Sociaal Cultureel Planbureau


Persbericht van Cahier 157 Sociale en Culturele Verkenningen 1999, verschenen op vrijdag 2 juli 1999

Nederlanders welvarender, tevreden met de overheid, maatschappelijk betrokken en ook internationaal gezien vol vertrouwen in de toekomst


* De sociale staat van Nederland is sedert 1994 verbeterd. De situatie in de vier grote steden en de overige steden die in het grotestedenbeleid zijn betrokken, blijft verder achter bij de rest van Nederland.

* De productie in de quartaire sector steeg in de periode 1986-1997 met 10%. De reële kosten per eenheid product stegen met 10%, ondanks de toename van de arbeidsproductiviteit met 5%.
* Een meerderheid van de bevolking is voorstander van taakstraffen voor misdrijven zoals vandalisme en inbraak. In tegenstelling tot voornemens die zijn vastgelegd in het wetsvoorstel Taakstraffen, vindt de Nederlandse bevolking taakstraffen niet geschikt voor zwaardere (gewelds)delicten. Ook vindt men taakstraffen geen oplossing voor het cellentekort of het gebrek aan gevangenispersoneel.

* 80% van de Nederlanders is tevreden over het overheidsbeleid. De waardering voor ordehandhaving, zorg en opvang van buitenlanders is echter verder gedaald.

* In Nederland neemt op lange termijn de sociale en politieke participatie en ook het sociaal vertrouwen toe. Nederland steekt hierbij gunstig af bij de andere landen.

* Internationaal vergeleken gebruiken Nederlanders weinig medicijnen. Onder invloed van de zuidelijke cultuur stijgt het gebruik echter wel.

Dit zijn de belangrijkste conclusies van de op 2 juli verschenen Sociale en culturele verkenningen 1999 (SCV). Deze worden elk jaar op verzoek van de Tweede Kamer gemaakt. De conclusies worden per onderdeel uitgewerkt. De integrale tekst van de SCV is na het vervallen van het embargo ook te vinden op de SCP-website: www.scp.nl.

(1) De leefsituatie van de Nederlandse bevolking is verbeterd

De Nederlanders zijn steeds beter opgeleid. Gemiddeld volgen zij gedurende 12 jaar een opleiding. Ruim 90% van de gediplomeerden van het algemeen voortgezet onderwijs kiest een vervolgopleiding. Het hoger beroepsonderwijs groeit het snelst. Het aantal HBO studenten nam ten opzichte van vorig jaar toe met 4.400 en is daarmee een snellere groeier dan het WO waar het aantal met 1.000 toenam. De deelname aan het middelbaar beroepsonderwijs loopt terug.

De prestaties van allochtone kinderen en kinderen van laag opgeleide Nederlandse ouders blijven nog steeds achter bij het gemiddelde prestatieniveau.

Sinds 1995 is het aantal banen met 11% (670.000) gestegen. Het aantal uitkeringen verminderde. Per 100 werkenden zijn er nu 62 mensen met een uitkering. De samenwonende en gehuwde vrouwen profiteerden het meest van de gunstige werkgelegenheidsontwikkeling. Verder is de relatief sterke groei van het aantal werkende alleenstaande moeders opvallend (een stijging met 29% tussen 1994 en 1997). Eind 1998 zijn er bijna 90.000 gesubsidieerde banen voor langdurig werklozen, dit is
1,5% van de totale werkgelegenheid. Worden de banen in de Sociale werkvoorziening erbij gerekend dan gaat het om 3% van de werkgelegenheid. Negen van de tien gesubsidieerde banen zijn te vinden in de quartaire sector met name in het openbaar bestuur, de zorg en het onderwijs.

Het aandeel mensen van 15 jaar en ouder dat gedurende het gehele jaar een inkomen heeft, is sedert 1990 met 6% gestegen en bedraagt in 1997
76%. Het gemiddelde huishoudensinkomen is tussen 1990 en 1997 met 2% toegenomen tot 33.600 gulden.

Grote steden profiteren van economische groei, maar blijven achter bij rest van Nederland

In een aantal opzichten wijkt de sociaal-economische situatie van de vier grote steden (G4) en de grotere en middelgrote steden (G25) af van het landelijke beeld. Eénderde van de bewoners in de drie grootste steden is allochtoon. In Utrecht is één op de vijf bewoners allochtoon, terwijl in Nederland één op de tien inwoners tot allochtone groep behoort. Van de schoolkinderen is bijna de helft allochtoon.

In de steden zijn de prestaties van de leerlingen in het basisonderwijs minder dan elders. Het blijkt dat de met name de allochtone leerlingen de achterstand waarmee zij op school komen niet meer wegwerken. Daarom belanden velen uiteindelijk in de lagere vervolgopleidingen en of verlaten voortijdig het onderwijs. In 1996 had dan ook 23% van de jongeren in de vier grote steden op 25-jarige leeftijd geen diploma van het voortgezet onderwijs; tegenover landelijk 12%. Opvallend is dat ook het percentage VWO leerlingen in de steden hoger ligt dan elders. Dit komt overeen met de naar opleidingsniveau onevenwichtige samenstelling van de grootstedelijke bevolking: 26% is hoog opgeleid en 22% is laag opgeleid. Het aantal hoogopgeleiden groeit en het aantal laagopgeleiden daalt licht. De onderwijssituatie in de G21 daarentegen is relatief gunstig.

In de steden steeg tussen 1994 en 1997 het aantal banen en daalde het aantal werklozen. De banengroei bleef echter toch behoorlijk achter bij de rest van Nederland en ook de werkloosheid daalde minder snel. Per saldo is het werkloosheidspercentage in de G25 nog 1,5 tot 2,5 keer zo hoog dan in de rest van Nederland.

Uit de uitkeringscijfers kan bovendien worden afgeleid, dat de werkloosheid in de vier grootste steden relatief sterk geconcentreerd is bij groepen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt.

De welvaart is in Nederland tussen 1985-1997 met 17% toegenomen, waarvan 15% reeds gerealiseerd in de tweede helft van de jaren tachtig. In de G25 was er een stijging van 11%. De steden bleven hier ook de laatste jaren achter. Het gemiddelde inkomen in de steden lag in 1997 circa 5000 gulden lager dan in de rest van Nederland.

Terwijl landelijk het aantal huishoudens met een laag inkomen stevig daalde, was de daling in de steden minder en was in de periode
1994-1997 sprake van een lichte stijging. In de vier grote steden behoort een kwart tot deze groep. In de 21 grootste gemeenten is dit één vijfde. Het landelijke percentage ligt op 15.

(2) Productie justitie en de belastingdienst stijgt sterk, kosten per product bij openbaar vervoer flink lager

Grofweg bestaat de quartaire sector uit de overheid en de niet-commerciële dienstverlening, waaronder zorg, onderwijs, politie en justitie, sport en cultuur, openbaar vervoer; belastingdienst en uitvoeringsorganen sociale zekerheid.

In de periode 1986-1997 is de productie in de marktsector met 38% gegroeid. De productie in de quartaire sector groeide met 10%. De reële kosten per eenheid product stegen in de quartaire sector met 9%, terwijl deze in de marktsector met 10% daalden. Dit kan voor een deel worden verklaard door het verschil in de groei van de arbeidsproductiviteit. In de quartaire sector nam deze met 5% toe en in de marktsector met 16%. In de quartaire sector wordt dus wel enige doelmatigheid gerealiseerd maar deze gaat minder snel omhoog dan in de marksector. Dit heeft twee redenen: in de verschillende sectoren heeft men te maken met zeer arbeidsintensief werk (zorg en onderwijs) en kan er minder werk worden geautomatiseerd.

Enkele opvallende cijfers bij onderdelen van de quartaire sector: In de periode 1987-1997 groeit de productie bij justitie en de belastingdienst enorm: respectievelijk met 46% en 39%. De oorzaak ligt respectievelijk in het toegenomen aantal gevangenen en het sterk gestegen aantal aangiften.

In het voortgezet onderwijs en in de uitvoering van de sociale zekerheid treedt in dezelfde periode een daling in de productie op (resp. - 19% en - 7%). Dit heeft in het onderwijs te maken met demografische factoren en in de sociale zekerheid, - vanwege een afname van de werkloosheid - , met een verminderd beroep op arbeidsbureaus, bedrijfsverenigingen en de sociale dienst.

De reële kosten per eenheid product stijgen bij justitie in de periode
1987-1997 met 38%. De oorzaak hiervan ligt bij de stijgende kosten van de rechtspraak, die de laatste jaren gepaard gaan met een dalende productie in de rechtspraak.

Bij het openbaar vervoer dalen de reële kosten per eenheid product met
17% in genoemde periode. Dit wordt veroorzaakt door automatisering en de invoering van de OV- jaarkaart voor studenten.

De arbeidsproductiviteit bij de belastingdienst stijgt met 56%. Dit wordt veroorzaakt door de sterk toegenomen automatisering. Bij het openbaar vervoer stijgt de arbeidsproductiviteit met 45%. Dit komt door een hogere bezettingsgraad als gevolg van de invoering van de OV-jaarkaart voor studenten.

Aantal asielzoekers in tien jaar vervijfvoudigd, centrale opvang efficiënter

Onder de quartaire dienstverlening valt ook de afhandeling van asielaanvragen en de opvang van asielzoekers. Het aantal asielaanvragen fluctueert sterk, maar is de laatste tien jaar toegenomen van 10.000 naar ruim 45.000. In 1997 waren de totale kosten voor de afhandeling van verzoeken zo'n 290 miljoen gulden. Het gaat hier om beslissingen over asielaanvragen (45.000), reguliere verblijfsvergunningen (56.000), beslissingen over naturalisatie (49.000) en verwijdering (62.000) die de Immigratie en Naturalisatiedienst (IND) behandelt. De centrale en decentrale opvang kostte in 1997 1.100 miljoen, waarvoor 46.000 mensen zijn opgevangen.

Bij de IND stijgen de kosten in dezelfde mate als de productie. Opvallend is dat het personeel sneller groeit dan de totale kosten. Bij de Centrale opvang (COA) is de toestroom veel sterker gegroeid dan de kosten en de personeelsomvang. Dit is toe te schrijven aan een efficiëntere opvang. Bij de decentrale opvang houden kosten en aantallen deelnemers gelijke tred.

(3) Publieke opinie: taakstraffen alleen voor kleine misdrijven

Het aantal door de rechter opgelegde taakstraffen is in de periode
1990 - 1996 van 4.200 tot 13.000 toegenomen. De straffen komen steeds vaker in de plaats van zowel de (on)voorwaardelijke (korte) vrijheidsstraf als de geldboete. De alternatieve straffen voor minderjarigen zonder tussenkomst van de rechters (Halt-afdoeningen) zijn in dezelfde periode eveneens gestegen: van 6.500 naar 21.400. Een meerderheid van de bevolking steunt deze ontwikkeling voorzover dit misdrijven zoals vandalisme en inbraak betreft. Als het gaat om mishandeling of aanranding wordt de steun voor taakstraffen beduidend minder (resp. 25% en zo'n 10%). Weinigen (10%) vinden een tekort aan celruimte of geschikt personeel een overweging om taakstraffen op te leggen. In het nieuwe wetsontwerp worden deze elementen juist als argumenten worden gebruikt om de taakstraffen uit te breiden. Er lijkt dus in toenemende mate een verschil te ontstaan tussen de publieke opinie over taakstraffen en de feitelijke ontwikkeling ervan. Zaken die wel een rol mogen spelen bij de keuze voor een taakstraf zijn de leeftijd van de dader en het al dan niet een keer eerder met justitie in aanraking geweest zijn.

Nederlanders iets somberder over economische vooruitgang

Eind 1998 gaat de bevolking voorzichtiger denken over de economie en de inkomensontwikkeling: zo'n 38% voorziet een economische crisis tegen 18% in 1996 en 1997. Ook 38% verwacht op korte termijn geen stijging van de inkomens. In lijn met deze voorzichtige houding vinden iets minder mensen dan vorig jaar, maar nog steeds wel een meerderheid van de bevolking, dat er ruimte is om de uitkeringen te verbeteren (nu
55%, in 1997: 60%).

Opvallend is dat 52% van de PvdA en 52% van de VVD-stemmers vinden dat de inkomens zouden moeten stijgen. 73% van de SP-stemmers vindt dit ook. 40% van de aanhang van GroenLinks, D66 , CDA en de kleine christelijke partijen is deze mening toegedaan. Wanneer het gaat om het niveau van de uitkeringen zijn de opvattingen anders verdeeld. De stemmers op partijen links van het midden (incl. D66) zijn in ruime meerderheid voor stijging van de uitkeringen; de aanhangers van de overige partijen zijn op dit punt terughoudender.

(4) Burgers tevreden met overheid; bestrijdingmisdaad en ordehandhaving voor hen belangrijk

Bijna tweederde van de bevolking vindt dat misdaadbestrijding hoog op de politieke agenda moet staan. Bijna 60% vindt dit ten aanzien van de ordehandhaving. Het op peil houden van de sociale zekerheid en het bevorderen van de stabiliteit van de economie worden door respectievelijk 53% en 50% van de bevolking gezien als belangrijke politieke items. Slechts 32% van de bevolking vindt de bestrijding van milieuverontreiniging een belangrijk politiek doel; in 1992 was dit nog 53%.

Wordt gekeken naar de partijvoorkeur dan blijkt dat minder misdaad en meer orde in de samenleving, de aanhangers van de SP en van GroenLinks het minst aanspreken. De steun is vooral te vinden onder de stemmers op het CDA, de kleine christelijke partijen en de VVD. Hetzelfde geldt voor een stabiele economie of een hoge economische groei. De SP en de GroenLinks stemmers vinden dit minder belangrijk dan de CDA-, PvdA- en D66-stemmers. De VVD aanhang is het meest van dit doel geporteerd.

Eind 1998 is 80% van de Nederlanders in het algemeen tevreden over de overheid. Meer dan de helft van de bevolking (54%) geeft de regering een ruime voldoende voor het werkgelegenheidsbeleid. Ook is men tevreden over de inspanningen ten aanzien van cultuur, vrije tijd en onderwijs. Minder mensen zijn positief over het gevoerde beleid voor de kosten van levensonderhoud, de sociale zekerheid, het milieu en de opvang van immigranten. Het oordeel over de inspanningen voor de zorg, de leefbaarheid in de steden en de ordehandhaving was het ongunstigst. Het publiek vindt dat hieraan meer aandacht moet worden besteed. Minder aandacht mag worden besteed aan de werkgelegenheid en cultuur.

Meerderheid van de bevolking nog steeds vòòr staatkundige vernieuwingen

Net zoals in de jaren zeventig is een meerderheid van de bevolking voor staatkundige vernieuwingen. Eind vorig jaar was 54% voor een gekozen minister-president (in 1971 was dit 52%); 71% was voor een gekozen burgemeester (in 1971 61%) en 80% was voorstander van het referendum (in 1971 50%). Echter: 84% is het oneens met de stelling dat Nederland een republiek moet worden. In 1971 was 83% deze mening toegedaan.

(5) Maatschappelijke betrokkenheid stijgt nog steeds

In Nederland neemt de sociale en politieke participatie toe. In 1998 is ruwweg tweederde van de bevolking maatschappelijk actief, bijvoorbeeld lid van een wijkorganisatie, vak- of vrouwenbond. In 1977 was dit 57%. De stijging wordt vooral veroorzaakt doordat meer vrouwen lid werden van vakbonden en beroepsorganisaties.

De helft van de Nederlanders heeft in 1998 enige politieke activiteit ontplooid: meegedaan aan een actiegroep, een verkiezingsbijeenkomst bezocht of contact opgenomen met een burgemeester, wethouder of raadslid. In 1977 was dit 43%.

Het lidmaatschap van politieke partijen neemt wel af. In 1977 was 9% van de Nederlanders lid van een partij; in 1998 nog slechts 4%.

Naast de sociale en politieke participatie is ook het sociaal vertrouwen toegenomen. In 1977 had 40% vertrouwen in de medemens; in
1998 55%. Het politieke vertrouwen blijft vrij constant. Zowel in 1977 als in 1998 ontkent bijvoorbeeld tweederde van de Nederlanders dat ministers en staatssecretarissen vooral op hun eigen belang uit zijn. Een ander voorbeeld: zowel in 1977 als in 1998 is 48% van de bevolking het oneens met de stelling dat "politieke partijen alleen maar geïnteresseerd zijn in mijn stem en niet in mijn mening".

In 1998 heeft ongeveer tweederde van de bevolking vertrouwen in rechters en de politie. Rond de helft van de bevolking heeft vertrouwen in de Tweede Kamer en de NAVO. Daarentegen heeft slechts 30 à 40% van het publiek vertrouwen in het leger, de grote bedrijven, de Europese Unie, de kerken, ambtenaren en de pers.

Internationaal vergeleken zijn Nederlanders optimistisch over de toekomst, vol vertrouwen in de instituties en positief t.a.v. minderheden

Nederland is in vergelijking met andere Europese landen optimistisch over de volgende eeuw. De Denen en Italianen gevolgd door de Nederlanders scoren het hoogst. In België en Duitsland ziet men de toekomst met het minste vertrouwen tegemoet. Voor wat België betreft komt dit overeen met een gebrek aan vertrouwen in 's lands instituties. Zo'n 30% heeft vertrouwen in de politie. Slechts 20% heeft vertrouwen in regering en parlement; 15% van de bevolking heeft vertrouwen in het rechtssysteem en nog maar 10% heeft vertrouwen in politieke partijen.

In Nederland is het gemiddelde institutioneel vertrouwen hoog, met name in de politie (70%), regering (68%), het parlement (66%) en in vergelijking met andere landen ook in politieke partijen (41%).

Hoewel in Nederland de houding ten opzichte van minderheden sinds 1995 (licht) negatiever is geworden, is er ook internationaal gezien geen sprake van een consequente negatieve beeldvorming over minderheden. Wel wordt in de Scandinavische landen, Duitsland, Oostenrijk en Italië door een ruime meerderheid van de bevolking onderschreven dat immigranten de misdaad doen stijgen. In Nederland is ruim een derde van de bevolking deze mening toegedaan. Nederland en andere Noord-West-Europese landen stellen nog steeds meer dan gemiddeld prijs op culturele assimilatie.

(6) Medicijngebruik in Nederland gaat lijken op dat van Zuidelijke landen

In Europa zijn er grote verschillen in het gebruik en de kosten van geneesmiddelen. In zuidelijke landen als Frankrijk, Italië maar ook België, zijn de kosten gemiddeld 70% hoger dan in Nederland en de Scandinavische landen. Wordt het gebruik van medicijnen in Nederland vergeleken met dat in Frankrijk dan valt op dat men in Frankrijk niet alleen vaker contact heeft met een arts maar dat daarbij in 82% van de gevallen een recept wordt voorgeschreven. In Nederland wordt tijdens
68% van de bezoeken een recept voorgeschreven. Ook het aantal voorgeschreven medicijnen is in Frankrijk hoger. Daar krijgt men gemiddeld 3,3 medicijnen per recept; in Nederland 2,2. Verder is het gebruik van antibiotica bij kinderen onder de vier jaar in Frankrijk twee keer zo hoog als in Nederland. De verschillen tussen beide landen berusten vooral op een cultuurverschil. In Frankrijk zijn medicijnen een consumptiegoed. Negatieve bijwerkingen krijgen er weinig aandacht. Nederlanders zijn van mening dat medicijnen pas genomen dienen te worden als dat echt nodig is.

In de noordelijke landen van Europa stijgt het percentage van de totale binnenlandse uitgaven dat aan geneesmiddelen wordt besteed, vanaf 1990 sterk. Een toename van 47% in zes jaar. Dit wijst op een inhaalslag van de noordelijke landen ten opzichte van de zuidelijke landen. De cultuurverandering in de noordelijke landen waarbij de zuidelijke leefwijze wordt overgenomen, kan hierbij een rol spelen. Dit maakt de beleidsopgave om de (collectieve) kosten voor medicijnen te beheersen wel extra zwaar.

_________________________________________________________________

SCP-Cahier 157 Sociale en Culturele Verkenningen 1999 (ISBN
90-5749-130-3) is voor 41,50 verkrijgbaar bij de boekhandel of telefonisch te bestellen bij Elsevier bedrijfsinformatie (070) 441 55
55.

Deel: ' SCP Sociale en Culturele Verkenningen 1999 verschenen '




Lees ook