van het geïntegreerd middelenbeheer kan ook zonder dat een gescheiden administratie wordt gevoerd, een separate verantwoording worden opgesteld aan de hand van een meer globale toedeling van de kosten of uitgaven aan de private activiteiten, bijvoorbeeld doordat de kosten of uitgaven aan de private activiteiten worden toegerekend naar rato van het aandeel van de private ontvangsten in het totaal van de ontvangsten.

De accountant die is belast met de controle van de jaarrekening van de RWT, zal de splitsing van de publieke en de private geldstromen in zijn controle dienen te betrekken. Aan de hand van de uitkomsten van deze controle (accountantsverklaring en de gerapporteerde bevindingen in het accountantsrapport) kan dan worden vastgesteld of de jaarrekening aan de daaraan te stellen eisen voldoet.

Artikel 46 (Verbod op oneigenlijk kasbeheer)

Artikel 46 bevat het verbod op oneigenlijk kasbeheer voor de RWT's die op de lijsten A en B voorkomen. Onder oneigenlijk kasbeheer wordt verstaan het actief aantrekken van financiële middelen door een RWT met het doel extra financiële middelen te genereren door de aangetrokken gelden tegen een bepaalde (hogere) rentevergoeding uit te zetten (actief bankieren). In feite houdt dit verbod in dat rentearbitrage niet is toegestaan. Dergelijke activiteiten behoren niet tot de publieke taken van een RWT uit de categorie A en B. In geval een dergelijke activiteit expliciet wel een (onderdeel van de) wettelijke taak van een RWT kan zijn (bijvoorbeeld bij De Nederlandse Bank), zullen die RWT's via de aanwijzingsprocedure van artikel 45 niet in de categorieën A of B worden ingedeeld en is de onderhavige wetswijziging op hen niet van toepassing.

Artikel 47 (Toezicht betrokken minister)

Het toezicht op eventueel actief bankieren, zoals omschreven in artikel 46, door een RWT ligt bij de betrokken minister, dat wil zeggen bij de minister die beleidsmatig verantwoordelijk is voor de betrokken RWT (eerste lid). Dat geldt ook voor het toezicht op het bepaalde in het tweede lid van artikel 45, dat wil zeggen het toezicht op de RWT's op lijst B ten aanzien van de producten waarin zij hun liquide middelen mogen uitzetten.

De beleidsmatig verantwoordelijke minister is in het algemeen de minister die verantwoordelijk is voor de wettelijke regelingen met betrekking tot de RWT. Om dat toezicht zinvol te kunnen uitoefenen heeft de minister minimaal behoefte aan een actieve en - aanvullend - een passieve informatievoorziening door de RWT, alsmede aan een sanctiemogelijkheid in het geval de RWT het verbod tot actief bankieren overtreedt of zijn liquide middelen in niet-toegestane producten uitzet. In het tweede lid wordt daartoe een informatieplicht voor de RWT en een informatiebevoegdheid voor de minister geregeld. De sanctie in het derde lid houdt de mogelijkheid in de RWT in een concreet geval van overtreding van het bepaalde in artikel 45, tweede lid, of artikel de aanwijzing te geven bepaalde financiële transacties te herzien. Een aanwijzing is ook mogelijk wanneer bijvoorbeeld private gelden buiten het geïntegreerd middelenbeheer worden gehouden, terwijl er geen sprake is van een adequate wijze van separaat verantwoorden (zoals bedoeld in artikel 45, vierde lid).

Artikel 48

Eerste lid (Leenfaciliteit)

Dit artikellid bevat een leenfaciliteit voor RWT's die op grond van artikel 45, eerste lid, verplicht zijn hun liquide middelen aan te houden in de schatkist (categorie-A-RWT's). Het gebruik maken van de leenfaciliteit voor investeringen is niet verplicht. Financieringsmiddelen kunnen ook in de markt worden aangetrokken, maar dat zal in het algemeen op minder gunstige voorwaarden gebeuren.

De bepaling inzake het onverminderd van kracht blijven van in andere wettelijke regelingen gegeven voorschriften heeft met name betrekking op het in een aantal instellings- of aanwijzingswetten geregelde verbod tot het aantrekken van leningen door de betrokken RWT's.

Aanvragen voor een lening dienen altijd via de betrokken verantwoordelijke vakminister te worden ingediend. De vakminister toetst op grond van artikel 48, eerste lid, het verzoek aan financiële criteria: meerjarige budgettaire inpasbaarheid in de begroting van de RWT, noodzakelijkheid van de investering voor de doelmatige uitvoering van de publieke taak (bijvoorbeeld lenen versus huren of leasen), e.d. .Wat deze laatste toets betreft, geldt dat de specifieke regelgeving ten aanzien van een RWT een dergelijk toets niet moet uitsluiten.

De toets op de meerjarige budgettaire inpasbaarheid binnen de begroting van de RWT is van belang, omdat de Minister van Financiën slechts dan een aanvraag van een lening zal honoreren als de betrokken vakminister zich budgettair garant stelt voor het risico dat de RWT zijn aflossings- en renteverplichtingen niet nakomt.

Verder wordt ook verwezen naar paragraaf 4 van het algemeen deel van de toelichting (lenen bij de Minister van Financiën).

Tweede lid (leenfaciliteit)

Het tweede lid verklaart het bepaalde in het eerste lid ten aanzien van de mogelijkheid tot het verkrijgen van leningen van overenkomstige toepassing op de rechtspersonen, bedoeld in artikel 45, derde, indien op die rechtspersonen het eerste lid van artikel 45 van toepasing is. Dat houdt dus in dat rechtspersonen met een publieke taak, welke taak niet bij of krachtens de wet is geregeld, eveneens de mogelijkheid wordt geboden een lening bij het Ministerie van Financiën te sluiten. Voorwaarde daartoe is dat deze rechtspersonen door de Minister van Financiën zijn aangewezen om ten behoeve van een doelmatig en risico-arm kasbeheer hun liquide middelen rentedragend in de schatkist aan te houden en dat de lening wordt aangewend voor een investering die benodigd is voor de uitvoering van de publieke taak van de betrokken rechtspersoon.

Indien een rechtspersoon is aangewezen voor de toepassing van het tweede lid van artikel 45 - dat inhoudt dat hij ten behoeve van een doelmatig en risico-arm kasbeheer zijn liquide middelen alleen mag uitzetten in de vorm van producten die voldoen aan door de Minister van Financiën te stellen eisen - dan wordt aan deze rechtspersoon niet de mogelijkheid geboden om bij de Minister van Financiën een lening te sluiten ten behoeve van een investering voor zijn publieke taak. Die rechtspersoon is daarvoor dan aangewezen op een financiële markt.

Derde lid (garanstelling)

In dit artikellid wordt vormgegeven aan de budgettaire garantstelling van het vakdepartement voor een door een RWT aangegane lening bij de schatkist. Er wordt een zeker budgettair automatisme geregeld voor het geval de betrokken RWT zijn rente- en/of aflossingsverplichtingen niet nakomt. In zo'n geval ontstaat er namelijk op de begroting van Nationale Schuld (IXA) een probleem als gevolg van de derving van inkomsten. Om dat probleem te ondervangen, is er een bevoegdheid voor de Minister van Financiën geregeld om de begroting van de betrokken vakminister te belasten voor de bedragen die niet (op tijd) van een RWT worden ontvangen. Alvorens Financiën tot daadwerkelijke belasting van de begroting van het betrokken departement zal overgaan, zal in het algemeen eerst met het departement in overleg worden getreden over de oorzaken van de betalingsachterstand door de RWT.

De garantstelling door de vakminister heeft betrekking op de onderlinge verantwoordelijkheids-verdeling binnen het Rijk en is uitsluitend gericht op het belasten van de begroting van het vakdepartement. De aflossings- en renteverplichting van de rechtspersoon ten opzichte van het Rijk wordt niet aangetast als de interne garantstelling wordt geëffectueerd. De garantstelling heeft geen externe werking in de zin dat de rechtspersoon hier rechten aan kan ontlenen. Het enige effect is dat het toezien op (en desnoods afdwingen van) de naleving van de betalingsverplichting van de rechtspersoon verschuift van de Minister van Financiën naar de beleidsverantwoordelijke minister.

Als er daadwerkelijk gebruik gemaakt moet worden van de garantstelling zal het betalingsprobleem van de betrokken RWT budgettair op de begroting van het vakdepartement zichtbaar worden en zal het departement voor compensatie zorg moeten dragen.

Niet door een RWT betaalde rente en aflossing op een bij de Minister van Financiën gesloten lening (of rekening-courantkrediet; zie artikel 49) kan door het Ministerie van Financiën met het vakdepartement worden afgerekend door middel van toepassing van de Verrekenregeling.

Op grond van de bepaling in dit artikellid ontstaat er op het moment van aangaan van een lening door een RWT bij de Minister van Financiën voor het vakdepartement een uit deze wet voortvloeiende garantieverplichting, die op grond van artikel 4, vijfde lid, van de CW 2001 als verplichting in de begroting moet worden verwerkt. In beginsel vallen deze garanties onder het voorafgaande toezicht van de Inspectie der Rijksfinanciën (IRF). Dat toezicht zal uitgeoefend moeten worden tijdens de voorbereiding van de te sluiten leningsovereenkomst tussen de RWT en de Minister van Financiën. Dat vereist een tijdige organisatorische afstemming binnen het Ministerie van Financiën. Bij het voorafgaand toezicht van de IRF gaat het erom de eventuele budgettaire consequenties voor het vakdepartement helder in beeld te krijgen.

Artikel 49 (Rekening-courantfaciliteit)

In aanvulling op de leenfaciliteit voor investeringen is in dit artikel een rekening-courantkredietfaciliteit opgenomen op grond waarvan aan een categorie-A-RWT voor tijdelijke liquiditeitstekorten een roodstand in rekening-courant kan worden toegestaan.

Ook voor deze faciliteit zal de betrokken vakminister zich garant moeten stellen voor de daaruit voortvloeiende rente- en aflossingsverplichtingen van de RWT.

Artikel 49a

De bevoegdheid om in het kader van het geïntegreerd middelenbeheer nadere regels te kunnen stellen zal worden vormgegeven in een ministeriële regeling van de Minister van Financiën (voorlopige werktitel: Regeling geïntegreerd middelenbeheer rechtspersonen met een publieke taak). In deze regeling zal zowel de aanwijzing van RWT's als bedoeld in het eerste en tweede lid van artikel 45 worden opgenomen, als de aanwijzing van de instellingen en van de producten, bedoeld in het tweede lid van artikel 45. Ook nadere voorschriften voor de lening- en kredietverstrekking (artikel 48 en 49) en voor de wijze waarop en de voorwaarden waaronder op basis van artikel 45, eerste lid, liquide middelen rentedragend in de schatkist kunnen wortden aangehouden, zullen in deze regeling een plaats krijgen.

Artikel II

In dit artikel zijn een aantal overgangsbepalingen opgenomen.

Op basis van het bepaalde in het eerste lid is er gedurende zes maanden na de inwerkingtreding van deze wet geen sprake van een overtreding van de wet als de aangewezen RWT's hun liquide middelen nog niet overeenkomstig de bepalingen van artikel 45, eerste en tweede lid, in overleg met de Minister van Financiën hebben ondergebracht in de schatkist, respectievelijk nog niet hebben omgezet in aangewezen (beleggings)producten bij aangewezen instellingen. Dit biedt de mogelijkheid om in die periode van zes maanden de betrokken RWT's bij de beoogde ministeriële regeling aan te wijzen. Ook kunnen de andere bij ministeriële regeling vast te stellen bepalingen in die periode worden geformaliseerd. Tenslotte biedt deze periode voor de betrokken RWT's de ruimte om zich aan te melden bij de minister onder wiens beleidsmatige toezicht zij vallen. Er kunnen dan afspraken gemaakt worden over met name het tijdsschema waarbinnen, zoveel mogelijk boetevrij, de liquide middelen kunnen worden omgezet in rekening-courantsaldi bij de schatkist dan wel in aangewezen producten bij aangewezen instellingen. Het tweede lid biedt voor het maken van dergelijke afspraken nogmaals een periode van zes maanden. Met de mogelijkheid in het derde lid om zo nodig door de Minister van Financiën voor individuele RWT's de periode van in totaal twaalf maanden op grond van het eerste en tweede lid, te verlengen, wordt beoogd te kunnen voorkomen dat bepaalde beleggingen geforceerd moeten worden afgebouwd. Ondoelmatigheden als gevolg van bijvoorbeeld koersverlies kunnen daarmee worden voorkomen.

Het vierde lid bevat een sanctiebepaling voor de gevallen waarin RWT's onwillig zouden zijn de onderhavige wettelijke bepalingen na te leven.

De overgangsbepaling in het vijfde lid sluit aan bij de bepaling in artikel 45, vierde lid, inzake de scheiding tussen de private en de publieke middelen die een RWT in beheer heeft. De overgangsbepaling regelt dat gedurende de overgangstermijn de private middelen van een RWT buiten het geïntegreerd middelenbeheer kunnen worden gehouden ook als dan nog geen sprake is van een adequate scheiding tussen de beide soorten liquide middelen. Bij de vaststelling van de periode van maximaal 18 maanden wordt uitgegaan van inwerkingtreding van de wet tussen 1 juli 2002 en 1 januari 2003. In dat geval zal dus pas met ingang van de jaarrekening over 2004 op een adequate wijze de scheiding tussen private en publieke middelen moeten worden verantwoord. Indien de inwerkingtreding later plaatsvindt, kan met toepassing van de inwerkingstredingsbepaling in artikel IV zo nodig de periode van 18 maanden worden verlengd.

DE MINISTER VAN FINANCIEN

Wijziging van de Comptabiliteitswet houdende bepalingen inzake het beheer van liquide middelen van rechtspersonen die collectieve middelen beheren, inzake de financiering van die rechtspersonen en inzake de beheersing van het EMU-saldo voor zover dit saldo door het financieel beheer van deze rechtspersonen wordt beïnvloed (Eerste wijziging van de Comptabiliteitswet 2001)

BIJLAGE 1

Overzicht van de financiële gevolgen voor de rijksbegroting


1. Omschrijving van het voorstel: Wetsvoorstel inzake geïntegreerd middelenbeheer van rechtspersonen met een wetteliijke taak


2. Beoogde datum van inwerktreding/ingang: 1 juli 2002
Financiële gevolgen voor Begrotings
de rijks? 2001 Meerjarenramingen

begroting (in miljoenen
euro's)

2002 2003 2004 2005

Uitgaven


1.1 Rente 0,00 - 11,35 - 22,70 - 22,70 - 22,70






1.2 Uitvoeringskosten 0,00 + 0,55 + 1,10 + 1,10 + 1,10






1.3 Leningen (hoofdsom) 0,00 PM1 PM PM PM


2. Totaal 0,00 - 10,80 - 21,60 - 21,60 - 21,60





3. Reeds opgenomen in 0,00 0,00 0,00 0,00 0,00 begroting en in
meerjarenramingen

0,00 - 9,50 - 19,00 - 19,00- 19,00


4.
Verhoging/Verlaging t.o.v.
begroting en
meerjarenramingen

Ontvangsten


1.1 Liquide middelen 0,00 PM2 PM2 PM PM





0,00 PM3 PM3 PMPM


1.2 Deposito's







2. Totaal 0,00 PM PM PM PM



3. Reeds opgenomen in 0,00 PM PM PM PM begroting en in
meerjarenramingen

0,00PM PM PM PM


4.
Verhoging/Verlaging t.o.v.
begroting en
meerjarenramingen

Toelichting op de raming:

De financiële gevolgen van het onderhavige wetsvoorstel vallen uit een in:


1. Rente- en kostenvoordelen, welke neerslaan bij zowel de rijksbegroting als bij de RWT's.
Hierboven zijn alleen de de verwachte lagere renteuitgaven en de uitvoeringskosten opgenomen die tot uitdrukking komen op de rijksbegroting. De rente en kostenvoordelen uit hoofde van een efficienter werkkapitaalbeheer en leenfaciliteit slaan neer bij de RWT's.


2. Kasstromen uit hoofde van het aanhouden van rekening-courant en het afsluiten van deposito's en leningen door RWT's bij de schatkist. Het gaat hierbij om kasstromen met een financieringskarakter op grond waarvan een vordering danwel een schuld tussen de schatkist en de RWT ontstaat (zie paragraaf 9, onder b van het MvT). Deze kasstromen zijn niet-relevant voor het bugettaire Uitgavenkader. Voor de jaren 2002 en 2003 zijn deze financieringsstromen als volgt tentatief geraamd: PM1=EUR 700 mln.; PM2=EUR
1.500 mln.; PM3=EUR 450 mln.










Compensatie:

N.v.t.

Prestatiegegevens:

BIJLAGE 2

Voorgenomen aanwijzing van rechtspersonen waarop het geïntegreerd middelenbeheer zal worden toegepast (lijst A) dan wel waarop het Fido-kader zal worden toegepast (lijst B)

Lijst A


1. Rechtspersonen, bedoeld in artikel 45, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 20011, dat wil zeggen rechtspersonen met een bij of krachtens de wet geregelde taak, die daartoe worden bekostigd uit bij of krachtens de wet ingestelde heffingen en die door aanwijzing hun liquide middelen aan dienen te houden in de schatkist (geïntegreerd middelenbeheer).

Ministerie van Justitie

Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers

Raden (5) voor de Rechtsbijstand (Amsterdam, Arnhem, 's-Hertogenbosch, Den Haag, Leeuwarden)

Stichting Reclassering Nederland

Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

De in artikel 21, eerste lid, van de Politiewet 1993 bedoelde regio's(*)2

Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie (LSOP)

Stichting Administratie Indonesische Pensioenen (SAIP)

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen

(inclusief onderwijsinstellingen LNV)

Commissariaat voor de media

Informatie Beheer Groep

Mondriaanstichting

Stichting Fonds beeldende Kunsten, Vormgeving en Bouwkunst

Stichting Fonds voor de Amateurkunst

Stichting Fonds voor de Podiumkunsten

Stichting Fonds voor de Scheppende Toonkunst

Stichting Nederlands Fonds voor de Film

Stichting Stimuleringsfonds voor de Architectuur

Stichting Participatiefonds voor het Onderwijs (PF)

Stichting Vervangingsfonds en bedrijfsgezondheidszorg voor het Onderwijs (VF)

BVE: landelijke organen voor
beroepsonderwijs

(*)3

BVE: regionale
opleidingscentra

(*)3

BVE:
vakinstellingen

(*)3

Agrarische
Opleidingscentra

(*)3

HBO (inclusief Hogere Agrarische
Scholen)

(*)3

WO (universiteiten, incl. Landbouwuniversiteit Wageningen) (*)3

Onderzoeksinstellingen OCW: KNAW, KB,
NWO
(*)3

Ministerie van Financiën

Stichting Pensioen- & Verzekeringskamer

Stichting Toezicht Effectenverkeer

Stichting Waarborgfonds Motorverkeer

Ministerie van Defensie

Stichting Ziektekostenverzekering Krijgsmacht


1 Voor een aantal instellingen op lijst A geldt dat deze als gevolg van gecompliceerde juridische en bestuurlijke verhoudingen naar verwachting een ruime tijdspanne nodig hebben voor de invoering van het geïntegreerd middelenbeheer. Deze instellingen zijn met een (*) geoormerkt. Hierbij moet worden bedacht dat de regeling pas in werking kan treden nadat de 1e wijziging van de Comptabiliteitswet 2001 is vastgesteld.


2. Afhankelijk van nader bestuurlijk overleg zal besloten worden over het al dan niet handhaven van de politieregio's op de A-lijst.


3 Afhankelijk van nader bestuurlijk overleg zal besloten worden over het al dan niet handhaven van de onderwijsinstellingen op de A-lijst

Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting

Kadaster

Ministerie van Verkeer en Waterstaat

Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR)

Dienst wegverkeer

Luchtverkeersleiding Nederland (LVNL)

Railinfrabeheer BV

Railverkeersleiding BV4

Railned BV

Ministerie van Economische Zaken

Centraal Orgaan Vooraadvorming Aardolieprodukten (COVA)

Nederlands Instituut voor Vliegtuigontwikkeling en Ruimtevaart (NIVR)

Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij

Bureau Beheer Landbouwgronden

Staatsbosbeheer

(voor onderwijsinstellingen, zie de lijst bij OCW)

Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelenheid5

Centrale organisatie Werk en Inkomen (CWI)

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR)

Zorg Onderzoek Nederland (ZON)

oOo


4 Afhankelijk van nadere besluitvorming over de vormgeving van de NS-taakorganisaties, zullen de betrokken ministers nader overleg plegen over het al dan niet handhaven van deze organisatie op de A-lijst.


5 Het UWV en de SVB vallen op grond van de wet SUWI vanaf 1 januari 2002 onder het regiem van het geïntegreerd middelenbeheer. Daarom staan ze niet op deze lijst, die gebaseerd is op de CW
2001.







2. Rechtspersonen, bedoeld in artikel 45, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001, dat wil zeggen rechtspersonen met een niet bij of krachtens de wet geregelde, maar wel publieke taak, die daartoe worden bekostigd uit publieke middelen en die door aanwijzing hun liquide middelen aan dienen te houden in de schatkist (geïntegreerd middelenbeheer).

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen

Nationaal Restauratiefonds

Ministerie van Financiën

Stichting Joods Humanitair Fonds

Stichting Marorgelden Overheid

Ministerie van Verkeer en Waterstaat

Participatiefonds gemeentelijke vervoerbedrijven

Westerschelde Tunnelmaatschappij NV

Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij

Stichting Groenfonds

Stichting Ontwikkelings- en saneringsfonds voor de landbouw

Stichting Ontwikkelings- en saneringsfonds voor de visserij

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Stichting Rechtsherstel Indische Gemeenschap

Stichting Rechtsherstel Sinti en Roma

oOo

Lijst B


1. Rechtspersonen, bedoeld in artikel 45, tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2001, dat wil zeggen rechtspersonen met een bij of krachtens de wet geregelde taak, die daartoe worden bekostigd uit bij of krachtens de wet ingestelde heffingen en die door aanwijzing hun liquide middelen slechts mogen uitzetten in de vorm van producten die voldoen aan door de Minister van Financiën te stellen eisen (Fido-kader).

Ministerie van Justitie

Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven

Gezinsvoogdij-instellingen (ca. 18)

HALT-bureau's (63)

Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO)

Vereniging Slachtofferhulp Nederland

Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Nederlands Bureau Brandweerexamens (Nbbe)

Nederlands Instituut voor Brandweer en Rampenbestrijding (NIBRA)

Stichting Fonds vrijwillig vervroegd uittreden overheidspersoneel (VUT-fonds)

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen

Rijksmuseale instellingen (20)

Instellingen voor het primair onderwijs (ca. 2300)

Instellingen voor het voortgezet onderwijs (ca. 380)

Ministerie van Financiën

Waarderingskamer

Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

Keuringsinstituut voor Waterleidingartikelen (KIWA NV)

Stichting Advisering Bestuursrechtspraak Milieu en Ruimtelijke Ordening (StAB)

Stichting Bureau Architectenregister

Ministerie van Verkeer en Waterstaat

European Certification Bureau Nederland (ECBN)

Instellingen afname examens klein vaarbewijs

Onafhankelijke Post- en Telecommunicatie Autoriteit (OPTA)

Raad voor de Transportveiligheid

Stichting INNOVAM

Stichting inschrijving Eigen Vervoer (SIEV)

Stichting Koninklijk Onderwijsfonds voor de Scheepvaart (KOFS)

Stichting Nationale en Internationale Wegvervoerorganisatie (NIWO)

Stichting Scheepsafvalstoffen Binnenvaart (SAB)

Ministerie van Economische Zaken

Waarborg Platina, Goud en Zilver

Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij

College voor de toelating van bestrijdingsmiddelen (CTB)

Faunafonds

Jachtfonds (activiteiten worden overgenomen door het Faunafonds)

Stichting Bloembollenkeuringsdienst (BKD)

Stichting Centraal Orgaan voor Kwaliteitsaangelegenheden in de Zuivel (COKZ)

Stichting Controleorgaan voor Pluimvee, Eieren en Eiproducten (CPE)

Stichting Kwaliteitscontrolebureau voor groenten en fruit (CKB)

Stichting Naktuinbouw

Stichting Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor Zaaizaad en Pootgoed voor Landbouwgewassen (NAK)

Stichting Skal Controleorganisatie voor biologische productiemethode

Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Keuringsinstellingen ingevolge Wet op de Gevaarlijke Werktuigen

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Centraal Administratiekantoor Bijzondere Ziektekosten BV

College Bouw Ziekenhuisvoorzieningen (CBZ)

College Sanering Ziekenhuisvoorzieningen (CSZ)

College Tarieven Gezondheidszorg (CTG)

College Toezicht Zorgverzekeringen (CTZ)

Stichting Uitvoering Omslagregeling WTZ

oOo


2. Rechtspersonen, bedoeld in artikel 45, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001, dat wil zeggen rechtspersonen met een niet bij of krachtens de wet geregelde, maar wel publieke taak, die daartoe worden bekostigd uit publieke middelen en die door aanwijzing hun liquide middelen slechts mogen uitzetten in de vorm van producten die voldoen aan door de Minister van Financiën te stellen eisen (Fido-kader).

(geen)

oOo

BIJLAGE 3:

Advies van de Algemene Rekenkamer over het wetsvoorstel (Brief van de Algemene Rekenkamer van
5 juni 2001, kenmerk 451R).






Algemene Rekenkamer

Postbus 20015

2500 EA Den Haag

Tel. 070?342 43 44 ? Fax 070 342. 41 30

Email: voorlichting@rekenkamer.nl

PERSOONLIJK

Minister van Financiën

Korte Voorhout 7

2511 EX DEN HAAG

5 juni 2001

Uw kenmerk BZ 2001-00010 M

Ons kenmerk 451R

Betreft: Adviesaanvraag wijziging Comptabiliteitswet inzake geïntegreerd middelenbeheer

Geachte heer Zalm

Gaarne willen wij onze waardering uitspreken voor de snelheid waarmee u uw toezegging om regels op te stellen voor het vermogensbeheer van instellingen gestand hebt gedaan. In grote lijnen kunnen wij ons met het voorstel tot wijziging van de Comptabiliteitswet verenigen. Het wetsvoorstel met bijbehorende ministeriële regeling geeft ons aanleiding tot enkele opmerkingen. Deze zijn in een bijlage bij deze brief opgenomen.

Algemene Rekenkamer

w.g.

drs. P. Zevenbergen, jhr. mr. W.M. de Brauw,

wnd. president secretaris

oOo

Bijlage: Advies van de Algemene Rekenkamer over het Voorstel tot wijziging van de Comptabiliteitswet inzake het geïntegreerd middelenbeheer

I Ministeriële regeling

I.i. Uitzonderingen

In de ministeriële regeling worden instellingen aangewezen die onder het regiem gaan vallen. De regeling bestaat uit een A?lijst en een B?lijst. Vrijwel alle in het onderzoek 'Vermogensvorming' onderzochte RWT's zijn opgenomen in lijst A. Voor instellingen op deze lijst gaat het geïntegreerd middelenbeheer gelden. Instellingen met een gering financieel belang, zoals de rijksmusea, zijn opgenomen in de B?lijst.

Niet alle RWT's worden onder het geïntegreerd middelenbeheer gebracht. De uitzonderingen vallen uiteen in drie categorieën:


* algemene beleidsmatige;


* geringe financiële omvang (de B?lijst);

* categoriale uitzonderingen.

Over de eerste categorie hebben wij opmerkingen.

Onder de algemene beleidsmatige uitzonderingen vallen rechtspersonen die activiteiten met een evident marktkarakteruitoefenen, of waarvan het beleid er op gericht is ze te privatiseren. Wij begrijpen het nut van deze uitzondering, maar achten deze moeilijk te operationaliseren. Wij adviseren u voorbeelden te noemen van instellingen met een evident marktkarakter. Voorts zou u kunnen overwegen een termijn te noemen bij instellingen die geprivatiseerd zullen worden.

Onder de algemene beleidsmatige uitzonderingen vallen ook rechtspersonen met een maatschappelijke functie waaraan een relatief beperkte publieke taak is toegevoegd. Wij kunnen ons geen voorstelling maken van instellingen die onder deze categorie vallen. Ook hier raden wij u aan voorbeelden te noemen. Ook zou u kunnen overwegen deze rechtspersonen te laten vallen onder de B?lijst.

TNO en de Ornroepverenigingen ontbreken in de lijsten. Niet duidelijk is waarom. Ook de ziekenfondsen ontbreken, tenzij zij vallen onder de instellingen zorgverzekeraars?AWBZ. Een mogelijke verklaring is dat het ministerie van VWS, zoals wij onlangs hebben vernomen, al vergevorderd is met een aparte regeling voor ziekenfondsen. Dit wordt echter niet als reden vermeld. Wij adviseren u ook aan deze instellingen aandacht te schenken.

Wij vinden een termijn van vijf jaar om de lijsten op volledigheid te bezien, erg lang. In overweging nemend dat de regeling nieuw is, adviseren wij de lijsten in de eerstkomende jaren jaarlijks aan te passen.

I.2. Lijsten

Er zijn verschillende lijsten met instellingen, die op basis van verschillende criteria totstandkomen. Het betreft in ieder geval vier lijsten:


* RWT's volgens artikel 90, eerste lid, onder d;


*Instellingen met een publieke taak volgens het Europees Stelsel van Rekeningen 1995: EMU;

* Zbo's op grond van de kaderwet;


* Instellingen opgenomen in lijst A of B van het onderhavig wetsvoorstel.
Wij adviseren u om één officieel register voor RWT's bij te houden, waarin voor elke RWT is opgenomen welke artikelen van de Comptabiliteitswet of regelingen krachtens de Comptabiliteitswet op haar van toepassing zijn. Hiermee wordt voorkomen dat er een onoverzichtelijk geheel van lijsten ontstaat.

2 Geïntegreerd middelenbeheer

Het verbod op oneigenlijk kasbeheer (art. 46) en de voorwaarde dat er een juridische scheiding wordt aangebracht tussen publieke en private middelen, zien wij als belangrijke waarborgen voor een goed beheer van publiek geld.

Naar ons oordeel beperken de voorschriften voor het kasbeheer de risico's voor instellingen op de A?lijst afdoende. Voor instellingen op de B?lijst, die over het algemeen klein zijn, is het van belang dat de aangekondigde ministeriële regeling praktisch hanteerbaar is.

Wij adviseren u in de regeling vast te leggen dat in specifieke wetgeving wordt bepaald of instellingen mogen lenen. In een artikel ? en dus niet alleen in de toelichting ? zou moeten worden aangegeven dat lenen bij de minister van Financiën alleen is toegestaan indien instellingen een leenbevoegdheid hebben. Daarnaast adviseren wij aan te geven dat bestaande wettelijke regels, voor zover niet in strijd met deze regeling, worden gehandhaafd.

De memorie van toelichting bevat een raming van de financiële gevolgen.

In deze berekening zijn de administratieve lasten niet betrokken. Wij willen u vragen een berekening te maken waarin dit wel gebeurt en tevens aan te geven op basis van welke cijfers (jaar en bron) u tot de raming bent gekomen.

BIJLAGE 4

Reactie van de Minister van Financiën op het advies van de Algemene Rekenkamer (Brief van 3 juli 2001, kenmerk BZ 2001-00859 U)

AAN de president van de Algemene Rekenkamer,

Met uw bovenvermelde brief deed u mij de reactie van de Algemene Rekenkamer (AR) toekomen op het wetsvoorstel tot wijziging van de Comptabiliteitswet (CW), alsmede op de daarbij behorende concept-ministeriële Aanwijzingsregeling. Ik deed u mijn adviesaanvraag toekomen met mijn brief van 5 januari jl.

Voor uw reactie zeg ik u dank. Ik stel met genoegen vast dat de AR instemt met beide regelingen, zowel qua inhoud als qua uitwerking. Wel heeft de AR bij enkele onderdelen kritische kanttekeningen geplaatst. Onderstaand zal ik daarop reageren.

De regelingen hebben betrekking op onder andere het zogenaamde geïntegreerd middelenbeheer, op oneigenlijk kasbeheer, op financiële-risicobeperking en op de beheersing van het EMU-saldo door rechtspersonen met een wettelijke taak.

Vooraf merk ik op dat ik de citeertitel van het wetsvoorstel (de 10e Wijziging van de Comptabiliteitswet) heb gewijzigd in de 1e Wijziging Comptabiliteitswet 2001.

De oorspronkelijke 9e Wijziging CW is inmiddels omgedoopt in CW 2001. Het voorstel van wet tot vaststelling van de CW 2001 is op 13 juni jl. naar de Koningin gestuurd ter indiening bij de Tweede Kamer.


a. De AR adviseert om voorbeelden te noemen van instellingen (RWT's) met een evident marktkarakter of waarvan het beleid erop is gericht ze te privatiseren. Dergelijke instellingen zullen worden uitgezonderd van het geïntegreerd middelenbeheer. U acht dit criterium moeilijk te operationaliseren. Voorts geeft u in overweging een termijn te noemen waarbinnen de uit te zonderen instellingen zullen worden geprivatiseerd.

RWT's met een evident marktkarakter zijn o.a. de zorgverzekeraars en TNO. Deze voorbeelden zullen in de memorie van toelichting worden opgenomen. Van RWT's waarvan het beleid erop gericht is ze te privatiseren, zijn thans geen voorbeelden te geven; om die reden zal dat criterium uit de toelichting worden geschrapt.


b. De AR vraag ook om voorbeelden van rechtspersonen met een maatschappelijke functie waaraan een relatief beperkte publieke taak is toegevoegd. U kunt zich geen voorstelling maken van instellingen die onder deze categorie vallen. U beveelt aan om te overwegen dergelijke instelling op te nemen in de B-lijst.

Voorbeelden hiervan zijn de ANWB en de APK-erkenninghouders.

Bij deze organisaties prevaleert de publieke taak niet. De publieke bijdragen (een begrotingsbijdrage respectievelijk een keuringsheffing) die zij ontvangen, zijn een vergoeding voor gemaakte kosten. Van vermogensvorming uit de opbrengst van die publieke middelen is geen sprake. Derhalve wordt met die middelen ook geen beleggingsrisico gelopen. Plaatsing op de B-lijst is daarom niet aan de orde.


c. De AR vraagt voorts aandacht te schenken aan de beweegredenen waarom TNO, de Omroepverenigingen en de Ziekenfondsen niet op de A- of de B-lijst voorkomen.

TNO wordt beschouwd als een RWT met een evident marktkarakter. Het merendeeel van de inkomsten wordt gegenereerd door marktactiviteiten. De Ziekenfondsen zijn uitgezonderd, omdat deze instellingen op het deelterrein van de Ziekenfondswet in toenemende mate aan marktwerking worden onderworpen. Bovendien zal de risiconormering ten aanzien van beleggingen in specifieke regelgeving van VWS worden opgenomen.

Ook de omroepverenigingen manifesteren zich op een markt (van cultuur, informatie en ontspanning). Zij concurreren met elkaar en met de commerciële omroepen om leden, abonnees, en
- via de STER - om reclame-inkomsten. Om die reden vallen zij onder de uitzonderingsgrond van evident marktkarakter.

Het Commissariaat voor de Media - en daarmee de omroepreserves - is overigens wel in de A-lijst opgenomen.


d. Ten slotte geeft u in overweging de lijsten de komende jaren jaarlijks op volledigheid te bezien in plaats van om de vijf jaar.

Naar mijn oordeel is het niet nodig dit expliciet als beleidsuitgangspunt vast te leggen. In paragraaf 2 van de memorie van toelichting is aangegeven dat in beginsel de lijsten om de vijf jaar op volledigheid zullen worden bezien. Daarbij is aangegeven dat om reden van administratieve doelmatigheid het omvangscriterium ter bepaling van de plaatsing op lijst A of lijst B zodanig zal worden toegepast dat RWT's alleen van lijst B naar lijst A kunnen worden overgeplaatst, maar niet andersom.

Deze vijfjaarlijkse integrale toets op volledigheid betekent niet dat tussentijds geen RWT's op een lijst kunnen en zullen worden bijgeplaatst dan wel van een lijst kunnen of zullen worden afgevoerd. Het plaatsingsbeleid zal in de praktijk naar verwachting als volgt uitwerken.

Op een lijst geplaatste rechtspersonen die in de loop van de tijd door gewijzigde omstandigheden alsnog aangemerkt kunnen worden als een uitzondering op een algemene beleidsmatige grond, zullen tussentijds van de betrokken lijst worden afgevoerd. De primair voor de rechtspersoon verantwoordelijke minister zal daartoe een verzoek doen aan de Minister van Financiën.

Nieuwe bij of krachtens een wet in te stellen of aan te wijzen RWT's zullen bij instelling dan wel aanwijzing als RWT tussentijds op een van beide lijsten kunnen worden geplaatst. De primair voor een rechtspersoon verantwoordelijke minister zal daartoe een verzoek doen aan de Minister van Financiën.

Dit geldt eveneens voor een gehele categorie in geval in de loop der tijd wordt besloten een categoriale uitzondering toe te voegen of af te voeren. Rechtspersonen binnen een bestaande categoriale uitzondering, die een keuze gemaakt hebben voor plaatsing op lijst A dan wel zonder expliciete keuze tot een op lijst B voorkomende categorie behoren, zullen, als zij deze keuze ongedaan willen maken en daartegen geen bezwaren bestaan, tussentijds over kunnen gaan van lijst A naar B en omgekeerd. De primair voor een rechtspersoon verantwoordelijke minister zal daartoe een verzoek doen aan de Minister van Financiën.

De vijfjaarlijkse integrale toets op volledigheid heeft derhalve aanvullend tot doel om na te gaan of er in de afgelopen periode van vijf jaar geen RWT's "tussen het wal en het schip zijn gevallen", doordat de betrokken minister onbedoeld verzuimd heeft een verzoek tot plaatsing bij de Minister van Financiën in te dienen.


e. De AR adviseert om één officieel register voor RWT's bij te houden, waarin voor elke RWT is opgenomen welke artikelen van de CW of welke regelingen krachtens de CW op haar van toepassing zijn. De AR onderscheidt daarbij de volgende rechtspersonen:

· RWT's volgens artikel 90, lid 1d, CW 2001;

· Instellingen met een publieke taak volgens ESR 1995/EMU;

· ZBO's op grond van de Kaderwet ZBO's;

· Instellingen opgenomen in de lijsten A of B van het onderhavige wetsvoorstel.

Dit advies sluit aan bij de afspraak die is gemaakt in de vergadering van 29 januari jl. van het Interdepartementaal Overlegorgaan van Directeuren Financieel-economische zaken (IOFEZ). Daarin is afgesproken dat het ministerie van Financiën een soortgelijke lijst van instellingen zal opstellen. Bij het opstellen van die lijst wordt met de volgende aspecten rekening gehouden:

· Valt een instelling onder de definitie 'rechtspersoon met een wettelijke taak' (RWT). Hiervoor is een overzicht van de AR gebruikt.

· Valt een instelling onder de definitie 'zelfstandig bestuursorgaan' (zbo), zoals die definitie is opgenomen in de ontwerp-Kaderwet zbo's.

· Wordt een instelling opgenomen in de lijst A of B van de onderhavige Aanwijzingsregeling.

· Vallen de uitgaven van de instelling onder de EMU-definitie van overheidsmiddelen?

Voor het opstellen van de bedoelde lijst werkt Financiën nauw samen met het ministerie van BZK en het CBS. Ik verwacht dat over enige tijd een meer definitieve lijst beschikbaar zal zijn. Of die lijst het karakter moet hebben van een officieel register vraag ik mij af. Ik stel me vooralsnog voor de lijst als een informatief stuk op te nemen in het Handboek Hafir.


f. De AR adviseert in de regeling vast te leggen dat in specifieke wetgeving wordt bepaald of instellingen mogen lenen. In een artikel - en niet alleen in de toelichting - zou moeten worden aangegeven dat lenen bij de Minister van Financiën alleen is toegestaan indien instellingen een leenbevoegdheid hebben.

U spreekt over het vastleggen in de regeling. Ik neem aan dat u met regeling niet bedoelt de hiervoor genoemde ministeriële regeling. In een ministeriële regeling is het namelijk niet mogelijk de wetgever te binden. Ik vertaal uw advies daarom zo dat u voorstelt om in een artikel van de CW een bepaling op te nemen, waarin wordt voorgeschreven dat in specifieke wetgeving - bijvoorbeeld de instellings- of aanwijzingswet met betrekking tot de betrokken rechtspersoon - het aantrekken van leningen door de rechtspersoon expliciet geregeld moet worden.

Rechtspersonen hebben op basis van het burgelijk wetboek leningsbevoegdheid. Bij de instelling van een publiekrechtelijk rechtspersoon dient de afweging gemaakt te worden of deze bevoegdheid gewenst is en zal eventueel in specifieke wetgeving zoals instellingswetten een inperking van deze bevoegdheid opgenomen worden. Deze afweging acht ik primair de verantwoordelijkheid van de betrokken vakminister. Overigens zal door of namens de vakminister bij het afgeven van een garantie getoetst moeten worden of de desbetreffende instelling leningbevoegd is.

Uw opmerking geeft mij wel aanleiding om in de artikelen 47 en 49 de zinsnede "Onverminderd het bij of krachtens andere wetten bepaalde..." zodanig te herformuleren dat duidelijk is dat als voorwaarde voor het sluiten van leningen en rekening-courantkredieten bij het ministerie van Financiën door RWT's geldt, dat hen niet uit andere hoofde het recht tot het aangaan van leningen ontzegd is.


g. De AR adviseert aan te geven dat bestaande wettelijke regels, voor zover deze niet in strijd zijn met deze regeling, worden gehandhaafd.

Wettechnisch is daartoe geen noodzaak. Wettelijke regels die door de onderhavige wetswijziging niet worden geraakt, blijven vanzelfsprekend gehandhaafd. Voor zover er strijdigheid tussen bestaande regels en de nieuwe regels wordt geconstateerd, geldt de algemene regel dat een regeling van een hogere rangorde (een wet) voorgaat boven die van een lagere rangorde (amvb of ministeriële regeling), dat bij eenzelfde rangorde de meer specifieke regeling/bepaling voorgaat boven een algemenere bepaling en dat een jongere bepaling voorgaat boven een oudere.


h. De opmerking over het in de berekening van de financiële gevolgen betrekken van de administratieve lasten, hebben mij aanleiding gegeven de toelichting op dit punt uit te breiden met een passage over de administratieve lasten.


i. Ten slotte merk ik naar aanleiding van de opmerking van de Rekenkamer in de eerste alinea onder paragraaf 2 op, dat een juridische scheiding tussen de publieke en private middelen van een RWT in het wetsvoorstel niet als een voorwaarde is opgenomen. In de memorie van toelichting wordt alleen opgemerkt dat in elk geval een juridische scheiding als een adequate scheiding kan worden aangemerkt op basis waarvan de private middelen van een RWT buiten het bereik van de bepalingen van dit wetsvoorstel kunnen worden gehouden. Indien die adequate scheiding er niet is gelden de voorschriften voor alle liquide middelen van een RWT.

DE MINISTER VAN FINANCIEN,

No.W06.01.0367/IV 's-Gravenhage, 29 augustus 2001

Bij Kabinetsmissive van 24 juli 2001, no.01.003472, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Financiën, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet met memorie van toelichting tot wijziging van de Comptabiliteitswet houdende bepalingen inzake het beheer van liquide middelen van rechtspersonen die collectieve middelen beheren, inzake de financiering van die rechtspersonen en inzake de beheersing van het EMU-saldo voor zover dit saldo door het financieel beheer van deze rechtspersonen wordt beïnvloed (Eerste wijziging van de Comptabiliteitswet 2001).

Met de voorgestelde wijziging van de Comptabiliteitswet 2001 worden nadere eisen gesteld aan het beheer van publieke middelen door rechtspersonen met een wettelijke taak (hierna: RWT's). Het betreft een verbod op oneigenlijk kasbeheer, beperking van de risico's van liquidemiddelenbeheer, het verplicht aanhouden van liquide middelen bij het Rijk en de mogelijkheid om leningen bij het Rijk af te sluiten.

Het voorstel van wet geeft de Raad van State aanleiding tot de volgende opmerkingen.


1. Uit de tekst van het wetsvoorstel en de memorie van toelichting wordt onvoldoende duidelijk welke RWT's onder de reikwijdte van het voorstel vallen en met name welke RWT's in verband met een te geringe financiële omvang dan wel op andere gronden weer worden uitgezonderd.

Op basis van het voorgestelde artikel 45 worden bij regeling van de Minister van Financiën de RWT's aangewezen waarop de voorschriften omtrent het middelenbeheer van toepassing zijn. Hiertoe zullen, zo blijkt uit paragraaf 2 van de memorie van toelichting, lijsten met RWT's worden opgesteld. Naar de mening van de Raad is de in artikel 45 voorgestelde delegatie aan de minister niet juist. Gelet op het ingrijpende karakter van de regeling verdient het de voorkeur de lijsten als bijlage bij de wet zelf op te nemen dan wel te bepalen dat deze bij algemene maatregel van bestuur worden vastgesteld. De Raad beveelt aan het voorstel van wet aan te passen.


2. In paragraaf 1 van de memorie van toelichting staat dat, indien en zolang er bij een RWT geen sprake is van een adequate scheiding tussen private en publieke activiteiten en het daarmee samenhangende kasbeheer, de voorschriften van het wetsvoorstel voor alle liquide middelen van die RWT gelden. Hoewel dit probleem in de praktijk waarschijnlijk niet vaak zal voorkomen, vindt de Raad dit gevolg ingrijpend. Indien deze "sanctie" noodzakelijk is, pleit hij voor regeling in de wet met inachtneming van een overgangsperiode om alsnog de bedoelde scheiding tussen publieke en private gelden te kunnen effectueren.

Het in paragraaf 1 van de toelichting verwoorde uitgangspunt dat de regeling alleen betrekking heeft op de publieke gelden die een RWT beheert, is weliswaar terug te vinden in de considerans, maar is ten onrechte niet in de wet zelf opgenomen. De Raad adviseert het voorstel van wet in dit opzicht aan te passen.


3. Voor een redactionele kanttekening verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage.

De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.

De Vice-President van de Raad van State,

Bijlage bij het advies van de Raad van State van 29 augustus 2001, no.W06.01.0367/IV, met een redactionele kanttekening die de Raad in overweging geeft.


- In artikel 45, gelet op de nummering in wetsvoorstel Comptabiliteitswet 2001 (Kamerstukken II 2000/01, 27 849, nr.2, artikel 91), telkens de verwijzing naar artikel "90" aanpassen.

Ontwerp 1e wijziging-Comptabiliteitswet 2001.

Overzicht van de verschillen tussen de versie Raad van State en de versie Tweede Kamer

Ontwerp 1e wijziging-CW 2001, versieOntwerp-1e wijziging CW 2001, versie RvS TK

Wettekst Wettekst

Artikel 45 Aan artikel 45 is een lid 4 toegevoegd dat luidt:

Het eerste tot en met derde lid is niet van toepassing ten aanzien van de liquide middelen die niet als collectieve middelen kunnen worden aangemerkt, indien die liquide middelen op een adequate wijze separaat in de jaarrekening van de betrokken rechtspersoon worden verantwoord.

Artikel 48 Aan artikel 48 is een nieuw lid 2 ingevoegd dat luidt:

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de rechtspersonen, bedoeld in artikel 45, derde lid, indien op die rechtspersonen het eerste lid van artikel 45 van toepassing is.

Artikel 49 Aan artikel 49 is een nieuw lid 2 ingevoegd dat luidt:

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de rechtspersonen, bedoeld in artikel 45, derde lid, indien op die rechtspersonen het eerste lid van artikel 45 van toepassing is.

Artikel II Aan artikel II is een vijfde lid toegevoegd dat luidt:

Gedurende een periode van maximaal 18 maanden na inwerkingtreding van deze wet is het bepaalde in artikel 45, vierde lid, ook van toepassing, indien de separate verantwoording van de niet-collectieve middelen nog niet op een adequate wijze plaatsvindt. In het koninklijk besluit, bedoeld in artikel IV, kan deze periode zo nodig worden verlengd.

Artikel III Er is een nieuw artikel III ingevoegd dat luidt:

In artikel 8, derde lid, van de Prijzennoodwet wordt de tekst "39 van de Comptabiliteitswet 2001" vervangen door: 37, aanhef en onder c, van de Comptabiliteitswet 2001.

In de artikelen 45, eerste, tweede Onze betrokken Minister dan wel door en derde lid, artikel 47, eerste Onze betrokken Ministers . lid, artikel 48, eerste en derde
lid, artikel 49, eerste en derde
lid, artikel II, tweede en vierde
lid, is de tekst "Onze Minister wie
het aangaat" dan wel "Onze Ministers
wie het aangaan" vervangen door

Memorie van toelichting Memorie van toelichting

In het algemeen deel, paragraaf 1 Daardoor zullen de financiële (Inleiding) is in de derde alinea, middelen van RWT's . vierde volzin, het tekstdeel
"Daardoor zullen de rijksbijdragen
aan RWT's" vervangen door:

In paragraaf 3 (verplicht aanhouden vervangen door: van liquide middelen bij het Rijk)
is in onderdeel b (doelmatigheid) deOok op grond van eerste alinea, die luidde: doelmatigheids-overwegingen is het gewenst de publieke middelen die Ook op grond van door RWT's worden beheerd zo lang doelmatigheids-overwegingen is het mogelijk beschikbaar te houden gewenst de publieke middelen die binnen het totaalverband van 's door RWT's worden beheerd zo lang Rijks schatkist. Door bundeling van mogelijk beschikbaar te houden publieke geldstromen worden eerst binnen het totaalverband van 's binnen de overheid (rijksoverheid en Rijks schatkist. Zolang een RWT de RWT's) alle tijdelijke of bij haar aanwezige publieke middelenstructurele kastekorten of nog niet daadwerkelijk heeft -overschotten gesaldeerd voordat de uitgegeven voor de uitoefening van Minister van Financiën zich op de de publieke activiteiten, kunnen diegeld- en kapitaalmarkt begeeft om publieke middelen beschikbaar externe financiering aan te trekken. blijven voor de treasury-functie dieZolang een RWT de bij haar aanwezige de minister van Financiën vervult. publieke middelen nog niet Indien de kort opeisbare middelen daadwerkelijk heeft uitgegeven voor van de RWT's worden geïntegreerd metde uitoefening van de publieke 's Rijks schatkist ontstaat een activiteiten, kunnen die publieke structureel rentevoordeel doordat middelen dus beschikbaar blijven Financiën minder lang hoeft te lenenvoor de treasury-functie die de (met een relatief hoge rente), minister van Financiën vervult. terwijl de RWT's, die hun kort Indien de kort opeisbare middelen opeisbare middelen in de schatkist van de RWT's worden geïntegreerd met aanhouden, een rentevergoeding 's Rijks schatkist ontstaat een krijgen die past bij de korte structureel rentevoordeel doordat looptijd. Uitgangspunt hierbij is Financiën minder lang hoeft te lenen dat de RWT's een marktconforme (met een relatief hoge rente), rentevergoeding ontvangen, waarbij terwijl de RWT's, die hun kort rekening wordt gehouden met looptijdopeisbare middelen in de schatkist en kredietwaardigheid. Zolang de aanhouden, een rentevergoeding middelen vaststaan bij de krijgen die past bij de korte particuliere bank en nog niet tot looptijd. Uitgangspunt hierbij is daadwerkelijk uitgaven voor de dat de RWT's een marktconforme uitoefening van de publieke taak rentevergoeding ontvangen, waarbij hebben geleid, is er voor de rekening wordt gehouden met looptijd publieke sector als geheel dus en kredietwaardigheid. Zolang de sprake van een "verliessituatie". middelen kort uitstaan bij Deze "verliessituatie" is ongewenst particuliere banken en nog niet tot en kan nu worden opgeheven. Doordat daadwerkelijk uitgaven voor de de RWT's hun middelen nu gaan uitoefening van de publieke taak aanhouden in 's Rijks schatkist, kanhebben geleid, kan het de minister van Financiën deze middelenbeheer voor de publieke middelen betrekken bij zijn sector als geheel worden verbeterd. financiering, zodat hij minder, Doordat de RWT's hun middelen nu relatief dure, lange middelen op de gaan aanhouden in 's Rijks kapitaalmarkt behoeft aan te schatkist, kan de minister van trekken. De mate waarin dit Financiën deze middelen betrekken rentevoordeel gerealiseerd kan bij zijn financiering, zodat hij worden hangt onder andere af van de minder, relatief dure, lange structurele hoogte van het totaal middelen op de kapitaalmarkt behoeft van de publieke middelen die de aan te trekken. De mate waarin dit RWT's aanhouden bij het Rijk. rentevoordeel gerealiseerd kan worden hangt onder andere af van de structurele hoogte van het totaal van de publieke middelen die de RWT's aanhouden bij het Rijk.

In paragraaf 3 (verplicht aanhouden vervangen door: van liquide middelen bij het Rijk)
is in onderdeel b (doelmatigheid) deDit is voor de RWT aantrekkelijk tweede volzin van de tweede alinea, omdat het gehele saldo risicoloos die luidde: tegen een hoge korte rente (zonder afslagen) uitstaat en bovendien voor Dit is voor de RWT aantrekkelijk het roodstaan geen toeslagen omdat het gehele saldo risicoloos berekend worden. tegen de hoogst mogelijke korte
rente uitstaat en bovendien voor het
roodstaan geen toeslagen berekend
worden.

In paragraaf 3 (verplicht aanhouden die luidt: van liquide middelen bij het Rijk)
is in onderdeel b (doelmatigheid) Het komt daarbij vaak voor dat aan de derde alinea, na "..... waarin banken over roodstaan een hoger RWT's hun tegoeden aanhouden bij hettarief (debetrente) in rekening commerciële bankwezen." , een tekst brengen dan zij over positieve saldi toegevoegd vergoeden (creditrente). Door het bundelen van geldstromen worden de positieve saldi van de RWT's met overschotten eerst gesaldeerd met de debetsaldi van de RWT's die een tekortpositie hebben. Daardoor wordt voorkomen dat het verschil tussen debetrente en creditrente door de banken in rekening wordt gebracht.

In paragraaf 3 (verplicht aanhouden Vervangen door": van liquide middelen bij het Rijk)
is in onderdeel b (doelmatigheid) deDaarnaast is een aanvullend positief laatste alinea, die luidde: effect op de bedrijfsvoering van een RWT te verwachten. Een RWT die zijn Daarnaast is een aanvullend positiefgeld aanhoudt bij het Rijk voert per effect op de bedrijfsvoering van eendefinitie een risicoloos kasbeheer, RWT te verwachten. Een RWT die zijn hetgeen tot een vereenvoudiging van geld aanhoudt bij het Rijk voert perde treasury-activiteiten kan leiden. definitie een risicoloos kasbeheer.
Voor een grote RWT zal dit betekenen
dat de treasury-activiteiten kunnen
worden beperkt, waardoor mensen en
middelen meer gericht kunnen worden
ingezet op de publieke taak.

In paragraaf 6 (Relatie met artikel Vervangen door: 24 CW 2001), is de laatste volzin,
die luidde: Voorbeelden hiervan zijn de rekening-courant met de Europese Voorbeelden hiervan zijn de Gemeenschap, met de Stichting rekening-courant met de Europese Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds en Gemeenschap, met de Stichting met de academische ziekenhuizen. Administratie Indonesische
Pensioenen en met de Westerschelde
Tunnelmaatschappij (beperkt tot het
aandelenkapitaal van het Rijk in die
maatschappij, zolang dit kapitaal
nog niet daadwerkelijk tot besteding
is gekomen).

In paragraaf 9 (Financiële gevolgen)Vervangen door: is onderdeel ad b (Directe
budgettaire gevolgen voor het Rijk),Als directe budgettaire gevolgen die luidde: voor het Rijk worden in de eerste plaats aangemerkt de bedragen aan Als directe budgettaire gevolgen liquide publieke middelen die RWT's voor het Rijk worden in de eerste in de vorm van rekening-courantsaldi plaats aangemerkt de bedragen aan en kortlopende termijndeposito's liquide publieke middelen die RWT's gaan aanhouden bij de Minister van in de vorm van rekening-courantsaldiFinanciën. Deze bedragen vormen en kortlopende termijndeposito's ontvangsten op de begroting van de gaan aanhouden bij de Minister van Nationale Schuld (IXA) voor zover ze Financiën. Deze bedragen vormen niet binnen hetzelfde jaar weer ontvangsten op de begroting van de worden opgevraagd. Worden er door de Nationale Schuld (IXA) voor zover zeRWT's in enig jaar meer gelden niet binnen hetzelfde jaar weer opgevraagd dan aangehouden in de 's worden opgevraagd. Worden er door deRijks schatkist, dan is per saldo RWT's in enig jaar meer gelden sprake van uitgaven op de begroting opgevraagd dan aangehouden in de 's van IXA. Tijdens de invoering van Rijks schatkist, dan is per saldo het geïntegreerd middelenbeheer sprake van uitgaven op de begroting wordt er vooralsnog uitgegaan van van IXA. Er wordt vooralsnog een (ontvangsten)bedrag aan uitgegaan van een rekening-courantsaldi en (ontvangsten)bedrag van ca. NLG. 5,0kortetermijndeposito's van ca. NLG. mrd (EUR 2,3 mrd.) uit hoofde van de6,5 mrd (EUR 2,95 mrd.) uit hoofde door RWT's in 's Rijksschatkist aan van de door RWT's in 's gehouden middelen. Naast de Rijksschatkist aangehouden middelen. rekeningen-courantsaldi en de Naast de rekeningen-courantsaldi en kortetermijndeposito's zullen de de kortetermijndeposito's zullen de RWT's langetermijndeposito's kunnen RWT's langetermijndeposito's kunnen aanhouden bij de Minister van aanhouden bij de Minister van Financiën, welke bij het afsluiten Financiën, welke bij het afsluiten leiden tot ontvangsten en bij leiden tot ontvangsten en bij expiratie (afloop) tot uitgaven op expiratie (afloop) tot uitgaven op de begroting van de Nationale de begroting van de Nationale Schuld. Hierbij wordt uitgegaan van Schuld. Hierbij wordt uitgegaan van een per saldo ontvangstenbedrag van een per saldo ontvangstenbedrag van ca. NLG 1,0 mrd. (EUR 0,5 mrd). ca. NLG 2,0 mrd. (EUR 0,9 mrd) tijdens de invoering van het geïntegreerd middelenbeheer.

In de tweede plaats worden de
leningen en
rekening-courantkredieten die door In de tweede plaats worden de de Minister van Financiën - onder leningen en garantie van de betrokken rekening-courantkredieten die door vakminister - aan RWT's zullen de Minister van Financiën - onder worden verstrekt, als directe garantie van de betrokken budgettaire gevolgen aangemerkt. vakminister - aan RWT's zullen Omdat dit een optie voor de RWT's opworden verstrekt, als directe de A-lijst is en er vooralsnog geen budgettaire gevolgen aangemerkt. inzicht bestaat in de mate waarin deOmdat dit een optie voor de RWT's op RWT's van die mogelijkheid gebruik de A-lijst is en er vooralsnog geen zullen en - gegeven de specifieke inzicht bestaat in de mate waarin de wet- en regelgeving die geldt - RWT's van die mogelijkheid gebruik kunnen maken, is hiervoor thans nog zullen en - gegeven de specifieke geen redelijke uitgavenraming te wet- en regelgeving die geldt - geven. Bovendien leiden de kunnen maken, is hiervoor thans verstrekte leningen en kredieten totmoeilijk een realistische aflossingen (ontvangsten), waardoor uitgavenraming te geven. Bovendien naar verwachting het meerjarige leiden de verstrekte leningen en budgettaire (saldo)effect na een kredieten tot aflossingen bepaalde beginperiode zal gaan (ontvangsten), waardoor naar afvlakken. verwachting het meerjarige budgettaire (saldo)effect na een bepaalde beginperiode zal gaan afvlakken. Tentatief wordt de totale omvang van door RWT's bij de Minister van Financiën te sluiten leningen geraamd op ca. NLG 3,0 mrd. (EUR 1,4 mrd.).

De ontvangsten uit in de schatkist aangehouden rekening-courantsaldi en termijndeposito's, evenals de uitgaven aan verstrekte leningen en kredieten, zijn overigens voor het budgettaire kader (de ijklijnen) niet-relevant.

Aan de artikelsgewijze toelichting In het vierde lid is een bepaling bij artikel 45 is als laatste alineaopgenomen die de mogelijkheid biedt een toelichting bij het nieuwe om de liquide middelen van een vierde lid toegevoegd, die luidt: rechtspersoon die zijn verkregen uit private activiteiten buiten het geïntegreerd middelenbeheer te houden. De voorschriften inzake het oneigenlijk kasbeheer, de beperking van risico's van liquidemiddelenbeheer en het verplicht aanhouden van liquide middelen hebben uiteraard in beginsel alleen betrekking op de publieke gelden die een RWT beheert. Voor de eventuele private activiteiten van een RWT en het daarmee samenhangende kasgeldbeheer worden geen wettelijke regels gesteld via de CW 2001.

In dit lid wordt uitgegaan van het op een adequate wijze separaat in de jaarrekening verantwoorden van de niet-collectieve (of private) liquide middelen. Daartoe is in zijn algemeenheid binnen een RWT een adequate administratieve scheiding vereist tussen de inkomsten en uitgaven die samenhangen met enerzijds de publieke activiteiten en anderzijds de private activiteiten. In de wettelijke regeling met betrekking tot een RWT (de zogenaamde instellingswet) kunnen daartoe de nodige voorschriften zijn opgenomen. Indien en zolang er bij een RWT geen sprake is van een adequate (administratieve) scheiding gelden de voorschriften uit de onderhavige wet voor alle liquide middelen. Een adequate scheiding is in dit verband in elk geval een juridische scheiding, waardoor kan worden voorkomen dat verliezen in de beleggingssfeer van de private middelen aangezuiverd moeten worden uit de publieke middelen. Ook zonder juridische scheiding kan er sprake zijn van een adequate scheiding als er een separate verantwoording van de publieke en de private middelen wordt opgesteld. Een separate verantwoording kan worden opgesteld aan de hand van een gescheiden administratie van de private en publieke geldstromen. Voor het doel van het geïntegreerd middelenbeheer kan ook zonder dat een gescheiden administratie wordt gevoerd, een separate verantwoording worden opgesteld aan de hand van een meer globale toedeling van de kosten of uitgaven aan de private activiteiten, bijvoorbeeld doordat de kosten of uitgaven aan de private activiteiten worden toegerekend naar rato van het aandeel van de private ontvangsten in het totaal van de ontvangsten.

De accountant die is belast met de controle van de jaarrekening van de RWT, zal de splitsing van de publieke en de private geldstromen in zijn controle dienen te betrekken. Aan de hand van de uitkomsten van deze controle (accountantsverklaring en de gerapporteerde bevindingen in het accountantsrapport) kan dan worden vastgesteld of de jaarrekening aan de daaraan te stellen eisen voldoet.

De artikelsgewijze toelichting bij Is vervangen door: artikel 47 die luidde:
Het toezicht op eventueel actief Het toezicht op eventueel actief bankieren, zoals omschreven in bankieren door een RWT ligt bij de artikel 46, door een RWT ligt bij de minister die beleidsmatig betrokken minister, dat wil zeggen verantwoordelijk is voor de bij de minister die beleidsmatig betrokken RWT (eerste lid). Dat verantwoordelijk is voor de geldt ook voor het toezicht op het betrokken RWT (eerste lid). Dat bepaalde in het tweede lid van geldt ook voor het toezicht op het artikel 45, dat wil zeggen het bepaalde in het tweede lid van toezicht op de RWT's op lijst B ten artikel 45, dat wil zeggen het aanzien van de producten waarin zij toezicht op de RWT's op lijst B ten hun liquide middelen mogen aanzien van de producten waarin zij uitzetten. hun liquide middelen mogen uitzetten. De beleidsmatig verantwoordelijke
minister is in het algemeen de De beleidsmatig verantwoordelijke minister die verantwoordelijk is minister is in het algemeen de voor de wettelijke regelingen met minister die verantwoordelijk is betrekking tot de RWT. Om dat voor de wettelijke regelingen met toezicht zinvol te kunnen uitoefenenbetrekking tot de RWT. Om dat heeft de minister minimaal behoefte toezicht zinvol te kunnen uitoefenen aan een actieve en - aanvullend - heeft de minister minimaal behoefte een passieve informatievoorziening aan een actieve en - aanvullend - door de RWT, alsmede aan een een passieve informatievoorziening sanctiemogelijkheid in het geval de door de RWT, alsmede aan een RWT het verbod tot actief bankieren sanctiemogelijkheid in het geval de overtreedt zijn liquide middelen in RWT het verbod tot actief bankieren niet-toegestane producten uitzet. Inovertreedt of zijn liquide middelen het derde lid wordt daartoe een in niet-toegestane producten uitzet. informatieplicht voor de RWT en een In het tweede lid wordt daartoe een informatiebevoegdheid voor de informatieplicht voor de RWT en een minister geregeld. De sanctie in hetinformatiebevoegdheid voor de vierde lid houdt de mogelijkheid in minister geregeld. De sanctie in het de RWT in een concreet geval van derde lid houdt de mogelijkheid in overtreding de aanwijzing te geven de RWT in een concreet geval van bepaalde financiële transacties te overtreding van het bepaalde in herzien. artikel 45, tweede lid, of artikel de aanwijzing te geven bepaalde financiële transacties te herzien. Een aanwijzing is ook mogelijk wanneer bijvoorbeeld private gelden buiten het geïntegreerd middelenbeheer worden gehouden, terwijl er geen sprake is van een adequate wijze van separaat verantwoorden (zoals bedoeld in artikel 45, vierde lid).

Bij het nieuwe tweede lid van Het tweede lid verklaart het artikel 48 is als toelichting bepaalde in het eerste lid ten opgenomen: aanzien van de mogelijkheid tot het verkrijgen van leningen van overenkomstige toepassing op de rechtspersonen, bedoeld in artikel 45, derde, indien op die rechtspersonen het eerste lid van artikel 45 van toepasing is. Dat houdt dus in dat rechtspersonen met een publieke taak, welke taak niet bij of krachtens de wet is geregeld, eveneens de mogelijkheid wordt geboden een lening bij het Ministerie van Financiën te sluiten. Voorwaarde daartoe is dat deze rechtspersonen door de Minister van Financiën zijn aangewezen om ten behoeve van een doelmatig en risico-arm kasbeheer hun liquide middelen rentedragend in de schatkist aan te houden en dat de lening wordt aangewend voor een investering die benodigd is voor de uitvoering van de publieke taak van de betrokken rechtspersoon.

Indien een rechtspersoon is aangewezen voor de toepassing van het tweede lid van artikel 45 - dat inhoudt dat hij ten behoeve van een doelmatig en risico-arm kasbeheer zijn liquide middelen alleen mag uitzetten in de vorm van producten die voldoen aan door de Minister van Financiën te stellen eisen - dan wordt aan deze rechtspersoon niet de mogelijkheid geboden om bij de Minister van Financiën een lening te sluiten ten behoeve van een investering voor zijn publieke taak. Die rechtspersoon is daarvoor dan aangewezen op een financiële markt.

Bij het nieuwe vijfde lid van De overgangsbepaling in het vijfde artikel II is als toelichting lid sluit aan bij de bepaling in opgenomen: artikel 45, vierde lid, inzake de scheiding tussen de private en de publieke middelen die een RWT in beheer heeft. De overgangsbepaling regelt dat gedurende de overgangstermijn de private middelen van een RWT buiten het geïntegreerd middelenbeheer kunnen worden gehouden ook als dan nog geen sprake is van een adequate scheiding tussen de beide soorten liquide middelen. Bij de vaststelling van de periode van maximaal 18 maanden wordt uitgegaan van inwerkingtreding van de wet tussen 1 juli 2002 en 1 januari 2003. In dat geval zal dus pas met ingang van de jaarrekening over 2004 op een adequate wijze de scheiding tussen private en publieke middelen moeten worden verantwoord. Indien de inwerkingtreding later plaatsvindt, kan met toepassing van de inwerkingstredingsbepaling in artikel IV zo nodig de periode van 18 maanden worden verlengd.


---

Kamerstukken II, vergaderjaar 1999-2000, 27 066, nrs. 1-2.

Uiteraard is een RWT bij de uitvoering van de publieke activiteiten onderworpen aan de desbetreffende specifieke wet- en regelgeving van de beleidsverantwoordelijke minister waarin de publieke verantwoording en het publieke toezicht is geregeld.

Deel: ' Rapport wetsvoorstel Comptabiliteitswet 2001 '




Lees ook