Amsterdam, 14 juni 1999

Reactie Orbis op kabinetsvoorstel SUWI
Nieuwe opdrachtgevers vragen voldoende bevoegdheden en middelen

Sectoren, branches en grote werkgevers krijgen bij de invoering van SUWI de mogelijkheid zelf contracten te sluiten met uitvoeringsinstellingen sociale zekerheid, zoals Gak en Cadans. Of zij deze nieuwe rol als opdrachtgever ook daadwerkelijk op zich zullen nemen hangt sterk af van de vraag of zij voldoende bevoegdheden en middelen krijgen om deze rol ook waar te maken. Dat is de hoofdlijn van de reactie van Orbis, adviseurs sociale zekerheid, op het kabinetsvoorstel SUWI tijdens de vandaag gehouden hoorzitting in de Tweede Kamer.

Orbis gaf zijn reactie vanuit zijn rol als beleidsadviseur van sectorraden, branche- en werknemersorganisaties en ondernemingen in de sectoren cultuur, media, handel en zakelijke dienstverlening op het gebied van sociale zekerheid, arbozorg en arbeidsmarktbeleid. Hieronder de reactie van Orbis.

SUWI geeft sectoren, branches en grotere ondernemingen op vrijwillige basis de mogelijkheid als opdrachtgever van de uitvoeringsinstelling op te treden. Dat zien wij als een positieve ontwikkeling. Dit past in de ontwikkeling dat risico's en verantwoordelijkheden bij sociale verzekeringen steeds meer terechtkomen bij ondernemingen en sectoren. En het past ook in het streven naar marktwerking.

Uit een peiling die wij onder branche- en werknemersorganisaties hielden bleek driekwart interesse te hebben om als opdrachtgever de uitvoeringsinstelling actief aan te sturen, bijvoorbeeld bij de ontwikkeling van reïntegratiebeleid. Of zij deze rol ook daadwerkelijk op zich zullen nemen hangt af van de vraag of zij voldoende bevoegdheden en middelen zullen hebben om deze rol waar te maken.

Experimenteren is nodig

De huidige ervaringen van de sectorraden zijn dat de ontwikkeling naar dat decentrale opdrachtgeverschap - onder het regime van OSV '97, waarbij het Lisv de formele opdrachtgever is en sectorraden de materiële opdrachtgever - stagneert. Dit staat in contrast met de situatie bij de opdrachtnemers. Momenteel zien we dat de uitvoeringsinstellingen zich in snel tempo voorbereiden op de invoering van marktwerking. Zoals bekend werken uitvoeringsinstellingen nauw samen met onder andere financiële dienstverleners en Arbodiensten bij de ontwikkeling van één loket voor de toekomstige opdrachtgevers. Willen opdrachtgevers straks goed geëquipeerd zijn, dan is belangrijk dat zij de gelegenheid krijgen zich op hun nieuwe taken voor te bereiden en daarmee te experimenteren. Illustratief is in dit verband de abrupte invoering van WULBZ, waardoor met name de aansturing van de Arbodiensten zeer moeizaam van de grond is gekomen.

Het experimenteren met nieuwe taken als opdrachtgever is voor sectoren ook van belang om helderheid te krijgen over de gewenste schaalgrootte van dat opdrachtgeverschap. De benedengrens wordt nu gelegd bij ondernemingen met meer dan 100 werknemers. Dat zou kunnen leiden tot te grote versnippering. Naar alle waarschijnlijkheid zullen de grote ondernemingen zelf opdrachtgever worden. Voor het MKB is de schaalgrootte van het opdrachtgeverschap problematischer. Zeker met het oog op de ontwikkeling van reïntegratiebeleid is een zekere schaalgrootte vereist. Ons advies is de lat zeker niet lager dan 100 werknemers te leggen, maar eerder hoger.

Afstemming regionaal en sectoraal beleid

Het accent bij de nieuwe uitvoering komt te liggen op regionaal arbeidsmarktbeleid. Dit is vanuit de aanbodzijde van de arbeidsmarkt een logische keuze.
De vraag naar werk is echter niet zozeer regionaal, maar sectoraal bepaald. Geredeneerd vanuit de vraag naar arbeid zijn beroepskwalificaties belangrijker dan de regionale herkomst van de kandidaat. Geredeneerd vanuit het aanbod is plaatsing het doel, ongeacht in welke sector. Dat betekent dat er een goede afstemming moet plaatsvinden tussen regionaal en sectoraal beleid. Het efficiënt inzetten van reïntegratiemiddelen en afstemming tussen onder meer inzet van regionale trajecten, sectorale O&O-fondsen en CAO-afspraken zijn een niet te onderschatten factor bij het welslagen van reïntegratie.

Dit overleg zal volgens SUWI plaats kunnen vinden in regionale overlegplatforms. In het huidige voorstel hangen deze platforms naar onze mening teveel in het luchtledige. Ze zijn niet helder ingebed in de hiërarchische lijn tussen LIWI en CWI. De platforms hebben ook geen bevoegdheden richting CWI bij de invulling van de regionale beleids- en middelencoördinatie. Deze opzet van de platforms, waarbij tal van ongelijksoortige partijen in dit overleg participeren, zal naar wij vrezen leiden tot ongestructureerd en vrijblijvend overleg, met als gevolg dat partijen langs verschillende kanalen en zonder afstemming reïntegratie-activiteiten zullen ontwikkelen.

Een oplossing kan zijn deze platforms in te bedden in de CWI+ kantoren en taken, bevoegdheden en samenstelling duidelijk te regelen. In deze platforms zouden naar onze mening in ieder geval de sectorale sociale partners moeten participeren. Via accountafspraken tussen (grote) sectoren en het CWI+ kantoor kan beter recht worden gedaan aan de balans tussen regio en sector. Ook wordt zo een voldoende groot schaalniveau bereikt: voor het maken van werkbare regionale afspraken is immers enige massa aan de kant van de arbeidsvraag een vereiste.

Een dergelijke invulling sluit ook beter aan bij bestaande sectorale initiatieven om sector en regio beter op elkaar aan te laten sluiten. Zo hebben onder andere de sectoren detailhandel en groothandel de laatste jaren daadwerkelijk en met succes regionaal arbeidsmarktbeleid ontwikkeld. De sector, de uitvoeringsinstelling en Arbeidsvoorziening maken per regio afspraken over knelpunten en de inzet van middelen.

Niet alles regionaal organiseren

Een dergelijke aanpak werkt overigens niet voor alle sectoren. Met name in de culturele, maar ook in de audiovisuele sector, zou voor een groot deel van de populatie een regionaal arbeidsmarktbeleid een aanzienlijke beperking van hun potentiële werkterrein betekenen. Afhankelijk van de discipline kan hun markt het hele land, een deel van het buitenland tot in principe zelfs de hele wereld omvatten. Een toneelacteur kan in het hele Nederlandse taalgebied arbeidsmogelijkheden aantreffen, de balletdanser, dirigent, musicus is zelfs aan die beperking niet gebonden. En ook een sector als het kermiswezen opereert tegenwoordig tot in het Midden-Oosten. Voor de audiovisuele sector geldt hetzelfde.

Arbeidsvoorziening is aan die brede spreiding al enkele jaren geleden tegemoet gekomen door voor de sector cultuur het LBK in te richten, later met de av-branche uitgebreid tot Landelijk Bureau Kunsten en Media (LBK/m). Gak Nederland is eveneens tot de conclusie gekomen dat een landelijke aansturing vereist is en heeft daarom twee regiekantoren ingericht: één voor cultuur in Amsterdam, één voor audiovisueel in Hilversum. Want in zoverre is er wel sprake van een regionale concentratie: de (inter)nationaal verrichte werkzaamheden worden wel vanuit genoemde regio's als uitvalbasis ondernomen. De regionale aanpak via de Centra voor Werk en Inkomen mag geen beletsel zijn om voor dergelijke sectoren werkzaamheden te concentreren.

Reïntegratiebudget aan opdrachtgevers toekennen

De nieuwe opdrachtgevers zijn verplicht met één uitvoeringsinstelling in zee te gaan. Die voert ook de reïntegratietaken uit en krijgt daarvoor via het LIWI in de vorm van trekkingsrechten de beschikking over reïntegratiebudget. De toekenning van dit budget aan de uitvoeringsinstelling staat op gespannen voet met het streven naar marktwerking. Door het reïntegratiebudget aan de uitvoeringsinstelling toe te kennen kan de ongewenste situatie ontstaan dat de uitvoeringsinstelling reïntegratiebedrijven die opereren binnen het conglomeraat waartoe die uitvoeringsinstelling behoort een voorkeurspositie geeft. De uitvoeringsinstelling staat binnen deze opzet voor het dilemma dat zij twee heren moet dienen, het 'eigen' reïntegratiebedrijf en de opdrachtgever, en dat kan tot fricties leiden. Ook vertroebelt dit mogelijk het zicht op welke reïntegratie-activiteiten voor een bepaalde opdrachtgever worden uitgevoerd.

Met oog op de toekomstige marktwerking pleiten wij er daarom voor de reïntegratiebudgetten aan de opdrachtgevers toe te kennen. Marktwerking betekent dat de opdrachtgever moet kunnen bedingen welke reïntegratiebedrijven worden ingeschakeld, aan welke eisen die bedrijven moeten voldoen, welke reïntegratietaken zij verrichten en tegen welke prijs. Het toekennen van het reïntegratiebudget aan de opdrachtgevers versterkt hun positie ten opzichte van de uitvoeringsinstelling en geeft betere mogelijkheden om op output en efficiency te sturen.

Orbis is een onafhankelijk adviesbureau op het gebied van sociale zekerheid, arbeidsmarkt, arbozorg en personeelsbeleid. Orbis richt zich daarbij op de sectoren cultuur, informatie, media, handel en zakelijke dienstverlening. De voornaamste opdrachtgevers zijn momenteel de sectorraden in deze sectoren. Deze zijn samengesteld uit vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers en adviseren het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) hoe de uitvoering van de sociale verzekeringen kan worden afgestemd op de sectoren.

Meer informatie kunt u krijgen bij de Klaas J. van Noord, persvoorlichter Orbis, Wibautstraat 135-139, Amsterdam, tel. 020 - 591 19 90.

Deel: ' Reactie Orbis op kabinetsvoorstel SUWI '




Lees ook