Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, directie Voorlichting
Datum: 01-09-1999

Toespraak

Kunstuitleen en cultuurpolitiek

Toespraak van dr. F. van der Ploeg, staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, ter gelegenheid van het in ontvangst nemen van het eerste exemplaar van het boekje Kunstuitleen en cultuurpolitiek.

1 september 1999 te Den Haag, Nieuwspoort

Het lijkt niet zo voor de hand te liggen dat ik als Staatssecretaris een boekje in ontvangst neem dat in de eerste plaats bestemd is voor bestuurders van gemeenten en provincies. De titel van het boekje luidt echter Kunstuitleen en Cultuurpolitiek en, zoals u weet heb ik daarmee van doen. Het centrale thema van mijn beleid, cultuur als confrontatie. was voor mij eerder al aanleiding om over de drempels van de kunstuitleen heen te stappen. Het is namelijk nog niet zo héél lang geleden dat een van de uitgangspunten voor het rijksbeleid luidde: het kúnstbeleid stopt op de drempels van de kunstuitleen. Onder meer deze drempelvrees van het Rijk heeft geleid tot decentralisatie van het kunstuitleenbeleid.

Toch heb ìk vorig jaar het startschot gegeven voor de Dag van de Kunstuitleen. Bij die gelegenheid heb ik erop gewezen dat ik de doelstelling van de kunstuitleen onderschrijf om een breder publiek aan te spreken. In de kunstuitleen vind ik een ervaren medestander. De kunstuitleen immers is mede ontstaan en ontwikkeld vanuit het ideaal van educatie. Dat is de reden waarom de Federatie Kunstuitleen gesubsidieerd wordt vanuit het kunstbeleid. Om die reden krijgt de FKU extra subsidie voor specifieke activiteiten als totstandkoming van de publicatie Kunstuitleen en Cultuurpolitiek.

De motivatie van mijn aanwezigheid hier wordt niet alleen gevoed vanuit cultuurpolitiek, maar ook vanuit het kunstbeleid. In de loop van de tijd gaat de slinger van de klok heen en weer tussen verschillende themas van kunstbeleid en cultuurbeleid. Hoewel ik de spanning, die kàn bestaan tussen kunstbeleid en cultuurpolitiek wel onderken, behoor ik niet tot degenen, die deze spanning opvoeren tot een tegenstelling of tegenstrijdigheid.

In het boekje De Nederlandse identiteit in de kunst na 1945 noemt de éminence grise van de Nederlandse beeldende kunst Edy de Wilde de grote veelzijdigheid als kenmerkend. Hij onderkent in de beeldende kunst van nu zeer uiteenlopende opvattingen, en kunstenaars die tegengestelde posities innemen. Hij wijst erop dat die veelzijdigheid vroeger beslist niet bestond. De dogmatiek van De Stijl of Bauhaus is in de vitaliteit van de naoorlogse kunst verdwenen. Dat is naar zijn mening te danken aan het gunstige cultuurpolitieke klimaat van de laatste decennia. Ik zou daaraan willen toevoegen dat dit volgens mij ook te danken is aan de zeer gedifferentieerde infrastructuur in ons land op het terrein van de beeldende kunst. Er bestaat een grote verscheidenheid aan musea, galeries, centra voor beeldende kunst, kunstuitleeninstellingen, presentatie-instellingen, kunstenaarsinitiatieven, werkplaatsen en kunstacademies. En deze gedifferentieerde infrastructuur wordt gedragen door het beleid van alle drie de bestuurslagen.

Dankzij deze infrastructuur kunnen de Nederlandse beeldende kunstenaars, ook zij die heel veel ambitie hebben, in Nederland blijven werken en toch tentoonstellingen hebben in Berlijn, Londen, Parijs of New York. Belangrijk is volgens mij vooral dat ze dankzij de gedifferentieerde infrastructuur in ons land letterlijk een thuisbasis hebben. Dat wil zeggen een basis op lokaal of regionaal niveau, waarin ze tot ontwikkeling kunnen komen en tegelijkertijd activiteiten kunnen ontplooien in het buitenland.

De kunstuitleen heeft zich in de lokale en regionale infrastructuur een belangrijke plaats verworven en beperkt zich al lang niet meer tot uitlenen. Zoals uit het boekje Kunstuitleen en Cultuurpolitiek valt op te maken behoren ook beheer en behoud, presentaties, informatie en documentatie en educatie tot de vaste activiteiten. Soms groeit een kunstuitleen uit tot een Centrum Beeldende Kunst met activiteiten voor kunstenaars -zoals cursussen over ondernemerschap en marketing-, opdrachten aan kunstenaars, opdrachten voor kunst in de openbare ruimte, subsidies voor kunstenaars, maar ook omvangrijke activiteitenprgrammas voor het publiek of zelfs algemene advisering over beeldende kunst. Het beleid van gemeenten en provincies raakt, nee overlapt zelfs voor een deel het rijksbeleid.

De bij u allen onder de naam Geldstroom Lagere Overheden bekende specifieke uitkering vormt een belangrijke bijdrage aan het beleid èn de infrastructuur op het terrein van de beeldende kunst van de andere overheden. De goede luisteraar zal de in dit verband niet onbelangrijke overgang -of moet ik eerder spreken van ontwikkeling- van lagere overheden naar andere overheden niet zijn ontgaan. Deze specifieke uitkering is begin jaren 80 ook opgezet als instrument ter stimulering van het beeldende kunst- en vormgevingsbeleid van provincies en gemeenten. Het Rijk is daarbij voornamelijk opgetreden als financier en heeft zich beleidsmatig zeer terughoudend opgesteld.

Wellicht is nu de tijd rijp om een stapje verder te gaan. Basis voor het goed functioneren van de zeer gedifferentieerde infrastructuur in Nederland is dat de drie betrokken bestuurslagen hun beleid op elkaar afstemmen. Zoals ik in mijn Uitgangspuntennota heb gesteld, als we in het cultuurbeleid iets willen bereiken, moeten bestuurders met cultuur in hun portefeuille de handen ineenslaan. We zullen als convenantpartners nog meer van het convenantenoverleg moeten profiteren. De onlangs opgestelde culturele profielschetsen en onze politieke ambities vormen een goede basis. De eventuele financiële conclusies vormen dan het sluitstuk. Om ons beleid op elkaar te kunnen afstemmen zullen ons vooral open moeten opstellen en bereid moeten zijn tot samenwerking. Mijn plan om in de komende vier jaar de positie van de lokaal gevestigde culturele accommodaties te versterken, heeft alleen kans van slagen als de betrokken gemeenten en provincies die ambitie delen en zich er actief voor willen inzetten. Maar als het lukt om aan die voorwaarde ruimhartig te voldoen, liggen er ook aanzienlijke resultaten in het verschiet.

Deel: ' Rede Van der Ploeg boekje Kunstuitleen en cultuurpolitiek '




Lees ook