Sociaal Cultureel Planbureau


Persbericht van Cahier 155 Rapportage ouderen 1998,

verschenen op dinsdag 16 maart 1999

Nog steeds aandacht nodig voor kwetsbare groepen ouderen
1. Met de meeste ouderen (55-plussers) gaat het goed.

Ouderen met ernstige psychische stoornissen zoals depressies of angststoornissen krijgen onvoldoende hulp.

Veel ouderen verlenen vrijwilligerswerk of informele hulp. De inzet van ouderen zou nog aanzienlijk vergroot kunnen worden als bijvoorbeeld financiële drempels worden weggenomen.

De deelname van ouderen aan de arbeidsmarkt is tussen 1995 en 1997 gestegen.

Door de stijging van woonlasten en heffingen verkeren veel ouderen in
1996 in een minder gunstige financiële positie dan in 1990. Naar verwachting is de inkomenspositie sindsdien verbeterd.

Ouderen zijn in steeds betere woningen gaan wonen, maar deze nieuwere woningen zijn wel duurder. Hierdoor is de afhankelijkheid van huursubsidie toegenomen.

Dit zijn de belangrijkste bevindingen van het vandaag verschenen SCP-Cahier Rapportage ouderen 1998, dat op verzoek van het ministerie ven Volksgezondheid, Welzijn en Sport is opgesteld.

Met de meeste ouderen gaat het goed

Met de meerderheid (zo'n 85%) van de 3,6 miljoen ouderen (55-plussers) gaat het goed. Deze ouderen beschikken over een redelijke gezondheid en over een inkomen waarvan goed valt te leven. Enige honderdduizenden ouderen staan er echter, vergeleken met anderen, aanmerkelijk minder gunstig voor. Dit betreft bijvoorbeeld de ouderen met een laag inkomen (een groep die de afgelopen jaren in omvang afnam), ouderen met ernstige lichamelijke beperkingen en ouderen met ernstige psychische klachten zoals depressie. Aandacht voor deze kwetsbare groepen ouderen blijft nodig.

Er wordt te weinig aandacht besteed aan psychische stoornissen bij ouderen

Naar schatting lijden circa 200.000 ouderen aan een ernstige psychische stoornis (depressie, angststoornissen of dementie). Daarnaast lijden enkele honderdduizenden mensen aan lichtere vormen van deze psychische problemen. Slechts een fractie van de ouderen met deze (ernstige) stoornissen krijgt daarvoor hulp. Dit komt doordat ouderen zich niet snel voor hulpverlening melden of geneigd zijn deze stoornissen als een somatisch probleem naar voren te brengen. Ook herkennen de hulpverleners de stoornis vaak niet.

Zo weet de huisarts vaak niet goed hoe hij deze mensen met psychische klachten het best kan helpen. Daarom zouden huisartsen profijt hebben bij een (nog op te stellen) richtlijn 'herkenning en behandeling van psychische stoornissen bij ouderen'.

Een depressie- of angststoornis op latere leeftijd wordt vaak veroorzaakt door een ingrijpende negatieve levensgebeurtenis, zoals het verlies van de gezondheid of van de partner. De preventie van bijvoorbeeld depressies kan aanzienlijk worden verbeterd door meer professionele belangstelling te tonen voor ouderen die een dergelijk verlies geleden hebben. Naast een adequate diagnose en preventieve maatregelen is het ook van belang dat meer ouderen professionele hulp krijgen. Dit kan als bijvoorbeeld Riagg's hun diensten nadrukkelijker aanbieden aan ouderen. Nu bereiken ze maar een fractie (circa 15%) van het aantal ouderen met ernstige depressies of angststoornissen.

Groei van vrijwilligerswerk onder ouderen is mogelijk

Maatschappelijke participatie van ouderen is om twee redenen van belang. De maatschappij heeft baat bij de inzet van ouderen in verenigingsleven of vrijwilligerswerk, en voor ouderen biedt dit een manier om sociale contacten te onderhouden, langer actief te blijven en hun tijd zinvol te besteden.

In Nederland doen circa 1,5 miljoen 55-plussers (ruim 40%) vrijwilligerswerk. Zij zetten zich in voor bijvoorbeeld sport, hobby's of godsdienstige activiteiten. Gemiddeld besteden zij hier bijna 5 uur per week aan. Daarnaast is er een grote groep ouderen (ruim 450.000) die informele hulp verleent aan zieke of gehandicapte familieleden of bekenden.

Ruim twee miljoen ouderen verrichten geen vrijwilligerswerk. Bijna 60% van hen zegt hiervoor ook geen belangstelling te hebben. Een deel hiervan heeft geen tijd of ziet door ziekte of handicap geen mogelijkheid om vrijwilligerswerk te verrichten. Ongeveer 40% zou eventueel wel vrijwilligerswerk willen doen. Een deel hiervan geeft aan nooit gevraagd te zijn of niet te weten wat zij zouden kunnen doen (sommigen hebben het idee dat zij vanwege hun lage opleiding ongeschikt zijn om vrijwilligerswerk te doen). Anderen kunnen de extra kosten die het vrijwilligerswerk meebrengt niet opbrengen. Weer anderen voelen zich 's avonds onveilig op straat en willen dan de deur niet meer uit. Het aanbieden van vergoedingen voor gemaakte onkosten (zoals reiskosten of de kosten van een verzekering) is één manier om het vrijwilligerswerk te vergroten.

Meer ouderen blijven werken

Het aantal mensen van 55-64 jaar dat werkt is sinds 1995 toegenomen van ongeveer 26% tot bijna 28% in 1997. Dit is een toename van ruim
35.000. Minder mannen traden tussen hun vijftigste en zestigste jaar uit. Dit is wellicht mede veroorzaakt door het intrekken van de "ouderenrichtlijn" per 1 januari 1994, waardoor minder ouderen via de WW uitstroomden. Ook de gunstige economische situatie kan echter van invloed zijn geweest. De effecten van de nieuwe VUT-regelingen, waarin de leeftijd waarop men kan stoppen met werken vaak wordt uitgesteld van 60 jaar naar 61 of 62 jaar, zullen pas later zichtbaar worden.

Werknemers in loondienst treden beduidend eerder uit dan zelfstandigen. Gunstige arbeidsomstandigheden en een kortere werktijd vergroten de kans dat men wat langer doorwerkt. Ook de gezinssituatie speelt een rol. Mensen met (nog) thuiswonende kinderen stoppen eerder met werken dan anderen. Het opleidingsniveau lijkt geen noemenswaardig effect te hebben op de uittredingsleeftijd.

Inkomens ouderen na 1996 gestegen

Het netto inkomen van de meeste ouderen is tussen 1990 en 1996 net iets meer gestegen dan de prijzen. Toch verkeren veel ouderen in 1996 in een relatief ongunstige financiële positie ten opzichte van 1990, door de stijging van de woonlasten, (gemeentelijke) heffingen en eigen bijdragen.

In 1995 zeggen ouderen dan ook vaker dat zij moeilijk rond kunnen komen dan in 1990.

Door een aantal beleidsmaatregelen zullen ouderen er naar verwachting tussen 1996 en 1998 circa 5% in koopkracht op vooruit gaan. Dit betekent dat het aantal huishoudens van ouderen met een laag inkomen zal afnemen met 80.000. Desondanks houden ruim 200.000 ouderen een laag inkomen. Het is nog onduidelijk of ook de lasten van ouderen na
1996 verder zijn toegenomen. Definitieve data hierover ontbreken.

Er wordt al jarenlang verondersteld dat ouderen in de toekomst steeds hogere inkomens zullen krijgen. Tot nu toe blijkt echter dat ouderen weliswaar een steeds groter deel van inkomen uit aanvullende pensioenen halen, maar dat er steeds minder inkomen uit hun vermogen wordt gehaald.

Ouderen wonen in nieuwere, betere maar ook duurdere woningen

De woonsituatie van ouderen is tussen 1981 en 1994 verbeterd: ouderen wonen vaker in een woning die goed toegankelijk is (zonder trappen) en de gemiddelde kwaliteit van de woning is beter: de woning is nieuwer en heeft meer of grotere kamers. Hiervoor betalen zij echter wel een prijs. De huren die ouderen betalen zijn tussen 1981 en 1994 gemiddeld met 47% gestegen. Ouderen zijn dan ook steeds meer afhankelijk geworden van huursubsidie (de helft van de alleenstaande 65-plussers ontvangt huursubsidie). De laatste jaren zijn de huurverhogingen iets gematigd.

Veel ouderen zijn verhuisd van vooroorlogse woningen naar nieuwere, vaak beter toegankelijke, woningen. De subsidies op de bouw van deze nieuwe woningen zijn beperkt, zodat de woonlasten van deze woningen relatief hoog zijn. Om de huren niet nog verder te laten stijgen zou de bestaande woningvoorraad aan de specifieke beperkingen van ouderen moeten worden aangepast. Het is immers voor zowel de overheid als voor de oudere bewoner aanzienlijk goedkoper om een bestaande woning aan te passen dan een nieuwe woning te bouwen en te bewonen.

Rapportage ouderen 1998 (ISBN 90-5749-122-2), kost 47,-- en is verkrijgbaar bij de boekhandel of bij Elsevier klantenservice (070)
381 99 00.

Deel: ' SCP Rapportage ouderen 1998 '




Lees ook