expostbus51


MINISTERIE SZW

https://www.minszw.nl

MIN SZW: ser-adviesaanvraag ouderen

Nr. 99/82
12 mei 1999

SER-adviesaanvraag ouderen: langer werken moet aantrekkelijker worden

Het is nodig dat ouderen langer blijven werken. Door de toenemende vergrijzing en ontgroening is dit niet alleen noodzakelijk met het oog op de - krapper wordende - arbeidsmarkt, maar ook om voldoende draagvlak voor het sociale stelsel te behouden. Minister De Vries en staatssecretaris Hoogervorst van Sociale Zaken en Werkgelegenheid hebben de Sociaal-Economische Raad advies gevraagd over mogelijkheden om het voor ouderen aantrekkelijker te maken langer te blijven werken. Hierbij is vooral van belang dat in bedrijven een leeftijdsbewust personeelsbeleid (inclusief
arbeidsomstandighedenbeleid) wordt gerealiseerd. Daarnaast kan met financiële maatregelen de arbeidsdeelname van ouderen worden bevorderd. Ook wordt de SER een aantal mogelijkheden voorgelegd om vervroegd uittreden - met name via de WW - te ontmoedigen door werkgevers en werknemers directer te confronteren met de kosten daarvan.

In de adviesaanvraag wijzen de bewindslieden erop dat extra inspanningen van alle betrokkenen - overheid, sociale partners en oudere werknemers - nodig zijn om de trend van lage arbeidsdeelname van ouderen te keren.
Momenteel werkt nog maar ongeveer een kwart van de werknemers tussen 55 en 65 jaar. Dat is laag vergeleken met andere landen. Ook de toenemende vergrijzing maakt een verhoogde inzet nodig. Uit een analyse bij de adviesaanvraag blijkt dat zonder nader beleid het aantal (vervroegd) gepensioneerden op het aantal werkenden vanaf 2001 sterk zal oplopen (van drie op de tien nu naar zeven op de tien in 2030). Om deze stijging beperkt te houden en voldoende draagvlak voor het sociale stelsel te behouden, zou de arbeidsdeelname van ouderen moeten stijgen van zo.n 25 % nu naar 52,5 % in 2030.

Verhoging van de arbeidsdeelname van ouderen vergt volgens minister De Vries en staatssecretaris Hoogervorst allereerst een mentaliteitsomslag. Werkgevers moeten zich inzetten om hun oudere werknemers vast te houden, omdat hun kennis en ervaring in toenemende mate onmisbaar zijn voor hun bedrijf. Werknemers moeten zich instellen op een langduriger loopbaan.

Leeftijdsbewust personeelsbeleid
Een belangrijk instrument waarmee ondernemingen het voor ouderen mogelijk en aantrekkelijker kunnen maken langer in dienst te blijven, is leeftijdsbewust personeelsbeleid.
Uit een nieuw onderzoeksrapport van de Arbeidsinspectie, dat tegelijkertijd met de SER-adviesaanvraag naar de Tweede Kamer is gestuurd, blijkt dat het leeftijdsbewust personeelsbeleid nog in de kinderschoenen staat. De Arbeidsinspectie neemt weliswaar enkele verbeteringen waar ten opzichte van 1996, maar stelt vast dat er nog een kloof bestaat tussen de aanbevelingen van de Stichting van de Arbeid en de feitelijke praktijk van leeftijdsbewust personeelsbeleid.

In de adviesaanvraag wordt de SER gevraagd hoe op dit terrein meer vooruitgang kan worden geboekt. Leeftijdsbewust personeelsbeleid (inclusief employability, dat wil zeggen het op peil houden van kennis en vaardigheden, en inclusief de zorg voor goede arbeidsomstandigheden) is in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers. De bewindslieden willen van de SER weten op welke wijze de overheid de sociale partners daarbij kan ondersteunen.
Van groot belang hierbij is ook de vermindering van psychische en lichamelijke arbeidsbelasting voor oudere werknemers. De kans op langdurig ziekteverzuim (en arbeidsongeschiktheid) door lichamelijk of psychisch zwaar werk is onder oudere werknemers bijna twee keer zo hoog als onder werknemers jonger dan 45 jaar.
Een nadere invulling van preventief arbeidsomstandighedenbeleid kan op brancheniveau worden gegeven door de oorzaken van vroegtijdige uitval beter te analyseren. Arbo-instrumenten zoals het periodiek arbeidsgezondheidskundig onderzoek en taakanalyse, kunnen hierbij van nut zijn. Hiermee kan in een vroeg stadium worden gesignaleerd welke werkzaamheden schadelijk voor de gezondheid kunnen zijn en welke aanpassingen nodig zijn.

Belasting- en premiemaatregelen
Verder wordt de SER om een reactie gevraagd op een aantal maatregelen waarmee de overheid als wetgever ertoe kan bijdragen dat ouderen langer aan het werk blijven of weer aan het werk gaan. Hierbij valt onder meer te denken aan stimulerende maatregelen op het gebied van premies en belastingen.
Zo kan een korting op de WW-premie voor oudere werknemers worden overwogen. Hiermee zouden oudere werknemers naarmate ze langer doorwerken hun netto-inkomen kunnen zien toenemen. Of ze zouden genoegen kunnen nemen met een lager bruto-inkomen zonder dat dit gevolgen heeft voor hun netto-inkomen. Dit laatste heeft volgens minister De Vries en staatssecretaris Hoogervorst als voordeel dat oudere werknemers gemakkelijker een stapje terug kunnen doen zonder dat ze er op achteruit gaan.
Van een korting op de premie profiteert niet alleen de werknemer, maar ook de werkgever (minder loonkosten).
Als nadeel geldt echter dat de premieheffing ingewikkelder wordt. Ook wordt er een extra voordeel geboden aan mensen die ook zonder de maatregel al zouden doorwerken.

Een manier om ouderen te stimuleren weer aan het werk te gaan is het bieden van fiscale voordelen. In de SER-adviesaanvraag wordt de mogelijkheid van een aftrekpost voor ouderen genoemd. Het bedrag dat kan worden afgetrokken neemt dan vanaf een bepaalde leeftijd toe. Voorwaarde is wel dat de werknemer minimaal een bepaalde tijd blijft werken.
Ook is het denkbaar dat de werkgever bepaalde fiscale voordelen krijgt wanneer hij een oudere werknemer in dienst neemt. Bijvoorbeeld een afdrachtskorting voor oudere werknemers. Het voordeel hiervan is dat oudere werknemers goedkoper worden. Het nadeel van fiscale faciliteiten, gericht op werknemers dan wel werkgevers, is - net als bij premiekorting - dat zij het stelsel ingewikkelder maken. Als alternatief zou een bonus kunnen worden gegeven aan een werkgever die een oudere werknemer in dienst neemt. Hieraan kunnen voorwaarden worden gesteld, bijvoorbeeld wat betreft de duur van het dienstverband.

Pensioenen en VUT
Ook op het terrein van de (aanvullende) pensioenen zijn er volgens de bewindslieden mogelijkheden om de arbeidsdeelname van ouderen te bevorderen. Hoewel dit hoofdzakelijk het terrein van de sociale partners is, wil de overheid toch bekijken hoe hier belemmeringen kunnen worden weggenomen.
Zo wordt de mening van de SER gevraagd over een individueel recht van de werknemer op een zogenoemde knipbepaling in de pensioenberekening. Nu is het doorgaans voor werknemers financieel erg onaantrekkelijk om op latere leeftijd minder te gaan werken dan wel een stapje terug te doen. Dat komt doordat de hoogte van hun pensioen wordt berekend naar het salaris dat ze vlak voor hun pensionering verdienden. Met een knipbepaling in de pensioenberekening kunnen de ongewenste gevolgen van een lager eindsalaris voor de pensioenopbouw worden tegengegaan. Knipbepalingen komen reeds voor in pensioenregelingen met een eindloonstelsel. Van een recht hierop is evenwel nog geen sprake.

Daarnaast moet er volgens de bewindslieden goed gekeken worden naar pensioenregelingen die een belemmering opwerpen voor terugkeer naar het werk. Het gaat hier om de premievrije voortzetting van de pensioenopbouw bij arbeidsongeschiktheid, alsook om de bijdrageregeling pensioenopbouw voor werkloze werknemers. Deze regelingen zijn van groot financieel belang voor werknemers om hun pensioenopbouw veilig te stellen bij arbeidsongeschiktheid dan wel werkloosheid. Een nadeel is echter dat de regelingen het in bepaalde gevallen minder aantrekkelijk maken weer aan het werk te gaan. Dat geldt bijvoorbeeld wanneer een gedeeltelijk arbeidsongeschikte zijn resterende verdiencapaciteit in een voltijdsbaan aanwendt en te maken krijgt met een achteruitgang in de pensioenopbouw. De SER wordt gevraagd mee te denken over maatregelen om deze effecten ongedaan te maken.

In het regeerakkoord heeft het kabinet aangegeven het (vrijwillig) vervroegd uittreden te willen ontmoedigen. Het kabinet wil het omzetten van VUT- in prepensioenregelingen verder ondersteunen door de fiscale begunstiging van VUT-regelingen op termijn af te schaffen. Bij prepensioenregelingen blijven werknemers de keuze houden om eerder dan op de officiële uittreedleeftijd met werken te stoppen, maar daaraan zit dan wel een (individueel) prijskaartje. Eerder stoppen met werken betekent een lagere pensioenuitkering. In de adviesaanvraag wordt de SER gevraagd op welke wijze het omzetten van VUT in prepensioen, ook voor personen met lagere inkomens, verder kan worden gestimuleerd.

Premiedifferentiatie WW
Vervroegde uittredingsroutes via de werknemersverzekeringen - met name de WW - moeten volgens minister De Vries en staatssecretaris Hoogervorst zoveel mogelijk worden voorkomen. De SER wordt gevraagd mee te denken op welke wijze het ontslag van oudere werknemers door wettelijke of andere maatregelen kan worden ontmoedigd. Een mogelijke maatregel is om, net als bij de WAO, premiedifferentiatie in de WW in te voeren. Dat houdt in dat de hoogte van het gedeelte van de door de werkgever te betalen WW-premie afhankelijk wordt van het aantal werknemers dat in de WW terechtkomt. Het voordeel hiervan is dat de werkgever er direct financieel belang bij heeft om werknemers vast te houden. De prikkel is groter ten aanzien van oudere werknemers omdat zij langer recht hebben op WW. Dit leidt tot een hogere premie voor de werkgever bij ontslag van een oudere werknemer.
Ook denkbaar is de premiedifferentiatie specifieker te richten op bevordering van de arbeidsdeelname van ouderen. Door bijvoorbeeld een verplicht eigenrisicodragen voor werkgevers bij ontslag van oudere werknemers.
Het nadeel van premiedifferentiatie is volgens de adviesaanvraag dat de financiële lasten voor de werkgever zeer hoog kunnen worden. Bovendien bestaat er het gevaar dat werkgevers geen oudere werknemers meer aannemen.

Een vorm van premiedifferentiatie bestaat nu al op het niveau van de sector. Voorafgaand aan de WW moeten sectoren een periode lang zelf de WW-uitkeringen voor werkloos geworden werknemers uit hun sector betalen. De sector als geheel heeft dus baat bij lagere lasten. Het nadeel is echter dat hierbij individuele werkgevers (mede) afhankelijk blijven van hun sectorgenoten, tevens concurrenten. Individuele inspanningen leiden dus ook tot voordelen voor de concurrent die geen initiatieven ontplooit. Om het individuele belang van lagere WW-kosten voor werkgevers te vergroten zou de omvang van de sectoren kunnen worden verkleind. Dit kan echter voor een aantal sectoren tot zeer hoge wachtgeldlasten lasten.
Een andere mogelijkheid is om bedrijven binnen de sectoren op te splitsen naar risicogroepen. Werkgevers worden dan ingedeeld op basis van hun veroorzaakte WW-last. Deze mogelijkheid betekent dat directe concurrenten wel verschillen in de hoogte van de wachtgeldpremie kunnen ondervinden.

Verder wordt de mening van de SER gevraagd over mogelijkheden om ook voor werknemers prikkels te creëren om werk te behouden. Te denken valt aan de (gedeeltelijke) verrekening van aanvullingen op uitkeringen, schadevergoedingen of gouden handdrukken met de WW-uitkering.

Het kabinet stelt het op prijs het oordeel van de SER over de opties premiedifferentiatie in de WW en de (gedeeltelijke) verrekening van bovenwettelijke uitkeringen met de WW-uitkering, alsmede over eventueel door de SER gewenste wettelijke maatregelen, vóór medio juli a.s. te ontvangen, zodat dit oordeel kan worden betrokken bij de besluitvorming over de begroting 2000.

Minister De Vries en staatssecretaris Hoogervorst maken zich zorgen om de geringe arbeidsdeelname van met name allochtone ouderen. Aan de SER wordt gevraagd welke inspanningen er in aanvulling op het bestaande arbeidsmarktbeleid nodig zijn om allochtone ouderen aan het werk te krijgen of te houden.

Tenslotte wordt aandacht gevraagd voor de mogelijkheid om gefaseerd de sollicitatieplicht in te voeren voor mensen ouder dan 57,5 jaar. Dit komt in beeld naarmate het leeftijdsbewust personeelsbeleid meer succesvol is en oudere werkzoekenden een reële kans maken op de arbeidsmarkt. De vraag aan de SER is op welke wijze kan worden bepaald wanneer aan deze voorwaarden wordt voldaan.

12 mei 99 17:30

Deel: ' SER Langer werken moet aantrekkelijker worden '




Lees ook