Ministerie van Justitie

Rapporten

WODC
Producten en diensten
Publicaties

Georganiseerde criminaliteit in Nederland; Rapportage op basis van de WODC-monitor

E.R. Kleemans, E.A.I.M. van den Berg, H.G. van de Bunt, m.m.v. M. Brouwers, R.F. Kouwenberg, G. Paulides

Onderzoek en Beleid, nr. 173

Bestelwijze

Samenvatting deel I

Aanleiding tot het onderzoek

In 1996 concludeerde de Parlementaire Enquêtecommissie Opsporingsmethoden in haar eindrapport dat aan het beleid ter bestrijding van georganiseerde criminaliteit in de afgelopen jaren een beter onderbouwd inzicht ten grondslag had moeten liggen. De studie, die de onderzoeksgroep Fijnaut ten behoeve van de Enquêtecommissie had verricht, voorzag dan ook duidelijk in een behoefte. Naar aanleiding van de conclusies van de Enquêtecommissie heeft de minister van Justitie de Tweede Kamer toegezegd om - in navolging van de studie van de onderzoeksgroep Fijnaut - tweejaarlijks te rapporteren over de aard van de georganiseerde criminaliteit in Nederland en te signaleren ontwikkelingen. Daartoe is door het WODC de 'Monitor georganiseerde criminaliteit' opgezet, op basis waarvan regelmatig publicaties over georganiseerde criminaliteit zullen verschijnen. Het monitor-onderzoek houdt - kort gezegd - in dat er tweejaarlijks gestructureerde gegevensverzameling plaatsvindt met betrekking tot recent afgesloten opsporingsonderzoeken op het terrein van de georganiseerde criminaliteit. Dit rapport is de eerste rapportage die op deze monitor is gebaseerd.

Doelstelling, probleemstelling en onderzoeksvragen

Hoewel er een grote behoefte bestaat aan betrouwbaar en actueel onderzoek naar georganiseerde criminaliteit, moet tegelijkertijd worden geconstateerd dat tot voor kort veel van de kennis die tijdens opsporingsonderzoeken werd opgedaan, verloren ging. Er vond namelijk geen systematische beschrijving en ontsluiting plaats van de belangrijkste gegevens en opgedane inzichten uit opsporingsonderzoeken. Het vermogen van politie en justitie om lering te trekken uit de eigen ervaringskennis was daardoor zwak ontwikkeld. Het doel van de WODC- monitor is om dit leervermogen te vergroten door de inzichten die aan de concrete zaken kunnen worden ontleend, terug te koppelen naar degenen die zijn belast met het ontwikkelen en uitvoeren van preventief en repressief beleid inzake georganiseerde criminaliteit. De WODC-monitor betreft een periodiek onderzoek naar georganiseerde criminaliteit met als centrale probleemstelling: Wat is de aard van de georganiseerde criminaliteit in Nederland en welke ontwikkelingen zijn op dit gebied te onderkennen? In deze eerste rapportage ligt het zwaartepunt op de analyse van de aard van de georganiseerde criminaliteit. In volgende rapportages zullen ook de ontwikkelingen meer aan bod komen.
Bij de gegevensverzameling en de analyse zijn twee belangrijke beleidsvragen de leidraad geweest: hoe werken (de leden van) criminele samenwerkingsverbanden met elkaar samen en hoe verlopen de interacties tussen deze criminele samenwerkingsverbanden en de (wettige en onwettige) omgeving? De beantwoording van deze vragen is beleidsmatig van groot belang voor de bepaling van de grenzen en de mogelijkheden van preventieve en repressieve maatregelen tegen georganiseerde criminaliteit.
De centrale probleemstelling van de monitor is in deze rapportage geconcretiseerd in de volgende vier onderzoeksvragen:

1. Wat is de aard van de criminele samenwerkingsverbanden die zich in Nederland schuldig maken aan georganiseerde criminaliteit? (hoofdstuk 2).
2. Welke mogelijkheden worden aan criminele samenwerkingsverbanden geboden door de omgeving en hoe gaan criminele samenwerkingsverbanden met deze mogelijkheden om? (hoofdstuk 3). 3. Met welke risico's worden criminele samenwerkingsverbanden vanuit hun omgeving geconfronteerd en hoe gaan zij met deze risico's om? (hoofdstuk 4).
4. Welke implicaties hebben de onderzoeksresultaten voor de preventie en de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit in Nederland? (hoofdstuk 5).

Onderzoeksopzet en onderzoeksmethoden

De WODC-monitor is er op gericht om de politiële kennis van georganiseerde criminaliteit zo goed mogelijk vast te leggen en te analyseren. Dit is enerzijds de kracht, maar anderzijds ook de potentiële zwakte van de monitor. Aan de ene kant zijn opsporingsinstanties de belangrijkste bron van kennis over georganiseerde criminaliteit. Het systematisch exploreren van deze bron is ontegenzeglijk de waarde van de monitor. Maar aan de andere kant is de monitor hiermee ook de gevangene van de politiële prioriteitenstelling: er ontstaat alleen kennis op die gebieden waaraan opsporingsinstanties aandacht besteden. Daarom bestaat het onderzoek uit twee fasen, waarbij in de tweede fase ook gebruik is gemaakt van gegevens uit andere bronnen dan afgesloten opsporingsonderzoeken.

In de eerste fase hebben analyses plaatsgevonden van afgeronde opsporingsonderzoeken op het terrein van de georganiseerde criminaliteit in de periode 1996-1997. Hiertoe is in het voorjaar van 1997 een brede inventarisatie uitgevoerd bij alle arrondissementsparketten, Kernteams en FIOD-vestigingen. Op basis van ingevulde inventarisatieformulieren en aanvullende interviews is een groslijst samengesteld van ongeveer vierhonderd zaken, die volgens de betrokkenen mogelijk zouden kunnen vallen onder de begripsbepaling van de onderzoeksgroep Fijnaut (er is sprake van georganiseerde criminaliteit indien groepen die primair gericht zijn op illegaal gewin systematisch misdrijven plegen met ernstige gevolgen voor de samenleving, en in staat zijn deze misdaden op betrekkelijk effectieve wijze af te schermen). Aan de respondenten is gevraagd om bij de inventarisatie het begrip afscherming breed op te vatten (naast geweld en corruptie bijvoorbeeld ook het gebruik van dekmantelfirma's, contra-observatie, et cetera) en naast de handel in verdovende middelen ook aandacht te schenken aan bijvoorbeeld fraude, wapenhandel, milieucriminaliteit, mensensmokkel en vrouwenhandel. Vervolgens is op basis van deze zeer brede inventarisatie een selectie gemaakt van veertig zaken die gedetailleerd beschreven en geanalyseerd zouden gaan worden. Deze selectie kwam tot stand door na te gaan of de genoemde gevallen onder de zojuist weergegeven begripsbepaling van georganiseerde criminaliteit vielen. Daarnaast moest het gaan om recente en 'harde' zaken: alleen die opsporingsonderzoeken kwamen in aanmerking waarvan het gerechtelijk vooronderzoek was afgesloten in de periode 1996-1997 en waarbij, gelet op de beslissing van de officier van justitie (om vervolging in te stellen), kennelijk voldoende bewijs was vergaard om de verdachten te kunnen vervolgen. Ten slotte zijn van de ongeveer honderd overgebleven zaken de veertig zaken geselecteerd met de meeste toegevoegde waarde. Sommige zaken voegen immers meer toe aan onze kennis van georganiseerde criminaliteit dan andere. Zo bestaat er reeds vrij veel kennis over de handel in de traditionele verdovende middelen. Veel recenter is de aandacht van politie en justitie voor bijvoorbeeld mensensmokkel, vrouwenhandel en synthetische drugs. Aangezien opsporingsonderzoeken op deze gebieden veel meer toevoegen aan onze kennis dan het zoveelste traditionele drugsonderzoek is in het kader van dit onderzoek extra aandacht besteed aan opsporingsonderzoeken op deze gebieden. De selectie van uitgebreid geanalyseerde zaken is dus niet willekeurig maar bewust selectief. Op deze manier kan enig tegenwicht worden geboden tegen de prioriteitenstelling van politie en justitie, die in de praktijk blijkt uit te monden in een grote hoeveelheid drugsonderzoeken.
De selectie van de veertig zaken ziet er als volgt uit (zie ook bijlage 3). Naast de traditionele drugsonderzoeken (zestien zaken) zijn zaken bestudeerd die betrekking hebben op synthetische drugs (zeven zaken), mensensmokkel (vier zaken) en vrouwenhandel (zeven zaken). De resterende zes zaken hebben betrekking op fraude, witwassen en andere delicten.
De uitgebreide analyses van de zaken zijn telkens gestart met interviews met betrokken rechercheurs, officieren van justitie en parketsecretarissen, waarbij gebruik is gemaakt van een uitgebreide aandachtspuntenlijst (zie bijlage 2). Vervolgens is op basis van de interviews al het achterliggende bronnenmateriaal bestudeerd, dat relevant was om de verzamelde gegevens in hun context te plaatsen en deze op hun betrouwbaarheid te toetsen: processen-verbaal, tapverslagen, observatieverslagen, verhoren, CID-rapporten, op schrift gestelde misdaadanalyses, et cetera.

Indien uitsluitend gebruik zou worden gemaakt van de analyses van de veertig zaken, bestaat het gevaar dat de overige kennis bij opsporingsinstanties onvoldoende wordt benut. Daarom is ook gebruik gemaakt van vertrouwelijke rapportages, fenomeenonderzoeken, landelijke en regionale misdaadanalyses en (wetenschappelijke) literatuur. In het voorjaar van 1998 is gepoogd deze schriftelijke bronnen systematisch in kaart te brengen. Daarnaast zijn in het voorjaar en in de zomer van 1998 interviews gehouden met verschillende medewerkers van de Kernteams, de divisie Centrale Recherche Informatie, het Meldpunt Ongebruikelijke transacties, de bijzondere opsporingsdiensten FIOD, AID en ECD en de Binnenlandse Veiligheidsdienst. Deze fase van het onderzoek heeft naast de interviewverslagen meer dan negentig schriftelijke rapportages opgeleverd en meer dan honderd beknopte casusbeschrijvingen van afgesloten en lopende opsporingsonderzoeken.

Op basis van dit materiaal kunnen uiteraard geen uitspraken worden gedaan over de omvang van 'de' georganiseerde criminaliteit in Nederland. Wel kunnen op verantwoorde wijze kwalitatieve uitspraken worden gedaan over bepaalde verschijnselen. Zo is ons onderzoeksmateriaal zeer geschikt voor de beantwoording van vragen zoals: hoe werken daders samen?; op welke wijze trekken criminele samerwerkingsverbanden profijt uit de mogelijkheden die de omgeving hen biedt?; en welke soorten afschermingsmaatregelen treffen criminele samenwerkingsverbanden tegen de risico's waarmee zij worden geconfronteerd? Een beperking van dit onderzoek is dat de reikwijdte van onze uitspraken in principe moet worden beperkt tot de door ons onderzochte zaken; de antwoorden op de onderzoeksvragen kunnen niet worden gegeneraliseerd naar het totale verschijnsel georganiseerde criminaliteit. Dit probleem zou overigens niet principieel anders liggen wanneer wij alle opsporingsonderzoeken zouden hebben onderzocht: ook in dat geval is er immers sprake van een 'selectieve steekproef' (bepaald door de capaciteit en de prioriteitenstelling van opsporingsinstanties), waardoor onmogelijk kan worden gegeneraliseerd naar het totale verschijnsel georganiseerde criminaliteit.

Opzet van het rapport

Na de probleemstelling en verantwoording (hoofdstuk 1) wordt in hoofdstuk 2 nader ingegaan op de aard van de criminele samenwerkingsverbanden. Tevens bevat dit hoofdstuk een uiteenzetting over het theoretisch perspectief van deze rapportage. Dit perspectief belicht vooral de onderlinge wisselwerking tussen criminele samenwerkingsverbanden en hun omgeving. De omgeving kent voor een crimineel samenwerkingsverband twee gezichten. Aan de ene kant kan georganiseerde criminaliteit slechts bestaan bij de gratie van haar sociale en maatschappelijke omgeving: de omgeving als bondgenoot (hoofdstuk 3). Aan de andere kant noodzaakt de illegaliteit van de gedragingen criminele samenwerkingsverbanden tot geheimhouding en afscherming, niet alleen ten aanzien van de wettige omgeving maar ook ten aanzien van het eigen criminele milieu: de omgeving als risicofactor (hoofdstuk 4). Tenslotte worden in hoofdstuk 5 de belangrijkste onderzoeksresultaten weergegeven en wordt nagegaan welke implicaties deze resultaten kunnen hebben voor de preventie en de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit in Nederland. Deze conclusies en beleidsimplicaties staan in het tweede deel van deze samenvatting.

WODC- informatiedesk
tel. (070) 3706553, fax. (070) 3707948 email: infodesk@wodc.minjust.nl

Deel: ' Rapportage Georganiseerde criminaliteit in Nederland '




Lees ook