INLEIDING DOOR MARGARETHA DE BOER T.G.V. VAN DE REGIOCONFERENTIE VAN DE GEMEENTE ARHEM, WOENSDAG 25 AUGUSTUS 1999

Een verhaal over ruimtelijke kwaliteit en regionale samenwerking

Het zal het voorjaar van l946 geweest zijn.
Het was warm en de deuren naar de veranda stonden open. Het geluid van timmeren en zagen drong in ons huis door. Mijn moeder zei: "oh, wat een heerlijk geluid is dat toch. Er wordt weer gebouwd!"

De eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog stonden in het teken van de herbouw. En dat betekende hoop. Nieuwe dingen stonden te gebeuren en de armoede die er in veel grotere mate was, dan we ons nu wel eens realiseren, was ook voor de mensen, die aan de onderkant van de samenleving stonden toch te dragen. Er werd gebouwd! Alles zou beter gaan worden! Het hinderde niet dat de nieuwe woningen vaak heel klein waren of erg gehorig. Het belangrijkste was: een eigen woning. Later zouden we wel gaan letten op mooi of ruim. Het was de kwantiteit die telde; kwaliteit was een luxe die we ons nog niet kon den permitteren. Datzelfde gold voor bedrijfsterreinen. Dat we soms bedrijfsterreinen aanlegden in gebieden, die we nu zouden voorzien van het predikaat: natuurwetenschappelijk waardevol gebied, vonden we van minder betekenis dan het feit dat we überhaupt weer in staat waren werkgelegenheid te scheppen. Het trauma van de crisisjaren lag immers nog maar net achter ons. We legden nieuwe wegen aan en omdat we niet veel geld hadden maakten we voor die aanleg zoveel mogelijk gebruik van natuurlijke zandbeddingen. Voor de A7 dempten we in Friesland, vanwege de zandbodem, een prachtig riviertje: de Wispel. Niemand maakte bezwaar. Het was vooruitgang! Het tracé maakt daar nog steeds een flauwe bocht.

En we deden iets raars met onze steden. We bouwden geen nieuwe woonwijken meer in de steden, maar buiten de steden in overloopgebieden. Het resultaat was dat de steden, die altijd het centrum van nieuwe activiteiten en nieuwe ideeën waren geweest, verarmden omdat ze een draagkrachtige bevolking gingen missen. Daarbij werden de oude woongebieden in de steden ingenomen door problematische bevolkingsgroepen. Hoewel de overloopgemeenten in materieel opzicht niet slechter werden van deze verplaatsingen, werden zij er ook niet aantrekkelijker door. De voormalige overloopgemeenten dingen als u het mij vraagt elkaar naar de kroon waar het saaiheid betreft. Dus zochten die overgelopen inwoners, die het in materieel opzicht steeds beter was gegaan, naar een mooier huis buiten de saaie overloopgemeenten. Een mooi huis met veel ruimte en natuur om de deur. Kortom: de steden werden armer, de overloopgemeenten saaier en het landelijk gebied verstedelijkte.

We maakten in onze dynamiek van Nederland een welvarend land waar het vrijwel voor iedereen goed toeven is. En we mogen onze voorgangers daarvoor erkentelijk zijn ondanks alle kritiek die heel wel mogelijk is op hun kortzichtigheid t.a.v. het behoud van andere dan materiële waarden. Ze maakten het land rijker, maar ook saaier en vaak lelijker. Alles wat na de oorlog gebouwd is lijkt op elkaar. We hebben alle regionale verschillen weggepoetst en we zijn er nu ontevreden over.

Maar... de tegenbeweging dient zich aan!
Adriaan Geuze maakt in 1995 een fotoboek van het suburbaan bouwen en wonen in 120 woonwijken. Het is een onthutsende confrontatie met de nieuwbouw van de laatste 10 à 20 jaar. Ook de kritiek op de grootschalige infrastructuur wordt steeds sterker. De Rijksbouwmeester Wytze Patijn zegt dat het onze opdracht is nieuwe schoonheid te scheppen. Dat geldt ook voor de inrichting van onze bedrijfsterreinen die nu op zijn best een grote mate van identiteitsloze niksigheid uitstralen. Veel vaker hebben deze terreinen echter een absoluut negatieve invloed op de belevingskwaliteit van de directe omgeving. Ook uit commentaren in de media blijkt dat de samenleving iets anders wil dan een voortzetting van het beleid van de tweede helft van de 20ste eeuw.

Maar hoe dan? Want we willen onze welvaart niet kwijt. We willen mooi wonen, we willen zonder last van filevorming ons verplaatsen, we willen stilte en we willen nieuwe economische uitdagingen volop een kans geven.

We bevinden ons weer op een kruispunt van belangrijke beslissingen. Het grote verschil met de naoorlogse periode is dat onze wensen nu gedomineerd worden door onze grote welvaartsstijging. Dat leidt tot een vraag naar individuele kwaliteitsbevrediging. Groter, beter, mooier. Maar we staan ook voor de opgave om de collectieve ruimte in kwaliteit te laten stijgen. Laten we het beeld eens inzoomen op uw regio.
Het gebied Arnhem en omgeving is een van de meest spannende regio's in Nederland. Onmiddellijk in het oog springen wensen en plannen voor de infrastructurele ingrepen: de A73, de A 50, de A12, de A15, de HSL, de Betuwelijn; de daarmee gepaard gaande extra vervoers- en distributiebedrijvigheid; Valburg. Dit alles vereist een diepe doordenking van de totale ordening in dit gebied. Voeg daarbij de 56.000 woningen die gebouwd moeten worden, de te ontwikkelen 1000 ha bedrijfsterrein, honderden ha glastuinbouw, het 1100 ha grote stadsregionaal park plus de noodzakelijke verbetering van allerlei reeds bestaande activiteiten, dan heb je het beeld van een spannende regio. Het gaat dus om het ordenen van de ruimte opdat deze voor u belangrijke functies een plaats krijgen die ze verdienen. Het gaat om het beter benutten van bestaande ruimte, bestaande infrastructuur en bestaande groene infrastructuur. En tegelijkertijd gaat het om het realiseren van een zodanige ruimtelijke kwaliteit van deze functies dat de regio zijn eigenheid, zijn identiteit versterkt.

Hoe evenwel te voorkomen dat we in oude fouten vervallen en ons land in tegenstelling tot wat we beogen, steeds minder boeiend maken? Tussen droom en daad staan wetten in de weg en werkelijke bezwaren. Kunnen we het enthousiasme van het bouwen van net na de oorlog combineren met werkelijke kwaliteitsverbetering? Zouden we erin kunnen slagen onze opvolgers te laten constateren dat rond het jaar 2000 er iets opmerkelijks gebeurde? Dat er sprake was van een tweede Gouden Eeuw vol inspiratie t.a.v. schoonheid en kunst met name bij de inrichting van ons land?

Wellicht dat u zult zeggen: we wachten vol spanning op de Vijfde nota ruimtelijke ordening want daar worden die inrichtingskeuzen gemaakt.

Echter, dat is maar zeer ten dele het geval. Het is niet de Vijfde nota die vorm geeft aan het landschap of aan de stedenbouwkundige opzet. Dat bent uzelf!

Het gebied Arnhem en omgeving als netwerkstad

Ik ga ervan uit dat de Vijfde Nota een keuze zal gaan maken voor de ontwikkeling van netwerksteden. Dat wil zeggen: een geografische eenheid met meerdere centra waar in principe het totale dagelijkse leven zich af kan spelen. Werken, leren, winkelen, cultuur beleven, recreëren in het groen enz. Het geraamte van deze netwerkstad wordt gevormd door de grote en de fijnmazige infrastructuur. Landelijk en stedelijk gebied worden als een ondeelbaar geheel gezien.

In wezen wijkt dit concept niet zoveel af van wat we eerder het stadsgewest noemden. Alleen gingen we toen uit van een centrumstad per regio. Bij een netwerkstad kan sprake zijn van meerdere stedelijke centra. Ik zal overigens de term netwerkstad afwisselen met de term regio. Dit om het misverstand te vermijden dat ik iets te veel vanuit de stedelijke component de discussie zou willen benaderen.

Het Knooppunt Arnhem Nijmegen, wordt als een van de netwerksteden gezien. Heel terecht want in wezen hebt u dat ook al gedaan in uw structuurvisie van de Kanregio.

De invulling die u eraan geeft zal bepalend zijn voor het aanzien van de regio. Of er sprake zal zijn van ruimtelijke kwaliteit wordt in hoge mate bepaald door de inspanning van het gezamenlijke lokale en regionale bestuurskader. In de gehele naoorlogse periode zijn het nu meer dan ooit de lokale overheden die de kwaliteit van onze ruimtelijke inrichting bepalen. Het is niet meer de Rijksoverheid die met de gouden koorden van de woningbouwsubsidies de kwaliteit van de woninglocaties bepaalt. Het zijn nu de lokale overheden en de marktpartijen die een heel grote verantwoordelijkheid dragen. Geweldige kansen voor geïnspireerde gemeentebestuurders, maar ook.... geweldige bedreigingen voor de ruimtelijke kwaliteit van de totale regio wanneer bestuurders niet over de eigen gemeentelijke grens heen weten te kijken.

Mag ik u sterk adviseren zelf invulling te geven aan het begrip netwerkstad en niet af te wachten wat de rijksoverheid vindt. U zult het voortouw moeten nemen om het begrip ruimtelijke kwaliteit voor uw regio te definiëren. Het kernbegrip daarbij is: ruimtelijke kwaliteit. De opgave voor de komende jaren zou geformuleerd kunnen worden als een ruimtelijke ordening, waarbij veel meer dan tot nu toe aandacht moet zijn voor de belevingswaarde van de ruimte. Of in andere woorden, waarbij alle plannen langs de meetlat van schoonheid en functionaliteit gelegd worden De stedenbouwkundige Francien Houben zegt: 'Nederland is het maakbaarste land ter wereld. Maar deze kracht is ook haar zwakheid. Er zijn geen limieten; met behulp van ingenieurs lijkt het of je overal kunt bouwen. Het land is zo maakbaar dat je het ook kapot kunt maken'.

Het vraagstuk van kwaliteit

Met uitspraken als schoonheid en functionaliteit kom je in je planvorming vaak niet zo veel verder. Hoe concretiseren we dergelijke uitgangspunten in afrekenbare beleidsdoeleinden? Ik heb geen recept waaruit de kwaliteitstoets voor uw regio moet bestaan. Maar ik heb wel een paar kapstokken. Aan die kapstokken hang ik een beschouwing over het landelijk gebied, over de mobiliteit en over stedelijke bebouwing. De laatste kapstok zal zijn de bestuurlijke, want de interessantste vraag is natuurlijk: hoe gaan we dat allemaal regelen met zoveel gemeentebesturen, die allemaal graag zelf eigen beleid willen voeren?

Het landelijk gebied
In de filosofie van de netwerkstad is het landelijk gebied een even belangrijke pijler van de regio als het stedelijk gebied. Prof. E.A. de Jong in zijn essay 'Schuldig Landschap' schrijft: "Stedenbouw en landschap dienen niet in oppositie maar in samenhang gezien te worden, zowel in de ontwikkeling van ons geschiedbeeld als in het ontwerp". De inrichting van de regio is dus een gezamenlijke verantwoordelijkheid van alle afzonderlijke partijen. In het advies van de VROM-raad over de kwaliteit van de stad wordt in verschillende bewoordingen steeds benadrukt dat de ruimtelijke kwaliteit zit in de differentiatie en in de identiteitsversterking. Het landelijk gebied in de stedelijke regio of in de netwerkstad is van grote betekenis voor die differentiatie en de identiteit. In de ruimtelijke ordening hebben wij ons jarenlang vooral laten sturen door de behoefte aan woningbouwlocaties. Het landelijk gebied werd dan niet zelden, weliswaar onuitgesproken, gezien als het reservegebied voor de stedelijke uitbreiding. Dat maakte dat we van tijd tot tijd te nonchalant met de ruimte zijn omgegaan. Het landelijk gebied zal ook in haar agrarische functie als essentieel onderdeel van de netwerkstad gezien moeten worden. Dat versterkt de differentiatie van het gebied. Dat daarmee ook de kwaliteit van het landelijk gebied kritisch zal moeten worden beschouwd spreekt voor zich. Het is heel verheugend dat zoveel agrariërs zich willen inspannen om de oorspronkelijke natuur in hun landerijen weer ter herstellen. De rijksoverheid en provinciale overheid ondersteunen met subsidiemogelijkheden deze ontwikkeling. Het is aan de lokale en regionale partners om samen met de boeren te zorgen dat deze gebieden voor kleinschalige recreatie, zoals wandelen toegankelijk worden

In een essay over de kwaliteit van het Nederlandse cultuurlandschap stelt Prof. Borger dat de aandacht bij de planvorming altijd uitgaat naar het algemene belang van het bijzondere en dat het bijzondere van het algemene, het vertrouwde en het gewone wordt vergeten. Wat is het gewone en dus het bijzondere van het gebied in en rond Arnhem? Wat is de identiteit van dit gebied? Als ik als niet-inwoner van dit gebied spontaan in enkele woorden zou moeten benoemen waaraan ik denk bij een typering van dit gebied, dan zijn dat: vruchtbomen, uiterwaarden, de rivieren, de intimiteit van de stad Nijmegen en het groen in de stedelijke bebouwing van Arnhem. Zijn dat de gewone dingen die we zouden moeten bewaren en optimaal benutten als iets wat alleen dit gebied heeft en bijvoorbeeld niet aanwezig is in de regio Groningen-Assen.

Zou het kunnen; boomgaarden als stedelijk park? Zou het kunnen een uiterwaardenachtig landschap in uw geplande buffergebieden tussen de stedelijke bebouwing? Zou het kunnen; de intimiteit van de binnenstad weer terug te vinden in de stedelijke nieuwbouw of de lanen van Arnhem in haar uitbreidingen? U weet het beter dan ik, want u bent de regionale planners en u kent de cultuurhistorie en de mogelijkheden beter dan ik. Zou het kunnen dat we soms concluderen dat er niets gedaan moet worden omdat het al goed is? Ik heb bewondering voor een architect als Kalfsbeek die in Noord Nederland bij een bepaalde opdracht zei: Nee, deze opdracht wil ik niet, want het gebied is al af. Daar moeten we niet meer aankomen! De psycholoog/filosoof Willem Koerse stelt: "Geen enkel heden is ermee gebaat een verleden te willen terughalen, maar evenmin moet het zich ervan willen losmaken want dan berooft het zichzelf van een essentiële dimensie. Daarom moet het verleden hooggehouden worden, niet om terug te halen, te willen herhalen of kopiëren maar om als meervoudige bron te gebruiken". Zowel in onze geschiedschrijving, als in onze planvorming zijn we altijd veel meer gericht geweest op de steden dan op het landelijk gebied. Ik pleit ervoor al deze waardevolle cultuurhistorische elementen die we of willen bewaren, of willen terug zien in de nieuw in te richten gebieden net zo hard vast te leggen in onze bestemmingsplannen als we dat doen bij de stedelijke functies.

Het is mogelijk dat het Rijk van bovenaf een inventarisatie maakt van waardevolle elementen in een landschap, in een bebouwing die niet verloren mag gaan. Er is ervaring genoeg om een lans te breken voor een dergelijke aanpak. Toch vind ik dat een armoedige manier van beleid voeren. Immers juist als je de identiteit, het eigene van een regio wilt bewaren en versterken en weer wilt laten terugkomen in de inrichting van je ruimte, dan zijn het de regionale beleidsverantwoordelijken die de eerst aangewezenen zijn om het eigene op te sporen en een eigen plek te geven. Ik spoor u aan om deze rol te vervullen.

De kwaliteit van mobiliteit en de infrastructuur
Hebt u wel eens een overzicht gemaakt van het verplaatsingspatroon van uzelf en uw eventuele huisgenoten? Ik wel en ik was redelijk verbijsterd over het aantal kilometers dat ik verreed voor niet zakelijke doeleinden. Naar winkel, naar school of crèche, naar gezondheidsvoorzieningen, naar theater, naar vrienden of familie. Alles is op een andere plaats dan de buurt of de stad of de regio of zelfs de provincie. Voor een deel zijn we zelf verantwoordelijk voor dat vliegen van hot naar her en kunnen we dat dus veranderen. Maar voor een heel groot deel wordt deze kilometervreterij ons opgelegd door de keuzen die eerder zijn gemaakt in de ruimtelijke ordening. Onze leefomgeving met zijn verschillende woonkwaliteiten, aparte bedrijfsterreinen en kantoorlocaties, de centrumgebieden met het winkelareaal en de situering van de grote, ziekenhuizen maakt dat we zelf steeds meer mobiliteit oproepen. Het geraamte van de regio wordt gevormd door de grote en kleinschalige infrastructuur. De mobiliteit kan beperkt worden door veel meer te plannen vanuit de noodzaak om de verplaatsingen te beperken. Scholen en voorzieningen bij de stations en bestaande openbaarvervoers-infrastructuur; verdichting van bebouwing bij overstappunten. Het mogen open deuren lijken deze uitspraken maar er wordt vaak nauwelijks naar gehandeld.

In uw regionale structuurplan maakt u terecht een onderscheid tussen de mobiliteit op de diverse niveaus. Waarom streven we er niet consequent naar dat we elke schaal zijn eigen vervoerswijze geven. Dat wil zeggen: de trein voor het interlokaal en internationaal vervoer, elektro- of hybridevervoer in de stad, de schone brandstofauto in de regio.

De meetlat van schoonheid en functionaliteit leggen bij mobiliteit en infrastructuur vereist overigens wel wat moed.

Het vorig jaar gehouden congres 'Stad en Snelweg' besteedde veel aandacht aan deze lastige opgave, maar ik heb geen nieuwe oplossingen vernomen. Francien Houben, stedenbouwkundige en lid van de VROM-raad, poogt daadwerkelijk de relatie van schoonheid en functionaliteit te leggen. Zij pleit in haar artikel 'Ingenieurskunst en mobiliteitsethiek' ( in de brochure 'Architectuur en de openbare ruimte' een uitgave van Rijkswaterstaat) voor een inpassingstypologie gecompleteerd met per snelweg een verschillende maar constante verhaallijn. Zo zou de verbinding Den Haag- Arnhem-Duitsland, door haar de Louis Couperusroute genoemd, voorzien kunnen worden van een afwisselende landschappelijke of meer stedelijke inpassing, die typisch bij dat gebied hoort. Dat kan dan weer afgewisseld worden met afbeeldingen of teksten die verwijzen naar de naamgever van de route. Alles uiteraard met inachtneming van de maximale verkeersveiligheid. Waar zij voor pleit is meer visionair met onze snelwegen om te gaan zonder te vervallen in de bouw-maar-raak-filosofie waar de corridors toe zouden kunnen verleiden. Een artikel om kennis van te nemen!

Het zijn allemaal belangrijke creatieve studies die ons wellicht op goede ideeën brengen. We zullen, om met Frank Lloyd Wright te spreken, het onvermijdelijke moeten plannen. Echter, hoe mooi we het ook willen doen, grote infrastructurele werken zijn verstorende en versnipperende elementen in onze landelijke en stedelijke omgeving. Hoe meer we kunnen bundelen, hoe beter het is. En hoe meer er ondergronds gebouwd kan worden hoe beter bovengronds een optimale leefkwaliteit te realiseren is.

De stedelijke bebouwing en kwaliteit
Te lang hebben we de steden verwaarloosd. Te lang hebben we geaccepteerd dat inwoners met hogere inkomens de stad verlieten. We bouwden niet voor hen. Te lang gingen we ervan uit dat het wonen in een eengezinswoning buiten de stad voor iedereen aantrekkelijker is dan het wonen in de stad. Inmiddels zijn we van twee dingen overtuigd geraakt. De stad kan het zich niet permitteren al haar meer draagkrachtige inwoners kwijt te raken en niet iedereen is gelukkig in een woning buiten de stad. De markt voor appartementen trekt enorm aan en dus wordt er meer in de duurdere sector in de stad gebouwd.

De stad en met name binnensteden moeten we leefbaar en vitaal houden. Herstructurering en meervoudig ruimtegebruik kan daarbij van grote betekenis zijn. Ik kijk wat dat betreft met grote belangstelling uit naar datgene wat er hier in Arnhem gaat gebeuren.

Eigenlijk kan over stedelijke kwaliteit niet gesproken worden zonder daarbij de sociale component te betrekken. Ik ben blij dat u voor deze bijeenkomst, die gaat over de inrichting van het gebied, als eerste spreker de heer Walter Etty heeft uitgenodigd om te spreken over het sociaal-culturele aspect van de regio. Te lang zijn we ervan uit gegaan dat de kwaliteit van de stad louter bepaald wordt door de kwaliteit van de fysieke omgeving. We komen er langzaam achter dat dat een te eenvoudige redenering is. We dienen een integraal stedelijk beleid te ontwikkelen. In dat opzicht bestaat er bij de steden inmiddels veel meer deskundigheid dan bij het Rijk. Ik heb als woordvoerder Grote Steden Beleid in de Tweede Kamer hierover een motie ingediend. Ik heb het Kabinet verzocht voor het eind van dit jaar met voorstellen te komen waarbij de 25 grote gemeenten een deel van de subsidies in de sociaal-culturele sfeer als een lump sum krijgen uitgekeerd. Dat zal hen in staat stellen een integraal, op maat gesneden fysiek en sociaal grote steden beleid te voeren.

De kwaliteit van de centrumsteden is bepalend voor het totale aanzien van de regio of zoals u wilt de netwerkstad. De afzonderlijke onderdelen bepalen samen de kwaliteit van de totale regio. Elk onderdeel voegt waarde toe aan het totaal van de omgeving. Historische centra, parkachtige buitenwijken, bedrijfsterreinen, het open buiten gebied; het hoort allemaal bij de regio en het bepaalt alles tezamen of het plezierig wonen en werken is in deze omgeving.

Bij de discussie over de woningbouw hanteren we vaak de volgende redenering. We hebben de markt nodig om projecten te ontwikkelen. De markt vraagt ruime woningen met ruime kavels. En dus moeten we een lage bebouwingsdichtheid realiseren. Maar dat kost ruimte.

Daarmee komen we in conflict met twee uitgangspunten. We zullen collectieve ruimte open moeten houden omdat die zo bepalend zijn voor de kwaliteit van het geheel. En een spaarzaam gebruik van de ruimte is noodzakelijk om ons nageslacht ook nog ruimtelijke keuzen te kunnen laten maken. Individuele welvaartsbehoefte staat dus tegenover onze plicht collectieve waarden te behouden.

Met enige inspanning kunnen we heel goed met dit dilemma omgaan. In ieder geval konden veel van onze voorgangers dat. Als ik kijk naar nog steeds heel aantrekkelijke woonwijken als het Statenkwartier in Den Haag, naar de Berlagebuurt in Amsterdam, maar ook naar de schildersbuurt in Nijmegen dan zien we daar woningen die nog steeds zeer gewild zijn. De bebouwingsdichtheid is heel gedifferentieerd. In sommige straten is dat wellicht tegen de 100 woningen per ha in andere straten ligt dat eerder bij de 20. Er kan niet een standaardgetal gegeven worden voor de bebouwingsdichtheid.

Dat geldt ook voor bedrijfsterreinen. Naar mijn overtuiging wordt daar nog steeds op een morsige manier met ruimte omgesprongen. Juist bij bedrijfsterreinen kunnen we ons nog veel meer richten op het ondergronds bouwen. Dienen de terreinen zo te worden ingericht dat de bedrijven van elkaars restwarmte of gezamenlijke installaties gebruik kunnen maken. De meeste productieprocessen zijn de laatste jaren veel minder ruimtevragend geworden. Daarmee is op de oudere terreinen ruimte over. Een grootschalige renovatie van de verouderde bedrijfsterreinen zou een heilzame werking kunnen hebben op de kwaliteit van de ruimte en dus op het vestigingsklimaat.

Een dergelijke aanpak maakt een gedetailleerd regionaal uitvoeringsplan noodzakelijk. Dus geen globale vlekkenplannen maar plannen die de voorwaarden voor de te realiseren kwaliteit voor de hele regio vastleggen. Naar mijn mening zal in het regionale plan in ieder geval per deelgebied aangegeven moeten worden welk karakter u daar wilt realiseren. Aspecten van duurzaamheid, bebouwingsdichtheid, aard der bedrijvigheid, wijze van inpassing van de infrastructuur, zullen niets aan duidelijkheid te wensen over moeten laten. Daarentegen zouden ook de lokale overheden hun bestemmingsplannen dienen te voorzien van duidelijke criteria. Per deelgebied kan dat betekenen dat we zelfs de plattegrond vastleggen. Het lijkt tegen de tijdgeest in te gaan. Maar duidt het werken met architectenlijstjes er al niet op dat we de behoefte hebben onszelf beter te voorzien van instrumenten om de gewenste kwaliteit ook daadwerkelijk te realiseren? U weet toch wel dat de Amsterdamse bestuurders uit de zestiende en zeventiende eeuw een hele gedetailleerde regelgeving voor de bebouwing van de grachtengordel hadden. Alles lag vast. De rooilijn, de diepte der percelen, de grootte der tuinen, de bouwhoogte. Binnen die vastgestelde regels was de architect vrij om iets moois neer te zetten. We kunnen nog veel leren van het verleden.

En dat brengt me op de bestuurlijke inspanning die we ons moeten getroosten willen we onze aspiraties om een mooie omgeving voor ons nageslacht achter te laten, waar maken. Het getuigt van wijsheid dat u met elkaar de regionale structuurvisie tot stand hebt gebracht. Dat is een belangrijke eerste stap. De structuurvisie geeft de globale gewenste ontwikkelingen aan. Maar als we deze visie leggen langs onze meetlat van schoonheid en functionaliteit dan komen we er nog niet uit. De kwaliteit kan pas gegarandeerd worden als u met elkaar gedetailleerde verplichtingen wilt aangaan t.a.v. de uitvoering. Dan kun je ook pas zeggen of deze regionale visie qua identiteit afwijkt van bijvoorbeeld de regionale visie van het gebied Groningen Assen.

Gemakshalve ga ik ervan uit dat de bestuurlijke constellaties in dit gebied zo blijven zoals ze nu zijn. Het betekent dat u met alle gemeentebesturen (en gemeenteraden!) met het Kan bestuur en met de Provincie deze klus zult moeten klaren. Het zijn niet de minste bestuurskundigen en politici die denken dat een dergelijke opgave nooit uit te voeren is met zoveel verschillende politieke besturen. Ik had ook mijn twijfels. Nu u met elkaar met de structuurvisie de eerste stap hebt gezet moeten de volgende stappen ook mogelijk zijn. Maar als alle gemeenteraadsleden in eerste instantie uitgaan van het belang voor hun eigen gemeente dan lukt het niet. Als u met elkaar de omslag kunt maken naar denken vanuit het belang voor de totale regio dan moet het mogelijk zijn. U maakt een schaalsprong van gemeentelijke planvorming naar intergemeentelijke of regionale planning. Daar is nog niet veel ervaring mee. Zowel bestuurskundigen als stedenbouwkundigen kijken met grote interesse naar wat hier en in diverse andere samenwerkende regio's gebeurt. Ik hoop van harte dat u een trendsetter zult zijn in het ontwikkelen van regionale uitvoeringsgerichte toetsbare ruimtelijke planvormen.

Dames en heren, ik heb met u een aantal zaken willen bespreken die te maken hebben met de inspiratie voor een goede inrichting van ons land en van uw regio. Sommige mensen van mijn generatie zien hun omgeving in een zodanig snel tempo veranderen, dat ze zich er nauwelijks meer in thuis voelen. Niet de verandering op zich is daar debet aan doch het feit dat wij verandering in onze leefomgeving aan brengen, die vaak nauwelijks iets te maken heeft met de oorspronkelijke cultuur historie van die omgeving.

Ik realiseer mij zeer goed dat het spreken in poëtische volzinnen iets is waar we in de ruimtelijke ordening een zekere ervaring in hebben. We weten vaak wel dat het anders zou moeten, maar het is verdraaid lastig om een doelstelling als optimale leefkwaliteit om te zetten in uitgangspunten voor bijvoorbeeld een bestemmingsplan.

Kunst komt vaak alleen tot stand na een moeizame worsteling met de materie. Ik vind het creatieve proces van inrichting van de ruimte niet zo ver af liggen van kunst. We komen alleen verder door niet de voor de hand liggende oplossingen onmiddellijk als vanzelfsprekend en juist te aanvaarden. Er is niets dodelijker voor een creatief proces dan zelfingenomenheid. Dat geldt uiteraard voor de stedenbouwkundigen, voor de architecten, maar dat geldt ook en misschien wel met name voor de beleggers, investeerders en de politieke bestuurders en hun ambtelijke apparaten. Er wordt onderschat hoe groot de invloed van een wethouder ruimtelijke ordening is in de ruimtelijke toekomst van zijn gemeenten. Dat kan zowel ten negatieve als ten positieve uitwerken. Er wordt wel eens onderschat hoe groot de negatieve invloed is van afzonderlijke niet samenwerkende gemeentebesturen op de ruimtelijke inrichting van de gehele regio. De beste oplossingen zijn soms niet mogelijk omdat men niet gezamenlijk tot overeenstemming kan komen.

In alle regionale samenwerkingsverbanden ligt een grote opgave ten aanzien van de samenwerking. Over de hoofdlijnen zult u het wel eens worden. Maar de toets ten aanzien van schoonheid en functionaliteit zit in de details. En ook daar zult u met zijn allen gemeenschappelijke opvattingen over moeten ontwikkelen.

Ik begon mijn inleiding met een persoonlijke herinnering. De blijdschap die er bij de bevolking was dat er weer gebouwd werd, zou ik graag teruggehaald zien. Omdat we het als onze opdracht beschouwen een woon- en werkomgeving te scheppen waar we ons in thuis voelen, die appelleert aan ons gevoel van schoonheid. Een omgeving die prikkelt en stimuleert.

U hebt als regio eerder uitgesproken door te willen gaan met de regionale samenwerking in Kan verband. Ik vind dat een heel wijs besluit. U moet het met elkaar doen. Of de volgende generatie dit nog steeds mooie gebied rond en tussen Arnhem en Nijmegen ook als een heerlijke leefomgeving zal beleven ligt voor een heel groot deel in uw handen.

Ik wens u allen veel wijsheid toe met deze historisch belangrijke opgave. Met een werkelijke regionale samenwerking die gebaseerd is op de gezamenlijk gevoelde noodzaak ruimtelijke en dus sociale kwaliteit tot stand te brengen ligt het succes voor het grijpen.

26-08-99

Deel: ' Speech De Boer (PvdA) bij regioconferentie gemeente Arnhem '




Lees ook