Sociaal Cultureel Planbureau



9 VRIJWILLIGERSWERK IN DE CIVIL SOCIETY: BEVINDINGEN EN VERDER ONDERZOEK

Paul Dekker

In dit derde deel van de serie Civil society en vrijwilligerswerk is een grote hoeveelheid empirische gegevens over lidmaatschapsorganisaties en vrijwilligerswerk gepresenteerd: landenvergelijkend en longitudinaal, van kale deelnamecijfers via sociale en culturele indicatoren voor achtergronden tot statistische maten voor mogelijke effecten. Deze grote variëteit vloeit voort uit de doelstelling om na theoretische verkenningen van de civil society (Dekker 1994) en een casestudy van lokale participatie (Van Deth en Leijenaar 1994) met beschikbaar datamateriaal een algemene verkenning te leveren van vrijwilligerswerk in de Nederlandse civil society. De secundaire analyses van materiaal dat om uiteenlopende redenen is verzameld, laten zich niet dwingen in een strak keurslijf van een theorie over kenmerken en functies van vrijwilligerswerk in de civil society. Wel zijn in hoofdstuk 1 enkele algemene aandachtspunten uitgewerkt. Daarop wordt in dit hoofdstuk teruggekomen. Na samenvattingen van de afzonderlijke hoofdstukken (§ 9.1) wordt in paragraaf 9.2 een voorlopig oordeel gegeven over de betekenis van vrijwilligerswerk voor de civil society. Daarop volgt een meer methodologische nabeschouwing met het oog op nieuw onderzoek naar de betekenis van vrijwilligerswerk in de civil society (§ 9.3).


9.1 Samenvattingen

Hoofdstuk 1 begint met de uitwerking van het idee van de civil society als perspectief voor onderzoek van vrijwilligerswerk. Er wordt ingegaan op de verscheidenheid van afgrenzingen van het terrein en op het politieke gebruik van het begrip. De civil society wordt als maatschappelijk ordeningsmodel geconfronteerd met de modellen gemeenschap, markt en staat. Daaruit komen twee 'nevenproducten' van activiteiten in de civil society die richtinggevend kunnen zijn voor empirisch onderzoek van vrijwilligerswerk, namelijk sociaal kapitaal en publieke-opinievorming. Bij sociaal kapitaal gaat het om een conglomeraat van netwerken, normen en onderling vertrouwen dat samenwerking bevordert. Publieke-opinievorming betreft processen van reflectie en wilsvorming waarin groepen mensen en maatschappijen zich rekenschap geven van hun doeleinden en problemen, hetgeen kan culmineren in collectieve acties, gericht op overheidsbeleid. Met het oog op het onderzoek van gegevens van individuen over lidmaatschappen en vrijwilligerswerk passeren elementen en indicatoren van beide nevenproducten de revue. De meeste aandacht krijgt intermenselijk vertrouwen als kenmerk van sociaal kapitaal. De aard van de relaties tussen participatie en vertrouwen blijkt discutabel. Binnen het beeld van 'nevenproducten' past vertrouwen als gevolg van participatie, maar er zijn ook goede redenen om participatie, in casu vrijwilligerswerk, te zien als een gevolg van wederzijds vertrouwen (of van normen en netwerken of ook van de wens om bij te dragen aan de publieke-opinievorming). Processen van wederzijdse beïnvloeding en versterking lijken het waarschijnlijkst, maar er is geen reden om dit als uitgangspunt vast te leggen. Voor deze bundel is belangrijker eerst eens vast te stellen hoe sterk de verbanden eigenlijk zijn. Tot slot worden twee aanvullende aandachtspunten voor het empirisch onderzoek aangevoerd, namelijk ontwikkelingen van lidmaatschapsorganisaties om het kader van vrijwilligerswerk in beeld te brengen en de sociale ongelijkheid in de deelname aan vrijwilligerswerk.

Hoofdstuk 2 beschrijft de ontstaansgeschiedenis van vier soorten organisaties op het maatschappelijke middenveld en de latere ontwikkelingen die zich daarbinnen hebben voltrokken. De organisaties zijn vakverenigingen, kerken, omroepen en sportbonden. Verschuivingen in het ledenbestand zijn gedocumenteerd op basis van zogenoemde institutionele tellingen en, in het geval van de kerken, met behulp van gegevens die de achtereenvolgende volkstellingen hebben opgeleverd. Vanuit de stabilisatie of afbrokkeling van een aantal organisaties die stammen uit het tijdperk van de verzuiling kan niet zonder meer geconcludeerd worden dat de Nederlanders niet langer warmlopen voor ideële doeleinden of dat zij niet langer in georganiseerd verband hun engagement vorm wensen te geven. De veelal sterke aanwas bij een aantal organisaties van meer recente datum ligt in lijn met de opkomst van nieuwe thema's in het publieke debat (milieu, internationale solidariteit, ethische vraagstukken rondom abortus en euthanasie). Tevens is zij indicatief voor een verschuiving naar andere vormen van participatie. Het tweede deel van het hoofdstuk begint met een schets van de historische contouren van het vrijwilligerswerk. Vervolgens wordt kort ingegaan op enkele trends binnen het vrijwilligerswerk in de periode vanaf de jaren zeventig. Twee sectoren gaven in de afgelopen decennia een sterke groei te zien. In de eerste plaats het vrijwilligerswerk dat rondom scholen en in het kader van kinderopvang en jeugdwerk wordt verricht, in de tweede plaats vrijwilligersactiviteiten op het recreatieve terrein van amateurkunst, hobby's en sportbeoefening.

Hoofdstuk 3 gaat met internationaal onderzoek door op vrijwilligerswerk als actief lidmaatschap. In twaalf landen is voor een aantal maatschappelijke terreinen nagegaan in hoeverre mensen lid zijn van organisaties (c.q. als 'gebruiker' deelnemen aan activiteiten) en als lid eventueel vrijwilligerswerk verrichten. Met deze gegevens wordt onderscheiden tussen actieve civil societies in Noord-Amerika met veel leden en relatief veel actieve leden, brede civil societies in Scandinavië en Nederland met veel leden maar minder actieve leden, en elitaire civil societies met weinig maar wel vaak actieve leden in Ierland en Zuid-Europa. De verscheidenheid aan civil societies komt ook naar voren uit gegevens over collectieve acties voor het milieu: tegenover sterk geïnstitutionaliseerde landen in het noordwesten van Europa staan meer activistische landen in het zuiden. De aandacht in het hoofdstuk gaat vooral uit naar de achtergronden van lidmaatschap en vrijwilligerswerk en de (statistische) effecten daarvan op het bestaan van sociaal kapitaal en publieke- opinievorming. Wat de twaalf landen betreft, blijkt dat naarmate er meer vrijwilligers in een land zijn, het gemiddelde sociale vertrouwen groter is. Voor Italië, de Verenigde Staten en Nederland wordt op verschillen tussen groepen ingegaan. Opleidingsniveau blijkt ook hier weer een zeer onderscheidend persoonskenmerk; sekseverschillen zijn er bij lidmaatschappen, maar niet bij de deelname aan vrijwilligerswerk door leden. De verwachting dat 'plichtsbesef' en 'persoonlijke voldoening' tegengestelde motieven zijn voor vrijwilligerswerk waarmee categorieën vrijwilligers en terreinen van vrijwilligerswerk scherp kunnen worden onderscheiden, komt niet uit. Er wordt wel enige ondersteuning gevonden voor het idee dat vrijwilligers meer vertrouwen in de medemens hebben en sterker betrokken zijn bij de politieke opinievorming dan niet-vrijwilligers. Het lijkt echter aannemelijk dat het daarbij minder gaat om een effect van het vrijwilligerswerk als zodanig dan om het feit dat vrijwilligers per definitie georganiseerd zijn. Het hoofdstuk biedt weinig grond voor hoge verwachtingen van bijzondere bijdragen van vrijwilligerswerk aan de vorming van sociaal kapitaal en publieke-opinievorming.

Hoofdstuk 4 biedt een beschrijvende analyse van twee internationale vrijwilligersenquêtes, de één onder representatieve bevolkingssteekproeven en de ander onder vrijwilligers, ex-vrijwilligers en niet-vrijwilligers van 50 jaar en ouder. Beide enquêtes bieden gedetailleerde informatie over vrijwilligerswerk, maar geven nauwelijks mogelijkheden om in te gaan op aspecten die van belang zijn voor de civil society. Uit de bevolkingsenquêtes komt in alle landen een positief gestemde publieke opinie over vrijwilligerswerk naar voren. Evenals in ander onderzoek blijkt de deelname aan het vrijwilligerswerk in Zweden en in ons land op een hoog niveau te liggen. Tijdgebrek is het belangrijkste argument om geen vrijwilligerswerk te doen. Dit argument wordt vooral door jongere niet-vrijwilligers gebruikt. Bij hen is ook de afwijzing van vrijwilligerswerk doorgaans minder absoluut dan bij oudere niet-vrijwilligers. Bij de vrijwilligers zijn jongeren (en mannen) eerder actief in de sfeer van sport en recreatie, ouderen eerder in de sfeer van de zorg. Verder zijn er tussen de landen nauwelijks stabiele patronen te ontdekken in drijfveren, activiteiten en ervaringen van vrijwilligers. De enquêtes onder vrijwilligers van 50 jaar en ouder tonen een grote groep langdurig actieven. Veel oudere vrijwilligers hebben altijd hetzelfde werk gedaan. Als ze ander werk zijn gaan doen, is er vaak sprake geweest van een uitbreiding van taken. Beide enquêtes laten minder uitspraken toe dan gehoopt over ervaringen en loopbanen van vrijwilligers. Dat ligt ten dele aan specifieke gebreken van het materiaal, maar aan het einde van het hoofdstuk dringt zich toch ook de conclusie op dat we met betere enquêtes niet veel verder gekomen waren. Het vrijwilligerswerk is te divers en het ontbreekt aan eenvoudige herkenbare categoriseringen van activiteiten en ervaringen. Concrete vragen naar wat vrijwilligers doen en beleven zijn steeds slechts voor kleine aantallen ondervraagden relevant en daardoor zijn ook omvangrijke steekproeven al snel te klein. Nader onderzoek van vrijwilligersloopbanen kan in eerste instantie beter plaatsvinden door generaliseerbare categorieën te zoeken in kleinschalig kwalitatief onderzoek dan door grote enquêtes.

Hoofdstuk 5 gaat verder in op motieven voor vrijwilligerswerk of maatschappelijke participatie. Na een overzicht van soorten beweegredenen voor participatie die in de literatuur worden onderscheiden, behandelen de auteurs de resultaten van onderzoek hiernaar met behulp van enquêtes (met gesloten vragen) en interviews (met open vragen). De verschillen worden besproken in het kader van een meeromvattende tegenstelling tussen 'kwantitatief' en 'kwalitatief' onderzoek. Ongeacht de methode van datavergaring, bevestigen de motieven van vrijwilligers om in maatschappelijke organisaties actief te zijn het beeld dat de literatuur over dit onderwerp oplevert. Mensen verrichten vrijwilligerswerk uit betrokkenheid bij de lokale gemeenschap of bij de doelstellingen van de organisatie, maar ook vanwege de sociale contacten die men opdoet en om de eigen ervaringen en capaciteiten in te zetten voor de organisatie in kwestie. Kwalitatieve gegevens bleken belangrijke informatie op te leveren om de validiteit van kwantitatieve gegevens en hun statistische bewerkingen te toetsen, en om aanpassingen van enquêtevragen te suggereren. Een combinatie van enquêtes en interviews lijkt de beste weg, bij voorkeur aan te vullen met weer andere methoden zoals groepsinterviews of focusgroepen. Doordat men andere mensen hoort vertellen, kunnen individueel latente motieven manifest worden en op basis van groepsprocessen zouden zich collectief nieuwe dimensies kunnen voordoen - mensen ontdekken al pratend pas wat hen beweegt.

Hoofdstuk 6 behandelt vrijwilligerswerk vanuit het perspectief van tijdbestedingsonderzoek. In de tijdbestedingsonderzoeken van het SCP houden de respondenten zeven etmalen lang een dagboek bij van al hun bezigheden. De gegevens die dat oplevert, stellen ons in staat de tijdsdimensie van het vrijwilligerswerk te analyseren. Deze gegevens bestaan uit de aantallen ondervraagden die door de jaren heen berichten in de desbetreffende week te hebben deelgenomen aan vrijwilligersactiviteiten, het aantal uren dat zij daaraan hebben besteed, de tijdstippen die zij daarvoor reserveerden, maar ook de inbedding van hun vrijwilligerswerk binnen het totale patroon van bezigheden en verplichtingen dat gedurende de onderzoeksweek beslag op hen legt. Het hoofdstuk begint met een karakterisering van enkele algemene ontwikkelingen die zich in de naoorlogse periode hebben voorgedaan en die relevant zijn met betrekking tot de tijdsbesteding van wisselende groepen binnen de bevolking. Vervolgens passeren, aan de hand van de tijdsbestedingsdagboeken en voor de periode 1975-1995, veranderingen de revue in de achtergrond-, leefsituatie- en leefstijlkenmerken van vrijwilligers. Daaropvolgend wordt voor verschillende jaren de spreiding van vrijwilligerswerk over de dagen en tijdstippen van de week in beeld gebracht, wordt voor een doorsnee wekelijkse dag in 1975 en 1995 gekeken naar de plaats die vrijwilligerswerk inneemt binnen het ritme van dagelijkse bezigheden, en wordt hetzelfde gedaan voor de vier bevolkingsgroepen werkenden, huisvrouwen, studerenden en niet-actieven. De deelname aan vrijwilligersactiviteiten blijkt vooral plaats te vinden op doordeweekse avonden, meer dan twintig jaar geleden op midweekse ochtenden en de zaterdagmorgen, minder dan destijds op zondagmorgen. De spreiding van deze deelname valt anders uit voor Nederlanders met een betaalde werkkring en studerenden dan voor huisvrouwen en niet-actieven, van wie de dagindeling minder wordt gedomineerd door collectieve tijdroosters.

Hoofdstuk 7 onderzoekt voor de Verenigde Staten het belang van sociaal vertrouwen en van religie voor het beantwoorden van de vraag waarom mensen vrijwilligerswerk gaan doen of anderszins maatschappelijk actief worden. Wat het sociale vertrouwen betreft, wordt een onderscheid gemaakt tussen algemeen vertrouwen in onbekende medeburgers en exclusief vertrouwen in 'de eigen soort' of mensen die men kent. Wat de religieuze factor betreft, wordt onderscheiden tussen de groeiende groep protestantse fundamentalisten en andere gelovigen. Fundamentalisten hebben vooral vertrouwen in elkaar en wantrouwen anderen. Hun vrijwilligerswerk is niet per se geringer, maar het beperkt zich wel tot de eigen kring en zal daarom weinig kunnen bijdragen aan de ontwikkeling van het sociale kapitaal in een maatschappij. Anders ligt dat bij levensbeschouwelijke hoofdstromingen waarin juist het 'goed doen' voor onbekenden als geestelijke waarde verspreid wordt. Verdere toename van het fundamentalisme zou de al door De Tocqueville beschreven positieve rol van religie in de Amerikaanse civil society ingrijpend kunnen wijzigen. Algemeen sociaal vertrouwen wordt in dit hoofdstuk opgevat als een waarde die, anders dan exclusief vertrouwen, niet gebaseerd kan zijn op ervaringen en die ook voorafgaat aan vrijwillig engagement. Het kan dan ook niet worden versterkt door de stimulering van engagement en evenmin via het verstevigen van vertrouwen in de overheid of andere instituties, laat staan door de beïnvloeding van mediagedrag. Los nog van de beïnvloedingsmogelijkheden, wordt er volgens de auteur in de discussies over eroderend sociaal kapitaal in Amerika te veel belang gehecht aan televisiekijken. Algemeen sociaal vertrouwen lijkt vooral een uiting van een optimistisch wereldbeeld. Dat beeld is sterk geworteld in de gezinssituatie van de jeugd en de opvoeding en daarom moeilijk te beïnvloeden. Aan het slot van het hoofdstuk wordt toch nog een uitweg geschilderd, namelijk de stimulering van deelname aan teamsport. Door een combinatie van factoren - toename van zelfvertrouwen, vergroting van sociale netwerken, respect voor regels en menselijke verscheidenheid, de dwang tot samenwerking - is teamsport een waarschijnlijker bron van sociaal kapitaal en vertrouwen dan andere vormen van tijdsbesteding.

Hoofdstuk 8 gaat de invloed na van de godsdienstige achtergrond op het sociale engagement van de Nederlanders. Op verschillende wijzen kan worden beargumenteerd dat de kerken nog steeds een belangrijk onderdeel van de vaderlandse civil society vormen en dat hun rol als opwekkers tot sociale solidariteit en maatschappelijk engagement allerminst is uitgespeeld. Het is de vraag of kerkelijke betrokkenheid ook op individueel niveau mensen stimuleert tot vertrouwen in anderen en inzet voor anderen. Om dit na te gaan, is gebruikgemaakt van een databestand waarin de gegevens van twee onderzoeken die bij dezelfde personen werden gehouden zijn ondergebracht: het Tijdbestedingsonderzoek van 1995 en het onderzoek God in Nederland van
1996.

Twee aspecten van de rol der kerken staan centraal. In de eerste plaats hun positie binnen de publieke meningsvorming over morele kwesties. In dit opzicht bestaan er grote verschillen tussen de confessionele richtingen, waarbij de gereformeerden een publieke functie voor de kerken het sterkst onderschrijven. Het tweede hoofdthema is het vermogen van de kerken om saamhorigheid tussen mensen en solidariteit met de bredere samenleving te bewerkstelligen. Bij de analyses is consequent onderscheiden tussen de belangrijkste geloofsrichtingen en het buitenkerkelijke bevolkingsdeel. De eerste hoofdconclusie is dat regelmatige kerkgang een duidelijk en direct effect heeft op de bereidheid om zich bij verenigingen aan te sluiten en vrijwilligerswerk te verrichten, ook als daarbij de effecten van tijdsbestedingskenmerken en persoonskenmerken zoals geslacht, leeftijd en opleidingsniveau in aanmerking worden genomen. Wat het sociale vertrouwen aangaat, luidt de conclusie dat hierop de frequentie van kerkgang niet van invloed is. Vertrouwen tussen mensen wordt vooral bepaald door het genoten opleidingsniveau, terwijl ook het doen van vrijwilligerswerk daarvoor bevorderlijk is.


9.2 Voorlopige balans

Het simpelste kengetal voor de toestand van het vrijwilligerswerk in de Nederlandse civil society is een opgave van de feitelijke deelname. Helaas is een dergelijk getal niet te geven. Er kan op basis van longitudinaal onderzoek worden gesteld dat de deelname redelijk stabiel is (hoofdstukken 2 en 6) en met landenvergelijkend onderzoek kan worden aangetoond dat de deelname redelijk hoog is, maar een absoluut cijfer geven is lastig. Alles hangt af van de meting ofwel van de enquêtevragen. Wat mensen onder vrijwilligerswerk verstaan is inmiddels zelf een interessant terrein van internationaal vergelijkend onderzoek geworden.(1) In Nederland gaan de deskundigen doorgaans uit van vrijwilligerswerk als "werk dat in enig georganiseerd verband onverplicht en onbetaald wordt verricht ten behoeve van anderen of de samenleving" (WVC 1991: 4), maar in enquêtes kan van een dergelijk gemeenschappelijk begrip niet worden uitgegaan. Voor het grote publiek is het 'georganiseerde verband' waarschijnlijk niet vanzelfsprekend en dat wordt in enquêtevragen dan ook expliciet naar voren gebracht om de bedoelde activiteiten te onderscheiden van 'informele hulp'.(2) Vragen naar vrijwilligerswerk kunnen de aandacht meer op bestuurlijke of op ondersteunende werkzaamheden richten, meer of minder focussen op 'anderen' en 'de samenleving' (in plaats van de 'eigen' club), enzovoort. Een vraag naar gemiddelde tijdsbesteding zal de aandacht meer richten op regelmatige activiteiten en dus meer mensen uitsluiten die zich incidenteel inspannen (met wellicht een grotere totale tijdsbesteding per jaar). Vragen naar de deelname aan specifieke activiteiten voor afzonderlijke organisatietypen of in afzonderlijke sectoren kunnen nuttig zijn om terreinen van vrijwilligerswerk beter dekkend in kaart te brengen, maar zullen gepaard gaan met een relatieve onderschatting van vrijwilligerswerk dat niet expliciet aan bod komt. Naast verschillen in vraagstelling speelt in enquêtes vaak ook nog een rol in welk kader en in welke volgorde vragen worden gesteld. In het kader van andere vragen over tijdsbesteding of in verband met vragen over betaald werk zal een vraag over vrijwilligerswerk anders beantwoord worden dan wanneer ze deel uitmaakt van een serie vragen over sociale contacten en politieke participatie. Bovenop deze verschillen komen dan nog verschillen in steekproeftrekking en non-respons van de onderzoeken. Het zal geen verwondering wekken dat de schattingen van het percentage vrijwilligers sterk uiteenlopen. In Nederland worden tussen 1988 en
1995 percentages aangetroffen tussen 15 en 46 (SCP 1996: 556; Van Daal
1997b; Van Dam et al. 1998: 34-37; Schmeets en Vullings 1999). Omdat niet dezelfde mensen rond hetzelfde tijdstip op verschillende wijzen zijn ondervraagd, is niet te zeggen hoeveel verschil er voortkomt uit de vraagstelling, hoeveel uit het veldwerk en hoeveel uit reële verandering.(3) Zoals zo vaak in enquêteonderzoek, geldt ook hier: de relatie tussen antwoorden en de echte werkelijkheid is onzeker, maar om trends en verschillen tussen groepen te onderzoeken, zijn identiek verzamelde gegevens toch wel bruikbaar.

De feitelijke toestand van het vrijwilligerswerk in de Nederlandse civil society in de jaren negentig laat zich al met al niet anders dan relatief kenschetsen: internationaal relatief hoog (hoofdstukken 3 en
4) en in de tijd betrekkelijk stabiel (hoofdstukken 2 en 6).

In de redactionele inleiding en het eerste hoofdstuk werden drie rode draden aangekondigd voor de empirische analyses:


- sociale ongelijkheid, afgemeten aan verschillen in sekse, opleidingsniveau en leeftijd;


- lidmaatschap van vrijwillige organisaties als voorwaarde voor het verrichten van vrijwilligerswerk en passief lidmaatschap ook als een belangrijke referentiecategorie bij de analyse van achtergronden en effecten van vrijwilligerswerk;


- sociaal kapitaal en publieke-opinievorming als nevenproducten van vrijwillige activiteit in de civil society.

Sociale ongelijkheid

Ten aanzien van sociale ongelijkheid blijkt het opleidingsniveau voortdurend een belangrijk onderscheidend kenmerk. Hoger opgeleiden zijn vaker vrijwilliger en ze zijn ook vaker lid van organisaties. Op de keper beschouwd lijkt het waarschijnlijk dat het lidmaatschap beslissend is: hoger opgeleiden zijn vaker lid van organisaties, maar als ze eenmaal lid zijn, dan worden ze niet per se frequenter actief als vrijwilliger (tabel 3.6). Opmerkelijk is dat hoger opgeleiden zich niet (langer) onderscheiden van lager opgeleiden als gebruik wordt gemaakt van tijdsbestedingsgegevens (tabel 6.4). Dat kan eraan liggen dat hoger opgeleiden minder regelmatig vrijwilligerswerk verrichten, maar het kan ook zijn dat ze in enquêtes - vanwege sociale wenselijkheid of vanuit een actiever zelfbeeld - wat gemakkelijker zeggen dat ze iets doen als vrijwilliger. Hoger opgeleiden besteden zeker niet meer tijd aan vrijwilligerswerk. Het lijkt dus vooral een kwestie van toegankelijkheid van het vrijwilligerswerk en niet van een grotere bereidheid tot investering van de kant van de hoger opgeleiden. Sekse legt minder gewicht in de schaal. Vrouwen zijn minder lid van organisaties, maar als lid zijn ze zeker zo actief. Wat de deelname aan vrijwilligerswerk in de bevolking betreft, verschillen de onderzoeksresultaten enigszins. Soms zijn mannen iets oververtegenwoordigd, vaak maakt het niet uit. Overigens zijn er binnen deelpopulaties soms wel zeer aanzienlijke sekseverschillen (zie bijlage B6.2). Wat de leeftijd aangaat, werd ook nu meestal het kromlijnige verband aangetroffen waarbij jongeren en ouderen minder doen dan de tussengroep. Oververtegenwoordiging van de tussengroep heeft waarschijnlijk te maken met het vrijwilligerswerk dat wordt gedaan in het verlengde van betaald werk en vanwege de eigen kinderen (meehelpen op hun school of sportvereniging). Hoewel enige vermindering van vrijwilligerswerk onder de jeugdigen (tabel 6.5) reden kan zijn voor ongerustheid over het vrijwilligerswerk in de toekomst, gaat het bij hun achterblijven bij de middengroep waarschijnlijk toch eerder om een levensfaseverschil dan om een generatieverschil.

Er zij bij deze samenvattende signalering van verschillen nogmaals gewezen op de verscheidenheid van metingen en op de diversiteit binnen het vrijwilligerswerk. Hoger opgeleiden onderscheiden zich bij de beantwoording van enquêtevragen meer dan bij de registratie van de tijdsbesteding in een week. Mannen en vrouwen verschillen gemiddeld misschien weinig, maar in de sport zijn vooral mannen en op school zijn vooral vrouwen als vrijwilliger actief. In de sport vindt men ook eerder jongeren, in de levensbeschouwelijke sfeer eerder ouderen. Bij activiteiten die grenzen aan het vrijwilligerswerk kan het er dan ook heel anders uitzien: in het politieke activisme zijn hoogopgeleiden en jongeren doorgaans dominant, in de informele zorg valt de grote activiteit van ouderen en vrouwen op (SCP 1998: 749-753; Schmeets en Vullings 1999). Of men sociale ongelijkheid problematisch vindt, zal afhangen van de reden waarom men participatie wenselijk vindt en van de aard van de activiteit en de vraag in hoeverre ongelijkheden cumuleren of elkaar compenseren. Ziet men participatie vooral als een aardige vrijetijdsbesteding, dan is ongelijkheid minder belangrijk dan wanneer men haar ziet als een uiting van gemeenschapszin of een poging tot beïnvloeding. Dat jongeren liever iets voor de sportclub doen en ouderen liever iets voor een gezelligheidsvereniging, wordt allicht minder als een probleem gezien dan dat hoogopgeleide mannen meer in posities met status en macht terechtkomen en laagopgeleide vrouwen eerder in de dienstverlening en de informele hulp.

Vrijwillige organisaties

Wat het lidmaatschap van vrijwillige organisaties betreft, toonden de institutionele tellingen van hoofdstuk 2 eerder een toename dan een afname (uitgebreider in SCP 1998: 737 e.v.). Op onderdelen, bijvoorbeeld de sport, gaat de toename gepaard met een groei van het vrijwilligerswerk (zie hoofdstukken 2 en 6). Wel kan er een verschuiving worden gesignaleerd van 'secundaire' organisaties met veelvuldig ledencontact naar 'tertiaire' organisaties, waarin leden slechts gemeenschappelijke interesses of idealen delen of individuele voordelen aan hun lidmaatschap ontlenen, maar elkaar nooit als leden zullen ontmoeten. Daar staat tegenover dat burgers zich tegenwoordig waarschijnlijk buiten het kader van vrijwillige organisaties meer om collectieve aangelegenheden bekommeren. Daarbij is te denken aan politieke acties waarvoor mensen incidenteel worden gemobiliseerd en aan allerlei vormen van inspraak en medezeggenschap. Ook hebben verbanden van de betaalde arbeid en in de informele sfeer waarschijnlijk sociale en politieke functies van verenigingen overgenomen.(4)

Bij de onderscheiding van secundaire en tertiaire organisaties bestaat het gevaar dat de eerste soort wordt geromantiseerd en de laatste soort wordt getrivialiseerd ('giroactivisme'). Er bestaat geen aanleiding om te veronderstellen dat de leden van moderne tertiaire organisaties per definitie minder bij hun organisatie of haar doelstellingen zijn betrokken dan de leden van de traditionele secundaire organisaties. Ook bij secundaire face-to-face organisaties kan het gaan om zuiver utilitair lidmaatschap, terwijl omgekeerd tertiaire mailing list organizations ook gevoelens van verbondenheid kunnen oproepen. Het tweede type zal meer passieve leden hebben, maar die krijgen waarschijnlijk vaak wel meer informatie aangereikt dan passieve leden van secundaire organisaties. Tertiaire organisaties bieden massaler gelegenheid voor betrokkenheid van burgers bij grote maatschappelijke vraagstukken en grootschalige
besluitvormingsprocessen, juist omdat ze weinig tijdsinvesteringen vergen.

Waarschijnlijk staat dat wat organisaties politiek effectief maakt in een moderne democratie op gespannen voet met hun bijdrage aan de gemeenschapsvorming en sociale cohesie op kleinere schaal.

Sociaal kapitaal en publieke-opinievorming

Dat brengt ons op de derde rode draad: de bijdrage van vrijwilligerswerk aan het sociale kapitaal en de publieke-opinievorming. Allereerst moet worden vastgesteld dat het beschikbare materiaal slechts enkele analyses toestond. In de meeste databestanden waren geen indicatoren beschikbaar voor beide 'nevenproducten' van activiteiten in de civil society. In de andere gevallen bleef de oogst beperkt tot grove metingen van sociaal vertrouwen, politieke betrokkenheid en de steun voor burgerlijke normen. De bevindingen voor die indicatoren gaven aanleiding om te waarschuwen tegen de overschatting van het belang van vrijwilligerswerk. Statistisch significante verbanden zijn niet per se belangrijke bevindingen. Deze waarschuwing geldt met name voor onderzoek naar sociaal vertrouwen. Gedreven door tot de verbeelding sprekende vermoedens uit populaire politiek-filosofische en current affairs-literatuur van de jaren negentig (zie § 1.2) wordt met eenvoudige indicatoren in empirisch onderzoek sociaal vertrouwen centraal gesteld en men vindt correlaten. In empirisch onderzoek kan men echter meestal slechts vinden wat men zoekt. Zouden andere variabelen in de analyse betrokken worden, dan zou er waarschijnlijk weinig van de aangetroffen verbanden overblijven.(5)

De voor Nederland in hoofdstuk 3 en in hoofdstuk 8 aangetroffen verbanden tussen participatie en sociaal vertrouwen hebben de voorspelde richting, maar sterk zijn ze bepaald niet. Dat geldt ook voor de relaties van vrijwilligerswerk met houdingen en activiteiten die duiden op betrokkenheid bij de publieke-opinievorming.(6) Andere factoren zijn vaak minstens zo belangrijk als vrijwilligerswerk; toch maar weer: opleidingsniveau is nog altijd een zeer belangrijke individuele determinant van sociaal vertrouwen én politiek zelfvertrouwen - en als vrijwilligerswerk statistisch 'iets doet', dan blijft onzeker in hoeverre specifiek aan de activiteit zelf effecten zijn toe te schrijven. Met deze teleurstellende resultaten is natuurlijk niet het laatste woord over het belang van vrijwilligerswerk voor sociaal kapitaal en publieke- opinievorming gezegd. De mogelijkheden van de beschikbare data waren beperkt en met meer en betere indicatoren in nieuw verzameld materiaal zou men voor de beide 'nevenproducten' van activiteit in de civil society statistisch grotere verschillen tussen vrijwilligers en niet-vrijwilligers kunnen vinden. Belangrijker dan een uitbreiding van de indicatoren is een toespitsing van de verwachtingen van verschillen: onder welke voorwaarden kan vrijwilligerswerk vertrouwensrelaties versterken en aanleiding geven tot politieke activiteit? Wanneer zullen eventuele effecten van vrijwilligerswerk neerslaan in meetbare verschillen tussen gemiddelde vrijwilligers en niet-vrijwilligers en wanneer is die 'geïndividualiseerde' benadering te simpel en moet naar andere meetbare consequenties worden gezocht?(7)

Wat de individuele vrijwilligers betreft, moet aangegeven worden op welke wijzen hun activiteiten civil society-effecten kunnen hebben. Hooghe en Derks (1997) leveren daarvoor interessante suggesties. Ze onderscheiden socialization effects en involvement effects. Socialisatie-effecten betreffen waarden, normen en verwachtingen, zoals het aanleren van democratische houdingen, tolerantie, normen van wederkerigheid en gegeneraliseerd sociaal vertrouwen. Betrokkenheidseffecten treden op als individuen door hun participatie rollen en functies in de publieke sfeer krijgen en in aanraking komen met de politiek. Leden van organisaties worden opgeroepen om deel te nemen aan politieke acties, treden namens hun organisatie in overleg met vertegenwoordigers van andere organisaties, komen bij de belangenbehartiging in contact met politici, enzovoort. Volgens Hooghe en Derks wordt in navolging van De Tocqueville voornamelijk op de socialisatie-effecten gelet, terwijl betrokkenheidseffecten van groter en specifieker belang zijn voor de participatie in formele organisaties en dus ook voor vrijwilligerswerk. Met Belgische data maken de auteurs aannemelijk dat de effecten van lidmaatschap op de civil society-houdingen zwakker zijn (en weer in de schaduw staan van opleidingseffecten) dan de effecten op politiek gedrag. De betrokkenheidseffecten zijn specifieker, doordat ze gekoppeld zijn aan posities van de organisaties in het maatschappelijk middenveld en aan hun interacties met de politiek. De socialisatie-effecten kunnen ook optreden in informele netwerken. Het onderscheid van effecten is ook van belang voor de eerder gememoreerde verschuiving van secundaire naar tertiaire organisaties. De secundaire organisaties met frequente contacten tussen de leden kunnen belangrijk zijn voor de socialisatie-effecten, maar op dat punt is ook compensatie te vinden in andere socialiserende relaties. Problematischer is het verdwijnen van posities die leden van organisaties de gelegenheid boden om institutioneel betrokken te raken bij publieke kwesties en de politiek (vgl. Evans en Boyte 1992).

Het onderscheid tussen socialisatie- en betrokkenheidseffecten zou ook behulpzaam kunnen zijn om verschillen te onderzoeken tussen passieve leden enerzijds en actieve leden of vrijwilligers anderzijds. Socialisatie-effecten zijn bij alle leden te verwachten, maar betrokkenheidseffecten alleen of in ieder geval sterker bij vrijwilligers. Uit tabel 3.10 kwam een dergelijk patroon overigens niet naar voren. Weliswaar had vrijwilligerswerk daar meer effect op politieke discussies dan op vertrouwen, maar passief lidmaatschap is voor politieke discussies niet van minder belang dan voor vertrouwen.

Verba et al. (1995: 40) maken voor actieve betrokkenheid bij de politiek een onderscheid tussen drie soorten individuele effecten van participatie in niet-politieke organisaties. Individuen doen ervaringen op die hen met politiek in aanraking brengen door het aanleren van organisatorische en communicatieve vaardigheden die in de politiek van pas komen,(8) doordat ze geïntegreerd raken in sociale netwerken waarin verzoeken om politieke participatie worden gedaan (men ontmoet actieve mensen), en doordat ze blootgesteld worden aan politieke informatie (er worden politieke kwesties aan de orde gesteld in een preek in de kerk of aan de bar van de sportvereniging). Naast deze individuele effecten zijn relaties van niet-politieke organisaties met de politiek van belang: de organisaties realiseren collectieve voorzieningen of behartigen anderszins publieke belangen, waardoor op zijn minst een functionele overlap ontstaat met het werkterrein van overheidsinstanties, en ze behartigen expliciet hun belangen tegenover overheden en nemen standpunten in in politieke controverses. Hier raken de leden collectief bij de politiek betrokken als aanhang van organisaties. Voor de individuele politiserende ervaringen zou men kunnen verwachten dat de effecten van blootstelling aan politieke informatie bij zowel passieve leden als vrijwilligers optreden, de rekruteringskans in netwerken gradueel verschilt, en effecten van het aanleren van organisatorische en communicatieve vaardigheden alleen bij vrijwilligers kunnen worden aangetroffen.

Afgezien van de vraag hoe het belang van vrijwilligerswerk voor de reproductie van sociaal kapitaal en de publieke-opinievorming verder onderzocht kan worden, is vrijwilligerswerk een 'kernactiviteit' van de civil society. Tot slot van deze voorlopige balans zij daarom nogmaals benadrukt dat het er niet slecht voorstaat met de deelname aan het vrijwilligerswerk in Nederland in de jaren negentig. De deelname is hoog in vergelijking met buurlanden en de ontwikkelingen en verschillen tussen bevolkingsgroepen geven weinig reden om een afnemend vrijwillig engagement te verwachten. Vrijwilligerswerk is ook populair bij 'moderne categorieën', zoals hoogopgeleide jongeren. Individualisering is niet zozeer een bedreiging, als wel een uitdaging om mensen meer op individuele vaardigheden aan te spreken. Men verricht vrijwilligerswerk, zet zich in voor anderen - niet uit de macht der gewoonte, niet om met geestverwanten te kunnen verkeren of omdat dominee of pastoor dit aanbeveelt, maar omdat men daartoe gedreven wordt door persoonlijke motieven en overwegingen. Een stap verder: wellicht is vrijwilligerswerk wel bij uitstek een verbindingsmiddel van een moderne geïndividualiseerde maatschappij waarin oude vanzelfsprekende integratiekaders zijn verdwenen en mensen relaties meer aangaan op grond van gemeenschappelijke belangen en interesses. Niet voor niets wordt weleens gesteld dat in Amerika vrijwilligerswerk onder andere populair is omdat het een effectief middel is om snel te integreren in een nieuwe woonomgeving. In een tijd waarin werk in hoog aanzien staat en nuttigheid een dominant criterium is, is vrijwilligerswerk een mooie activiteit voor mensen die nog altijd graag iets met anderen willen doen, maar zich zonder gemeenschappelijke doelen en dingen die gedaan moeten worden toch niet zo op hun gemak voelen. In dit verband is ook de groei van de sport als vrijetijdsbesteding en sector van vrijwilligerswerk (hoofdstuk 2) bemoedigend. Sport kan voor grote groepen - en vooral tussen groepen die elkaar verder niet tegenkomen - een goede basis vormen voor samenwerking en verdraagzaamheid (hoofdstuk 7). Hetzelfde geldt voor andere plaatsen en activiteiten waar in een moderne maatschappij burgers elkaar ontmoeten vanwege beperkte gemeenschappelijke belangen en interesses, zoals kinderopvang en scholen, braderieën en culturele manifestaties, collectieve voorzieningen en openbare ruimten. Dit alles zijn waarschijnlijker gelegenheden voor de ontwikkeling van het sociale leven in een beschaafd samenleven dan de veelomvattende identiteiten en dichte relaties van warme verbondenheid waarin traditioneel de revitalisering van de civil society wordt gezocht.


9.3 Overwegingen voor verder onderzoek

Naar aanleiding van de gerapporteerde onderzoeken zijn ook accenten te plaatsen voor toekomstig onderzoek naar de betekenis van vrijwilligerswerk in de civil society, meer in het bijzonder voor het onderzoek dat door het SCP thans wordt verricht voor het project Civil society en vrijwilligerswerk. De volgende drie methodologische voorkeuren worden in deze paragraaf uitgewerkt.


- Er moet minder waarde worden gehecht aan feitelijke deelname aan vrijwilligerswerk.


- Diversiteit verdient meer aandacht dan 'gemiddelde' causaliteit.


- Er moet vooral meer vergelijkend onderzoek worden gedaan.

De toevalligheid van vrijwilligerswerk

In empirisch onderzoek van vrijwilligerswerk bestaat de neiging om het al of niet verrichten van vrijwilligerswerk op het moment van meting tot een absoluut onderscheid te maken. Daarmee wordt voorbijgegaan aan de toevalligheid van het moment - mensen die nu 'vrijwilliger' zijn, waren dat vorig jaar of vorige week wellicht niet - en aan de toevalligheid van de vorm - mensen die nu 'vrijwilliger' zijn, zouden onder andere omstandigheden wellicht anders participeren.

De toevalligheid van het moment is het minste probleem, ze leidt waarschijnlijk slechts tot wat ruis in de bevindingen vanwege incidentele vrijwilligers. Overigens is het wel goed om met enkele extra vragen in enquêteonderzoek na te gaan hoe stabiel en intensief de deelname aan vrijwilligerswerk is. Twee bevolkingscategorieën kunnen op elk moment hetzelfde aandeel vrijwilligers hebben, waarbij in het ene geval sprake is van een vaste groep vrijwilligers en in het andere geval van een tijdelijk gemobiliseerd deel van een grotere groep bereidwilligen. Een dergelijk verschil zou bijvoorbeeld kunnen bestaan tussen ouderen en jongeren.

Waarschijnlijk is ook dat achter het betrekkelijk constante aandeel van vrijwilligers in de bevolking een groei van de categorie 'incidenteel actieven' schuilgaat. Voor Nederland zijn daarover geen gegevens beschikbaar. In enquêteonderzoek in West-Duitsland bleek de stijging in de jaren tachtig en negentig van het aandeel van de bevolking dat ooit vrijwilligerswerk deed, geheel op het conto te komen van mensen die aangaven incidenteel actief te zijn (Zukunftskommission 1997: 150). De Duitse socioloog Klages (1997) signaleert medio jaren negentig dan ook een aanzienlijk "vrij vlottend engagement" van burgers die geen Ehrenamt voor lange duur meer ambiëren, maar wel deelnemen aan losse activiteiten en zich ook bereid tonen om persoonlijk specifieke verantwoordelijkheden op zich te nemen. De betrouwbare meting van vrijwillige potentiëlen is daarom zeker zo belangrijk als de zorgvuldige boekhouding van feitelijke activiteiten op een bepaald moment.

Belangrijker is de toevalligheid van vrijwilligerswerk als vorm van participatie. Zoals bekend uit het dagelijks leven, maar ook uit onderzoek (Crenson 1983; Van Deth en Leijenaar 1994), bestaan er actieve mensen die verschillende soorten vrijwilligerswerk doen en dat ook nog combineren met informele hulp, meerdere verenigingslidmaatschappen en actieve betrokkenheid bij de politiek. Er zijn andere mensen die aan dergelijke activiteiten zelden of nooit deelnemen. En daartussen zijn er vele gradaties van vrijwillige activiteit, die afwisselend verschillende vormen kunnen aannemen.

In onderzoek wordt doorgaans een enkele participatievorm centraal gesteld en soms wordt dan ook nog gezocht naar relaties met andere vormen (leidt vrijwilligerswerk tot politieke activiteiten?). Men zou echter ook uit kunnen gaan van een general activity model (Smith 1994:
255) waarin de totale hoeveelheid vrijwillige activiteit (bij Smith: "socioculturally approved discretionary time activity") verklaard moet worden, zo mogelijk voor een langere periode. Het al of niet doen van vrijwilligerswerk is dan een indicator naast andere indicatoren voor vrijwillige activiteit zoals het verrichten van informele zorg, hulpvaardigheid, politiek activisme, de geneigdheid om extra werk te verrichten (de grenzen tussen feitelijke activiteit en bereidheid worden hier vaag en vrijwilligheid impliceert niet noodzakelijk dat iets voor anderen of de gemeenschap wordt gedaan). De keuze voor vrijwilligerswerk hangt wellicht vooral af van contextuele en situationele kenmerken, de totale hoeveelheid vrijwillige activiteit misschien eerder van persoonlijkheidskenmerken. Uslaner (1998; vgl. hoofdstuk 7) heeft het in dit verband over 'optimisten', Noelle-Neumann (1997) over sterke persoonlijkheden. Bales (1996) onderscheidt mensen op een volunteerism-activism attitude-schaal.(9) Wie hoog scoort op deze persoonlijkheidsschaal verricht vaker vrijwilligerswerk, maar zou ook op andere wijzen actiever zijn. Als het idee van een algemene geneigdheid hout snijdt, wordt het interessant om binnen de momentane populatie van vrijwilligers 'geheide' participanten te onderscheiden van gelegenheidswerkers die iets doen omdat het echt niet anders ging. Vooral over de shifting involvements (Hirschman 1979) van de categorie die 'van nature' actief is, zou men meer willen weten: wat bepaalt of men vrijwilligerswerk gaat verrichten, zich op andere wijze nuttig maakt voor maatschappij en medemens in breder verband, of liever extra inspanningen levert in de sfeer van de betaalde of huishoudelijke arbeid?

Diversiteit in plaats van gemiddelde causaliteit

In de voorgaande hoofdstukken is gekeken naar gemiddelde effecten van achtergronden en naar effecten van participatie op andere kenmerken. De veronderstelling daarbij is dat in verschillende situaties en omgevingen en in alle bevolkingsgroepen identieke factoren voor iedereen op dezelfde wijze werkzaam zijn. Homogene effecten zijn het principe en interactie-effecten de uitzondering. Dat is een gangbare veronderstelling. Wat een aantal sociaal-demografische en godsdienstige achtergronden van vrijwilligerswerk betreft, is deze veronderstelling niet gehanteerd in de bijlagen van hoofdstukken 6 en
8. Daar bleek het nog wel mee te vallen met de verscheidenheid van combinaties die bevorderlijk zijn voor de deelname aan vrijwilligerswerk, maar er kon dan ook slechts met grove indelingen worden gewerkt en motivaties moesten geheel buiten beschouwing blijven.

Juist bij motivaties en houdingen zijn er tegengestelde effecten te verwachten. Er zijn mensen politiek actief op basis van vertrouwen in anderen (Almond en Verba 1989) en er zijn mensen politiek actief omdat ze hun buren wantrouwen (Crenson 1983).Voor sommige mensen is vrijwilligerswerk een opstap naar de politiek (Van Deth en Leijenaar
1994) en voor anderen is vrijwilligerswerk een mogelijkheid om iets voor de maatschappij te doen zonder in de politiek verwikkeld te raken (Eliasoph 1998). Er zijn mensen die niets doen als ze menen dat anderen ook niets doen en er zijn mensen die juist iets doen omdat anders niemand iets doet. Als de groepen met tegengestelde reacties elkaar in evenwicht houden, is er statistisch geen relatie tussen de perceptie van de handelingsgeneigdheid van anderen en de eigen bereidheid tot vrijwilligerswerk. Toch is die perceptie allesbehalve irrelevant. Uit het feit dat sommige kinderen van alcoholici later ook aan de drank raken en andere kinderen juist geheelonthouder worden, volgt niet dat het alcoholgebruik van de ouders blijkbaar niet ter zake deed. De vraag is onder welke voorwaarden welke begrijpelijke reactie optreedt.

In participatieonderzoek lijkt de keuze vaak te gaan tussen een al te globaal representatief beeld en al te unieke levensechte inzichten (zie hoofdstuk 5 voor een combinatie van enquête- en interviewgegevens over participatiemotieven). Een interessant perspectief om tot generaliseerbare inzichten te komen in de wijze waarop mensen zich sociaal en politiek engageren en daar weer mee ophouden biedt het door Jon Elster (1993 en1998) geopperde idee van 'mechanismen':

"Roughly speaking, mechanisms are frequently occurring and easily recognizable causal patterns that are triggered under generally unknown conditions or with indeterminate consequences. They allow us to explain but not to predict" (Elster 1998: 45).

Dit idee van mechanismen betekent voor verkennend en kwalitatief onderzoek van vrijwilligerswerk een grotere gespitstheid op universele modules in de redeneringen en handelingen van mensen. Grootschalig kwantitatief onderzoek zou zich meer moeten laten leiden door het besef dat, in termen van beschikbare variabelen, identieke oorzaken tegenstrijdige gevolgen kunnen hebben. Meer aandacht voor interacties in causale analyses is één advies, vaker zoeken naar bevolkingssegmenten met verschillende combinaties van relevante kenmerken een ander. Hoewel tegengestelde mechanismen zich niet hoeven te concentreren in verschillende bevolkingscategorieën - individuen zullen in verschillende situaties en op basis van ervaringen ook verschillende logica's volgen - kan desaggregatie op eenvoudige sociaal-culturele kenmerken wel behulpzaam zijn bij het opsporen van verscheidenheid achter minieme correlaties voor de totale populatie.

Vergelijkend onderzoek

Vergelijkend onderzoek is om twee redenen geboden. In beide gevallen richt het pleidooi zich vooral tegen het gemakzuchtige gebruik van enquêtegegevens (vgl Edwards en Foley 1998b). De eerste reden is het beter in beeld krijgen van belangrijke achtergronden van participatie en de tweede reden is dat de thematiek van de civil society, c.q. de instandhouding van sociaal kapitaal en de publieke- opinievorming, niet adequaat kan worden behandeld op het niveau van relaties tussen kenmerken van individuen en van gemiddelde groepsverschillen.

Bij de achtergronden en determinanten van de deelname aan vrijwilligerswerk is het wenselijk de context van handelen beter in kaart te krijgen dan mogelijk is met behulp van individuele percepties. Het gaat hier om een veelvuldig gesignaleerd tekort van enquêteonderzoek. Smith (1994) laat in een overzichtsartikel zien dat in onderzoek van de determinanten van de deelname aan vrijwilligerswerk sociale achtergronden, persoonlijkheidskenmerken, houdingen en situationele variabelen sterk overheersen. Als contextuele factoren aandacht krijgen, dan is dat meestal slechts via ruwe informatie van ondervraagden (gezinssamenstelling, verstedelijkingsgraad, arbeidsorganisatie en dergelijke).(10)

Een belangrijke overweging is de thematiek van de civil society. Het gaat in het gekozen perspectief van de civil society om collectieve zaken en niet om individuele gevolgen van vrijwilligerswerk. Uiteindelijk is de vraag niet of vrijwilligers zich onderscheiden van niet-vrijwilligers, maar of de aanwezigheid van vrijwilligers positieve effecten heeft buiten de eigen kring. Om het belang van vrijwilligerswerk voor de civil society te kunnen onderzoeken, is het nodig om naar sociale eenheden te kijken en dan niet slechts naar de optellingen van individuele kenmerken, maar ook naar systeemkenmerken zoals sociale netwerken, de organisaties van het maatschappelijk middenveld en het functioneren van politiek en bestuur.(11)

Dergelijk vergelijkend onderzoek zou niet nodig zijn als de bewering slechts was dat vrijwilligers meer vertrouwen hebben in hun medemensen, zich meer bekommeren om hun buren, meer deelnemen aan politieke discussies, of vaker politieke initiatieven ondernemen. Uit dergelijke beweringen zijn wel uitspraken over collectiviteiten af te leiden - in gemeenten met veel vrijwilligerswerk is er meer wederzijds vertrouwen en wordt er meer over politiek gepraat dan in gemeenten met weinig vrijwilligers - maar dan heeft men het over samenstellingseffecten. De verwachtingen en vragen in discussies over de civil society reiken verder en betreffen verschillen in cultuur (is in landen, plaatsen en buurten met veel verenigingsleven en vrijwilligerswerk het wederzijds vertrouwen en de verankering van bepaalde sociale normen groter, ook onder mensen die geen lid of vrijwilliger zijn?), infrastructuur (zijn er meer gelegenheden en media voor politieke meningsvorming?) en politiek en overheidsbeleid (is de politieke elite responsiever en het beleid effectiever?). Van dergelijk onderzoek zijn in paragraaf 1.4 van hoofdstuk 1 een paar voorbeelden gegeven. Het gaat om ingewikkeld en arbeidsintensief onderzoek omdat op verschillende niveaus (individuen, organisaties, het openbaar bestuur) gegevens moeten worden verzameld.

Eind 1996 is het SCP eigen empirisch onderzoek gestart voor het project Civil society en vrijwilligerswerk. Uitgangspunt vormen opnieuw bevolkingsenquêtes. Aan de reguliere ondervraging voor het onderzoek Culturele veranderingen in Nederland werd een lijst toegevoegd met een groot aantal vragen over vrijwilligerswerk, tijdsbesteding, sociaal vertrouwen, gemeenschapszin en politiek gedrag. Daarmee kan hopelijk beter dan in de secundaire analyses van het voorliggende Cahier het belang op individueel niveau worden onderzocht van vrijwilligerswerk voor sociaal kapitaal en publieke-opinievorming. Daarnaast is een begin gemaakt met vergelijkend onderzoek door in vier plaatsen de landelijke enquête uit te zetten in combinatie met extra lijsten met open vragen en vragen over de lokale situatie. In die vier plaatsen is inmiddels ook al andere informatie verzameld, onder andere over de gemeenteraadsverkiezingen van 1998, en er zal nog een aantal respondenten van het enquêteonderzoek opnieuw worden benaderd voor gesprekken. Over het onderzoek zal worden gerapporteerd in het vierde en laatste deel van de serie Civil society en vrijwilligerswerk.

Noten


1. Naar wat mensen wel en niet als vrijwilligerswerk beschouwen, is in Nederland onderzoek gedaan door Meijs (1997) door het voorleggen van concrete situaties. Van twintig situaties werd 'een volwassene die jeugdleider bij de plaatselijke voetbalvereniging is' het meest en 'een zes maanden oude baby die met zijn/haar ouders op bezoek gaat bij ouderen in een bejaardenhuis' het minst als vrijwilligerswerk erkend. Met enige reserves vanwege het gebruik van convenience samples kan worden gesteld dat Nederlanders restrictiever zijn dan Amerikanen in het etiketteren van situaties als vrijwilligerswerk, dat Nederlanders met name terughoudend zijn bij de bestempeling als vrijwilligerswerk van bijzondere vormen zoals alternatieve straffen, stages en corporate volunteering, en dat beroepskrachten (coördinatoren vrijwilligerswerk) soepeler zijn dan leken.


2. Beide soorten vrijwillig engagement worden in het onderzoek Culturele veranderingen in Nederland de laatste jaren bijvoorbeeld als volgt gepeild: 'Hoeveel uur gemiddeld per week verricht u vrijwilligerswerk, dat wil zeggen: onbetaald werk ten behoeve van of georganiseerd door een instelling of vereniging?' en 'Hoeveel uur gemiddeld per week biedt u kosteloos hulp aan zieke of gehandicapte familieleden, kennissen of buren?' De vraag naar vrijwilligerswerk wordt in bijlagen bij hoofdstukken 6 en 8 gebruikt.


3. In het eind 1996 en begin 1997 uitgevoerde enquêteonderzoek van het project Civil society en vrijwilligerswerk, waarover later zal worden gepubliceerd, zijn dezelfde mensen wel op twee manieren ondervraagd. Mondeling werd eerst geïnformeerd naar de gemiddelde tijdsbesteding aan vrijwilligerswerk. Schriftelijk kregen ze daarna vragen over hun lidmaatschap en het 'weleens' vrijwilligerswerk doen voor organisaties op een aantal terreinen. Van de respondenten van 18 jaar en ouder deed volgens de eerste methode 29% en volgens de tweede methode 49% vrijwilligerswerk. Hoewel de eerste methode een aanzienlijk geringer aandeel vrijwilligers oplevert, zijn daaronder toch nog vrijwilligers die niet worden geregistreerd met de tweede methode: 3% van de 2.341 ondervraagden met geldige antwoorden (48% verricht volgens beide metingen geen vrijwilligerswerk, 26% volgens beide metingen wel, 23% alleen volgens de tweede vraagstelling).


4. Schudson (1996) signaleert voor Amerika ook een gelijkblijvende deelname aan collectieve acties om problemen in de woonplaats op te lossen en volgens hem is bovendien van belang dat 'de politiek' zich sterk heeft uitgebreid in het dagelijks leven. In de informele sfeer en in formele arbeidsorganisaties komen politieke strijdpunten aan de orde van emancipatiebewegingen, van de sekseverhoudingen via etnische discriminatie tot discussies over roken. Daaraan wordt gemakkelijk voorbijgegaan als men zich bij de meting van sociale en politieke betrokkenheid beperkt tot het tellen van lidmaatschappen.


5. Dit kwam naar voren uit onderzoek in Philadelphia (Pew 1997) waarin de relatie tussen sociaal vertrouwen en participatie centraal stond. Vrijwilligers in een aantal soorten vrijwilligerswerk onderscheidden zich helemaal niet van anderen door meer vertrouwen, en waar wel een verschil bestond, werd dat bij controle op persoons- en achtergrondkenmerken al snel kleiner. Een veelbelovende schakel tussen vertrouwen en participatie bleek te worden gevormd door gevoelens van zelfvertrouwen, competentie, persoonlijke effectiviteit of empowerment.


6. Empirisch kwam dit aspect nu bijna alleen in hoofdstuk 3 aan de orde. Aan statistische verbanden van vrijwilligerswerk en sociale participatie met politieke activiteiten is echter al veel aandacht besteed. Zie onder andere eerdere publicaties van het SCP (1994: 589;
1996: 548) en voor een overzicht Van Deth (1998).


7. Daarbij is ook een striktere operationalisering geboden van sociaal kapitaal en publieke-opinievorming. In hoofdstuk 1 zijn de begrippen vanuit de literatuur kort uitgewerkt, maar dat mondde nog niet uit in verklaringsmodellen en indicatorenselecties voor onderzoek. Inmiddels is vooral over 'sociaal kapitaal' meer literatuur verschenen die is gericht op beter gefundeerd empirisch onderzoek. In de theoretische exegesen maakt Putnam plaats voor de minder normatieve Coleman en er worden systematischer operationaliseringen gezocht in sociaal-psychologische en culturele indicatoren (normen, waarden, houdingen) óf metingen van netwerken en andere relationele aspecten (Mondak 1998; Edwards en Foley 1998b).


8. Verba et al. (1995: 309 e.v.) hebben het hier over civic skills, die ze indiceren met het bezoeken en plannen van vergaderingen, het schrijven van zakelijke brieven en het houden van toespraken en presentaties. Deze vragen zijn overgenomen in de enquêtes van het hoofdonderzoek Civil society en vrijwilligerswerk, waar wordt geïnformeerd naar deze activiteiten in het vrijwilligerswerk en in het betaalde werk (zie ook hoofstuk 8).


9. Deze houding of persoonlijkheidstrek heeft als subdimensies het gevoel van persoonlijke effectiviteit bij het aanpakken van sociale problemen, het idee dat vrijwillig engagement onderdeel hoort uit te maken van eenieders leefstijl, een filosofische gerichtheid op opofferingsgezindheid en sociale rechtvaardigheid, en een feel good-factor (van iets voor anderen of de maatschappij doen word je zelf ook beter).


10. Op het grote belang van het sociale milieu wijst een bevinding van Van Beckhoven (1991: 13) in zijn onderzoek onder niet-vrijwilligers: van hen die nooit vrijwilligerswerk hadden gedaan zei 62% dat in hun omgeving ook niet aan vrijwilligerswerk werd gedaan, van hen die ooit vrijwilligerswerk deden zegt 39% dat.


11. Het gaat hier om vergelijkend onderzoek in een striktere betekenis dan het landenvergelijkende onderzoek van gemiddelden en van individuele relaties dat in hoofdstukken 3 en 4 van dit Cahier werd gepresenteerd. Het wenselijke onderzoek is vergelijkend dankzij het gebruik van "attributes of macrosocial units in explanatory statements" (Ragin 1987: 5).

Deel: ' Samenvatting SCP-cahier Vrijwilligerswerk vergeleken '




Lees ook