Ministerie van Financien

Titel: SER-advies over de zeggenschapsverhoudingen binnen de vennootschap

DIRECTIE BINNENLANDS GELDWEZEN

Aan:

De voorzitter van de vaste commissie voor Financiën

uit de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Plein 2

2511 CR DEN HAAG

Uw brief van/kenmerk

Ons kenmerk

Den Haag

57-99-Fin

BGW 2000/248-M

11 februari 2000

Onderwerp

SER-advies over de zeggenschapsverhoudingen binnen de vennootschap

Bij brief van 3 november j.l. heeft u mij verzocht de SER advies te vragen over de zeggenschapsverhoudingen binnen de vennootschap. Mede namens de ministers van Economische Zaken, Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Justitie bericht ik u hierbij als volgt.

Uit zoeven genoemde brief blijkt dat de specifieke aanleiding voor het verzoek van uw commissie de reacties van de VEUO en het VNO-NCW naar aanleiding van de kabinetsreactie op het rapport van de Monitoring Commissie Corporate Governance (Peters II) zijn. In deze reacties wordt de suggestie gedaan voor een samenhangende benadering van een aantal corporate governance dossiers, teneinde een visie te ontwikkelen over de zeggenschapsverhoudingen binnen de vennootschap.

Bij brief van 5 oktober j.l. aan de Tweede Kamer heeft het kabinet gespecificeerd op welke onderdelen het een noodzaak ziet om de samenhang tussen de diverse corporate governance dossiers nader te bekijken. Het kabinet zal onderzoeken wat de gevolgen zijn van de implementatie van de 13de richtlijn voor met name het wetsvoorstel beschermingsconstructies en de voorstellen uit de kabinetsreactie op Peters II die betrekking hebben op beschermingsconstructies in vredestijd. Het oogmerk van deze analyse is om ervoor zorg te dragen dat de diverse lopende trajecten, die elk in principe hun eigen achtergrond en doelstelling kennen, op een consistente wijze verder wordt vormgegeven. Aangegeven is dat ernaar wordt gestreefd om de Kamer deze nadere analyse op relatief korte termijn toe te zenden. Aan de hand van de bevindingen van de nadere analyse zal kunnen worden beoordeeld of een SER advies op dit terrein opportuun is, en zo ja, op welke wijze een adviesaanvraag geformuleerd dient te worden. Voor de volledigheid zij opgemerkt dat de SER op 16 februari 1996 reeds een unaniem advies heeft uitgebracht over de herziening van de Fusiecode. In de brief van 5 oktober j.l. heeft het kabinet aangegeven, mede op basis van een onderzoek en de verplichtingen die zullen voortvloeien uit de 13de richtlijn, een wettelijke regeling van openbare biedingen (het huidige hoofdstuk I van de SER-Fusiecode) noodzakelijk te achten, en deze wettelijke regeling deel te laten uitmaken van de eerder genoemde nadere analyse. Een en ander is in overeenstemming met het eerdergenoemde SER-advies.

Voor wat betreft het structuurregime is in de kabinetsreactie op Peters II aangekondigd dat het kabinet met een separate nota zal komen. Mede gelet op het feit dat de SER in het verleden reeds meerdere keren over de structuurregeling heeft geadviseerd, is ook nu een aanvraag voor een SER advies over dit onderwerp ingediend. Uit het bijgevoegde afschrift van de aanvraag blijkt dat de SER verzocht is binnen 6 maanden advies uit te brengen over de structuurregeling. De formulering sluit aan bij hetgeen het kabinet zelf heeft aangekondigd te willen bezien, te weten de criteria voor verplichte toepassing van het (verzwakte) structuurregime en het correctiemechanisme bij slecht functionerende commissarissen. De aangekondigde nota over het structuurregime zal zo spoedig mogelijk na het verschijnen van het SER-advies aan de Kamer worden toegezonden. Tot slot kan worden opgemerkt dat het in de kabinetsreactie aangekondigde onderzoek naar de zeggenschapsverhoudingen binnen de Nederlandse ondernemingen zich inmiddels in een afrondende fase bevindt; de eindrapportage zal u worden toegezonden zodra deze beschikbaar is.

DE MINISTER VAN FINANCIËN,

Postadres Postbus 20301, 2500 EH Den Haag

De Voorzitter van de Sociaal Economische Raad

De heer dr. H.H.F. Wijffels

Postbus 90405

2509 LK DEN HAAG

Bezoekadres

Schedeldoekshaven 100

2511 EX Den Haag

Telefoon (070) 3 70 79 11

Fax (070) 3 70 79 32

Telex 34554 mvj nl

Onderdeel

sector privaatrecht

Contactpersoon

mr. M.Tj. Bouwes

Doorkiesnummer(s)

070 - 370 78 40

Datum

Ons kenmerk

5006777/00/6

Bijlage(n)

Onderwerp

Adviesaanvraag over de structuurregeling

Geachte heer Wijffels,

In zijn reactie op het rapport van de Monitoring Commissie Corporate Governance (kamerstuk 25 732, nr. 8) heeft het kabinet onder andere aandacht besteed aan de structuurregeling. Het structuurregime past in de stakeholdersbenadering ten aanzien van corporate governance. Dit komt ondermeer tot uitdrukking in de bevoegdheden die aan de aandeelhouders en de werknemers zijn toegekend. Centraal in de structuurregeling staat de raad van commissarissen, die het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming dient te behartigen. Aangegeven is dat de structuurregeling op zichzelf goed functioneert en dat het systeem van onafhankelijk toezicht belangrijke voordelen kent. Tegelijkertijd heeft het kabinet in zijn reactie aangegeven dat een separate nota over de structuurregeling naar de Kamer zal worden gestuurd, waarbij in het bijzonder aandacht zal worden besteed aan twee elementen: de criteria voor (verplichte) toepassing van het (verzwakte) structuurregime en het correctiemechanisme bij slecht functionerende commissarissen. Het kabinet meldt ook dat onderzoek loopt naar de feitelijke toepassing en economische effecten van het structuurregime. De resultaten van dit onderzoek zullen zo spoedig mogelijk aan de Kamer (en in afschrift aan de SER) worden aangeboden.

Met deze brief wil ik de SER mede namens de ministers van Financiën, van Economische Zaken en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vragen advies uit te brengen over het functioneren en de toekomst van de structuurregeling, toegespitst op de hierboven genoemde en hierna nader aangeduide aandachtspunten van de structuurregeling, en dit te plaatsen in het kader van de door de SER relevant geachte ontwikkelingen op het gebied van corporate governance. Tevens verzoek ik de SER het advies een half jaar na ontvangst van deze adviesaanvraag aan mij toe te zenden.

Correctiemechanisme

Een belangrijk aspect van de structuurregeling is het onafhankelijke toezicht op het bestuur door de raad van commissarissen. De onafhankelijke positie van de raad van commissarissen, zowel jegens het bestuur als jegens specifieke deelbelangen, heeft belangrijke voordelen. Onafhankelijkheid ten opzichte van het bestuur wordt bewerkstelligd door het dualistische systeem; de raad van commissarissen is naast het bestuur een apart orgaan binnen de vennootschap. Dit bevordert de situatie waarin commissarissen de moeilijke vragen durven stellen die het bestuur alert houden. Om dit goed tot zijn recht te laten komen is het overigens wel van belang dat de raad van commissarissen minstens éénmaal per jaar buiten de aanwezigheid van het bestuur vergadert (zoals ook verwoord in aanbeveling 18 van de Commissie Corporate Governance).

Onafhankelijkheid van de stakeholders wordt bewerkstelligd door het systeem van coöptatie, d.w.z., de raad van commissarissen benoemt haar eigen leden. Daarnaast zijn de commissarissen wettelijk gehouden te handelen in het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming, zonder daarbij specifieke deelbelangen te vertegenwoordigen. Onafhankelijkheid van de stakeholders is belangrijk om polarisatie in de raad van commissarissen te voorkomen. In brede kring wordt het nut gezien van commissarissen die gekozen worden op basis van hun capaciteiten en niet op basis van hun deelbelangen. Dit vergroot de mogelijkheid om tegenover het professionele management van de grote onderneming ook een professioneel toezicht te plaatsen.

Een aandachtspunt bij de onafhankelijke positie van de raad van commissarissen is evenwel dat het systeem van coöptatie onder omstandigheden onvoldoende prikkels zou kunnen geven voor een actieve, betrokken en kritische opstelling van de raad van commissarissen ten opzichte van voorstellen, opvattingen en ideeën van het bestuur. Indien vereenzelviging van de raad van commissarissen met de ondernemingsleiding optreedt kan dit leiden tot een te geringe mate van verantwoording aan de belanghebbenden van de onderneming. In dit licht is aanbeveling 7 van de Commissie Corporate Governance van belang, die stelt dat commissarissen tussentijds dienen af te treden wanneer dit bij onvoldoende functioneren geboden is.

Zowel de algemene vergadering van aandeelhouders als de ondernemingsraad kunnen op dit moment een ontslagprocedure tegen een commissaris aanhangig maken. In de praktijk wordt hiervan geen of slechts zelden gebruik gemaakt. Dit kan duiden op een goede afstemming vooraf, op weinig interesse van de kant van de OR en de aandeelhouders, of op een weinig kansrijke procedure. Een en ander roept de vraag op of er verbetering van de structuurregeling nodig is en zo ja hoe deze kan worden bereikt, zowel ten aanzien van de wijze waarop de raad van commissarissen gemotiveerd wordt om goed toezicht te houden, als ten aanzien van de wijze waarop de raad van commissarissen verantwoording aflegt over zijn functioneren, en ten aanzien van de vraag of de huidige regeling voldoende mogelijkheden biedt aan belanghebbenden om in te grijpen in het geval van slecht toezicht.

Toepassingscriteria

De structuurregeling is verplicht gesteld voor nvs en bvs met een eigen vermogen van ten minste f. 25.000.000, wanneer zij een ondernemingsraad hebben ingesteld krachtens wettelijke verplichting en er verder in de regel tenminste 100 werknemers in Nederland bij hen werkzaam zijn. Een belangrijke ratio achter de kapitaalgrens is dat een groot aandelenkapitaal normaliter gepaard gaat met een gespreid aandelenbezit. De aandeelhouders in een vennootschap met gespreid aandelenbezit hebben minder prikkels, en zijn minder goed in staat, om zich actief met het ondernemingsbeleid te bemoeien. Dit wordt in de structuurregeling ondervangen door de overdracht van een aantal belangrijke bevoegdheden van de aandeelhoudersvergadering naar de raad van commissarissen. Voor Nederlandse structuurvennootschappen die deel uitmaken van een internationaal concern kan een verzwakt regime gelden, waarbij met het oog op de eenheid van het concern de bevoegdheid van de benoeming van bestuurders en de vaststelling van de jaarrekening weer bij de aandeelhoudersvergadering (in casu de concernleiding) komt te liggen.

Volledige vrijstelling kan samengevat gelden voor vennootschappen die afhankelijke maatschappij zijn van een vennootschap die is onderworpen aan het volledige of verzwakte regime, en voor Nederlandse holdingvennootschappen van concerns waarvan de meerderheid van de werknemers buiten Nederland werkzaam is.

De voorlopige rapportage van het eerder genoemde onderzoek indiceert onder andere dat veel van de onderzochte beursvennootschappen als houdstermaatschappij kwalificeren voor een uitzondering op het verplichte volledige structuurregeling, omdat de werknemers van het gehele concern in meerderheid buiten Nederland werkzaam zijn. Tegelijkertijd wordt gesignaleerd dat een relatief groot aantal van dergelijke houdstermaatschappijen van internationale concerns de structuurregeling vrijwillig toepast.

Schaalvergroting leidt er overigens toe dat ook steeds meer vennootschappen voldoen aan de criteria voor de verplichte toepassing van de structuurregeling terwijl van een gespreid aandelenbezit geen sprake is. Indien bovendien de aandelen worden gehouden door een natuurlijke persoon of bijvoorbeeld een stichting, kan geen beroep worden gedaan op een vrijstelling of toepassing van het verzwakte structuurregime.

In dit verband rijzen twee vragen. In de eerste plaats rijst de vraag of er reden is de grenzen voor toepassing van de structuurregeling, in het bijzonder de kapitaalgrens en het aantal werknemers te verhogen. De kapitaalgrens is sinds de invoering van de structuurregeling slechts aangepast aan het prijsindexcijfer. De laatste wijziging dateert van 1 januari 1993. Denkbaar is een belangrijke verhoging zodat slechts de werkelijk grote ondernemingen onder de structuurregeling vallen.

Een andere vraag is of er aanleiding is bij ondernemingen met een besloten aandeelhouderskring (zoals bijvoorbeeld familievennootschappen en vennootschappen waarin de Staat of een andere rechtspersoon een aanzienlijk kapitaalbelang heeft) een uitzondering te maken op de toepassing van het volledige structuurregime. De aandeelhouder die natuurlijke persoon is of een rechtsvorm heeft waarop de structuurregeling niet van toepassing kan zijn, kan niet bewerkstelligen dat de vennootschap waarin een deelneming wordt gehouden valt onder een vrijstelling of het verzwakte regime, aangezien de aandeelhouder het structuurregime niet zelf vrijwillig kan aanvaarden. Denkbaar is een situatie waarin op het niveau van de dochtermaatschappij het verzwakte regime van toepassing is. In een dergelijke constellatie kan in de top van de groep centrale leiding worden gegeven.

Een en ander roept de vraag op of het huidige regime voor de structuurregeling, met inbegrip van de mogelijkheid om dit vrijwillig toe te passen, nog beantwoordt aan belangrijke doelstellingen ervan, te weten het verbeteren van de kwaliteit van het toezicht bij vennootschappen met gespreid aandelenbezit en het beperken van de structuurregeling tot de Nederlandse rechtssfeer.

Graag verneem ik het advies van de SER.

De minister van Justitie,

Deel: ' SER-advies over zeggenschapsverhoudingen binnen vennootschap '




Lees ook