Ministerie van Buitenlandse Zaken

https://www.minbuza.nl/content.asp?Key=420033


1 Inleiding



Dit bericht bevat een beschrijving van recente ontwikkelingen in Algerije sedert het ambtsbericht van 10 april 2000 en van een aantal specifieke deelonderwerpen, voor zover van belang voor de beoordeling van asielverzoeken en voor de beoordeling van de vraag of terugkeer van uitgeprocedeerde afgewezen asielzoekers verantwoord is .

In hoofdstuk twee worden met name de recente politieke ontwikkelingen geschetst, waarbij in het bijzonder wordt ingegaan op de resultaten van de amnestieregeling in het kader van de Concorde Civile. Hoofdstuk drie beschrijft de mensenrechtensituatie in Algerije. Hoofdstuk vier ten slotte gaat in op het beleid van andere westerse landen en UNHCR met betrekking tot terugkeer van uitgeprocedeerde Algerijnse asielzoekers. Het ambtsbericht wordt afgesloten met een samenvatting in hoofdstuk vijf.

Het onderstaande bericht is ontleend aan specifieke informatie van de Nederlandse vertegenwoordiging te Algiers. Deze informatie is gebaseerd op (een combinatie van) eigen waarneming, bevindingen van andere westerse ambassades, internationale organisaties en bronnen in de Algerijnse maatschappij. Daarnaast is gebruik gemaakt van (vertrouwelijke) rapportages van andere landen, alsmede publicaties van VN-organisaties en non-gouvernementele organisaties (NGO's). Bovendien is geput uit berichtgeving in de Algerijnse en internationale media. Voor een overzicht van gebruikte openbare bronnen zij verwezen naar de literatuurbijlage.


2 Landeninformatie



De politiek van nationale verzoening van president Abdelaziz Bouteflika heeft het afgelopen jaar niet de verwachte resultaten opgeleverd. Hoewel het gewapende conflict, dat Algerije al tien jaar teistert, geografisch beperkt is gebleven en een aantal gewapende islamisten de strijd heeft gestaakt, is van een oplossing van het conflict nog geen sprake. De hoop van de Algerijnse bevolking op een spoedig einde van het excessieve geweld lijkt te zijn vervlogen.

Op economisch terrein wordt beperkte voortgang geboekt. De hoge werkloosheid en de moeizame overgang van de centraal geleide economie naar een markteconomie maken dat onder de Algerijnse bevolking sociaal-economische onvrede heerst, hetgeen recentelijk, met name in Kabylië, manifest zichtbaar geworden is . Zowel het terrein van de binnenlandse veiligheid als het terrein van de economische hervormingen kenmerken zich door gebrek aan perspectief.

2.1 Politieke ontwikkelingen

Na de verkiezingen, in juni 1997, voor de Assemblée Populaire Nationale (APN, Majlis ech Chaabi al-Watani; vergelijkbaar met de Tweede Kamer) en de verkiezingen in oktober 1997 voor gemeenteraden en provinciale (Wilaya) besturen volgden de (getrapte) verkiezingen in december 1997 en december 2000 voor de Conseil de la Nation (Majlis al-Umma; vergelijkbaar met de Eerste Kamer) . De eerstvolgende lokale en parlementsverkiezingen (APN) zullen in 2002 plaatsvinden.

In april 1999 werd de huidige president Abdelaziz Bouteflika gekozen . Hij beloofde de Algerijnse gemeenschap verzoening om zodoende het land uit haar diepe crisis te kunnen halen. Sinds begin jaren negentig is Algerije immers verwikkeld in een strijd tussen gewapende islamisten en de overheid; een strijd die mogelijk aan meer dan honderdduizend personen het leven heeft gekost.

Na herhaald uitstel trad met ingang van 24 december 1999 een regering onder leiding van Ahmed Benbitour aan. Deze premier bleef slechts korte tijd aan. Reeds in augustus 2000 werd hij opgevolgd door Ali Benflis, de leider van de verkiezingscampagne van de president en vervolgens diens eerste adviseur. Ook enkele ministers, onder wie de minister van Buitenlandse Zaken, werden in augustus 2000 vervangen. Na de recente onlusten in Kabylië in april 2001 heeft de politieke partij Rassemblement pour la Culture et la Démocratie (RCD) zich uit onvrede over het harde politieoptreden uit de regering teruggetrokken. President Bouteflika voerde vervolgens opnieuw enige wijzigingen in zijn regering door (zie §3.4.4).

De gewapende tak van het Front Islamique du Salut (FIS), het Armée Islamique du Salut (AIS), kondigde op 1 oktober 1997 een eenzijdige wapenstilstand af. Het AIS liet in juni 1999 weten de opgeschorte strijd definitief te willen staken, waarop de regering een wetsvoorstel indiende teneinde tot een nationale verzoening te kunnen komen. Dit wetsvoorstel werd door het parlement als Loi relative au rétablissement de la Concorde Civile op 13 juli 1999 aangenomen. De algemene strekking van deze wet is op 16 september 1999 ter goedkeuring aan het volk voorgelegd middels een referendum. De bevolking steunde de plannen van president Bouteflika met grote meerderheid.

Gewapende islamisten die tot inkeer waren gekomen, konden gebruik maken van een amnestieregeling die op 13 januari 2000 afliep . Naar verluidt hebben enkele duizenden gewapende strijders daadwerkelijk gebruik gemaakt van dit aanbod. Bij gebrek aan transparantie van officiële zijde zijn echter geen nauwkeurige cijfers beschikbaar over het aantal personen dat gebruik heeft gemaakt van de regeling.

Aan de vooravond van het aflopen van de amnestiemaatregel bereikte de regering op 11 januari 2000 een akkoord met de leiding van het AIS over volledige amnestie van AIS-aanhangers op voorwaarde dat het AIS ontbonden zou worden . Ook de Ligue Islamique de la Dawaa et du Djihad (LIDD) heeft zich ontbonden. Deze gewapende groepering had zich in 1997 al bij het staakt-het-vuren van het AIS aangesloten.

President Bouteflika verleende eerder ter gelegenheid van de viering van de onafhankelijkheidsdag van Algerije op 5 juli 1999 duizenden gevangen islamisten gratie. Ook in november 1999, ter gelegenheid van de 45ste verjaardag van het begin van de Algerijnse vrijheidsstrijd en een jaar later in november 2000 verkregen duizenden gevangenen amnestie .

De radicale gewapende islamistische groeperingen GIA (Groupes Islamiques Armés) en GSPC (Groupe Salafiste pour la Prédication et le Combat, Da'wa wal Djihad) verwierpen het nationale verzoeningsplan van meet af aan en zetten de terreur voort . Deze gewapende groeperingen gebruiken excessief geweld in hun streven een islamitische heilstaat te vestigen . In de praktijk zijn de grenzen tussen ordinair banditisme en fundamentalistisch geïnspireerde moorden vaag en liggen naast politieke redenen ook onderlinge afrekeningen, banditisme, familievendetta's (bloedwraak), smokkel van drugs en strijd over bouwgronden en vruchtbare territoria ten grondslag aan de terreurdaden.

De GIA staan, naar wordt aangenomen, onder leiding van Antar Zouabri. De GIA zijn opgebouwd uit kleine, informele en voornamelijk autonome groepen, die verdeeld zijn onder enkele vleugels. De meeste leden, onder wie vele delinquenten of gangsters, zijn jong en worden aangevoerd door buurt-emirs. Zij zeggen te streven naar een islamitische heilstaat, stellen dat deze slechts met geweld kan worden bereikt en verwerpen de democratie. Iedereen die op enigerlei wijze betrokken is bij het regime in Algerije of dit regime ondersteunt, wordt beschouwd als een potentieel doelwit. Deze strategie betekende in feite een totale oorlogsverklaring aan de burgerbevolking, hetgeen leidde tot massaslachtingen, waarvan juist burgers, onder wie veel vrouwen en kinderen, het slachtoffer werden . Islamisten die zich in het kader van de Concorde Civile van het terrorisme hebben afgewend, de zogenaamde Repentis (berouwvollen) worden door de GIA als afvalligen beschouwd .

Gezien het bovenstaande is de aanvankelijke sympathie voor het gewapende fundamentalisme de afgelopen jaren sterk afgenomen en daarmee de steun vanuit de burgerbevolking. Bovendien ontstond er toegenomen bereidheid onder de bevolking om samen te werken met het leger en veiligheidsdiensten. Als reactie op het exorbitante geweld in de afgelegen gebieden die moeilijk te beschermen zijn, steunden de autoriteiten het zich wapenen van dorpelingen, die zich organiseerden in Groupes d'Autodéfense.

Gewelddadige confrontaties tussen rivaliserende facties binnen de GIA vanwege onenigheid over de te voeren strategie hebben een versplintering van de GIA, die uiteenvallen in nagenoeg autonoom opererende cellen, veroorzaakt. De GSPC, een afsplitsing van de GIA onder leiding van Hassan Hattab, zegt ongericht geweld tegen de burgers af te wijzen en gewapende acties voornamelijk op politie, leger en milities te richten.

Acties van de GIA vinden vooral in delen van het noordwesten en het centrum van het land plaats. De GSPC opereert voornamelijk ten oosten van Algiers, in Kabylië.

Terreurdaden vinden vooral plaats in (de buurt van) gebieden waar gewapende islamisten zich gemakkelijk kunnen terugtrekken, zoals in geografisch moeilijk toegankelijk terrein. Met name door snelle 'hit and run' acties uit te voeren blijken de gewapende islamisten, hoewel in getal sterk verminderd, bijzonder moeilijk grijpbaar.

President Bouteflika kondigde aan dat hij na het aflopen van de Concorde Civile (januari 2000) genadeloos tegenover de overgebleven gewapende islamisten zou optreden.

Enigeduizenden gewapende islamisten maakten, als gezegd, gebruik van de Concorde Civile-regeling. Er zouden echter eveneens nog rond de duizend terroristen actief gebleven zijn. De regering verhevigde na afloop van de Concorde Civile de strijd tegen de overgebleven gewapende groeperingen, onder meer door bombardementen uit te voeren en opdracht te geven tot het aansteken van gecontroleerde bosbranden. De overheid wist de overgebleven gewapende islamisten, die de steun van de bevolking ontberen, verder in het defensief te drukken. Desondanks zijn zij de afgelopen periode in staat gebleken terreuracties te blijven uitvoeren, zij het in geografisch beperkte gebieden .

Over de afgelopen periode valt het volgende patroon in af- en toename van het terroristische geweld waar te nemen.

In het voorjaar van 2000was een toename van terroristisch geweld te bespeuren als reactie op het offensief van het leger na afloop van de Concorde Civile .Nadien volgden in de zomermaanden relatief weinig aanslagen. In dit droge en hete zomerseizoen werden gelokaliseerde groepen van gewapende islamisten met bombardementen en gecontroleerde bosbranden uit hun schuilplaatsen verdreven. De gewapende islamisten lijken van de vakantiemaand augustus gebruik te hebben gemaakt om nieuwe uitvalsbases te vinden.

Vanaf september 2000 nam terroristisch geweld in aanloop naar de Ramadan eind 2000 weer toe . In de traditioneel gewelddadige Ramadanperiode vielen meer slachtoffers te betreuren dan het jaar ervoor .Er vonden zeer gewelddadige aanslagen plaats, waarbij over de gehele Ramadan-periode ruim driehonderd slachtoffers vielen . Ook hebben er overvallen plaatsgevonden die waren gericht op het verkrijgen van extra wapens en munitie.

Schattingen over het aantal dodelijke slachtoffers in het jaar 2000 variëren tussen de 2500 en 9000 personen .

In tegenstelling tot eerdere jaren toen na de Ramadanperiode het terroristische geweld afnam, bleef ook in januari en februari 2001 het dodelijk geweld met dezelfde intensiteit aanhouden, hetgeen breed werd uitgemeten in de Algerijnse pers . Als gezegd lijken de extreem gewelddadige acties van de gewapende islamisten mede te zijn ingegeven om te laten zien dat het gewelddadige islamisme niet overwonnen is. Een aanvullende reden voor het weer oplaaien van het geweld zou kunnen zijn dat een aantal Repentis,dat in het kader van de nationale verzoening van amnestie gebruik had gemaakt, in de tweede helft van 2000 zich weer heeft aangesloten bij de gewapende islamisten, omdat de burgerij weigert hen in haar midden te accepteren .

De veiligheidstroepen leken in maart/april aan een nieuw offensief te zijn begonnen waardoor de gewapende islamisten krachtiger werden bestreden . De laatste maanden is het aantal dodelijke slachtoffers onder de gewapende islamisten opvallend hoog geweest .

Hoewel de pers uitvoerig berichtte over het aanhoudende geweld, bleef het van de kant van de overheid aanvankelijk bijzonder stil. De pers verweet de regering en de president dat publiekelijk nimmer een woord van medeleven richting de nabestaanden werd uitgesproken. Tevens opvallend was het gebrek aan berichtgeving over de resultaten van gerichte acties en gegevens over de aantallen slachtoffers aan beide zijden en aan de kant van de burgerbevolking .

Eind december 2000 kwam daar enige verandering in toen de officiële nieuwsagentschappen berichten over de veiligheidssituatie die waren opgesteld door de staatsveiligheidsdienst, gingen uitzenden .

De Algerijnse bevolking lijkt moe van het geweld, maar tevens cynisch en pessimistisch te worden.Een jaar geleden, met het aflopen van de Concorde Civile, was er immers hoop dat met het slagen van dit plan de rust in het land zou weerkeren. Velen menen dat de politiek van nationale verzoening op een fiasco is uitgelopen en dat het effect van de politiek van president Bouteflika is weggeëbd, waarmee zijn positie beduidend instabieler is geworden . De Concorde Civile schiep de mogelijkheid om de spiraal van geweld te doorbreken, maar in de praktijk is dit niet geschied. Toch blijven de president en zijn regering vasthouden aan het succes ervan. De president heeft in januari 2001 nog verklaard dat amnestieverlening nog steeds mogelijk is, alhoewel de regeling al lang is verlopen.

Het grootste deel van het grondgebied van Algerije staat onder controle van de overheid . Het aanhoudende islamistische geweld heeft geen invloed op het dagelijkse leven in de Algerijnse steden. De veiligheidssituatie is daar in de afgelopen jaren duidelijk verbeterd. De beveiliging van de grote steden is effectief. Het leven in groot-Algiers en andere steden heeft zich het afgelopen jaar verder genormaliseerd .

Behalve de grote stedelijke gebieden zijn ook de steppen en woestijnzones naar het zuiden toe, alsmede de olievelden en industrieterreinen in het zuidoosten, praktisch van terrorisme gevrijwaard.

Door concentratie van politie en leger in en rond de grote steden, is er in de landelijke gebieden sprake van verminderde controle . Vooral daar blijven gewapende islamisten actief vanuit hun schuilplaatsen in geografisch moeilijk toegankelijke verzetshaarden. Kleine terroristische groeperingen plegen moorden en aanslagen na gedegen bestudering van de situatie voorafgaand aan de aanslag.

De gewapende islamisten maken gebruik van de duisternis en hun goede kennis van de situatie en het onherbergzame terrein, waarin zij zich direct na een aanslag kunnen terugtrekken.

2.2 Sociaal-economische situatie


In Algerije zijn politiek, veiligheid en economische ontwikkelingen onlosmakelijk met elkaar verbonden. Successen op veiligheidsterrein hangen mede af van de economische ontwikkelingen in het land. Immers, de wederopbouw van de economie, economische hervormingen en de daarmee gepaard gaande toenemende werkgelegenheid bieden hoop en uitzicht op een beter leven. Met name onder de jongeren lijkt er nauwelijks meer sprake te zijn van hoop. Moedeloosheid over het gebrek aan veranderingen heeft de laatste maanden plaats gemaakt voor sociale onlusten (zie § 2.2.3 en vooral §
3.4.4).

Vooralsnog zijn het evenwel de hoge olieprijzen en de informele sector die Algerije op de been houden . Het overgangsproces van een geleide economie naar een markteconomie verloopt moeizaam. Vele wetten zijn in de maak of praktisch afgerond, echter de politiek en le Pouvoir vertragen de invoering .

Opmerkelijk is de toename van het aantal vakantiegangers dat zuid-Algerije bezoekt. Georganiseerde reizen vanuit Frankfurt brengen de toeristen rechtstreeks naar het zuiden van Algerije zonder Algiers aan te doen.Nederland handhaaft voor toeristen naar Algerije nog immer een reisadvies .

De overheid is er tot op heden niet in geslaagd fundamentele sociale problemen als werkloosheid en woningnood adequaat aan te pakken . Algerije kent een officieel werkloosheidspercentage van bijna 30% . Het officieuze cijfer ligt eerder bij 50%. Voor personen onder de dertig jaar bedraagt de werkloosheid zelfs ongeveer 80%. Meer dan 20% van de bevolking leeft onder de armoedegrens .

Het aantal jongeren dat de school niet afmaakt (drop-outs) neemt toe . In 1999 stond 20% van de leerplichtige jeugd niet ingeschreven . Ten gevolge van de jarenlange gewapende strijd in Algerije zijn zo'n vijfhonderd scholen in landelijke gebieden verwoest en is het analfabetisme onder de bevolking toegenomen . De overheid heeft aangegeven het als een prioriteit te zien de verwoeste scholen weer op te bouwen.

Algerije is de afgelopen maanden in de greep van sociale onlusten geweest. Gewelddadige incidenten in april 2001 in Kabylië waren de aanleiding tot grootschalige onlusten (zie ook § 3.4.4). Hoewel de onrust aanvankelijk een etnisch Berberse aangelegenheid leek te zijn, is ook het Arabische deel van de bevolking er bij betrokken geraakt. De oorzaak moet worden gezocht in het grote onbehagen van de gehele bevolking over de slechte sociaal-economische prestaties van de staat. De sociale onrust heeft de laatste tijd meer aandacht opgeëist dan de strijd tussen de gewapende islamisten en de overheid.

De Algerijnse bevolkingssamenstelling is onevenwichtig. De economische groei heeft geen gelijke tred gehouden met de snelle bevolkingsgroei. Door het grote aantal Algerijnse jongeren is de demografische druk op het land enorm. Legio ontevreden jongeren willen het land het liefst verlaten. Sommigen zoeken aansluiting bij gewapende islamistische groeperingen. Er is sprake van een stijging van het aantal zelfmoorden.

Fundamentele sociale problemen hebben er in het verleden toe geleid dat gewapende islamisten uit een reservoir ontevreden jongeren, zonder perspectief op een betere toekomst, konden putten. De steun voor de gewapende islamisten vanuit de bevolking is de laatste jaren echter beduidend afgenomen. Het afgelopen jaar heeft de terugkeer van jonge Repentis in steden en dorpen tot spanningen geleid. Bij families van slachtoffers bestond onbegrip over hun terugkeer en onwil hen in hun midden op te nemen. Gezien de hoge werkloosheid onder jongeren bestond er ook angst voor extra concurrentie op de arbeidsmarkt. Nu anderhalf jaar na de afloop van de Concorde Civile gebleken is dat deze poging tot nationale verzoening vooralsnog niet tot een oplossing heeft geleid, zijn er geluiden dat de gewapende islamisten nieuwe rekruten -hoewel niet in groten getale- weten aan te trekken.

Vele jongeren dromen ervan, uit onvrede met de sociaal-economische situatie in het land, hun geluk in de westerse wereld te beproeven. De ontvangst van uitzendingen via de satelliettelevisie is een belangrijke pull-factor. De verlokkingen van het Westen worden dagelijks in vele Algerijnse huiskamers ten toon gespreid. De situatie in eigen land wordt daarbij afgezet tegen de rijke, democratische, goed functionerende Europese verzorgingsstaten. Ook het verblijf van Algerijnse migrantengemeenschappen in West-Europa draagt bij aan het pull-element. Door het overmaken van een deel van het in het Westen verdiende salaris en het verschaffen van informatie is een continue vergelijking mogelijk tussen de waar te nemen situatie in Algerije en de eveneens waar te nemen situatie in West-Europa. Van de Algerijnen die hun land hebben verlaten, verblijft circa 92% in Frankrijk.

2.3 Samenvatting


De resultaten van de Concorde Civile zijn beduidend minder bemoedigend dan de Algerijnse president met zijn plannen had beoogd. Hoewel enkele duizenden gewapende strijders naar verluidt gebruik hebben gemaakt van de amnestieregeling en het akkoord tussen de overheid en AIS/LIDD, verwierpen radicale gewapende islamistische groeperingen als GIA en GSPC het verzoeningsplan. Zij zetten hun strijd met gebruik van excessief geweld voort. De overheid is de afgelopen periode hard en met wisselend succes tegen hen opgetreden. Het aanhoudende geweld heeft de positie van president Bouteflika, die zijn lot verbonden heeft aan de uitkomst van het Concorde Civile plan, verzwakt.

De Algerijnse staat heeft desondanks de afgelopen periode haar controle over het grootste deel van Algerije bestendigd. Gewapende islamistische groeperingen zijn voornamelijk actief vanuit geografisch moeilijk toegankelijke verzetshaarden.

Op sociaal-economisch terrein wordt weinig vooruitgang geboekt. De onvrede onder de -voornamelijk jonge- Algerijnse bevolking is groot als gevolg van de hoge werkloosheid en de uitzichtloosheid van het gewapende conflict. Dit heeft de afgelopen maanden geleid tot grootschalige sociale onlusten.

3 Mensenrechten



De afgelopen jaren zijn de meldingen van het aantal mensenrechtenschendingen teruggelopen. Door de verbeterde veiligheidssituatie, met name in de grote steden, is het aantal gemelde willekeurige arrestaties, verlengde incommunicado detenties, oneerlijke processen, 'verdwijningen' en martelingen afgenomen . Daarnaast is het zeer wel mogelijk dat internationale kritiek op de mensenrechtensituatie in Algerije mede van invloed is geweest op de afname van de schendingen.

Mensenrechtenschendingen van de zijde van de overheid, zoals buitengerechtelijke executies, vinden met name plaats in de strijd tegen het terrorisme.

De gewapende islamistische groeperingen zijn territoriaal steeds verder terug gedrongen. Zij begaan evenwel nog immer ernstige mensenrechtenschendingen (dodelijk geweld, verkrachtingen en ontvoeringen) vanuit geografisch moeilijk toegankelijke gebieden tegen onschuldige burgers, militairen, leden van de veiligheidsdienst en Groupes d'Autodéfense .

Het aantal slachtoffers van terroristisch geweld en gewapend treffen is het afgelopen jaar, ondanks de verzoeningspolitiek van president Bouteflika, toegenomen. Dit niveau van geweld blijft grote zorgen baren.

Op het terrein van de rechtsgang is de afgelopen periode, ondanks hervormingsgezinde plannen, weinig vooruitgang geboekt.

3.1 Waarborgen


De in 1989 ingevoerde Grondwet werd als gevolg van de staatsgreep van 1991 in de praktijk buiten werking gesteld. De daarop op 9 februari 1992 uitgeroepen noodtoestand werd op 9 februari 1993 door de Hoge Staatsraad voor onbepaalde tijd verlengd. De noodtoestand is sindsdien aanzienlijk afgezwakt door opheffing van de avondklok, afschaffing van de in 1992 ingestelde anti-terreurrechtbanken, opheffing van interneringskampen en instelling van een moratorium op de tenuitvoerlegging van de doodstraf. Wel zijn de ruime opsporings- en arrestatiebevoegdheden van veiligheidsorganen en politie gehandhaafd.

Vooralsnog is van opheffing van de noodtoestand nog geen sprake.

In de dagelijkse praktijk is een eerlijke rechtsgang niet altijd gewaarborgd. Juist in de eerste fase van de detentie, vóór de eventuele veroordeling, kunnen, martelingen en andere mensenrechtenschendingen plaatsvinden, met het doel inlichtingen af te dwingen. Dit geldt met name voor zaken die vallen onder de noodtoestand en te maken hebben met de strijd tegen het terrorisme.

Er is sprake van een gebrek aan transparantie in het juridische systeem.

President Bouteflika heeft hervormingen afgekondigd, maar het verloop van deze aangekondigde hervormingen van het juridische systeem is uiterst traag.Een Commission de la Réforme de la Justice heeftin de zomer van 2000 advies uitgebracht. Dit advies behelst onder meer een verbetering van de positie van gedetineerden tijdens het vooronderzoek, de 'garde à vue' periode. Van een vervolg op het advies is tot op heden weinig vernomen.

In augustus 2000 heeft de president tal van rechters laten overplaatsen of met vervroegd pensioen gestuurd, teneinde het functioneren van de rechterlijke macht te verbeteren.

De Amerikaanse organisatie Freedom House en het International Center for Journalists hebben een programma opgezet om NGO's en onafhankelijke media te trainen om het juridische hervormingsproces te volgen en te becommentariëren

Algerije is partij bij de meeste mensenrechtenverdragen, zoals het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten (BUPO), het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele rechten en het Verdrag tegen Foltering en andere wrede onmenselijke en vernederende Behandeling of Bestraffing.

3.2Toezicht


De laatste tijd is de overheid in toenemende mate bereid om internationale Niet-Gouvernementele Organisaties (NGO's) als onafhankelijke waarnemers in het land toe te laten. Zo heeft Amnesty International in 2000 twee bezoeken aan Algerije afgelegd .

De bevindingen van Amnesty International indiceren een lichte verbetering van de situatie van de mensenrechten, maar tegelijkertijd constateert de organisatie 'violence remains at a very high level' . Meldingen van willekeurige arrestaties, verlengde incommunicado detenties, martelingen, 'verdwijningen' en oneerlijke processen zijn gedaald. In het afgelopen jaar zijn duizenden gevangenen, die waren veroordeeld na een oneerlijk proces, vrijgelaten na heropening van het proces of amnestie.

Amnesty International heeft kritiek op de wijze waarop aan de gewapende islamisten amnestie is verleend en verzet zich tegenhet buiten werking stellen van de normale rechtsgang bij de amnestieregeling .

Ook andere mensenrechtenorganisaties als Human Rights Watch, Freedom House, Reporteurs sans Frontières, International Federation of Journalists (IFJ) en de Fédération internationale des droits de l'homme(FIDH) hebben onlangs een bezoek aan Algerije gebracht en hierover gerapporteerd . Het Internationale Rode Kruis (ICRC) is de afgelopen periode diverse malen in staat gesteld penitentiaire inrichtingen te inspecteren.

Sinds een aantal jaren voert de Europese Unie op ad hoc basis een politieke dialoog met Algerije waarin mensenrechten prominent aan bod komen. Thans lopen onderhandelingen over een Euromediterraan Associatieakkoord , dat een institutioneel kader biedt voor dialoog over dit onderwerp.

In 1992 is een overheidsinstantie, de Observatoire National des Droits de l'Homme) ingesteld die toeziet op de mensenrechtensituatie in Algerije . Zij neemt klachten inzake mensenrechtenschendingen in ontvangst en informeert justitiële autoriteiten, opdat een bevoegde instantie tot strafvervolging van daders van mensenrechtenschendingen kan overgaan. Tevens rapporteert zij jaarlijks aan de overheid over mensenrechtenschendingen in Algerije en doet zij aanbevelingen. ONDH publiceerde in 2000 een rapport over de situatie in de Algerijnse gevangenissen . Recentelijk is deze instantie van naam veranderd in Commission Nationale Consultative de Promotion et de Protection des Droits de l'Homme .

De Ligue Algeriénne pour la Défense des Droits de l'Homme (LADDH, Algiers) en de Ligue Algeriénne des Droits de l'Homme (LADH, Constantine) opereren beide onafhankelijk van de overheid . Beide organisaties leiden een marginaal bestaan. Aan de universiteit van Oran is sedert 1995 een UNESCO leerstoel mensenrechteneducatie verbonden.

De in het ambtsbericht van april 2000 genoemde bijeenkomst te Algiers van de Internationale Orde van Advocaten is uitgesteld.Er zijn inmiddels voorbereidingen getroffen voor een seminar van deze organisatie te Algiers in het najaar van 2001. Bij deze gelegenheid worden tussen de 150 en 200 advocaten verwacht.

3.3Naleving en schendingen


De Grondwet garandeert vrijheid van meningsuiting. Op grond van de noodtoestand en de wet ter bestrijding van het terrorisme kan de overheid deze vrijheid inperken en stappen nemen tegen wat als bedreiging van de staat of openbare orde wordt gezien.

In de praktijk is reeds enige tijd van geleidelijke verruiming van persvrijheid sprake. Dit geldt voor gedrukte media zowel in de Franse als de Arabische taal. De Algerijnse geschreven pers is, zeker vergeleken met de omringende landen, levendig en vrijmoedig. Kritische commentaren op het regeringsbeleid worden niet geschuwd en met grote regelmaat worden in kranten en tijdschriften corruptieschandalen aan de kaak gesteld. Zelfcensuur lijkt te worden toegepast op het terrein van de politieke rol van het militaire leiderschap .

Sinds kort mag de krant La Nation weer verschijnen. Deze werd in 1996 verboden, nadat de krant in samenwerking met Le Monde Diplomatique een dossier over mensenrechtenschendingen had uitgegeven .

Het Maghreb-kantoor van de Fédération Internationale des Journalistes(FIJ) is gezeteld in Algiers. FIJ publiceert jaarlijks een rapport over de vrijheid van meningsuiting in Algerije.

De persvrijheid wordt bedreigd door het recente besluit van de regering het Wetboek van Strafrecht aan te passen, zodat de staat en haar instituties in de toekomst gevrijwaard zullen worden van 'laster' en 'beledigingen'. Op 16 mei 2001 aanvaardde de APN, de 'Tweede Kamer', het wetsvoorstel. Het voorstel is op 16 juni 2001 ook door de Conseil de la Nation, de 'Eerste Kamer', aangenomen . In een verklaring van 21 januari 2001 heeft een zeventiental vooraanstaande uitgevers van Arabische en Franstalige kranten deze poging tot aantasting van de vrijheid van meningsuiting scherp veroordeeld . Op 22 april 2001 hielden meer dan tweehonderd journalisten een protestbijeenkomst voor het parlementsgebouw op het moment dat de regering het wetsvoorstel toelichtte in het parlement. De bijeenkomst werd georganiseerd door de nationale vakbond voor journalisten .

In mei 2001 hebben massale protestmarsen plaatsgevonden gericht op het behouden van de persvrijheid in combinatie met protest tegen het geweld in Kabylië (zie §3.4.4). Als protest tegen de nieuwe wet verschenen op 28 mei 2001 meer dan twintig particuliere kranten niet .

De Algerijnse radio en televisie zijn in handen van de staat en vallen onder staatscontrole. Radio en televisie zijn zodoende een spreekbuis van de overheid. De staatstelevisie wordt wel bestempeld als 'his masters voice'. Deze staatscensuur heeft als gevolg dat de meeste Algerijnen in het bezit zijn van schotelantennes en naar buitenlandse zenders kijken. De ontvangst van buitenlandse televisiestations via schotelantennes is toegestaan en wijd verbreid. Met name naar Franse televisiezenders en de vanuit Qatar opererende nieuwszender Al Jazira wordt veel gekeken. Ook de in Frankrijk gevestigde Berber-televisie is bij een deel van de bevolking bijzonder in trek (zie ook § 3.4.4). Buitenlandse programma's worden in de geschreven pers aangekondigd.

Internet is vrij toegankelijk voor Algerijnse burgers. De FIJ heeft diverse internet-aansluitingen beschikbaar gesteld voor journalistiek onderzoek .

De vrijheid van vereniging en vergadering, zoals in de Grondwet vastgelegd, is met de afkondiging van de noodtoestand in 1992 sterk ingeperkt. De afgelopen jaren was het gemakkelijker om bijeenkomsten te houden dan in de eerste jaren na de afkondiging van de noodtoestand. Desalniettemin komt het nog immer voor dat verzoeken voor het houden van openbare bijeenkomsten worden afgewezen . Na de protestmars in Algiers op 14 juni jl. van Berbers uit Kabylië, die uitliep op bloedige rellen, besloot de Algerijnse overheid op 18 juni 2001 tot het tijdelijk instellen van een verbod op alle demonstraties in de hoofdstad Algiers .

Een breed scala aan politieke partijen en bewegingen is thans in Algerije actief, ook in het parlement en de regering. Het FIS blijft een verboden beweging. Verbondenheid aan het FIS leidt evenwel niet tot vervolging van de zijde van de overheid. Meerdere politici met een 'FIS-verleden' zijn volksvertegenwoordiger voor een andere partij in het parlement.

De oprichting van een nieuwe politieke partij, 'Movement for Fidelity and Justice' (WAFA) genaamd, werd door de minister van Binnenlandse Zaken in november 2000 tegengegaan, toen hij geen toestemming tot registratie wilde geven. De minister verklaarde tegenover het parlement dat zich in de leiding van deze partij te veel aanhangers van het FIS zouden bevinden . Het parlement aanvaardde deze verklaring, hoewel niet helder is of dit de werkelijke reden is geweest om niet tot registratie over te gaan. Volgens de ONDH heeft WAFA aan alle formele eisen voor het oprichten van een politieke partij voldaan .

De Algerijnse 'civil society' blijft in ontwikkeling. Een toenemend aantal NGO's is de laatste jaren actief geworden. Volgens de Algerijnse overheid zijn thans zo'n 50.000 NGO's en associaties op nationaal en plaatselijk niveau in Algerije actief . Amnesty International meldt dat een tiental NGO's die kritisch staan ten opzichte van de overheid, restricties heeft ondervonden. Aan sommige van deze NGO's is registratie om tot formele oprichting te komen onthouden .

De Islam is krachtens de Grondwet de staatsgodsdienst. Ruim 99% van de bevolking is soennitisch islamiet. De Grondwet verbiedt discriminatie op grond van religie. De kleine christelijke en joodse gemeenschappen ondervinden geen problemen van de zijde van de Algerijnse staat en kunnen vrijelijk hun geloof belijden. Met Kerstmis en Pasen worden kerkdiensten over de radio uitgezonden.

Bekeringen van moslim tot christen komen weinig voor. In Algiers en de overige grote steden betreft het hooguit enkele tientallen personen . Onder de Berberbevolking in Kabylië zijn, volgens een goed ingevoerde waarnemer, vijfhonderd à zeshonderd bekeerlingen te vinden. In deze regio komt het voor dat evangelisten (methodisten) actief moslims trachten te bekeren tot het christendom.

Er is geen wetgeving die afvalligheid bestraft, al zal afvalligheid, indien bekend, in sociaal opzicht mogelijk negatieve reacties oproepen. Moslims die openlijk aangeven christen te willen worden, lopen het risico door hun omgeving buitengesloten te worden. De jongere generatie bekeerlingen komt steeds vaker openlijk voor de bekering uit, terwijl de oudere generatie vaak nog het Christendom 'vanuit de catacomben' belijdt.

De Grondwet garandeert de vrijheid om binnen Algerije te reizen, het land te verlaten, dan wel te emigreren.

Voor mannen die voor militaire dienst worden opgeroepen, gelden restricties met betrekking tot uitreizen. Getrouwde vrouwen onder de negentien jaar kunnen slechts met toestemming van hun man naar het buitenland reizen . Ongehuwden onder de negentien jaar (v) of onder de achttien jaar (m) hebben voor een dergelijke reis de toestemming van hun vader nodig.

Illegale uitreis uit Algerije is een overtreding, die overigens niet of slechts licht wordt bestraft. Illegaal verblijf in het buitenland is naar Algerijns recht niet strafbaar. Controles op vliegvelden en in de havens, alsook bij officiële grensovergangen zijn streng.

Personen die ervan worden verdacht in het buitenland volgens Algerijns recht strafbare feiten te hebben gepleegd, lopen bij terugkeer het risico op strafvervolging. Personen die in het buitenland voor daar gepleegde misdrijven veroordeeld zijn en de straf daarvoor hebben ondergaan, hoeven bij terugkeer in Algerije niet te vrezen voor een nieuwe veroordeling (ne bis in idem).

Veel Algerijnen reizen naar Frankrijk en Tunesië voor een kort of langer verblijf. De Franse ambassade gaf in 2000 zo'n 180.000 visa af. In 2001 worden 500.000 aanvragen verwacht. Voor de jaren nadien voorziet Frankrijk een verdere toename van het aantal visumaanvragen. Teneinde op deze trend in te kunnen spelen heeft Frankrijk in Annaba in januari 2001 een consulaat-generaal geopend.Eind 2001/begin 2002 volgt naar verwachting de opening van een Frans consulaat-generaal in Oran.

In Frankrijk woonachtige Algerijnen met of zonder dubbele nationaliteit reizen veelvuldig voor zakelijke doeleinden of vakantie naar hun vaderland.

De Grondwet beperkt de duur van het voorarrest (garde à vue) tot 48 uur. Krachtens het Wetboek van Strafvordering kan deze periode tot vier dagen worden verlengd. De periode van voorarrest van gedetineerden die verdacht worden van subversieve of terroristische activiteiten, kan echter uitlopen tot maximaal twaalf dagen. In de praktijk wordt de periode van voorarrest regelmatig overschreden.De Commission de la Réforme de la Justice (zie § 3.1.1) heeftin de zomer van 2000 geadviseerd de positie van gedetineerden tijdens de garde à vue periode te verbeteren.

Meldingen van het aantal personen dat werd gedetineerd en door de veiligheidsdiensten incommunicado werd gehouden zijn sterk gedaald. Amnesty International en Human Rights Watch maken in recente publicaties melding van enkele gevallen van incommunicado detentie .

De omstandigheden in de gevangenissen zijn op hun best sober te noemen.

Het afgelopen jaar zijn de gevangenisomstandigheden iets verbeterd. De gevangenispopulatie is afgenomen, waardoor de situatie in de voordien overvolle gevangenissen leefbaarder zou zijn geworden .

Mishandelingen en folteringen, hoewel krachtens de Grondwet en wetgeving verboden, komen voor .

Personen die verdacht worden van actieve banden met terroristische organisaties lopen een verhoogd risico. De regering erkent dat veiligheidsdiensten en Groupes d'Autodéfense zich aan excessen schuldig maken en zegt, indien deze daders bekend zijn, tot strafvervolging over te zullen gaan. Er zijn weinig details over dergelijke strafvervolging voor handen. Het afgelopen jaar heeft het Algerijnse ministerie van Justitie diverse internationale mensenrechtenorganisaties op de hoogte gesteld van strafvervolging tegen leden van de veiligheidsdienst of Groupes d'Autodéfense wegens mensenrechtenschendingen sedert 1992, zonder overigens gedetailleerde informatie te verschaffen .

Het aantal meldingen van martelingen en folteringen begaan door de veiligheidsdiensten en de Groupes d'Autodéfense is het afgelopen jaar afgenomen .

Leden van de gewapende fundamentalistische groepen maken zich schuldig aan mishandelingen en folteringen.

Nadat na de verkiezingsoverwinning en het daaropvolgende verbod van het FIS begin jaren negentig de gewapende strijd uitbrak tussen de overheid en islamisten, zijn vooral in de eerste jaren nadien duizenden personen 'verdwenen'. Mensenrechtengroeperingen beschuldigen de overheid ervan hierin de hand te hebben gehad. Met name veiligheidsdiensten en anti-terreureenheden zouden zich aan deze ernstige vorm van mensenrechtenschendingen schuldig hebben gemaakt . Het aantal meldingen van 'verdwijningen' is de afgelopen jaren sterk afgenomen. Amnesty International meldt enkele nieuwe gevallen van 'verdwijningen' in het jaar 2000 .

Het Algerijnse ministerie van Binnenlandse zaken heeft in 1998 speciale centra opgezet in de 48 provincies van het land om gegevens te verzamelen omtrent 'verdwenen' personen. Hoewel een aantal 'verdwijningen' inmiddels is uitgezocht, blijven verreweg de meeste zaken onopgehelderd .

Iedere woensdag verzamelen moeders van 'verdwenen' personen zich tegenover de kantoren van de ONDH in Algiers om druk uit te oefenen op de overheid meer te doen aan de opsporing van 'vermisten'. Ook in andere steden houden familieleden van verdwenen personen regelmatig bijeenkomsten. Het afgelopen jaar is de overheid in een aantal gevallen tegen dit soort activiteiten opgetreden .

Veiligheidsdiensten en anti-terreureenheden passen bij hun acties tegen gewapende islamisten dodelijk geweld toe, waarbij buitengerechtelijke executies plaatsvinden. Bij dergelijke operaties worden opvallend weinig arrestaties verricht .

Gewapende fundamentalisten voeren ongerichte moordaanslagen uit op onschuldige burgers en gerichte acties op onderdelen van het leger, politie en Groupes d'Autodéfense.

Het Algerijnse strafrecht kent de doodstraf voor onder andere misdrijven tegen de staatsveiligheid, misdrijven tegen het leven en economische sabotage. Ook het militaire strafrecht kent de doodstraf. De wet ter bestrijding van het terrorisme van 1992 heeft het opleggen van de doodstraf tevens mogelijk gemaakt voor die subversieve of terroristische activiteiten waarvoor de Algerijnse strafwet voorheen als maximum, levenslange gevangenschap kende.

Het is regelmatig voorgekomen dat de doodstraf werd opgelegd aan gewapende islamisten die terreurdaden hadden begaan . Sedert eind 1993 is de tenuitvoerlegging van de doodstraf opgeschort. Na het uitspreken van de doodstraf is het gebruikelijk dat deze straf in hoger beroep wordt omgezet in levenslang.

3.4 Specifieke groepen


Algerije is sedert 1996 partij bij het VN-Vrouwenverdrag (CEDAW, Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie tegen vrouwen).

Hoewel alle burgers volgens de Algerijnse Grondwet gelijk zijn (artikelen 29, 31, 33, 34, 36 en 51), nemen vrouwen zowel maatschappelijk als familierechtelijk een traditionele, achtergestelde positie in. De Code de la Famille (Qanun al-Usrah, 1984) vormt de juridische basis voor de achterstelling van de vrouw en plaatst haar onder de voogdij van de echtgenoot of een mannelijk familielid. Een vrouw behoeft de goedkeuring van haar vader om in het huwelijk te treden. Vrouwen kunnen slechts in enkele gevallen echtscheiding aanvragen . Ook het erfrecht en eigendomsrecht werken nadelig voor vrouwen.

Het voogdijschap over de kinderen gaat normaliter over naar de vrouw, maar zij blijft voor diverse aspecten van de opvoeding afhankelijk van de toestemming van de vader van haar kinderen. In 2000 trok de regering haar voorstel om de Code de la Famille aan te passen in, hetgeen aangeeft hoe gevoelig deze materie in de Algerijnse samenleving ligt .

De Arbeidswet van 1990 verbiedt discriminatie naar sekse op de arbeidsmarkt. Slechts een kleine minderheid van de werkende bevolking is evenwel vrouw. Vrouwen zijn werkzaam in een verscheidenheid van beroepen, zowel in de openbare als in de private sector. In hoger gekwalificeerde functies (docenten, juristen, artsen) treft men een relatief hoog aantal vrouwen aan . In het Algerijnse straatbeeld ziet men vele vrouwen die zich westers kleden.

In Algerije zijn vele vrouwenrechtengroeperingen actief, die zich inzetten voor de verbetering van de (economische) positie van de vrouw en wijziging van de Code de la Famille.
Een alleenstaande vrouw kan zich in Algerije zonder hulp van familie staande houden mits zij werk kan vinden, hetgeen afhankelijk is van haar leeftijd, beroep en scholing. Indien noodzakelijk, kan zij zich wenden tot een der werkzame vrouwenhulporganisaties, die er speciale centra tot steun aan armlastige of in de steek gelaten vrouwen op na houden. De centra bevinden zich vooral in de grotere steden .

In streken waar gewapende islamisten actief zijn, lopen vrouwen, net als andere burgers, het risico slachtoffer te worden van mensenrechtenschendingen. In de grote steden is voor hen een vestigingsmogelijkheid voorhanden .

Vrouwen die het slachtoffer zijn geworden van ontvoeringen en verkrachtingen door gewapende islamistische groeperingen zijn veelal genoodzaakt zich elders in Algerije te vestigen . Veelal afkomstig van het conservatieve platteland zijn zij niet alleen getraumatiseerd door hetgeen hen overkomen is, maar hebben zij tevens te maken met taboes, schande en stigma's die aan dit gevoelige onderwerp kleven . In Algerije is een gebrek aan gespecialiseerde medische en psychiatrische opvang voor deze groep .

De leeftijd voor het bereiken van meerderjarigheid verschilt naar gelang het toepasselijk wettelijk kader.

Voor de toepassing van de Code Pénal is de leeftijd negentien jaar.

Krachtens art 40 lid 2 van de Algerijnse Code Civil is de leeftijd waarop men meerderjarig is, negentien. Niettemin kan een minderjarige onder bepaalde voorwaarden rechtsgeldige handelingen verrichten, ook al is er geen sprake van de facto meerderjarigheid. Krachtens art 42 en 43 van de Code Civil heeft een kind, dat de leeftijd des onderscheids (gesteld op zestien jaar) heeft bereikt, beperkte bevoegdheid zijn/haar burgerlijke rechten uit te oefenen, zoals nader uitgewerkt in de Code de Commerce en de Code de la Famille.

Uit hoofde van de Code de Commerce kan een minderjarige van achttien jaar rechtsgeldige transacties aangaan; hij/zij kan (conform de artikelen 5 en 6) op rechtsgeldige wijze onroerend goed verwerven en hypothekeren, mits daartoe gemachtigd door de ouders en -bij ontstentenis daarvan- door de rechter. De regelgeving voor inschrijving in het register van koophandel voorziet in een acte van 'emancipation', afgegeven door de rechter (decreten 83259 van 16 april 1983 en 88229 van 5 november 1988).

Uit hoofde van de Code de la Famille zijn handelingen van een persoon die de leeftijd des onderscheids heeft bereikt geldig, in het geval deze handelingen hem/haar tot voordeel strekken en nietig indien deze hem/haar tot nadeel strekken (art 83). De rechter kan deze persoon, op verzoek van een ieder die daar belang bij heeft, machtiging verlenen om over het geheel of een gedeelte van zijn/haar bezittingen te beschikken.

De vader is de wettige voogd van zijn minderjarige kinderen. Bij zijn overlijden gaat de voogdij over op de moeder (art. 87 van de Code de la Famille). Voor bepaalde handelingen (verkoop onroerend goed, verkoop belangrijke roerende zaken en beschikkingen m.b.t. kapitaal) is de machtiging van de rechter noodzakelijk en -in geval van openbare veiling- verplicht (art 88 en 89).

De uitoefening van de wettige voogdij houdt op te bestaan door onbekwaamheid van de voogd, zijn overlijden of het overlijden van de minderjarige, meerderjarigheid van het kind, een wettelijk verbod of ontzetting uit de ouderlijke macht.

Het minderjarige kind kan door zijn vader of grootvader onder het toezicht van een (toeziend) testamentair voogd geplaatst worden in het geval het kind zijn moeder verliest of indien onbekwaamheid van de moeder op wettelijk voorgeschreven wijze is vastgesteld (art 92).

De testamentair voogd heeft dezelfde toezichthoudende bevoegdheden als de wettige voogd.

Het mandaat van de testamentair voogd houdt op te bestaan bij het overlijden van de minderjarige of van hemzelf, onbekwaamheid van de voogd, meerderjarigheid van het kind, het verstrijken van de in het mandaat voorziene tijdsbepaling, gerechtvaardigde afstand en herroeping indien bewezen wordt dat de uitoefening van de voogdij de belangen van de minderjarige in gevaar brengt.

Dat een minderjarige geen familie in de ruime zin des woord bezit, waarop hij kan terugvallen, zal niet licht in de Algerijnse maatschappelijke context voorkomen. Niettemin acht de overheid zich verantwoordelijk voor de verzorging van minderjarigen tot negentien jaar, wanneer familie-opvang ontbreekt. Daartoe bestaan van overheidswege , maar ook van particuliere zijde, de nodige opvanghuizen. De capaciteit hiervan is beperkt, maar de geboden faciliteiten worden naar lokale maatstaven in het algemeen redelijk geacht. De overheidsinstellingen herbergen ook jongeren, die met Justitie in aanraking zijn geweest.

Voor kinderen die zijn getraumatiseerd als gevolg van het terroristische geweld heeft UNICEF in samenwerking met de Algerijnse overheid een speciaal hulpverleningsprogramma opgezet .

Homoseksualiteit wordt in de Algerijnse samenleving nauwelijks geaccepteerd. Homoseksualiteit kan in sociaal opzicht discriminatie en pesterij van de omgeving opleveren. Dit geldt voor zowel de Arabische als de Berberbevolking. Algerijnse homoseksuelen treden dan ook niet gemakkelijk met hun geaardheid naar buiten. Homoseksualiteit lijkt wel bespreekbaarder geworden. Als voorbeeld kan genoemd worden een publiek radiodebat dat afgelopen jaar aan het thema werd gewijd.

In Algiers en andere grote steden zijn openbare ontmoetingsplekken voor homoseksuelen en travestieten die door de overheid gedoogd worden.

Artikel 338 van hetAlgerijnse Wetboek van Strafrechtstelt homoseksuele activiteiten strafbaar . De strafmaat varieert van twee maanden tot twee jaar gevangenisstraf en een geldboete van maximaal tweeduizend dinar (circa zestig gulden). Indien sprake is van homoseksuele handelingen van een meerderjarige met een persoon jonger dan achttien jaar kan de straf verhoogd worden tot drie jaar en een boete van tienduizend dinar.

In de praktijk zijn geen voorbeelden bekend van justitiële vervolging van homoseksuelen in Algerije, met uitzondering van personen aan wie homoseksuele handelingen met minderjarigen ten laste kan worden gelegd.UNHCR kent geen gevallen van veroordelingen op basis van artikel 338 WvS .

Algerije is de afgelopen maanden opgeschrikt door sociale onlusten. Gewelddadige incidenten in Kabylië zijn de aanleiding geweest tot grootschalig oproer, ook elders in het land. Hoewel de onrust aanvankelijk een etnisch Berberse aangelegenheid leek te zijn, is ook het Arabische deel van de bevolking er bij betrokken geraakt.

In april 2001 kwam het tot grote onlusten tussen Berber-demonstranten en leden van de veiligheidsdienst, waarbij enige tientallen doden zijn gevallen .

De onlusten in dorpjes en steden (Tizi Ouzou en Bejaia) in Kabylië ontstonden nadat een jongeman in detentie door de politie was doodgeschoten. De ongeregeldheden hielden vervolgens aan. Leden van de veiligheidsdienst schoten in sommige gevallen met scherp op ongewapende demonstranten. Er zijn incidenten bekend, waarbij demonstranten overheidsgebouwen bestormden en veiligheidstroepen aanvielen met 'molotov-cocktails' . Dat de situatie zo uit de hand kon lopen is voornamelijk op het conto van de grote sociaal-economische spanningen in Algerije te schrijven in combinatie met het opkomen voor de eigen Berber-identiteit . De frustratie onder met name de jongeren is groot. Van een breed gedragen politiek streven naar Berber-separatisme is evenwel geen sprake geweest, integendeel de organisatoren van demonstraties hebben er alles aan gedaan de schijn van separatisme te vermijden.

In de afgelopen periode is evenmin gebleken dat de gewapende islamistische groeperingen deze onlusten in hun voordeel wisten om te buigen of de demonstranten wisten in te kapselen. Adhesiebetuigingen van de in Kabylië opererende GSPC werden door de organisatoren van de demonstraties niet op prijs gesteld.

Twee politieke partijen, Front des Forces Socialistes (FFS) en Rassemblement pour la Culture et la Démocratie (RCD), vertegenwoordigen de Berber-belangen in het parlement. De RCD, die veel Berbers uit Kabylië vertegenwoordigt, heeft zich op 1 mei 2001 uit de regering teruggetrokken uit onvrede over het harde politieoptreden tegen de Kabilische demonstranten . President Bouteflika heeft een enquêtecommissie benoemd die een onderzoek moet uitvoeren naar de oorzaken van de onlusten .

De incidenten in Kabylië wakkerden het algemene gevoel van onvrede over de politieke stagnatie en het sociaal-economische klimaat aan. Nadien vonden tal van (massale) protestbijeenkomsten in en buiten Kabylië, ook in Algiers, plaats. De onlusten bleven ook in mei en juni, af en toe onderbroken door enige periodes van relatieve rust, aanhouden .

Een massale protestmars voor de democratie in Algiers op 14 juni 2001, waarbij de Berbers uit Kabylië gesteund werden door de inwoners van Algiers, liep uit op bloedige rellen. Kort nadien, op 18 juni 2001, besloot de Algerijnse overheid tot het tijdelijk instellen van een verbod op alle demonstraties in de hoofdstad .

Door eeuwenlange samensmelting van de oorspronkelijke Berber-bevolking met Arabieren is een duidelijke scheidslijn tussen deze beide etniciteiten niet te trekken. Tamazigt-sprekende Berbers, voornamelijk levend in Kabylië, maken naar schatting twintig procent van de bevolking uit.

Op diverse plaatsen in Algerije wordt in Tamazigt onderwezen. Itimurt is een voorbeeld van een krant in de Berbertaal. Berbermuziek wordt overal in Algerije gespeeld. Bijzonder populair is Berbère Radio-Télévision (BRTV), een Berberzender die sinds januari 2000 vanuit Frankrijk vier uur per dag uitzendingen verzorgt. Volgens het laatste rapport van de Haut Conseil de la Francophonie zouden zo'n 4 miljoen Algerijnen op de zender afstemmen.

De Tuaregs in zuid-Algerije, ook van Berber-afkomst, geven zonder problemen uiting aan de eigen taal en cultuur.

3.5 Dienstplichtigen


Voor alle mannen van de Algerijnse nationaliteit is het vervullen van militaire dienst in hun negentiende levensjaar verplicht. Vanaf hun zeventiende of achttiende jaar kunnen zij worden opgeroepen. De oproep wordt in het gehele land op openbare plaatsen bekend gesteld . Algerijnse ambassades en consulaten voeren de convocatie voor jonge Algerijnse mannen die in het buitenland verblijven uit. Vanaf het jaar dat hij achttien wordt dient een jonge man zich te melden om zich te laten registreren bij de plaatselijke autoriteiten, waarna hij ook een medische keuring dient te ondergaan. Indien hij niet wordt afgekeurd of dispensatie krijgt, wordt hij opgeroepen op een bepaalde datum te verschijnen (ordre d'áppel). Is de dienstplichtige niet thuis, dan ontvangt zijn familie de oproep. Reageert betrokkene niet op de oproep, dan wordt tot twee maal toe gerappelleerd. Indien hij nog niet heeft gereageerd wordt zijn zaak aan een militair tribunaal voorgelegd, dat normaal gesproken een avis de recherche zal uitbrengen. Is dat geschied dan kan betrokkene geen paspoort verkrijgen, zijn oude niet verlengen en geen ander officieel document van de Algerijnse autoriteiten verkrijgen .

De diensttijd bedraagt achttien maanden . Daarna kan een dienstplichtige nog eens voor zes maanden als reservist worden opgeroepen. In kringen van de Algerijnse overheid wordt thans nagedacht over de vorming van een beroepsleger.

Slechts een deel van de mannelijke bevolking gaat daadwerkelijk het leger in, daar men logistiek niet iedere dienstplichtige kan opnemen . Het leger lijkt vooral interesse te hebben in hoger opgeleide mannen .

Algerije kent geen vervangende dienstplicht. Studenten kunnen tot het einde van hun studie uitstel van dienstplicht krijgen. In 1997 werd een burgerdienst ingevoerd voor personen met een medicijnenopleiding.

De situatie van de dienstplichtige wordt vastgelegd op een speciaal document. Daarop staat of men onder de wapenen is geroepen, de dienst heeft vervuld, vrijgesteld is van dienst (of uitstel heeft) of niet in staat is dienstplicht te vervullen.

Voor mannen die voor militaire dienst worden opgeroepen gelden restricties met betrekking tot uitreizen.

Het militaire strafrecht voorziet in een bestraffing voor ontduiken van de dienstplicht, van drie maanden tot vijf jaar gevangenisstraf in vredestijd en van twee tot tien jaar in tijd van oorlog (§ 254 Mil. WvS). Artikel 40 van het militaire Wetboek van Strafrecht stelt het uitroepen van de noodtoestand gelijk aan staat van oorlog. Dienstplichtigen die niet vrijgesteld zijn en hun dienstplicht hebben ontdoken door naar het buitenland te gaan, worden na terugkeer aangehouden, overgedragen aan de militaire autoriteiten en alsnog ingelijfd. Anders dan andere dienstplichtigen worden zij ver van hun woonplaats ingezet en mogen zij de eerste zes maanden geen bezoek ontvangen. In een bestraffing is niet voorzien.

Indien sprake is van desertie in vredestijd geldt een gevangenisstraf van zes maanden tot vijf jaar (§ 258 e.v. Mil. WvS ). In geval van oorlog ligt de strafmaat tussen de twee en tien jaar. Groepsdesertie (desertie van meer dan twee personen) wordt als daad van samenzwering beschouwd. De strafmaat bedraagt in dit geval één tot maximaal tien jaar in vredestijd en in tijd van oorlog vijf tot vijftien jaar.

De strafmaat voor desertie in het buitenland (zonder toestemming het land verlaten hebben, dan wel desertie ten tijde van verblijf in het buitenland) bedraagt in vredestijd tussen de twee en tien jaar gevangenisstraf voor soldaten en vijf tot tien jaar en degradatie voor officieren. In tijd van oorlog bedraagt de gevangenisstraf voor desertie in het buitenland tien tot twintig jaar. Strafvermeerdering kan worden uitgesproken indien wapens of ander materiaal werd meegenomen of indien deelgenomen is aan een complot.

Deserteurs moeten na hun opgelegde gevangenisstraf alsnog de rest van hun onderbroken diensttijd vervullen.

Na zijn verkiezing in april 1999 introduceerde president Bouteflika administratieve maatregelen om de situatie van een aantal burgers te regulariseren vis-à-vis de militaire dienst. Deze regularisatie operatie voltrok zich in twee fases in 1999 en 2000.

Fase één liep van september tot december 1999 en verleende dispensatie aan alle personen van 27 jaar of ouder op 31 december 1999 (in 1972 of eerder geboren ). Een uitzondering geldt voor degenen die uitstel van dienstplicht hadden verkregen en voor degenen tegen wie een formele aanklacht wegens dienstweigering bij het militair tribunaal was gedeponeerd. Deze laatste situatie wordt van geval tot geval beoordeeld. Verblijft men in het buitenland, dan kan een vrijwaringsbewijs bij de Algerijnse ambassade of het consulaat aangevraagd worden.

Fase twee liep in 2000. Dit regularisatieprogramma is van toepassing op allen die normaal gesproken voor militaire dienst hadden moeten opkomen van 1993-1998 (geboren tussen 1973 en 1978). Deze maatregel verleent dispensatie aan de volgende personen:


-diegenen die uitstel van dienstplicht hebben of die een ordre d'appel hebben ontvangen;


-diegenen die dispensatie van dienstplicht hebben aangevraagd;

-diegenen die nog niet voor dienstplicht zijn opgeroepen of zijn uitgenodigd een medische keuring voor de dienstplicht te ondergaan;


-diegenen die niet hebben gereageerd op de oproep om een medische keuring te ondergaan;


-diegenen tegen wie een aanklacht wegens dienstweigering was ingebracht (object d'une plainte en insoumission), maar die nog niet berecht waren.

Heeft een Algerijn met een dubbele nationaliteit elders reeds de dienstplicht vervuld, dan wordt hij niet meer in Algerije opgeroepen.

De volgende personen komen niet in aanmerking voor het regularisatie programma:


- iedereen die officieel wordt gezocht door het militair tribunaal (tegen wie eenavis de recherche is uitgebracht i.v.m. dienstplichtontduiking).


- personen die zijn gedeserteerd (tot 55 jaar)
Er is geen amnestie voor deze twee categorieën. Indien deze personen zouden terugkeren naar Algerije, dienen zij zich te verantwoorden voor een militair tribunaal en kunnen zij veroordeeld worden. Onbekend is op welke wijze Algerijnse militaire tribunalen thans over deze zaken oordelen.

De twee fases hebben betrekking op zowel Algerijnen in het buitenland als in Algerije zelf.

De administratieve maatregelen werden in een aantal communiqués gepubliceerd in de staatskrant El Moudjahid. In een tijdschema werd gespecificeerd waarbinnen personen in bepaalde leeftijdsgroepen gevraagd werd zich te presenteren aan de nationale dienstplichtinstanties in Algerije of een diplomatieke missie in het buitenland opdat hun status kon worden geregulariseerd .

De regeling is in Algerijnse en buitenlandse kranten (waaronder met name Franse kranten) gepubliceerd. Sedertdien meldt de staat periodiek in Algerijnse en Franse dagbladen welke lichtingen in aanmerking komen voor deze maatregelen. Er is zeer veel publiciteit in het buitenland gegeven aan de maatregelen van president Bouteflika. In Frankrijk is ook op televisie en radio, waaronder radio-uitzendingen gericht op de Maghreblanden, aandacht aan de amnestie besteed.

Tot februari 2001 zouden 25.000 aanmeldingen vanuit het buitenland zijn ingediend, aldus een woordvoerder van het Algerijnse ministerie van Buitenlandse Zaken. Hiervan zijn thans 20.000 in behandeling. De Algerijnse autoriteiten hebben aangegeven dat diegene die nog geen verzoek heeft ingediend dit alsnog kan doen. Als alles in orde bevonden is, krijgt men uiteindelijk een dispensatiedocument (carte de dispense). Verblijft men in het buitenland, dan kan men zich tot het consulaat wenden en een aanvraagformulier invullen. Met een carte de dispense en een paspoort kan men vervolgens zonder problemen terugkeren naar Algerije.

Van gericht geweld van de zijde van de gewapende islamisten jegens dienstplichtigen die net hun dienstplicht hadden vervuld en weer terugkeerden in de maatschappij is, in tegenstelling tot de eerste jaren van de terreur, thans geen sprake.

3.6 Samenvatting


De mensenrechtensituatie is de afgelopen periode op een aantal terreinen enigszins verbeterd. Een eerlijke rechtsgang is in Algerije evenwel niet altijd gewaarborgd. Hervormingspogingen van het juridische systeem verlopen traag.

Wel hebben het afgelopen jaar diverse internationale mensenrechtenorganisaties toegang tot Algerije verkregen.

Met het terugdringen van de gewapende islamisten is het aantal gemelde willekeurige arrestaties, verlengde incommunicado detenties, 'verdwijningen', martelingen en oneerlijke processen afgenomen. Veel voorkomende mensenrechtenschendingen van de zijde van de overheid, als buitengerechtelijke executies, vinden met name plaats in de gewapende strijd tegen het terrorisme.

Hoewel de positie van de Berbers de afgelopen periode niet wezenlijk veranderde werden latente gevoelens van onvrede in april 2001 manifest. Onlusten eerst in Kabylië en later ook elders in het land eisten tientallen mensenlevens. Hoewel gelieerd aan etniciteit ligt de voedingsbodem voor deze onlusten voornamelijk bij de onvrede over de politieke stagnatie en vooral de slechte sociaal-economische situatie. Andere Algerijnen sloten zich om die redenen bij het protest der Berbers aan.

De gewapende islamistische groeperingen begaan nog immer ernstige mensenrechtenschendingen vanuit hun schuilplaatsen in moeilijk toegankelijke gebieden. Het aantal slachtoffers van het terroristisch geweld en het gewapend treffen is het afgelopen jaar, ondanks de verzoeningspolitiek van de president, toegenomen.


4 Vluchtelingen



4.1 Inleiding

De slechte sociaal-economische situatie en (de dreiging van) het terroristisch geweld van de zijde van gewapende islamisten leiden er toe dat veel Algerijnen hun heil elders willen zoeken. Diegenen die ervan verdacht worden aanhanger te zijn van gewapende islamistische groepen als de GIA en de GSPC kunnen vrees voor vervolging hebben van de zijde van de Algerijnse autoriteiten.

4.2 Vestigingsmogelijkheden

De controle van de Algerijnse overheid over het land heeft zich in de afgelopen periode bestendigd. De overheid is evenwel niet in staat op het gehele grondgebied van Algerije veiligheid te bieden. Voor diegenen die te vrezen hebben van terroristische aanslagen van de zijde van gewapende islamistische groeperingen is een vestigingsmogelijkheid in de grotere steden aanwezig. Velen die woonachtig zijn in kwetsbare streken zijn reeds naar Groot-Algiers of andere steden verhuisd.

In Algerije zijn geen kampen voor Internally Displaced Persons (IDP's) ingericht. Degenen die naar de grote stad trekken, komen, indien zij niet bij familie terecht kunnen, vaak in een bidonville terecht .

4.3 Beleid van andere westerse landen


Het aanvragen van asiel in het buitenland wordt door de Algerijnse autoriteiten niet als een politieke daad beschouwd. Een Algerijn heeft bij terugkeer geen vervolging te vrezen enkel en alleen wegens het indienen van een asielverzoek.

Westerse landen zien in de algehele situatie in Algerije geen reden om afgewezen uitgeprocedeerde asielzoekers en andere, niet toegelaten, personen niet naar dat land te verwijderen . Teneinde illegale immigratie tegen te gaan wordt door een aantal Europese landen met Algerije gesprekken gevoerd over Terug- en Overname-overeenkomsten. De afronding van deze gesprekken verloopt in het algemeen niet erg vlot. Frankrijk heeft wel al sedert 1994 een readmissie akkoord met Algerije. Duitsland en Algerije kwamen in 1997 tot een Terug- en Overname overeenkomst. Hoewel dit akkoord formeel nog dient te worden goedgekeurd door het Algerijnse parlement, wordt het de facto al uitgevoerd.

Tussen Algerije en de Europese Unie zijn gesprekken gaande over het totstandkomen van een associatieakkoord. In dit kader komt eveneens de asiel- en migratieproblematiek aan bod. Streefdatum voor de totstandkoming van dit akkoord is begin 2002.

4.4 UNHCR-beleid

UNHCR heeft zich reeds enige jaren op het standpunt gesteld dat indien een asielverzoek na een zorgvuldige procedure is afgewezen, verwijdering naar Algerije kan plaatsvinden. UNHCR heeft desgevraagd bevestigd dat bovenstaand standpunt nog immer wordt gehuldigd. UNHCR meent dat, gezien de Algerijnse context, gedwongen verwijdering van afgewezen uitgeprocedeerde asielzoekers met grote voorzichtigheid omgeven dient te zijn.


5 Samenvatting


De resultaten van de Concorde Civile zijn beduidend minder bemoedigend dan de Algerijnse president met zijn plannen had beoogd. Hoewel enkele duizenden gewapende strijders naar verluidt gebruik hebben gemaakt van de amnestieregeling, verwierpen radicale gewapende islamistische groeperingen als GIA en GSPC het verzoeningsplan. Zij zetten hun strijd met gebruik van excessief geweld voort. De overheid is de afgelopen periode hard en met wisselend succes tegen hen opgetreden.

De Algerijnse staat heeft desondanks de afgelopen periode haar controle over het grootste deel van Algerije bestendigd. Gewapende islamistische groeperingen zijn voornamelijk actief vanuit geografisch moeilijk toegankelijke verzetshaarden.

Op sociaal-economisch terrein is weinig vooruitgang geboekt. De onvrede onder de -voornamelijk jonge- Algerijnse bevolking is groot als gevolg van de hoge werkloosheid en de uitzichtloosheid van het gewapende conflict. Recente onlusten in Kabylië en elders in Algerije eisten tientallen mensenlevens. Hoewel gelieerd aan de Berberse etniciteit ligt de voedingsbodem voor deze onlusten voornamelijk bij de onvrede over de politieke stagnatie en vooral de slechte sociaal-economische situatie.

De mensenrechtensituatie is de afgelopen periode op een aantal terreinen enigszins verbeterd. Met het terugdringen van de gewapende islamisten is het aantal gemelde willekeurige arrestaties, verlengde incommunicado detenties, 'verdwijningen', martelingen en oneerlijke processen afgenomen. Het afgelopen jaar hebben diverse internationale mensenrechtenorganisaties toegang tot Algerije verkregen.

Veel voorkomende mensenrechtenschendingen van de zijde van de overheid, als buitengerechtelijke executies, vinden met name plaats in de strijd tegen het terrorisme.

De gewapende islamistische groeperingen begaan nog immer ernstige mensenrechtenschendingen. Het aantal slachtoffers van het terroristisch geweld en het gewapend treffen is het afgelopen jaar, ondanks de verzoeningspolitiek van de president, toegenomen.

Westerse landen zien in de algehele situatie in Algerije geen reden om afgewezen uitgeprocedeerde asielzoekers en andere, niet toegelaten, personen niet naar dat land te verwijderen. UNHCR heeft zich reeds enige jaren op het standpunt gesteld dat indien een asielverzoek na een zorgvuldige procedure is afgewezen, verwijdering naar Algerije kan plaatsvinden.LITERATUURBIJLAGE

Amnesty International - Algerije. Brief aan de Staatssecretaris van Justitie d.d. 3 april 2001.

Amnesty International - ALGERIATruth and Justice obscured by the shadow of impunity. MDE 28/011/2000 d.d. 8 november 2000.

Amnesty International - ALGERIA The cry for truth and justice. Focus november 2000 vol. 30 no.6.

Amnesty International - Annual Report 2000: Algeria.

Amnesty International - Länderkurzbericht. Algerien. Koordinationsgruppe Algerien. Sektion der Bundesrepublik Deutschland. d.d. 4 september 2000.

Amnesty International - Urgent Actions, News Releases en News Services.

Canadian Ministry of Foreign Affairs- Algeria: Report on fact finding visit of May 2-6, 1999.

Economist Intelligence Unit - Country reports: Algeria.

Mohammed M. Hafez - Armed islamic movements and political violence in Algeria.

Middle East Journal vol 4, Najaar 2000.pp. 573-591.

Human Rights Watch - World Report 2001: Algeria, human rights developments.

Immigration & Nationality Directorate - Algeria.

International Crisis Group - The Algerian crisis: Not over yet. d.d. 20 oktober 2000.

Note de présentation de l'Assemblée Populaire Nationale.

Observatoire National des Droits de l'Homme - Note d'information relative à la législation sur le service national. Februari 2001.

Reporters Sans Frontières - 2000 Annual Report: Algeria.

United Nations Economic and Social Council - Implementation of the international covenant on economic, social and cultural rights. Second periodic. reports submitted by States parties under articles 16 and 17 of the Covenant. Addendum: Algeria E/1990/6/Add.26 d.d. 28 juli 2000.

United Nations Economic and Social Council, United Nations Children's Fund- Country Note Algeria. E/ICEF/2001/P/L.42 d.d. 9 november 2000.

US Department of State - 2000 Annual Report on international religious freedom: Algeria. d.d. 5 september 2000.

US Department of State - Country Report 2001.

De informatie in dit ambtsbericht is bijgewerkt tot en met juni 2001.

Zie §2.2.3 en §3.4.4.

Voor de getrapte verkiezingen voor een deel van de Conseil de la Nation in december 2000 zie: EIU Country Report, januari 2001. Deze verkiezingen hebben nauwelijks een verandering in de samenstelling van de Conseil opgeleverd. Voor de samenstelling van de APN zie: Note de présentation de l'Assemblée Populaire Nationale. De APN heeft 380 afgevaardigden.

Voor informatie over de presidentsverkiezingen zie de ambtsberichten Algerije d.d. 10 april 2000 en 14 april 1999.

Diegenen die zich niet schuldig hebben gemaakt aan moord, verkrachting, het veroorzaken van blijvende invaliditeit en het plaatsen van bommen in openbare ruimtes komen in aanmerking voor vrijwaring van rechtsvervolging.

Voor deze 'Grâce amnistiante' en de reactie van het AIS zie bijlage bij het ambtsbericht Algerije van 10 april 2000. Uit dit akkoord blijkt dat alle leden van AIS en LIDD zijn gevrijwaard van rechtsvervolging, ook zij die zich aan zware mensenrechtenschendingen hebben schuldig gemaakt. Het betreft in feite een amnestie zonder voorwaarden. Vanuit de hoek van internationale mensenrechtenorganisaties en NGO's in Algerije die opkomen voor familieleden van slachtoffers is hevige kritiek geuit op het feit dat geen of nauwelijks onderzoek wordt gedaan naar de daden die de spijtoptanten op hun geweten zouden kunnen hebben. De amnestie van 11 januari ondergraaft in feite de wet op Nationale Verzoening door alle misdaden, hoe zwaar ook, onder de amnestie te laten vallen. Moordenaars en verkrachters treden nu als Repentis (berouwvollen) toe tot de maatschappij die zij voorheen terroriseerden. HRW-World Report 2001: Algeria. Amnesty International-Algeria: Truth and Justice should not be obscured by Impunity. MDE 28/014/2000, november 2000: 'Amnesty International takes no position on the granting of pardons after the truth is known and the judicial process has been completed. However, the organisation opposes amnesty laws or other mechanisms which prevent the emergence of the truth and accountability' .

DPA, Reuters en AFP 30 oktober 1999. Reuters 31 oktober 2000.

Er zijn aanwijzingen dat de GSPC wel gesprekken heeft gevoerd met vertegenwoordigers van de Algerijnse overheid over amnestievoorwaarden. Deze gesprekken zijn evenwel op niets uitgelopen. Er zijn wel individuele leden van de GIA en de GSPC bekend, die zich i.h.k.v. de Concorde Civile uit de bergen hebben teruggetrokken en zich bij de autoriteiten hebben gemeld.

Op grond van de anti-terrorismewet van 1996 maakten de Verenigde Staten op 8 oktober 1997 een lijst met dertig terroristische organisaties bekend. De GIA staan op de lijst. De GIA en GSPC zijn recentelijk door het Verenigd Koninkrijk op de lijst van verboden terroristische organisaties geplaatst. Deze lijst is op grond van de nieuwe Terrorism Act 2000 opgesteld. Persbericht Home Office d.d. 28 februari 2001.

Voor de strijd tussen GIA en AIS medio jaren negentig zie: Hafez. p.582. Hafez spreekt van een 'explicit declaration of war on the AIS' van de zijde van de GIA. Over de interne strijd binnen de GIA pp. 584 e.v. 'The GIA witnessed internecine fighting characterized by bloody purges and executions'.

In de loop der jaren is de burgerbevolking steeds nadrukkelijker het doelwit van aanslagen geworden, hetgeen voor de periode 1992-1998 duidelijk zichtbaar gemaakt wordt in tabel 1 van Hafez p.585.

De Algerijnse overheid heeft maatregelen genomen hen te beschermen door hen bijvoorbeeld de mogelijkheid te bieden zich ver van hun eigen woonplaats in een stad te vestigen.

De gewapende islamisten hadden de mogelijkheid om zich gedurende de periode voorafgaand aan de afloop van de Concorde Civile te hergroeperen.

De extreem gewelddadige reacties van GIA en GSPC lijken mede te zijn ingegeven om de overheid en de bevolking te laten zien dat het terrorisme niet overwonnen is. De overheid claimt immers voortdurend successen in de gewapende strijd.

In augustus zou het aantal slachtoffers van terroristisch geweld enkele tientallen hebben bedragen, in september naar schatting tweehonderdvijftig personen, onder wie zestig militairen, vijftig islamisten en honderdveertig burgers.

Hoewel dit niveau van geweld niet te vergelijken is met de situatie in Algerije medio jaren negentig.

Het hoogste aantal sinds 1997 toen naar schatting 1500 personen tijdens de Ramadanperiode de dood vonden. Een van de ernstigste voorvallen tijdens de Ramadan betrof het in koelen bloede vermoorden van zestien scholieren en een nachtwaker in een slaapzaal van een technische school in de buurt van Medea. Amnesty International News Release MDE 28/017/2000. In de Ramadan-periode wordt gestreefd naar de zuivering van geest en lichaam. Voor de gewapende islamisten houdt de Ramadan ook in dat er een zuivering van in hun ogen afvalligen dient plaats te vinden. Derhalve vinden traditioneel in Algerije tijdens de Ramadan meer aanslagen plaats. In 1999 werden naar schatting honderd personen tijdens de Ramadan vermoord.

Volgens AFP zouden in 2000 2700 mensen zijn omgekomen. Andere schattingen, zoals het Algerijnse El Watan dat zich baseert op een uitzending van France 2, noemen getallen van 9000 slachtoffers in het jaar 2000. France 2 zou zich hebben gebaseerd op bronnen uit de islamistische hoek.

Dit jaar zouden tot medio maart zo'n zeshonderd slachtoffers te betreuren zijn. Economist Intelligence Unit, Country Report Algeria p.3, maart 2001. Eén van de hevigste gewelddaden vond op 10 februari 2001 plaats in een sloppenwijk van het plaatsje Berrouaghia, 120 km ten zuiden van Algiers. Zevenentwintig burgers, in meerderheid vrouwen en kinderen werden vermoord. NRC 12 februari 2001. Medio juni sneuvelden meer dan twintig soldaten in een hinderlaag. De actie wordt toegeschreven aan de GIA. Reuters 19 juni 2001, AFP 24 juni 2001.

Over de bitterheid en teleurstellingen van een 'repenti', de ex-emir van Tamezguida, zie b.v. Le Monde van 31 mei 2000.

Reuters 9 april 2001: 'Algerian army changes tactics against rebels'. Critici wezen er in het verleden op dat klassieke strijdmethoden van de veiligheidsdiensten ongeschikt zijn in de strijd tegen moslimextremisten, die in kleine groepen opereren. Vanuit het voormalige AIS is aangeboden expertise op dit terrein met de strijdkrachten te willen delen. Het offensief tegen het terrorisme wordt ook op ander terrein gevoerd. Opmerkelijk is de recente stap van de Algerijnse regering om een verbod op het dragen van Afghaanse kledij uit te vaardigen. Liberté 21 januari 2001: 'Le port de la tenue afghane pénalement sanctionné'. Daar de gewapende strijd in Algerije vooral in de beginjaren werd aangevoerd door Afghanistan-veteranen (vochten in de jaren tachtig zij aan zij met de Afghaanse Mudjahedin tegen het communistische bewind aldaar), is de Afghaanse dracht onder de gewapende islamisten populair.

AFP 10 maart 2001; Trouw 12 maart 2001: 'Leger Algerije doodt tientallen extremisten'; AP 18 maart 2001: '42 Islamic militants killed in Algeria violence'. AP 8 april 2001: 'More than 30 insurgents killed in army offensive'. Uit bovengenoemd Reuters bericht van 9 april: 'Some 100 rebels were shot dead in a two-week-long army offensive against guerrilla strongholds'. Een persbericht van 28 juni 2001 van Reuters meldde de dood van 26 rebellen in de provincie Relizane.

Zie b.v. een artikel in Le Matin van 5 oktober 2000. Deze krant schrijft dat de Algerijnse staatsmedia de Palestijnse zaak wel veel aandacht geven, maar vrijwel met geen woord reppen over de vele burger- en militaire slachtoffers die in eigen land te betreuren zijn.

Wellicht heeft deze openheid te maken met onbevestigde berichten als zou op 22 december 2000 in Algiers een mislukte aanslag op president Bouteflika zijn gepleegd, waarbij een lijfwacht zou zijn omgekomen. De Algerijnse regering beschuldigde twee dagen later via haar spreekbuis Él Moudjahid de Egyptische, de Israëlische en een dag later ook de Marokkaanse regering ervan Algerije te destabiliseren, door het verspreiden van geruchten over de mislukte aanslag op de president.

Critici vinden bovendien dat de president zich te veel bezighoudt met buitenlandse aangelegenheden en te weinig aandacht heeft geschonken aan de binnenlandse negatieve economische ontwikkelingen en de veiligheidssituatie in het land. Een artikel in El Watan van 14 april 2001 (aangehaald in The Middle East van juni 2001) liet zien dat in een jaar tijd de steun vanuit de bevolking voor de president is gedaald van 65% naar 42%. Als oorzaken voor zijn dalende populariteit worden genoemd het aanhoudende geweld, politieke stagnatie en toenemende werkloosheid.

'Violence has declined considerably and the security situation has improved, although it remains a matter of concern. Isolated acts of terrorism continue to target the population, in particular women and children'. VN-rapport E/ICEF/2001/P/L.42 (p.1). Deze nota werd in november 2000 opgesteld.

Winkels zijn geopend, het openbaar vervoer werkt normaal en iedere ochtend en avond heeft het verkeer last van files in de spits.

Dorpelingen richtten in het verleden volksverdedigingsmilities op teneinde de islamisten te kunnen weren. In enkele regio's werd hiermee de afwezigheid van veiligheidstroepen van de regering vrijwel geheel opgevangen door de inzet van gewapende milities. De overheid verstrekte in sommige gevallen wapens. Sinds 1997 beschikken deze Groupes d'Autodéfense over een legale status.

Algerije staat op de tiende plaats van de olie- en gasproducerende landen. Olie en gas vormen circa 95% van de export.

'Le Pouvoir' staat voor de tweehonderd machtige families, gelieerd aan het leger, die achter de schermen aan de touwtjes trekken. Deze oligarchische elite is erop uit de economische status-quo te handhaven, waardoor de olie-inkomsten in de 'juiste' richting blijven vloeien. Vele Algerijnen vragen zich ondertussen openlijk af wat er met de olie-inkomsten gebeurt.

Voor het reisadvies zie www.minbuza.nl.

Op een totale bevolking van 31 miljoen inwoners zou er een tekort zijn van anderhalf miljoen woningen. Volkskrant 20 juni 2001. Deze grote woningnood maakt dat velen sterk aangewezen zijn op onderlinge familiebanden voor onderdak.

E/1990/6/Add.26 pp.14, 15.

Economic and Social Council E/ICEF/2001/P/L.42 d.d. 9 november 2000 p.1.

E/ICEF/2001/P/L.42 p. 2.

13% van de jongeren (meisjes 19%) tussen de 15 en 24 jaar is analfabeet. In de landelijke gebieden ligt dit percentage op 22,5% voor jongeren (71% meisjes).

E/ICEF/2001/P/L.42. p. 2.

HRW-World Report 2001: Algeria. Amnesty International MDE 28/011/2000.

Zie § 2.1.2.

Dit programma bevat tevens trainingen om mensenrechtenschendingen te kunnen onderzoeken en te rapporteren. Freedom House Monitor, najaar 2000.

De resultaten hiervan zijn vastgelegd in het op 8 november 2000 verschenen rapport getiteld 'Algeria: Truth and justice obscured by the shadow of impunity', MDE 28/011/2000 en in News Release MDE 28/09/00 d.d. 15 mei 2000.

MDE 28/011/2000: 'Over the last two years Amnesty International has publicly welcomed a certain number of positive developments in Algeria. The level of violence, including killings, in the country has significantely dropped, and reports of arbitrary arrests, prolonged incommunicado detention, torture, 'disappearances' and unfair trials have also diminished markedly. ... However, violence remains at a very high level'.

Zie §2.1.1 noot 6. Voor een bijdrage aan deze discussie zie ook Nina H.B. Jørgensen-The scope and effect of the Algerian Law relating to the reestabishment of civil concord. Leiden Journal of International Law 681-694 (2000)

FIDH-Algeria-Truth and Justice: listen to the victims, juni 2000. HRW World Report 2001: Algeria. Freedom House Monitor, najaar 2000.

Zie ook § 4.3.

Presidentieel decreet No.92-72 d.d. 22 februari 1992.

ONDH-Rapport sur les visites des établissements pénitentiaires. Année 1999 (visites de prisons effectuées en 1999). Algiers, 2000.

President Bouteflika heeft op 22 maart 2001 per decreet opdracht tot deze naamswijziging gegeven, waarschijnlijk met de bedoeling om de positie van de organisatie in hechter verband met de overheid en het parlement te brengen.

De LADDH lijkt niet ver af te staan van denkbeelden van het FIS.

HRW World Report 2001: Algeria

Amnesty International-Wordt Vervolgd, april 2001 p. 24.

Reuters 18 juni 2001.

Zie El Watan 22 januari 2001.

Reuters 22 april 2001.

BBC News Online 28 mei 2001.

Projet Internet et Centre de Documentation van de Algerijnse afdeling van de FIJ. Van de geboden faciliteiten wordt veelvuldig gebruik gemaakt.

HRW World Report 2001: Algeria. Amnesty International MDE 28/011/2000. Zie ook § 3.3.7. (demonstraties t.b.v. verdwenen personen). RAJ (Rassemblement Action Jeunesse), een nationale jongerenorganisatie gelieerd aan de FFS, zegt dat de autoriteiten de RAJ regelmatig toestemming weigert om een bijeenkomst te organiseren.

Zie §3.4.4. BBC News Online 19 juni 2001.

De oprichter van deze partij is de alom gerespecteerde oud-minister van Buitenlandse Zaken Ahmed Taleb Ibrahimi.

Le Monde internet versie 12 november 2000.

Onderhoud met ONDH, januari 2001.

UN Ecosoc E/1990/6/Add. 26. p. 6. Zie ook ambtsbericht 10 april 2000 p.18 waar onder meer wordt ingegaan op de activiteiten van Forem. Voor SOS Femmes en Détresse zie § 3.4.1.

Het betreft bijvoorbeeld organisaties die opkomen voor 'verdwenen' personen. HRW World Report 2001: Algeria; Amnesty International MDE 28/011/2000.

Op een totale bevolking van 31 miljoen inwoners.

Mannen en vrouwen kunnen pas op de leeftijd van negentien jaar een 'acte civil' (trouwakte) krijgen. Het komt derhalve zelden voor dat vrouwen op jongere leeftijd trouwen. Mede vanwege de slechte economische omstandigheden trouwen Algerijnse mannen in het algemeen op latere leeftijd.

HRW World Report 2001:Algeria; Amnesty International MDE 28/011/2000.

Country Report 2001 onder 1C. Amnesty International Annual Report 2000:Algeria. Deze gegevens dateren van voor de recente onlusten in Kabylië.

Zie bv. brief Amnesty International Nederland d.d. 3 april 2001.

Zie bv. HRW World Report 2001: Algeria. HRW kreeg te horen dat sedert 1992 348 personen gelieerd aan veiligheidsdiensten wegens mensenrechtenschendingen zijn vervolgd.

HRW World Report 2001: Algeria; Amnesty International MDE 28/011/2000.

Het afgelopen jaar is de discussie in Algerije en Frankrijk over de rol van het leger en de veiligheidsdiensten gedurende de jaren 1992-1997 wederom opgelaaid door publicatie in Frankrijk van boeken van Habib Souaïdia
- La sale guerre en Nesroulah Yous - Qui a tué à Bentalha? Souaïdia, een voormalig lid van de speciale strijdkrachten, beschrijft mensenrechtenschendingen begaan door het leger in de periode 1992-1995 en zijn aandeel daar in. Yous geeft een ooggetuigenverslag van de moordpartij bij Bentalha in september 1997, waarbij honderden doden te betreuren vielen. Deze moordpartij wordt door de staat op het conto van de gewapende islamisten geschreven, maar Yous zet hier grote vraagtekens bij. Beide publicaties worden fel door Algerijnse gezagsdragers bestreden. Reuters 26 februari 2001.

MDE 28/011/2000. In het Country Report 2001 (section 1b) van het State Department staat evenwel 'There were no credible reports during the year of disappearances in which the security forces were implicated'. Voor afname van het aantal 'verdwijningen' zie ook bv. Amnesty International Annual Report 2000: Algeria. Amnesty International blijft, net als in het verleden, druk uitoefenen om informatie te verkrijgen over 'verdwenen' personen. Genoemde gegevens dateren van voor de recente onlusten in Kabylië.

Er wordt nauwelijks vooruitgang geboekt in het ophelderen van de 'verdwijningen'. Zie HRW-World Report 2001: Algeria; Amnesty International-MDE 28/011/2000. In een recente toespraak heeft de Algerijnse minister van Binnenlandse Zaken, aldus Associated Press d.d. 10 mei 2001, gesproken over tenminste 4880 verdwijningen. De minister bevestigde dat de overheid er aan werkt de dossiers over de verdwenen personen uit te zoeken.

Amnesty International: ibid, bijvoorbeeld in de steden Oran en Relizane in maart 2000. Zie ook § 3.3.2.

FIDH-Algeria-Truth and Justice: Listen to the victims, juni 2000.

Op 13 april 2001 werd de moordenaar van FIS-leider Hachani (vermoord op 22 november 1999, zie ambtsbericht 10 april 2000 p.9) ter dood veroordeeld. Hij zou lid zijn geweest van de GIA. Daar naar aanleiding van het onderzoek naar de moord en de veroordeling bij de familie van Hachani nog vele vragen open staan omtrent de werkelijke gang van zaken rondom de moord en de moordenaar is de familie tegen deze uitspraak in beroep gegaan. Reuters, 15 april 2001.

Vrouwen kunnen echtscheiding aanvragen indien de echtgenoot geen onderdak meer kan (of wil) bieden, de echtgenoot alcoholist of anderszins verslaafd is en daardoor niet in het onderhoud van de vrouw en eventuele kinderen kan voorzien. Ook aantoonbare mishandeling is een reden tot echtscheiding.

Als in vele landen in het Midden-Oosten en de Maghreb wordt over de positie van de vrouw een vaak hoogoplopende strijd gevoerd tussen modernisten en traditionalisten.

Volgens opgave van de Algerijnse overheid is tussen de 45 en 48% van de personen werkzaam in het onderwijs (primair t.m. tertiair) van het vrouwelijke geslacht. In de grote steden is dit zelfs een overweldigende meerderheid. Vrouwelijke rechters maken 27 % uit van de totale rechterlijke macht van 2510 rechters. Het aandeel van vrouwen werkzaam in de gezondheidszorg was in 1996 51%. E/1990/6/Add.26 p.11

Bijvoorbeeld centra van SOS Femmes en Détresse. Enerzijds zorgt deze organisatie voor opvang van vrouwen in moeilijke omstandigheden, hoewel zij slechts beperkte mogelijkheden heeft. Anderzijds heeft deze organisatie ook een telefonische hulpdienst, een Centre d'Ecoute Juridique et Psychologique pour Femmes en difficultés waaraan vrouwelijke psychologen en juristen zijn verbonden. Om dit centrum onder de aandacht van vrouwen te brengen worden veelal kleine annonces in de geschreven pers (zowel Franstalig als Arabischtalig) geplaatst.

SOS Femmes en Détresse organiseerde op 5 oktober 2000 een bijeenkomst onder het motto 'Quelle est la situation de la femme en détresse psychologique en Algérie?' met deelname van NGO's, diverse ministeries, journalisten en vertegenwoordigers van ziekenhuizen. SOS Femmes en Détresse heeft een verslag van deze bijeenkomst gepubliceerd.

De zienswijze van Amnesty International in haar brief van 3 april 2001 (p.4) dat vrouwen die weigeren zich aan te passen aan de gedragscode van islamistische fundamentalisten het risico lopen slachtoffer te worden van mensenrechtenschendingen is te algemeen gesteld. Deze vrouwen lopen alleen risico in de gebieden waar de gewapende islamisten actief zijn.

Gesprekken met SOS Femmes en Détresse en UNICEF Algerije, januari 2001.

Brief Amnesty International d.d. 3 april 2001, p.4.

De Nederlandse overheid geeft bijdragen aan een project in Algerije waar getraumatiseerde geweldsslachtoffers begeleid worden.

Psycholigical Rehabilitation of Traumatized Children, p.3. UNICEF Algiers, September 1998: 'There exist 23 institutions catering for the needs of children without parental care, 103 schools/centres providing educational services for children with mental and physical disabilities'.

Ibid.

Artikel 338: 'Tout coupable d'un acte d'homosexualité est puni d'un emprisonnement de deux mois à deux ans et d'une amende de 500 à 2.000 DA. Si l'un des auteurs est mineur de 18 ans, la peine à l'égard du majeur peut être élevé jusqu'à 3 ans d'emprisonnement et 10.000 DA d'amende'.

Gesprek met UNHCR in de regio, januari 2001 en brief UNHCR Nederland aan advocaat d.d. 31 oktober 2000: 'in practice it is unlikely that the authorities would take action against homosexuals. To UNHCR's knowledge, no convictions have been pronounced on the basis of this article'. Ook ONDH heeft verklaard dat homoseksueel gedrag in de privé-sfeer de overheid niet interesseert. ONDH voorzitter K. Rezzag Bara zegt dat zijn organisatie er niet naar streeft homoseksualiteit uit het Wetboek van Strafrecht verwijderd te krijgen. Ook uit deze stellingname blijkt de geringe acceptatie van homoseksualiteit in de Algerijnse samenleving. Gesprek met ONDH, januari 2001.

Reuters 27 april 2001; AFP 28 april 2001; Economist 5 mei 2001: 'The Berbers rise'. De onlusten vielen samen met de herdenking van de 21ste verjaardag van de 'Berberse Lente'. Op 20 april 1980 vroegen demonstranten om officiële erkenning van de taal en cultuur van de Berberbevolking. Destijds hebben zware ongeregeldheden plaatsgevonden, waarbij slachtoffers vielen te betreuren.

Human Rights Watch persbericht 4 mei 2001.

Le Monde 4 mei 2001. Sinds 5 juli 1998 geldt het Arabisch als officiële taal, dit tot onvrede van Berber-sprekenden. Hun wens om de eigen taal een officiële status te geven stuitte de afgelopen jaren op onwil van hogerhand.

Le Monde internet versie 3 mei 2001. In antwoord op de recente gebeurtenissen is de traditionele tribale organisatiestructuur in Kabylië, de Aarch, nieuw leven ingeblazen. NRC 22 juni 2001. De Aarch zou geen directe banden met politieke partijen hebben.

De commissie staat onder voorzitterschap van een gerespecteerd jurist uit Kabylië. Human Rights Watch en Amnesty International hebben er op aangedrongen dat dit een volledig onafhankelijk onderzoek dient te zijn. HRW persbericht 4 mei 2001, Amnesty International News Release 1 mei 2001 MDE/28/005/2001. Ook het parlement heeft een onderzoekscommissie ingesteld. Een maand later, op 31 mei 2001, voerde de president een aantal wijzigingen in zijn regering door met als doel de economische hervormingen te bespoedigen. Naar verluidt zou president Bouteflika zelf, gezien de aanhoudende onlusten, overwogen hebben zijn ontslag in te dienen. In een verklaring van 19 juni 2001 legde Bouteflika de schuld voor de aanhoudende onlusten zonder verdere aanduiding bij een samenzwering van buitenaf. Reuters 20 juni 2001.

Enige honderdduizenden mensen demonstreerden vreedzaam tijdens een 'zwarte mars' in Tizi Ouzou ter nagedachtenis aan de slachtoffers van bovengenoemde rellen. Aan alle demonstranten was gevraagd een zwarte rouwband te dragen. AFP 21 mei 2001. Op 3 en 10 mei 2001 liepen duizenden mensen mee in protestdemonstraties in de hoofdstad. AP 10 mei 2001; Middle East International 18 mei 2001 pp. 20,21. Ook op 31 mei 2001 werd een grote demonstratie gehouden. Volgens AFP hebben 200.000 mensen hieraan deelgenomen. AFP 31 mei 2001. Eén demonstrant raakte zwaargewond en overleed enige dagen later. AFP 6 juni 2001. AFP 12 juni 2001 'Fresh riots erupt in eastern regions over unemployment'. In Kabylië kwamen op 19 juni 2001 bij protesten op diverse plaatsen elf mensen om en tientallen personen raakten gewond. Volkskrant 20 juni 2001. Op 25 juni 2001 is herdacht dat drie jaar geleden het Kabylische idool Matoub Lounes werd omgebracht. In Tizi Ouzou, waar tienduizenden Berbers demonstreerden, kwam het tot schermutselingen. Reuters 25 juni 2001, NRC 30 juni 2001.Verleden jaar kwam het in Algiers tot ongeregeldheden bij de herdenking van de moord op deze populaire Berber-zanger.

BBC News Online 19 juni 2001. Tijdens de massale 'mars voor de democratie' op 14 juni 2001 in Algiers waar honderdduizenden betogers aan deelnamen vonden vier personen de dood, onder wie twee journalisten die door een bus werden overreden. Er vielen honderden gewonden. BBC News Online 14 juni 2001; Reuters 14 juni 2001.

Fax d.d. 16 februari 2000 van de Algerijnse ambassade aan het ministerie van Buitenlandse Zaken. 'Des communiqués sont affichés annuellement sur des lieux publiques par les autorités compétentes, invitant les jeunes âgés de 17 à 18 ans à s' inscrire pour l'accomplissement du Service National qui s'effectuera seulement une année plus tard, à savoir dès l'âge de 19 ans' .

Er zijn valse avis de recherche in omloop. Authenticiteitonderzoek naar deze documenten is mogelijk.

Sedert 1968 is militaire dienst verplicht voor mannen. Per wet 89-19 van 12 december 1989 werd de militaire diensttijd ingekort van 24 naar 18 maanden.

In ieder geval geldt dat de oudste zoon van een gezin waarvan de vader gepensioneerd of overleden is uitgezonderd kan worden van dienstplicht. Ook de zoon van een patriot (strijder in de onafhankelijkheidsoorlog) kan van dienstplicht worden uitgezonderd. Ook medische redenen kunnen leiden tot afstel.

De overheid is van mening dat met name een hoger opgeleide een verplichting heeft t.o.v. de staat, bijvoorbeeld omdat deze een gratis universitaire opleiding heeft gevolgd.

Le Monde 17 september 1999; Volkskrant 16 september 1999. Eerdere amnestieën: Wet 89-20 van 12 december 1989 gaf dispensatie aan alle mannen van dertig jaar en ouder met terugwerkende kracht tot 1 november 1988 (geboren in 1958 of eerder) zonder acht te slaan op eventuele verplichtingen t.a.v. de militaire dienst. Presidentieel decreet 89-226 van 12 december 1989 dispenseerde hierboven alle personen geboren voor 1 januari 1968, die nog niet waren ingelijfd voor 15 januari 1989, met uitzondering van personen met een hogere opleiding (niet helder gedefinieerd) en studenten. Zie: Observatoire National des Droits de l'Homme - Note d'information relative à la législation sur le service national. Februari 2001.

Aanvragers dienden, afhankelijk van hun situatie, hun geboortecertificaat, twee foto's, een bewijs van schoolgang of een schooldiploma te overleggen.

Bidonvilles zijn veelal bevolkt met slachtoffers van aardbevingen, economische migranten en personen die vanwege de veiligheidssituatie naar de grote stad zijn getrokken.

Zo zet Frankrijk illegale Algerijnen veelal per boot vanuit Marseille uit.

===

Deel: ' Recente ontwikkelingen in Algerije '




Lees ook