Ministerie van Defensie


Brieven van de minister/staatssecretaris van Defensie aan de Eerste/Tweede Kamer der Staten-Generaal

Aan: de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

I.a.a. de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Ons nummer P/99003301; Datum 1 juni 1999

Onderwerp: Rapportage en beleidsaanbevelingen inzake de positie van homoseksuelen binnen de Defensie-organisatie

Heden heb ik uit handen van prof. dr. P. Schnabel een onderzoeksrapport, vergezeld van door een begeleidingscommissie geformuleerde beleidsaanbevelingen inzake de positie van homoseksuelen binnen de defensieorganisatie in ontvangst genomen. Het rapport en de aanbevelingen, die ik u hierbij aanbied, zijn het resultaat van de op 20 oktober 1997 door mijn ambtsvoorganger ingestelde begeleidingscommissie die de opdracht kreeg een vervolgonderzoek naar dit onderwerp voor te bereiden en te begeleiden. Het vervolgonderzoek, dat de minister van Defensie op 4 mei 1993 aan de Staten-Generaal had toegezegd (Kamerstuk 22 800 X nr. 51), is verricht door IVA Tilburg, een instituut voor sociaal-wetenschappelijk beleidsonderzoek en advies. Het had tot doel de beleidsmaatregelen te evalueren die vanaf 1992 zijn genomen naar aanleiding van een studie van het Nederlands Instituut voor Sociaal Seksuologisch Onderzoek.

Deze beleidsmaatregelen hebben de afgelopen jaren hun beslag gekregen langs de drie sporen van opleidingen, hulpverlening en voorlichting. Het vervolgonderzoek wijst uit dat de acceptatie van homoseksuelen binnen de defensieorganisatie in deze periode aanzienlijk is toegenomen. Houding- en gedragsveranderingen blijken mede door het voorbeeld van leidinggevenden te worden beïnvloed; belangrijk is daarom de bevinding dat juist bij kaderleden een positieve attitude ten opzichte van homoseksuelen wordt waargenomen. Deze ontwikkeling draagt bij tot een klimaat waarin voor veruit de meeste defensiemedewerkers de sociale afstand tot homoseksuelen drastisch blijkt te zijn verminderd en waarin van een sociaal isolement van homoseksuelen geen sprake meer is.

Aan deze positieve ontwikkeling heeft het beleid van Defensie bijgedragen en dat wordt door het personeel ook zo ervaren. Desalniettemin kan van volledige integratie nog niet worden gesproken. Sommige homoseksuele mannen ervaren nog te vaak bevooroordeelde opmerkingen uit hun omgeving, een grotere sociale afstand tot collega's en een grotere druk om zich in hun werk te moeten bewijzen. De gedane aanbevelingen, vooral die ter verbetering van de opleidingen en de communicatie, kunnen derhalve een nuttige aanvulling zijn op de bestaande maatregelen om uiteindelijk de volledige integratie en acceptatie van homoseksuelen te bewerkstelligen.

Met de begeleidingscommissie ben ik van oordeel dat de resultaten van het onderzoek aanleiding mogen zijn voor tevredenheid over wat de afgelopen jaren op het vlak van acceptatie en integratie van homoseksuelen is bereikt. Deze tevredenheid is echter geen aanleiding voor genoegzaamheid of passiviteit, maar juist een aanmoediging het beleid met kracht voort te zetten.

In de komende maanden zal ik dan ook, op grond van de onderzoeksresultaten en de beleidsaanbevelingen, bezien welke aspecten van het vigerende beleid aanpassing behoeven. Over de uitkomsten daarvan zal ik U te zijner tijd informeren.

DE STAATSSECRETARIS VAN DEFENSIE,

H.A.L. van Hoof

Deel: ' Rapportage positie homoseksuelen binnen Defensie '




Lees ook