SER


11 november 1999

SER-COMMISSIE PLEIT VOOR VERSTERKING VAN DE TOETREDINGSSTRATEGIE VOOR MIDDEN- EN OOSTEUROPESE LANDEN TOT DE EUROPESE UNIE

De Commissie Internationale Sociaal-Economische Aangelegenheden (ISEA) van de SER pleit voor versterking van de toetredingsstrategie voor Midden- en Oosteuropese landen tot de Europese Unie. De commissie doet dit vanwege de risicos die aan een versnelde toetreding tot de Europese Unie van landen als Bulgarije en Roemenië zijn verbonden. Zon versnelling kan gevaarlijk zijn, niet alleen voor de werking van de interne markt van de Europese Unie, maar ook voor de economieën van de betrokken kandidaat-lidstaten. De commissie komt daarom met bouwstenen voor een benadering die het politiek wenselijke en het economisch mogelijke beter in balans kunnen brengen. Tot die bouwstenen behoort de mogelijkheid van een gedeeltelijk lidmaatschap als opstap naar een volledig lidmaatschap.

Dat staat in een beknopt advies dat de Commissie ISEA namens de SER aan staatssecretaris Benschop van Buitenlandse Zaken heeft uitgebracht. Voorzitter van de commissie is prof. V. Halberstadt. Met het advies wordt gereageerd op de stroomversnelling waarin het uitbreidingsproces van de Europese Unie na de crisis om Kosovo terecht is gekomen. Het advies bouwt voort op eerdere SER-adviezen en vormt mede een reactie op de voorstellen die de Europese Commissie op 13 oktober naar voren heeft gebracht. Het is gericht op beïnvloeding van de Nederlandse inbreng in de Europese Raad van Helsinki, begin december.

De commissie is voorstander van uitbreiding van de Europese Unie met landen uit Midden- en Oost-Europa, zodra zij voldoen aan de toetredingsvoorwaarden zoals omschreven door de Europese Raad van Kopenhagen. Eventueel zijn ten aanzien van de sociaal-economische criteria tijdelijke en beperkte uitzonderingen mogelijk maar geen permanente ontheffingen. Deze uitzonderingen dienen bovendien de werking van de interne markt zo min mogelijk te raken.

Een belangrijk argument om begin volgend jaar al toetredingsonderhandelingen met landen als Bulgarije en Roemenië te beginnen, is het bevorderen van de stabiliteit van de Balkan. De commissie stelt daartegenover dat stabiliteit van de Balkan heel belangrijk is, maar zij verwacht niet dat het beginnen van toetredingsonderhandelingen daaraan een effectieve bijdrage kan leveren. Zij geeft de voorkeur aan meer direct werkende instrumenten van binding en ondersteuning, zoals een flinke opwaardering van de zogeheten Europese Conferentie, een intensivering van de toetredingssteun (aanbieden van opleidingen en langdurige detachering van deskundigen), een redelijke compensatie van de economische schade door de conflicten op de Balkan (bijvoorbeeld als gevolg van de stremming van het scheepvaartverkeer op de Donau) en een versnelde verdere opening van de markten van de EU voor producten uit deze kandidaat-lidstaten.

De commissie reikt o.a. de volgende bouwstenen aan voor versterking van de toetredingsstrategie:

* In 2002 zal de Europese Unie zelf alle voorwaarden voor uitbreiding moeten hebben vervuld.

* Kandidaat-lidstaten die de toetredingsonderhandelingen succesvol hebben afgerond, zouden dan vanaf 2003 kunnen toetreden, op grond van een beoordeling van elke lidstaat afzonderlijk.
* De gevolgen voor de interne markt moeten zwaar wegen bij de beoordeling van verzoeken om toetreding. Het gaat hierbij onder meer om de goede toepassing van communautaire productnormen, het voorkomen van substantiële concurrentieverstoringen en de convergentie van de prijzen van landbouwproducten. Eventuele overgangsperioden moeten beperkt blijven, vooral indien deze direct raken aan de werking van de interne markt (maximaal 4 of 5 jaar).

* Kandidaat-lidstaten die rond 2005 nog niet kunnen toetreden, komen in aanmerking voor een gedeeltelijk lidmaatschap, als opstap naar een volledig lidmaatschap. Dit gedeeltelijke lidmaatschap bestaat uit een standaardpakket (géén integratie à la carte), met als uitgangspunt een evenwicht tussen rechten en plichten.
* Het gedeeltelijk lidmaatschap is tijdelijk. De commissie denkt aan een maximale duur van tien jaar. Daarna treedt het land daadwerkelijk toe tot de EU of niet. Zo wordt een soort tweederangs lidmaatschap voorkomen.

* Het advies schetst de contouren van een mogelijke invulling van het gedeeltelijk lidmaatschap. Op het sociaal-economische vlak ligt het voor de hand te denken aan een gemeenschappelijke handelspolitiek en het mededingingsbeleid alsmede aan díe elementen van het sociaal acquis die op korte termijn kunnen worden overgenomen. Aan politieke en sociale grondrechten moet worden voldaan. Het ligt in de rede de landen met een gedeeltelijk lidmaatschap niet aan het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid maar wél aan het structuur en cohesiebeleid te laten deelnemen.
* Landen met een gedeeltelijk lidmaatschap kunnen naar de verplichtingen van dat lidmaatschap deelnemen aan de besluitvorming binnen de EU en hebben toegang tot het Hof van Justitie.

* De zogeheten Europese Conferentie moet een permanent en operationeel forum worden voor informatie-uitwisseling en overleg. Daarvoor is een grotere intensiteit en bredere gerichtheid van bijeenkomsten nodig. Ook de landen die geassocieerd zijn met de EU en het lidmaatschap hebben aangevraagd moeten er toegang toe hebben.

De commissie ISEA realiseert zich dat het aanbrengen van een extra tussenstap in het toetredingsproces in de vorm van het gedeeltelijk lidmaatschap de nodige institutionele complicaties met zich brengt maar vindt deze optie te verkiezen boven nu bekende oplossingsrichtingen zoals een vervroeging van de toetreding met langere overgangstermijnen.

-

Deel: ' SER-commissie "Andere richtlijnen voor toetreden tot Unie" '




Lees ook