SER


21 juni 1999

SER-vergadering 18 juni:

UNANIEME ADVIEZEN OVER SOCIALE ZEKERHEID, BEROEPSONDERWIJS, BEDRIJFSPENSIOENFONDSEN EN RUIMTELIJKE ORDENING

Markt en overheid uitgesteld

In zijn vergadering van 18 juni heeft de SER adviezen aan de regering vastgesteld over de uitvoeringsorganisatie van de sociale verzekeringen, het secundair beroepsonderwijs, de verplichte deelneming in bedrijfspensioenfondsen en ruimtelijke inrichting en bereikbaarheid. De adviezen zijn unaniem. De raad besloot om een (verdeeld) ontwerpadvies over Markt en Overheid aan te houden, omdat het uitzicht bestaat dat alsnog unanimiteit kan worden bereikt. In de vergadering werd stil gestaan bij het 25-jarig jubileum van prof. V. Halberstadt als kroonlid van de SER en werd afscheid genomen van de kroonleden de dames Kneppers en Lodders en de heren Van den Berg en Rosenthal.

SUWI-advies
In het advies Structuur uitvoering werk en inkomen onderschrijft de SER de doelstellingen in de kabinetsnota, zoals een verbetering van de klantgerichtheid, het bevorderen van de reïntegratie van werklozen en arbeidsongeschikten en een grotere effectiviteit en efficiency. De SER heeft echter ernstige kritiek en grote twijfels over de wijze waarop het kabinet deze doelstellingen wil bereiken. Daarbij gaat het met name om de zogenaamde claimbeoordeling (de vaststelling van uitkering), de Centra voor Werk en Inkomen (CWI's), het Lisv en het opdrachtgeverschap. De raad vindt dat de claimbeoordeling niet door de overheid moet gebeuren, maar onder publieke randvoorwaarden door private uitvoeringsinstellingen (uvi's). Alleen op die manier is een integrale gevalsbehandeling gewaarborgd. Als het kabinet vasthoudt aan zijn voorstel, zijn sociale partners niet bereid om via het Lisv daar toezicht op uit te oefenen.
"Wat het kabinet doet, is hinken op twee gedachten. Of men kiest voor het SER-advies, of de overheid blijft bij haar standpunt, maar dan dient zij ook de volledige verantwoordelijkheid te dragen voor de uitvoering en de aansturing van de claimbeoordeling," aldus VNO-NCW-voorzitter Blankert. Daarnaast betwijfelde hij of de CWI's, zoals het kabinet die voorstelt, een meerwaarde hebben. "Als de basisdienstverlening van Arbeidsvoorziening, zoals het kabinet wil, wordt overgeheveld naar de CWI's dan moeten die wel dezelfde diensten bieden. En daaronder valt het acquireren en registreren van vacatures, de voorselectie en de nazorg."
De SER onderschrijft de stelling dat marktwerking als middel kan bijdragen tot een doelmatiger en doeltreffender uitvoering en is het eens met het kabinetsvoorstel om het Lisv niet langer te laten fungeren als centrale opdrachtgever voor de uitvoering van de sociale zekerheid, maar om die bevoegdheid op decentraal niveau in handen van werkgevers en werknemers te leggen. In tegenstelling tot het kabinet wil de SER dat niet geleidelijk, maar daar al op korte termijn ervaring mee opdoen.
Mevrouw A. Jongerius, federatiebestuurster FNV, zag als toegevoegde waarde van het SER-advies de aandacht voor de positie van de individuele werkzoekende. "Het formuleren van 'klantvriendelijkheid' als doelstelling is niet genoeg om ook echt iets te bereiken op dat terrein. Er moet ook daadwerkelijk iets gedaan worden." In dat verband sprak zij haar twijfels uit over de indeling van werkzoekenden in fasen, zoals het kabinet wil. Zij onderschreef dan ook de "terechte kanttekeningen" die het SER-advies plaatst bij het voorgestelde systeem van normbedragen voor werkzoekenden in fase 2 en 3. De SER wil verder gaan op de weg van de persoonsgebonden reïntegratiebudgetten. Jongerius pleitte ook voor een wettelijk recht op cliëntenparticipatie, "die iedereen zo belangrijk zegt te vinden". CNV-voorzitter D. Terpstra riep het kabinet op de SUWI-voorstellen van de SER serieus te nemen. Hij uitte grote twijfels of "de zwakkeren op de arbeidsmarkt via de commerciële weg geïntegreerd zullen worden. Zullen commerciële intermediairs niet veel eerder kiezen voor de reïntegratie van relatief makkelijk te reïntegreren cliënten?" Het CNV vreest dat de zwaksten op deze manier buiten de boot zullen vallen. Evenals VNO-NCW-voorzitter Blankert wees Terpstra op het belang van regionaal en sectoraal arbeidsmarktbeleid, dat in de kabinetsvoorstellen onvoldoende vorm krijgt.
MHP-voorzitter A. Verhoeven legde veel nadruk op de noodzaak van een goed reïntegratiebeleid. Hij vond wel dat er meer aandacht moet zijn voor de beperkingen van marktwerking. Net als CNV-voorzitter Terpstra wees hij erop dat niet alleen de "commercieel interessante groep van snel te reïntegreren mensen bediend moet worden". Kroonlid prof.dr. K.P. Goudswaard gaf uiting aan zijn instemming met het SER-advies door onder ander op te merken dat het weliswaar "twee keer zo dik is als de SUWI-nota van het kabinet, maar misschien wel twee keer zo verstandig".
Het kroonlid mevrouw prof.mr. I.P. Asscher-Vonk uitte opnieuw haar twijfels over de voortgaande privatisering en marktwerking in de sociale zekerheid, zonder dat daaraan een evaluatie van de reeds in gang gezette ontwikkelingen op dit gebied aan ten grondslag ligt. Zij onthield zich daarom van stemming.

Secundair beroepsonderwijs
In het advies Flexibiliteit in leerwegen in het secundair beroepsonderwijs spreekt de SER uit, dat het middelbaar beroepsonderwijs en het leerlingwezen naast elkaar moeten blijven bestaan. "Het leerlingwezen moet een volwaardig alternatief blijven voor het voltijdsonderwijs" aldus de raad.
FNV-federatiebestuurster mevrouw K. Roozemond zei te hopen dat er een einde komt aan de nu optredende vervaging en oneigenlijke concurrentie tussen beide leerwegen. Daarnaast vond zij dat er drastische maatregelen moeten worden genomen om de werkplek een echte leerplek te laten zijn. In dat kader benadrukte zij de noodzaak van opleidingspools, om in meerdere bedrijven te kunnen werken tijdens de opleiding, voor het opvangen van de leegloop en voor aanvullende oefening en simulatie.
MKB-voorzitter J. de Boer hamerde op de grote problemen van het secundaire beroepsonderwijs: de kwalitatieve en kwantitatieve discrepanties op de arbeidsmarkt, de hoge ongediplomeerde uitval van leerlingen en de hoge non-participatiegraad bij de potentiële beroepsbevolking. De Boer: "Ik vind het ronduit een schandaal als daar op een vlakke manier over wordt gesproken. Terwijl het secundair beroepsonderwijs voor onze economie juist van vitaal belang is. Het is de hofleverancier van toekomstige medewerkers en het levert een belangrijke bijdrage aan een de maximale ontwikkeling van talenten van leerlingen."

Verplichte deelneming in bedrijfspensioenfondsen De SER is het eens met het kabinet dat het instrument voor verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds gehandhaafd moet worden. Zij onderschrijft ook de wenselijkheid, dat de wet op een aantal onderdelen gemoderniseerd en verduidelijkt wordt. Dit geldt bijvoorbeeld voor de procedure voor verplichtstelling en voor de criteria voor het bepalen van het draagvlak voor de verplichtstelling. De raad vindt het echter onwenselijk om de reikwijdte van de verplichtstelling te beperken, waardoor bepaalde onderdelen van de pensioenregeling niet langer voor de gehele bedrijfstak verplicht zijn.
Bij de vaststelling van het advies hierover benadrukten werkgevers en werkgevers het belang van de verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds. Daarmee wordt voorkomen dat ondernemingen in een bedrijfstak kunnen concurreren op de kwaliteit van de collectieve pensioenregeling als onderdeel van het pakket arbeidsvoorwaarden dat in de sector van toepassing is. Bovendien draagt het bij aan het in stand houden van de solidariteit per bedrijfstak en aan de verkleining van de omvang van de witte vlekken op pensioengebied. Namens de werkgevers benadrukte VNO-NCW directeur Sociale Zaken R. De Leij echter wel dat de regeling voldoende moet zijn aangepast aan de wensen, eisen en mogelijkheden van de moderne samenleving. "Alleen dan kan de verplichtstelling ook in de voorzienbare toekomst een waardevolle bijdrage leveren aan gezonde concurrentieverhoudingen binnen een sector." Toch sloot hij niet uit dat in de toekomst - meer dan nu het geval is - wel eens scherper het onderscheid zal moeten worden gemaakt tussen het verplichtstellen van de inhoud van de pensioenregeling en de uitvoering daarvan. Dat betekent dat de werkgever dan wellicht zelf de uitvoerder van een verplicht gestelde pensioenregeling kan kiezen.
Namens de vakbeweging onderschreef ook CNV-bestuurder R. Van Splunder het uitgangspunt dat het tot stand brengen van pensioenvoorzieningen en de bepaling van de inhoud een gezamenlijke verantwoordelijkheid is van sociale partners.
De Leij en Van Splunder gingen beiden in op het gebruik van gegevensbestanden van bedrijfspensioenfondsen voor verzekeringsdochters of gelieerde verzekeringsmaatschappijen. Men is het ermee eens dat het kabinet streeft naar meer gelijke concurrentieverhoudingen tussen bedrijfspensioenfondsen en verzekeraars. Maar de manier waarop het kabinet voorstelt dat te doen, vindt de SER onjuist en onwerkbaar. Bovendien kan het in strijd zijn met de bescherming van de privacy.
In plaats daarvan heeft de SER een aantal alternatieven aangegeven en voorgesteld dat het kabinet deze kwestie bespreekt met de verzekeraars en de bedrijfspensioenfondsen.
Het kroonlid H. Don, directeur van het CPB, plaatste bij de behandeling van het advies wel enkele kanttekeningen bij het instrument van de verplichte deelneming. "Het kan de prikkels tot kostenbeheersing beperken en de keuzevrijheid van sociale partners beperken," aldus Don. Op zijn voorstel besloot de raad in het advies op te nemen, dat de uitkomst van de lopende discussie over de taakafbakening tussen bedrijfspensioenfondsen en verzekeraars ook moet doorwerken in de reikwijdte van de verplichtstelling.

Ruimtelijke ordening en verkeersinfrastructuur
Het laatste advies vormt het commentaar van de SER op de Startnota Ruimtelijke Ordening en de Perspectievennota Verkeer en Vervoer van het kabinet. Dit advies gaat onder meer over het sturingsmodel (de provincie moet de regiefunctie krijgen bij het gebiedsgerichte beleid), de ontwikkeling van corridors (die zowel ruimte moeten bieden aan economische potenties als groene functies moeten beschermen) en de betrokkenheid van bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties bij de besluitvorming op het gebied van ruimtelijke ordening en verkeersinfrastructuur.
LTO-Nederland-voorzitter G. Doornbos vond het prima als de economische groei plaatsvindt binnen het kader van het streven naar een duurzame ontwikkeling, mits onder duurzame ontwikkeling ook een duurzame ontwikkeling in economische zin wordt verstaan. Hij onderstreepte verder de voorwaarden zoals de SER die in een eerder advies had gesteld waaronder externe kosten aan de verschillende vervoerswijzen worden toegerekend. Een en ander mag niet leiden tot lastenverzwaring voor het bedrijfsleven, het moet een verschuiving van lasten zijn die macro-economisch gezien budgettair neutraal moet zijn. FNV-bestuurder H. van der Kolk vond dat er snel iets moet gebeuren om de wildgroei van ongeplande corridors te stoppen: "Als we de Amerikaanse eindeloze, lelijke lintbebouwing langs snelwegen willen voorkomen, dan is haast geboden.We hebben niet de tijd om nog tot 2010 vrijblijvend te discussiëren en te experimenteren." Hij maakte zich verder kwaad op de visie van het kabinet op het Groene Poldermodel. "Zo organiseert minister Pronk debatten en discussiebijeenkomsten met iedereen die de polder een groen hart toedraagt, met het karakter van Poolse landdagen. De minister slaat dit proces met belangstelling gade, trekt zich terug op zijn ministerie en neemt het besluit dat hij altijd al wilde nemen en legitimeert zijn besluit door te verwijzen naar het door hem georganiseerde maatschappelijke groene debat. Zo word je dus in het pak genaaid!" Van der Kolk noemde dit milieuvervuiling. De aanpak van de SER - een groeimodel waarbij vanaf het begin in overleg met en tussen de actoren duidelijke afspraken over positie, werkwijze en werkterrein worden gemaakt en de milieubeweging als een gelijkwaardige volwassen overlegpartner wordt beschouwd - geeft volgens hem wat dat betreft meer vertrouwen voor de toekomst.
SER-voorzitter H. Wijffels, tevens voorzitter van de commissie van voorbereiding, vond minister Pronk eveneens niet helder in zijn visie op het Groene Poldermodel. Maar hij vond dat de SER gewoon rustig verder moest gaan met zijn deel van het Groene Poldermodel. "Dat biedt een uitstekende basis voor adviezen die hout snijden en die aan de belangen van zowel economie als ecologie tegemoet komen."

Markt en Overheid
De SER stemde in met het voorstel van voorzitter Wijffels om het niet unanieme ontwerpadvies Markt en Overheid terug te verwijzen naar de commissie van voorbereiding. Wijffels zei de indruk te hebben gekregen dat niet is uitgesloten dat de partijen het alsnog eens worden over het advies. Het advies zal nu in de raadsvergadering van 20 augustus a.s. worden besproken. Het advies behandelt de kabinetsvoorstellen om de oneerlijke concurrentie van marktactiviteiten van overheden ten opzichte van particuliere ondernemingen op te heffen. De omvang van de marktactiviteiten van overheden en daarmee verbonden ondernemingen en de aanhoudende klachtenstroom van particuliere ondernemingen dwingen volgens de SER tot een aanpak van dit probleem.

Deel: ' SER-adviezen sociale zekerheid en beroepsonderwijs '




Lees ook