CDA

: Tweede Kamer : Inbreng wetsvoorstel Wet foetaal weefsel (281099)

Inbreng wetsvoorstel Wet foetaal weefsel (281099)

Den Haag, 28 oktober 1999

I Algemeen.

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van het voorliggende wetsvoorstel en de daarbij gevoegde memorie van toelichting. Deze leden stellen vast dat het voorliggende wetsvoorstel deel uitmaakt van een reeks voorstellen die de regering op medisch-ethisch terrein onlangs heeft gedaan c.q. op korte- en middellange termijn zal doen: o.a. het wetsvoorstel Wet toetsing levensbeeindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (26691), het kabinetsbesluit over late zwangerschapsafbreking (26717), het kabinetsstandpunt over xenotransplantatie (26335), en het in voorbereiding zijnde wetsvoorstel inzake experimenten met embryos en menselijke geslachtscellen en het kabinetsstandpunt over kloneren. Hoewel naar onderwerp te onderscheiden liggen bedoelde beleidsthemas vanuit (medisch-)ethisch oogpunt gezien in elkaars verlengde en zijn in dat licht gezien niet van elkaar te scheiden. De leden van de CDA-fractie vragen dan ook welk ethisch toetsingskader door de regering wordt gehanteerd wanneer hij zich met bovengenoemde vraagstukken ziet geconfronteerd en daarop een standpunt moet formuleren. Op welke waarden baseert de regering zich bij het zoeken naar antwoorden op deze vraagstukken? Ook bij het voorliggende voorstel van wet kunnen deze leden niet achterhalen op welke morele standpunten de conclusies (mede) zijn gebaseerd. Wat zijn de morele overwegingen die ten grondslag liggen aan het voorliggende wetsvoorstel, zo vragen de leden van de CDA-fractie. Nog temeer hebben deze leden dit gemist nu de wijze van verkrijgen van foetaal weefsel, door middel van afbreking van de zwangerschap, en dan met name opgewekt via abortus provocatus, voor velen in de samenleving op morele bezwaren stuit, ondanks het feit dat middels de Wet afbreking zwangerschap daarvoor een regeling tot stand is gebracht. De leden van de CDA-fractie wijzen er op dat ook de Gezondheidsraad er in de inleiding van zijn advies van december 1997 op heeft gewezen dat de vraagstelling van de minister beperkt was en derhalve de commissie beschouwingen over de ethische, juridische en maatschappelijke aspecten achterwege heeft gelaten. De regering zal toch niet willen ontkennen dat met name die aspecten een wezenlijk onderdeel vormen van de onderhavige problematiek? Waarom dan toch die inperking bij het vragen van het advies?

De leden van de CDA-fractie hechten er aan te benadrukken dat het een CDA-amendement was op het wetsvoorstel Wet op de orgaandonatie, waarmee een verbod tot stand is gekomen om bestanddelen van een menselijke vrucht te gebruiken voor transplantatiedoeleinden. Zij herinneren de regering er aan dat hij aanvankelijk zich tijdens de plenaire behandeling van het wetsvoorstel Wet op de orgaandonatie tegen het genoemde amendement verzette. De overwegingen waarop dat verzet was gebaseerd, verschillen in de ogen van de leden van de CDA-fractie niet wezenlijk van de argumenten die nu kennelijk aanleiding vormen voor het indienen van het voorliggende wetsvoorstel. Ook toen werd voorgehouden dat het volledig uitsluiten van de menselijke vrucht te ver zou gaan, omdat er mogelijk in de toekomst, misschien zelfs in de nabije toekomst, heel zinvolle geneeskundige toepassingen denkbaar zijn. (Handelingen, TK 94, 29 juni 1995, blz. 5702) In dat verband werd ook toen de ziekte van Parkinson genoemd. Nu, vier jaar later moet vastgesteld worden dat de resultaten van de transplantatie van foetaal weefsel bij de mens nog lang niet bevredigend zijn. Ook de behandeling van het syndroom van Di George is geen nieuwe ontwikkeling sinds de behandeling van het wetsvoorstel Wet op de orgaandonatie; sinds eind jaren zestig is de behandeling in Nederland enkele malen toegepast. Kortom, de leden van de CDA-fractie zijn, ondanks het pleidooi van de zeven genoemde organisaties en het rapport van de Gezondheidsraad van december 1997 nog niet overtuigd van het feit dat de stand van de wetenschap, vier jaar na het CDA-amendement, nu zo ver is gevorderd dat de verbodsbepaling daadwerkelijk de ontwikkeling van een veelbelovende toepassing in de weg staat. Zij nodigen de regering dan ook uit tot het geven van een nadere toelichting.

Het is de leden van de CDA-fractie niet ontgaan dat ook de regering van opvatting is dat regeling van het onderwerp in het in voorbereiding zijnde wetsvoorstel inzake handelingen met geslachtscellen en embryos voor de hand zou liggen. Uiteindelijk is toch gekozen voor een ad-hoc voorstel van wet, welke dan later mogelijk ingepast gaat worden in het thans in voorbereiding zijnde wetsvoorstel. Deze leden betreuren deze gang van zaken. Nu is geen integrale afweging mogelijk, terwijl er een direct verband ligt met het in voorbereiding zijnde wetsvoorstel. Gedacht kan daarbij onder meer worden aan de status van het embryo. Op een desbetreffende vraag bij de schriftelijke voorbereiding van de behandeling van de begroting VWS 1999 (TK, 1998-1999, 26200 XVI, nr. 5, vraag/antwoord nr. 112) werd aangegeven dat naar huidige verwachting het wetsvoorstel inzake handelingen met geslachtscellen en embryos eind 1999 bij de Tweede Kamer zal kunnen worden ingediend. Het ontgaat deze leden waarom niet alle inspanningen er op gericht zijn geweest daadwerkelijk eind 1999 met een integrale regeling te komen. Die paar maanden, zo redeneren de leden van de CDA-fractie, hadden in dat verband ook zeker geen onoverkomelijke bezwaar kunnen zijn. Sterker nog, het moet nu niet uitgesloten worden geacht dat de parlementaire behandeling van beide wetsvoorstellen deels parallel zal lopen. Dit wordt anders, indien de regering voor de zoveelste maal de termijn waarop naar verwachting het wetsvoorstel Wet inzake handelingen met geslachtscellen en embryos bij de Kamer aanhangig zal worden gemaakt, zal overschrijden. Is eind 1999 nog steeds haalbaar, zo vragen deze leden, en zo ja, waarom is daar dan niet op gewacht, gelet op de voorkeur die ook de regering, getuige de memorie van toelichting, heeft voor een integraal wetsvoorstel? Op welke termijn wordt nu indiening van het wetsvoorstel Wet inzake handelingen met geslachtscellen en embryos bij de Kamer verwacht en hoe hard is die toezegging? De leden van de CDA-fractie wijzen in dat verband ook nog op een begeleidende brief van de regering d.d. 15 december 1997 aan de Kamer bij het advies van de Gezondheidsraad betreffende transplantatie van foetaal weefsel, waarin staat: deze termijn (gesteld door de Kaderwet adviescolleges) stelt mij in de gelegenheid deze beslissing (op het advies) in samenhang met de voorgenomen inhoud van het wetsvoorstel inzake handelingen met geslachtscellen en embryos te bezien.

De leden van de CDA-fractie hebben er kennis van genomen dat de aanvaarde behandelmethode, zijnde de transplantatie van foetaal thymusweefsel bij een bepaalde categorie van patiënten met het syndroom van Di George sinds eind jaren zestig enkele malen in Nederland is toegepast. Hoe is zulks te rijmen met het verbod zoals dat thans geldt, zo vragen deze leden de regering. Is bekend of toepassing ook de laatste jaren heeft plaatsgevonden? Hebben eventueel andere toepassingen dan bij het syndroom van Di George plaatsgevonden inzake het gebruik van foetaal weefsel?

Het is de leden van de CDA-fractie opgevallen dat in de tekst van de memorie van toelichting op geen enkele wijze aandacht wordt besteed aan mogelijk veelbelovende alternatieven voor bijvoorbeeld de huidige transplantatiepraktijk van foetaal hersenweefsel. Gedacht kan daarbij worden aan xenografting, het experimenteren met cellijnen of het implanteren van donorcellen. Ook in het advies van de Gezondheidsraad van december 1997 wordt onder het kopje nieuwe ontwikkelingen gewezen op alternatieven voor foetaal weefsel, waaronder xenotransplantaten en genetisch gemodificeerde autologe niet-neurale cellen. Over xenotransplantatie zal de Kamer overigens naar verwachting begin december a.s. met de regering nader van gedachten wisselen. Bij succes van die alternatieven zou de afhankelijkheid van de behandeling van patiënten met foetaal weefsel van abortus provocatus kunnen worden opgeheven. Waarom wordt aan mogelijke alternatieven, en dan niet alleen ten aanzien van de ziekte van Parkinson zoals hiervoor bij wijze van voorbeeld gebruikt, geen aandacht besteed, zo vragen de leden van de CDA-fractie, waarom die eenzijdige benadering en nodigen de regering uit dit alsnog te doen. Indien goede alternatieven op enig moment voorhanden zouden blijken te zijn zou de regering dit dan prefereren boven een transplantatiepraktijk van foetaal weefsel? Kan worden bevestigd dat in de VS de toenmalige regering-Bush in 1988 heeft besloten tot een subsidie-moratorium op alle onderzoek naar gebruik van foetaal weefsel afkomstig van abortus provocatus en dat dit geleid heeft tot een verhoogde onderzoeksactiviteit in andere (alternatieve) richtingen? Is bekend c.q. wil de regering nagaan op grond van welke motieven de regering-Bush toendertijd dat besluit heeft genomen? Een verbod overigens, dat later door de regering-Clinton is opgeheven.

Terbeschikkingstelling van foetaal weefsel vindt thans voornamelijk plaats, getuige de memorie van toelichting, voor wetenschappelijke doeleinden. Wordt het protocol voor het desbetreffende wetenschappelijk onderzoek vooraf aan een ethische toetsing onderworpen? Wie stelt daarvoor welke regels op? Zo neen, waarom niet en acht de regering het al dan niet wenselijk en noodzakelijk dat dit wel plaatsvindt wanneer het gaat om foetaal weefsel? Gedragsregels om te komen tot uniforme gedragsregels voor de terbeschikkingstelling van foetaal weefsel worden thans opgesteld door het Nederlands Genootschap van Abortusartsen. De leden van de CDA-fractie stellen vast dat zulks plaatsvindt alvorens het gemeen overleg tussen regering en Staten-Generaal over het voorliggende wetsvoorstel is afgerond, sterker nog, terwijl de thans vigerende Wet op de orgaandonatie het ter beschikking stellen van foetaal weefsel zelfs verbiedt. Hoe is het een met het ander te rijmen, zo vragen deze leden. Wordt van de zijde van de regering überhaupt nog waarde gehecht aan een inhoudelijk overleg met de Staten-Generaal of gaat zij er reeds bij voorbaat vanuit dat het voorliggende wetsvoorstel ongewijzigd het Staatsblad zal bereiken? Nu deze gedragsregels kennelijk een aanvulling vormen op de regeling van het voorliggende wetsvoorstel, klemt de vraag bij de leden van de CDA-fractie, op welke punten dit een aanvulling betreft, of daarbij aanvullende normstelling van de zijde van deze beroepsgroep(en) plaatsvindt en door wie de betreffende gedragsregels worden getoetst? Waarop baseert de regering zijn oordeel dat deze gedragsregels () het draagvlak voor de regeling zullen verstevigen.? Is er in het kader van het creëren van draagvlak van tevoren overleg geweest met organisaties in de zorg en zo ja, met welke en wat waren daarvan de uitkomsten?

Is de regering van oordeel dat beschikbaarstelling en gebruik van foetaal weefsel ten behoeve van onderzoek onder alle omstandigheden gescheiden dient te worden gehouden, zo vragen de leden van de CDA-fractie en zo neen, waarom niet? Het niet gescheiden houden kan immers makkelijk het beeld oproepen van het instrumenteel omgaan met menselijk leven in wording. Een instrumenteel gebruik, dat de regering, getuige de memorie van toelichting, nu juist wil tegengaan. Uit de tekst van de memorie van toelichting hebben deze leden bedoelde scheiding tussen handelingen die gerelateerd zijn aan de abortus provocatus en die welke gerelateerd zijn aan het gebruik niet op kunnen maken. Zien deze leden dat goed, zo vragen zij de regering. Kan voorkomen worden dat vanuit het gebruikerscircuit directe of indirecte invloed zal uitgaan op de uitvoering van de abortus? Kan bevestigd worden dat er nu in het buitenland reeds sprake van invloed zou zijn op de wijze van uitvoering van de abortus in die zin dat met het oog op het latere gebruik de zuigkracht tijdens de curettage zoveel mogelijk wordt geminimaliseerd en ook andere wijzen van het uitvoeren van abortus worden overwogen waardoor het mogelijk zou zijn nagenoeg geheel intacte foetussen te verkrijgen? Deelt de regering de opvatting dat voorkomen moet worden dat de toe te passen abortustechnieken mogelijk meer bepaald gaan worden door overwegingen in verband met het gebruik van foetaal weefsel dan door het belang van de vrouw en kan een strikte scheiding zoals hierboven bedoeld daaraan tegemoet komen?

In een artikel in het blad van de Gezondheidsraad, - Graadmeter, jaargang 3, nr. 7, 1987-, met als titel Gebruik van hersenloze kinderen als orgaandonor? wordt opgemerkt dat Nederland voorop loopt, wat het tempo van meningsvorming betreft. Loopt Nederland nog steeds voorop, zo vragen de leden van de CDA-fractie, en welke verklaring bestaat daarvoor in de ogen van de regering. Wat is de stand van zaken op het gebied van wetgeving terzake op dit moment binnen de Europese Unie en welke keuzen zijn daarbij door de diverse lidstaten gemaakt? Wat is in dat kader in de ogen van de regering de visie op harmonisering van wetgeving en welke stappen worden c.q. zijn door de regering in dat verband gezet?
De leden van de CDA-fractie herinneren aan berichten in De Telegraaf van 28 en 31 augustus 1993, waaruit blijkt dat Nederlandse bedrijven werden benaderd door Russen die foetussen willen verkopen met de onterechte bewering dat gemalen embryo een geneesmiddel tegen het syndroom van Down zou zijn. In het kader van dat artikel wordt door het ministerie van VWS te kennen gegeven dat de invoer van foetussen naar Nederland niet verboden is. Deze leden willen graag vernemen of met het voorliggende wetsvoorstel invoer van foetussen tot de mogelijkheden blijft behoren of dat tot een verbod zal worden overgegaan? Een artikel in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde 137 (1993), 17, blz. 1369 wijst er op dat de grootste abortuskliniek van Moskou een contract heeft getekend met een kliniek in het Amerikaanse Santa Barbara voor de levering van foetaal weefsel. In Russische ziekenhuizen worden jaarlijks 1,6 miljoen abortussen verricht en er is geen wet die het gebruik van foetaal weefsel beperkt. In de meest Russische abortusklinieken moeten vrouwen hun abortus zelf betalen, maar in de desbetreffende Moskouse kliniek waar het foetale weefsel van wordt betrokken, is de ingreep gratis. Het kan toch niet zo zijn dat elders vrouwen zich al dan niet voor geld laten aborteren, waarna de geaborteerde foetus of weefsel daarvan in ons land kan worden ingevoerd, zo vragen de leden van de CDA-fractie.

In het kader van het hiervoor besproken element van scheiding tussen terbeschikkingstelling en gebruik enerzijds en de toestemming van de vrouw anderzijds wensen de leden van de CDA-fractie aandacht te vragen voor een reactie van W. Meuffels van Stade-FIOM op het uitkomen van het voorliggende wetsvoorstel, zoals gepubliceerd in De Volkskrant van 8 juli j.l., die opmerkt: In de afweging bij een abortus is de vraag nooit wat er met de foetus gebeurt. Als een vrouw te horen krijgt dat de foetus wordt vernietigd, is dat geen prettige boodschap. Ik kan me voorstellen dat zij in haar besluit kan worden geholpen als ze weet dat er nog iets goeds mee gedaan kan worden. Wat is het oordeel over deze uitspraken, zo vragen deze leden de regering en sluit het voorliggende wetsvoorstel deze gang van zaken uit? Zelfs in de volgorde dat de vrouw ruimte wordt gelaten eerst de abortusbeslissing te nemen en haar pas daarna wordt gevraagd om toestemming van het gebruik van haar foetus, kan in het denken van de vrouw zeer goed de mogelijkheid van gebruik al een rol hebben gespeeld. Graag een reactie van de regering.

Rondom het vraagstuk van de zeggenschap wordt in De Volkskrant van 8 juli j.l. in reactie op het voorliggende wetsvoorstel door Th. Boer, senior-onderzoeker bij het Centrum voor bio-ethiek en gezondheidsrecht gezegd dat het hem persoonlijk minder logisch lijkt de ouders zeggenschap te geven over hetgeen met de geaborteerde vrucht moet gebeuren. Het besluit om te aborteren was al problematisch. Om daar een tweede problematische keuze bovenop te leggen, lijkt me onjuist. Met het besluit tot abortus hebben de ouders de relatie met de vrucht verbroken. Dan moeten ze daar ook geen zeggenschap meer over willen. Met andere woorden aan de beslissing tot abortus ligt de weigering om het moederschap c.q. ouderschap te aanvaarden ten grondslag en het is in dat licht gezien niet logisch om, ondanks deze weigering, de moeder
c.q. de ouders toch nog te laten optreden als vertegenwoordigers die het welzijn van de foetus zouden moeten nastreven. Wat is de visie van de regering over deze opvatting, mede in het licht van het in het wetsvoorstel voorgestelde vereiste van informed consent?

De leden van de CDA-fractie vragen of bekend is welke effecten het wetenschappelijk gebruik van foetaal weefsel kan hebben voor de vrouw. Zij hebben kennis genomen van de uitspraken van D. Schipper, medisch directeur van abortuskliniek Bloemenhove in Heemstede, zoals gepubliceerd in De Volkskrant van 8 juli j.l. Hij is van opvatting dat het voor de vrouw een hele stap is om af te zien van zwangerschap. Het betekent duidelijk een afscheid. Een geaborteerde vrouw wil daaraan geen vervolg meer geven. In dat licht gezien denkt hij dat een verzoek om wetenschappelijk gebruik van de foetus de mensen in een morele dwangsituatie kan bren-gen. Zou de vrouw toch toestemming geven, dan komt zij voor een onafgewerkt rouwproces te staan. Ik wil de vooruitgang niet tegenhouden, maar ik vrees wel dat een geaborteerde vrouw er in haar rouw-proces problemen mee kan krijgen. In de ogen van deze leden moeten deze vrouwen hun toestemming om foetaal weefsel ter beschikking te stellen dan weigeren, maar impliciet gaat genoemde medisch-directeur er kennelijk van uit dat het voor de betrokken vrouwen moeilijk zal zijn om die toestemming te weigeren. Kennelijk zijn er gronden om aan te nemen dat de vrouw in haar vrijheid om te weigeren kan worden belemmerd c.q. zij onder morele druk kan worden geplaatst door bijvoorbeeld onevenredige nadruk op het belang van de toepassing. De leden van de CDA-fractie vragen over deze uitspraken van een deskundige bij uitstek op het gebied van het afbreken van zwangerschappen en de mogelijke effecten daarvan voor de betrokken vrouwen het oordeel van de regering. Is dit gevolg voorzien en is daarmee bij het opstellen van het voorliggende wetsvoorstel voldoende rekening gehouden, zo vragen zij voorts, en zo ja, op welke wijze is daaraan in de wettekst uitdrukking gegeven.

Reeds eerder in hun bijdrage hebben de leden van de CDA-frac-tie aandacht gevraagd voor een scheiding tussen terbeschik-kingstelling en gebruik. Zij delen de opvatting dat ongeoorloofde beïnvloeding van de vrouw moet worden tegengegaan. In dat verband verbaast hun de zinsnede dat ongeoorloofde beïnvloeding zoveel mogelijk moet worden voorkomen. Licht wordt hiermee gesuggereerd dat ongeoorloofde beïnvloeding niet altijd kan worden voorkomen. De leden van de CDA-fractie wensen de verzekering van de zijde van de regering dat ongeoorloofde beïnvloeding in een precaire kwestie als welke het hier betreft onder alle omstandigheden wordt voorkomen. Temeer, gelet ook op de neveneffecten zoals die volgens de medisch-directeur van de Bloemenhovekliniek bij vrouwen kunnen optreden en waarvoor hierboven reeds nadrukkelijk aandacht is gevraagd. De leden van de CDA-fractie willen er voor pleiten dat de arts die in een kliniek bij de indicatiestelling tot abortus betrokken is, niet dezelfde dient te zijn als de onderzoeker c.q. de gebruiker. In hun ogen wordt daardoor een extra waarborg geschapen tegen ongeoorloofde beïnvloeding. Kan en wil de regering dit plei-dooi ondersteunen, zo vragen de leden van de CDA-fractie, en is hij bereid middels een nota van wijziging daaraan in de tekst van de wet gestalte te geven? Zo neen, op welke andere wijze, anders dan hetgeen nu in de wettekst van het voorliggende wetsvoorstel is opgenomen, denkt hij te waarborgen dat ongeoorloofde beïnvloeding wordt tegengegaan?

De leden van de CDA-fractie hebben er kennis van genomen dat een verzoek om toestemming voor het gebruik van het foetale weefsel niet eerder mag worden gedaan dan op het moment dat de vrouw haar besluit definitief heeft genomen en de besluitvorming derhalve verkeert in het stadium van nadere afspraken over het moment van de behandeling. Deze leden gaan er vanuit de Inspectie voor de Volksgezondheid belast zal zijn met het toezien op de naleving van deze eis, die in de door de instellingen op te stellen reglementen zal moeten worden opgenomen. Zoals bekend heeft de Inspectie echter in het kader van de Wet afbreking zwangerschap geen inzicht in de (geanonimiseerde) motivering op grond waarvan in het gesprek tussen vrouw en arts uiteindelijk besloten wordt over te gaan tot het afbreken van de zwangerschap en het moment dat het besluit wordt genomen, omdat de regering een stelsel van (geanonimiseerde) registratie van motieven voor afbreking van de ongewenste zwangerschap noodzakelijk noch wenselijk acht. Effectieve controle is dan ook moeizaam. Op welke wijze zal nu de handhaving en controle van bedoelde eis concreet en daadwerkelijk gestalte krijgen, zo vragen de leden van de CDA-fractie, en hoe effectief kan die controle en handhaving door de Inspectie straks zijn?

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het feit dat het verboden is weefsel te verwijderen uit een nog in leven zijnde menselijke vrucht. Toch willen deze leden nadrukkelijk aandacht vragen voor de situatie wanneer de foetus met levenstekenen ter wereld komt, en met name de korte tijd tussen het tijdstip van abortus en het moment waarop die levenstekenen zijn verdwenen. Hoe wordt naar het oordeel van de regering en volgens de systematiek van het voorliggende wetsvoorstel met deze foetussen omgegaan en welke handelwijze is in dat verband dan nog geoorloofd, zo vragen deze leden de regering indringend. Wat is thans de (wettelijke) status van levende foetussen die door abortus provocatus ter wereld zijn gekomen? Is er spraken van een wettelijke bescherming? Hoe wordt daarmee thans door artsen in de abortuspraktijk van elke dag mee omgegaan? Deze leden nemen in ieder geval aan dat ten aanzien van de niet zelfstandig levensvatbare vrucht geldt dat hij niet mag worden gedood, dat ook geen cellen of weefsel mag worden afgenomen en hij ook niet aan experimenten mag worden bloot gesteld. Welke rechtsbescherming zou hier in de visie van de regering moeten gelden?
In dit verband vragen de leden van de CDA-fractie ook of en zo ja, op welke wijze de dood bij een zojuist overleden foetus wordt vastgesteld? Uit het advies van de Gezondheidsraad uit 1984 blijkt dat het mogelijk is in dat geval de activiteit van de hersenstam te testen. Deze leden hebben echter ook moeten vaststellen dat daarbij geen aandacht is besteed aan de mogelijke schijnbare afwezigheid van levenstekenen, inclusief reflexen door andere oorzaken, zoals mogelijke onderkoeling van de foetus als oorzaak van de afwezigheid van levenstekenen, dan hersenstamdood. Heeft de regering hiervoor een verklaring en wil zij een beschouwing geven over het vaststellen van de dood van de foetus nu in het voorliggende wetsvoorstel is bepaald dat het verboden is weefsel te verwijderen uit een nog in leven zijnde menselijke vrucht. Ook hier ontvangen de leden van de CDA-fractie graag de opvatting van de regering over de wijze waarop door de Inspectie concreet invulling zal worden gegeven aan een effectieve controle en handhaving op met name ook dit onderdeel van het voorliggende wetsvoorstel?

Deze leden herinneren de regering er aan dat hij bij gelegenheid van het plenaire debat in deze Kamer over het wetsvoorstel orgaandonatie in zijn motivering om het volledig uitsluiten van de menselijke vrucht voor gebruik te voorkomen nadrukkelijk het voorbeeld heeft genoemd van de transplantatie van hersencellen ten behoeve van patiënten die lijden aan de ziekte van Parkinson. De leden van de CDA-fractie willen graag weten of, indien totale hersendood het doodscriterium is, transplantatie van hersendelen/-cellen überhaupt nog mogelijk en zinvol kan zijn?

II Artikelsgewijs.

Artikel 1
De leden van de CDA-fractie vernemen graag van de regering op grond van welke overwegingen hij is gekomen tot de voorgestelde definitie van het begrip menselijke vrucht. Ook willen deze leden graag weten of zwangerschapsweefsel en cellijnen van embryonale of foetale herkomst onder het begrip menselijke vrucht vallen. Graag een gemotiveerd antwoord van de zijde van de regering. Deze leden hebben kennis genomen van de opvatting van de Gezondheidsraad in zijn rapport van december 1997 dat de Wet op de orgaandonatie in het midden laat of het is toegestaan menselijk of dierlijk weefsel bij proefdieren te implanteren met het doel technieken voor de transplantatie van menselijk foetaal weefsel bij mensen te ontwikkelen. Wat is de visie hierop van de regering, met name op het onderdeel van het implanteren van menselijk weefsel bij proefdieren?

Artikel 3
De leden van de CDA-fractie hebben vastgesteld dat het bewaren en gebruiken van het foetaal weefsel geen doorgang vindt, indien daartegen bezwaar is gemaakt door de echtgenoot, geregistreerd partner of andere levensgezel. Zien deze leden het goed, zo vragen zij de regering, dat ook indien de vrouw toestemming heeft verleend voor het bewaren en gebruiken zulks geen doorgang vindt als bezwaar is kenbaar gemaakt door de echtgenoot, geregistreerd partner of andere levensgezel? Wordt echtgenoot, geregistreerd partner of andere levensgezel ook verplicht en actief gevraagd of hij bezwaren heeft tegen bewaren en gebruiken en zo nee, op welke wijze moet het bezwaar dan kenbaar worden gemaakt en op welk moment? Is de regering bereid het daarheen te leiden dat ook de echtgenoot, geregistreerd partner of andere levensgezel de gedagtekende toestemmingsverklaring, zoals bedoeld in lid 1, mee ondertekend? Zo neen, welke bezwaren verzetten zich daartegen?

Artikelen 5 en 6
De leden van de CDA-fractie stellen vast dat in het tweede lid is bepaald dat de vrouw te allen tijde, zonder opgaaf van redenen, haar verleende toestemming kan intrekken. In het derde lid wordt echter bepaald dat een uitzondering geldt daar waar het gaat om foetaal weefsel dat niet kan worden herleid tot degene die het ter beschikking heeft gesteld. Daarnaast wordt aansluitend in artikel 6 bepaald dat foetaal weefsel in beginsel niet zodanig bewaard wordt dat het herleid kan worden tot de vrouw of haar echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel. De leden van de CDA-fractie kunnen op grond hiervan niet tot een ander oordeel komen dan dat het te allen tijde intrekken van de toestemming door de vrouw slechts in beperkte gevallen daadwerkelijk geëffectueerd kan worden. Zien zij dat goed, zo vragen zij de regering, en verdient het geen overweging de regeling zo in te richten dat het foetaal weefsel in beginsel herleidbaar is teneinde te voorkomen dat de bepaling van het intrekken van de toestemming feitelijk een dode letter in de wet zal blijken te zijn?

Artikel 6
De leden van de CDA-fractie hebben kennis genomen van het feit dat in dit artikel de mogelijkheid wordt gecreëerd voor de regering om middels een AmvB nadere regels te stellen betreffende de inhoud en wijze van totstandkoming van een door instellingen op te stellen reglement betreffende de wijze waarop en de termijn gedurende welk foetaal weefsel bewaard moet worden. Deze leden willen graag van de regering vernemen wanneer hij de tijd gekomen acht om bedoelde AmvB in het leven te roepen? Welke termijn wordt gegeven voor het opstellen van bedoeld reglement? Nu de regering zonodig bij AmvB zelf nadere regels kan stellen en de reglementen op hun inhoud zullen toetsen, gaan deze leden er vanuit dat de regering thans reeds een afgerond beeld heeft van de inhoud van deze nadere regels en vragen hem deze met de Kamer te willen delen. Zal voor bedoelde AmvB de voorhangprocedure worden gehanteerd?

Woordvoerder: Drs. C.I.J.M. Ross-van Dorp

Deel: ' Reactie CDA op wetsvoorstel Wet foetaal weefsel '




Lees ook