Staatscommissie Dualisme en lokale democratie

NAAR EEN NIEUWE POLITIEKE MACHTENSCHEIDING

over dualisme, ontvlechting en politiek leiderschap

D.J. ELZINGA

Dames en heren. Zo af er toe verschijnt er een boek dat uitsteekt boven de middelmaat. Een dergelijk boek betreft het in 1996 verschenen "Aesthetic Politics" (Esthetische Politiek) van de eigenzinnige Groningse historicus Frank Ankersmit. De auteur presenteert in een boeiend en diepgaand betoog zijn politieke concept. Hij analyseert de ontwikkeling van de vertegenwoordigende democratie; schetst de hedendaagse dilemma's van politiek en bestuur en benadrukt het zogeheten "esthetische" karakter van het fenomeen politiek.

Het is - dames en heren - interessant bij deze analyse van Ankersmit iets langer stil te staan en wel vooral omdat ze een hoge mate van actualiteit bezit.

Waarom heeft politiek een esthetisch karakter? Wat is de meerwaarde van deze esthetiek? Welke zijn de lessen die hieruit zijn te trekken voor het politieke bedrijf van alledag?

?Ankersmit vergelijkt politiek met kunst. Zoals een schilder door zijn werk meerwaarde probeert te geven aan de werkelijkheid, zo probeert een politicus door politieke representatie een meerwaarde te geven aan belangenbehartiging en wel door deze te integreren in politieke besluitvorming. Esthetiek als metafoor. Politiek als creatieve daad. Politiek als een vorm van esthetiek waarin vorm en inhoud samen komen. Politiek als betrokkenheid en distantie.

Dames en heren. Op het betoog en de pleidooien van Ankersmit is wel het een en ander aan te merken. De auteur is post-modernist en heeft daardoor de neiging wat meer op de vorm dan de inhoud te letten. Het meest interessante onderdeel van Ankersmit's concept is echter diens waardering van de begrippen betrokkenheid en distantie. Betrokkenheid vormt het hart van het democratisch gedachtegoed. Die betrokkenheid kan echter alleen goed en adequaat functioneren indien er ook zekere vormen van distantie zijn. Naast betrokkenheid is een zekere afstand/distantie volgens Ankersmit tevens een centrale waarde van het fenomeen politieke representatie, ook naar moderne snit. En het is - dames en heren - nu juist deze distantie, of beter gezegd het gebrek daaraan, dat in de hedendaagse democratie tot problemen leidt.

Wat is nu de praktische betekenis van dit soort analyses? Welke betekenis kunnen zij hebben voor de politieke stelsels op nationaal, provinciaal en lokaal niveau?

In algemene zin merk ik op dat de politiek als fenomeen zich op een keerpunt in haar ontwikkeling bevindt. Dat geldt niet alleen voor de situatie in Nederland, maar ook voor die in andere Europese landen. Allerlei tekenen wijzen erop dat de democratische stelsels een "Strukturwandel" ondergaan. Op termijn zullen hier gewijzigde politieke verhoudingen uit te voorschijn komen. Naar verwachting zullen de parlementaire democratieën rond het jaar 2010 een nogal ander aanzien hebben.

Ik wijs op de volgende verschijnselen:


1. Ten eerste. Overal in Europa neemt de "floating vote", het aantal zwevende kiezers, steeds verder toe. Met de vroegere stabiliteit / continuïteit van verkiezingsuitslagen lijkt het definitief gedaan. Zie de parlementsverkiezingen in België. Nederland vanaf 1990. Recent ook Duitsland en Frankrijk.


2. Ten tweede. De ideologische convergentie - dat is het naar elkaar toe groeien en deels in elkaar opgaan van politiek-ideologische opvattingen - doorbreekt partijpolitieke patronen die decennia lang vast lagen en het politieke landschap structureerden. Het ontstaan van paarse, paars-groene en rood-groene kabinetten in de Benelux en Duitsland is daarvan een treffende illustratie. Partijen die vroeger elkaars scherpe tegenpolen waren, werken nu vrolijk of minder vrolijk samen. In de ogen van de kiezers zijn partijen daarom steeds meer op elkaar gaan lijken.


3. In de derde plaats. De positie van politieke partijen is aan een vergaande verandering onderhevig. Spraken we tot voor kort in Europa over de dominante "Parteiendemokratie", thans voert -om de Duitse aanduiding vast te houden - de zogenaamde "Parteienverdrossenheit" de boventoon. Politieke partijen hebben het moeilijk en hebben een belangrijk deel van hun voorheen vooraanstaande maatschappelijke positie verloren. Waren partijen in vroeger jaren een gezichtsbepalend onderdeel van de samenleving, tegenwoordig zijn ze veel meer onderdeel van het overheidsbedrijf geworden. Het inhoudelijke gedachtengoed is lastig over het voetlicht te brengen, vooral vanwege het wegslijten van politieke tegenstellingen. Na de val van de muur hebben vele politieke stromingen tal van vaste referentiepunten verloren; het politiek-ideologische denkschema is vergruisd en verzakelijkt. ? Dames en heren. De afstand tussen de politieke partijen en de samenleving is de afgelopen decennia aanmerkelijk groter geworden. Nog slechts 3% van het aantal kiesgerechtigden in Nederland is lid van een politieke partij, in 1960 was dat 10 %. Die 3% partijleden vormen tezamen 300.000 burgers, van dat aantal is slechts een 30.000 personen werkelijk partij-politiek actief. Elders in Europa is de situatie wel wat beter, maar niet wezenlijk anders. Nu wil ik over dat afnemende lidmaatschap niet al te dramatisch doen, maar het is wel illustratief voor de algemene positie waarin de politieke partijen zijn komen te verkeren. De partijendemocratie, zoals we die kenden in de naoorlogse decennia, is onmiskenbaar op haar retour en groeit toe naar een nieuwe constellatie.


4. Ten vierde en tenslotte is er de personalisering van de politiek. Decennialang werd een "Amerikanisering" van de politiek voorspeld, onder andere reeds door Hans Gruyters in de jaren zestig. Die voorspelling is maar tot op zekere hoogte uitgekomen. Wel is in de politiek in de Europese landen geleidelijk het fenomeen politiek leiderschap steeds belangrijker geworden, maar dan min of meer ingebed in de Europese traditie van de partijendemocratie. Men zie in dat verband de exposure van New Labour met Tony Blair en Gerhard Schröder. Het Forza Italia van Berlusconi en recent de beweging "Israel Een" van Ehud Barak. Rond politieke leiders ontstaan nieuw partijformaties of worden bestaande partijconstellaties door elkaar geschud. In ons land kennen we dit fenomeen nog niet, de factor persoonlijk politiek leiderschap - zowel aan regerings- als oppositiekant - wordt wel steeds belangrijker.

Dames en heren. De elementen van deze "Strukturwandel" van de politiek zijn ondertussen voldoende bekend, maar wat betekenen ze nu voor het toekomstig aanzien van de democratie? En hoe zal de toekomstige kiezer zich gedragen jegens de democratische instellingen? In welke richting zullen de politieke stelsels zich na de huidige overgangsperiode gaan ontwikkelen?

Mijn antwoord op deze vragen is uiteraard tot op zekere hoogte speculatief. Uit kiezersonderzoek en uit overig onderzoek in Nederland en in andere Europese landen kan echter wel een soort patroon worden gedestilleerd. Het beeld dat hieruit oprijst, is het volgende.


1. In de eerste plaats merk ik op dat het gedrag van de tegenwoordige
- en waarschijnlijk ook van de toekomstige - kiezer nogal hybride is. De gemiddelde kiezer redeneert niet meer in politiek-ideologische afwegingsconcepten, maar noteert plussen en minnen inzake thema's en personen. Met hetzelfde speelse gemak waarmee de kiezer tegelijkertijd lid is van zowel de ANWB als Greenpeace, springt hij van de ene naar de andere politieke partij. Uit kiezersonderzoek blijkt bijvoorbeeld dat er een niet onbelangrijke uitwisseling van kiezers is tussen de VVD en Groen Links en omgekeerd. Bolkestein en Rosenmöller appèlleren aan kiezers die niet direct passen in de nogal tegengestelde partij-ideologie van de VVD en Groen Links.

Ook in meer algemene zin heeft de gemiddelde kiezer een nogal hybride, dubbelhartige inborst. De kiezer wil enerzijds behartiging van zijn belangen door de politiek en de bijbehorende politieke strijd. Diezelfde kiezer wil anderzijds echter ook politieke rust en stabiliteit. Hij stelt de aanwezigheid van een betrouwbare overheid op hoge prijs, waarin gezaghebbende politici en bestuurders voor het voetlicht treden.


2. Dames en heren. Dat laatste punt brengt een volgend belangrijk inzicht in beeld. De gemiddelde kiezer in Nederland heeft zich de laatste decennia in belangrijke mate geëmancipeerd. Waren voorheen kerkelijke of maatschappelijke gezindte, het stemgedrag van ouders en de aanwezigheid van verschillende maatschappelijke verbanden (zuilen) bepalend voor het nogal onzelfstandige kiesgedrag van burgers. Vandaag de dag maakt de kiezer veel zelfstandiger zijn keuze en laat zich geen knollen voor citroenen meer verkopen. Als er geen herkenbare politieke keuzes en belangen zijn, laat de geëmancipeerde kiezer het dan ook veelal afweten en geef hem of haar eens ongelijk.

Een en ander betekent dat tegenwoordig veel hogere eisen worden gesteld aan de politiek, aan partijen en politici en aan het proces van publieke verantwoording. De gemiddelde kiezer wil waar voor zijn geld, bevalt de politieke waar hem niet, dan wordt de politiek een neutraal object waar men zich niet mee inlaat. Op het eerste oog lijkt die abstinentie een nogal verontrustend verschijnsel, wie echter bereid is wat verder te kijken, kan dit ook als een verworvenheid van de democratieontwikkeling kwalificeren.

Kortom: in vroeger tijden vlogen de gebraden duiven zonder al te veel moeite in de richting van de politieke partijen, tegenwoordig is veel meer inzet en activiteit nodig. In ieder geval zullen de politieke partijen zich diepgaand op deze nieuwe situatie moeten oriënteren en in verschillend opzicht de bakens drastisch moeten verzetten.


3. De huidige en toekomstige kiezer heeft dus tegenstrijdige aspiraties, hij is bovendien geëmancipeerd. Een derde facet dat hiermee samenhangt, is dat de kiezer zowel betrokkenheid als distantie wil. Lange tijd is in de politieke theorie verkondigd dat emancipatie van de kiezers gelijk staat aan een steeds grotere betrokkenheid bij de politieke besluitvorming. De praktijk laat evenwel een nogal ander beeld zien en dat lijkt ook het beeld voor de toekomst te worden. In algemene zin is de belangstelling van burgers voor deelname in en voor de uitkomsten van het politieke proces nog steeds groeiende. In dat verband kan worden gewezen op de uiterst interessante gegevens die recent door het Sociaal-Cultureel Planbureau zijn gepubliceerd. De participatiegraad neemt toe, zowel onder ouderen als jongeren en de verdeling over de sociale lagen is niet saillant afwijkend. Die groeiende participatiebehoefte is echter wel uiterst selectief. Er blijkt namelijk een sterke relatie te zijn met het herkenbare politieke belang dat zich manifesteert.

Dames en heren. Vanuit de optiek van de kiezers bezien, speelt de verhouding tussen betrokkenheid en distantie eveneens een rol bij de interne organisatie van het politieke bestel. De hedendaagse kiezer verlangt - zo blijkt uit onderzoek - dat volksvertegenwoordigers zich concentreren op hun vertegenwoordigende functie en dat ministers en andere bestuurders een zekere ruimte krijgen om te regeren en te besturen. Kiezers hechten zeer aan politiek leiderschap van gezaghebbende bestuurders. Tegelijkertijd moet de tegenwoordige kiezer weinig hebben van modern regentendom, waarin bewindslieden en bestuurders ongecontroleerd hun gang kunnen gaan. In de ogen van de gemiddelde kiezer moet een volksvertegenwoordiger derhalve zijn belang behartigen, maar vooral ook zorgen voor een adequate controle op de macht van regering, van colleges en ambtenaren. Veel minder enthousiast blijkt de kiezer over volksvertegenwoordigers die vooral willen meeregeren of meebesturen, die algeheel onderdeel zijn geworden van de politieke "Papierkrieg", die kopje onder dreigen te gaan in het bureaucratisch-politieke bedrijf dat zich nogal eens kenmerkt door veel intern rumoer en weinig externe herkenbaarheid. De gemiddelde kiezer prefereert dus een duidelijke scheiding van de verschillende politieke machten.

Dames en heren. In het kader van de democratische rechtsstaat wordt reeds sinds jaar en dag zowel formeel als feitelijk een scheiding aangehouden tussen de verschillende juridische machten. Die machtenscheiding nu zou moeten doorgetrokken naar de sfeer van de politiek.

Een dergelijk politieke scheiding van machten is eveneens van betekenis voor het effectueren van politieke verantwoordelijkheid. Politieke verantwoordelijkheid kan pas goed functioneren indien parlement en regering een zekere afstand tot elkaar houden. Een zekere politieke distantie kan het controlerende vermogen van het parlement in aanzienlijk mate versterken, het vergroot tevens de herkenbaarheid van de politiek voor de burger. In die zin ook is de actuele discussie over de juridische aanpassing van de ministeriële verantwoordelijkheid
- zoals aangeslingerd door enkele secretarissen-generaal - weinig zinvol. Die ministeriële verantwoordelijkheid is goed geregeld en moet in haar huidige vorm worden gehandhaafd. Waar het op aankomt is dat er een nieuwe politieke cultuur en structuur ontstaat, waarin de politieke machten meer worden gescheiden en minder met elkaar zijn verklontert.

De komende decennia zouden wel eens in het teken kunnen staan van een veel grotere politieke arbeidsdeling met als hoofddoel om de herkenbaarheid van de politiek te vergroten teneinde de afstand tussen politiek en samenleving te verkleinen. Voor de nationale politiek zou het formele dualisme nog meer materiële betekenis moeten krijgen. De grote onderlinge verwevenheid van parlement en regering zou moeten worden bestreden. Aan het aloude adagium dat de regering regeert en het parlement legitimeert en controleert zou een meer eigentijdse invulling moeten worden gegeven. Ontvlechting van politieke posities - een nieuwe en frisse scheiding van politieke machten - in combinatie met adequaat politiek leiderschap moet derhalve het parool zijn.

Dames en heren. In enkele woorden laat deze analyse zich als volgt samenvatten.

Op de valreep van de 20e eeuw wil de burger modern politiek leiderschap, maar wel een scherp gecontroleerd leiderschap. Dat politieke leiderschap in moderne vorm is niet het "ga-maar-rustig-slapen" leiderschap à la Colijn en De Geer, maar spitst zich toe op persoonlijk gezag, politiek-bestuurlijke overtuigingskracht en de volle bereidheid verantwoording af te leggen voor gemaakte en voorgenomen beleidskeuzes.

De kiezer wil herkenbare politiek, zowel naar inhoud als persoon, maar vooral in combinatie. In de Nederlandse verhoudingen is de politiek-programmatische basis van het politieke bedrijf nog steeds betrekkelijk dominant en is er een zekere gene om aan de selectie van politiek leiderschap al te veel aandacht te schenken. In het buitenland is men op dit punt al veel verder.

?Ondertussen is dat persoonlijke element in de Nederlandse politiek een uiterst belangrijke factor geworden, niet in het minst door de rol van de media en de commercialisering van die media. Politiek is niet allen inhoud, maar ook vorm. Die vorm vereist esthetiek à la Ankersmit, het is de kunst van het ivoordraaien à la Bas De Gaay Fortman, maar dan in nieuwe vorm. Het theatrale, de exposure en de verpakking moeten de inhoud, het authentieke niet overschaduwen, maar deze elementen zijn voor het politieke succes wel volkomen onmisbaar geworden. Het is ook om die reden dat in de toekomst aan de rekrutering van politiek leiderschap op alle niveaus veel meer aandacht zal moeten worden geschonken. En vanuit het perspectief van een aangescherpte politieke arbeidsdeling - een nieuwe politieke machtenscheiding - is dat ook veel gemakkelijker.

Thans worden politici door politieke partijen in hoofdzaak geselecteerd als volksvertegenwoordigers. Die volksvertegenwoordigers moeten in beginsel alle politieke rollen - inclusief die van bestuurder - kunnen vervullen. In de praktijk werkt dat echter nauwelijks bevredigend, het politieke personeelsbeleid in ons land is gebrekkig van aard. Illustratief hiervoor is de veelal tamelijk chaotische keuze van bewindslieden in de laatste fase van een kabinetsformatie.

Worden nu de verschillende politieke rollen wat scherper van elkaar onderscheiden, dan kan ook bij de rekrutering en selectie daarmee rekening worden gehouden. In ieder geval is duidelijk dat bijvoorbeeld aan een volksvertegenwoordiger geheel andere eisen moeten worden gesteld dan aan een bestuurder of een minister.

Dames en heren. Wat heeft dit alles nu van doen met de opdracht van de Staatscommissie? Het heeft er veel mee te maken. Ik zal u proberen uit te leggen in welke opzichten. Op hoofdlijn komt het er op neer dat ook voor de decentrale democratie een nieuwe politieke machtenscheiding kan leiden tot een versterking, een vitalisering van de gemeentelijke en provinciale democratie. De opdracht van de Staatscommissie past in deze hoofdlijn.

Die opdracht luidt: het ontwikkelen van een samenhangend dualistisch bestuursconcept voor de Nederlandse gemeenten. Volgens het regeerakkoord is het niet de vraag óf deze dualisering er moet komen - het kabinet gaat daarvan uit -, neen, het gaat om de mogelijkheden en de mate van dualisering.

Nu is het eerst zaak om aangaande dat dualisme enkele misverstanden uit de weg te ruimen.

Dualisme heeft in de gemeentelijke context soms een wat negatieve connotatie, een wat negatieve klank en wel vooral omdat het nogal eens gelijk wordt gesteld met het afpakken van bevoegdheden van de gemeenteraden en eenzijdige versterking van de posities van de colleges. In die strekking is dualisme een fenomeen dat moet worden afgewezen. Wie erop uit is om de toch al niet al te sterke positie van de gemeenteraden te verzwakken, slaat een doodlopende straat in.

Hoe moet in deze optiek het dualisme dan wel worden bekeken? Dualisme/dualisering is alleen interessant als het leidt tot een duidelijker en verbeterde positie van de bestuursorganen, in de eerste plaats de gemeenteraad. Vanuit dat perspectief wordt ook in onze commissie gewerkt. We zijn op zoek naar verhoudingen en posities die de gemeentelijke democratie interessanter maken, die de positie van de gemeenteraad versterken/vitaliseren en die leiden tot een grotere slagvaardigheid en transparantie van de gemeentelijke organisatie als geheel. Dualisering moet er toe leiden dat iedereen er beter van wordt, is dat niet het geval dan is het fenomeen te weinig de moeite waard. Straks zal ik deze oogmerken en effecten wat nader voor u proberen uit te werken.

Eerst nu het probleem. Welk probleem probeert het kabinet op te lossen? Is er eigenlijk überhaupt wel een probleem? Dat is natuurlijk een interessant punt, waarover nog wel wat verschil van inzicht bestaat.

Vastgesteld moet worden dat het decentrale bestuur in Nederland bepaald niet op de rand van de afgrond staat. Eerder is het tegendeel het geval. Vergeleken met het buitenland hebben provincies en gemeenten aanzienlijke bevoegdheden, weliswaar minder dan in de Scandinavische landen, maar meer dan in de rest van Europa. De kracht van de decentrale autonomie in Nederland kan nog aanzienlijk worden verbeterd, maar zij is niet dramatisch slecht. Er gebeurt in de Nederlandse gemeenten veel. Meer dan de helft van het nationale overheidsbudget wordt uiteindelijk via de gemeenten uitgegeven.

Waarom is er - ondanks dat redelijk positieve beeld - dan toch aanleiding om het lokale bestuur te hervormen? Het kernprobleem in gemeenten en provincies ligt in belangrijke mate op het partijpolitieke vlak. Er is sprake van dalende opkomsten bij verkiezingen. De herkenbaarheid van de gemeentelijke en provinciale politiek is betrekkelijk gering. De kwaliteit van het politieke proces gaat achteruit. Ook op het decentrale niveau is de positie van de politieke partijen aanzienlijk moeilijker geworden dan enkele decennia geleden. Kortom: het functioneren van de klassieke lokaalpolitieke instellingen staat onder druk, terwijl - paradoxaal genoeg - in ander opzicht de politieke activiteit van burgers en maatschappelijke organisaties juist op het decentrale niveau toeneemt.

Het is ook deze dynamiek die nogal grote invloed heeft op het functioneren van de gemeentelijke bestuursorganen.

Als wordt gekeken naar de huidige rol van wethouders dan is die een geheel andere, dan pak em beet 30 jaar geleden. Ook de positie van de burgemeester heeft een nogal grote gedaanteverwisseling ondergaan. Hetzelfde geldt voor de positie van de gemeenteraden. Nog in de zeventiger jaren waren de gemeenteraden het centrum van de politieke activiteit. Wordt gekeken naar het huidige spectrum van invloed, zeggenschap en inspraak dan is het beeld veel breder geworden. Wethouders organiseren brede democratische processen. Burgemeesters zijn intensief betrokken bij activiteiten van de bevolking. In zijn algemeenheid hebben de klassieke politieke instellingen een stapje terug moeten doen, daar zijn echter allerlei nieuwe vormen van politieke activiteit voor in de plaats gekomen.

Het beeld van een haperende lokale democratie is dan ook in algemene zin onjuist. Wie goed kijkt naar de Nederlandse gemeenten ziet juist een sterk toenemende activiteit en ook een toenemende politieke belangstelling. De lokale democratie is derhalve dynamisch, er gebeurt van alles, maar - en dat is het klemmende punt - die activiteit vindt in hoofdzaak plaats buiten het verband van de klassieke institutionele politieke kaders, buiten het verband gemeenteraden en politieke partijen. Waar er derhalve sprake is van crisisachtige verschijnselen betreffen deze de lokale partijpolitiek en niet zozeer de lokale democratie.

Hoe kan nu dualisering de kwaliteit van de kwaliteit van het gemeentelijke politieke stelsel vergroten? Laat ik daarvoor kort de diverse bestuursorganen even langs lopen. Maar daaraan voorafgaand plaats ik nog een tweetal relativerende opmerkingen.

1e opmerking: Waar het gaat om de algemene ordening van de Nederlandse democratie is het gemeentelijke niveau van uitzonderlijke betekenis. Een gezonde en actieve en lokale politiek is de kurk waar tevens de rest van het politieke stelsel op drijft. Of nog wat anders gezegd: als in een land er geen gezond lokaal politiek systeem aanwezig is, dan deugt het landelijke politieke bestel meestal ook niet. Voor Nederland geldt aantoonbaar dat de gemeente de politieke leerschool is voor de landelijke politiek. Thorbecke signaleerde dit reeds in de vorige eeuw. Meer dan 70 % van de huidige landelijke politici is eerst actief geweest op lokaal niveau. Politieke activiteit van burgers in hun directe leefomgeving is van vitale betekenis voor hun opvattingen over de landelijke politiek. Met andere woorden: de zorg voor de gemeentelijke democratie is van groot belang. Alles moet er aan worden gedaan om de lokale democratie voortdurend van nieuwe impulsen te voorzien. En dualisering kan in dat opzicht worden begrepen als vitalisering.

?De betekenis van de lokale partijpolitieke arena is derhalve erg groot. Om die reden is het ook niet aanvaardbaar om gemeenten enkel als bedrijven te besturen of gemeenten te laten vervallen tot vormen van functioneel bestuur, zoals bijvoorbeeld de waterschappen of de arbeidsvoorziening. Het behoud van de gemeente als partijpolitieke arena is dus cruciaal, ook met het oog op de kwaliteit van de nationale democratie.

Een tweede algemene opmerking betreft de relativering van structuurveranderingen. Verandering van structuren heeft in geïsoleerd opzicht altijd maar een beperkte betekenis. Veranderingen in attitude, bestuurscultuur, politieke cultuur en werkwijze zijn belangrijker. Institutionele veranderingen moeten daarbij passen, daarop aansluiten. Structuurveranderingen kunnen een hulpmiddel zijn, ze kunnen als hefboom werken, maar ze zijn secundair ten opzichte van meer feitelijke ontwikkelingen. Bovendien leert de ervaring in ons land dat geïsoleerde institutionele veranderingen weinig kansrijk zijn. Structuur en cultuur zijn derhalve twee takken van één boom.

Hoe kan nu het gemeentelijke politieke systeem worden verbeterd, worden gevitaliseerd? Wat wordt gezegd over de gemeente geldt in beginsel ook voor de provincie. Ik spits het betoog kortheidshalve nu toe op de gemeente. Met u loop ik kort de belangrijkste lokale bestuursorganen even langs: de raad, het college van B. en W. en de burgemeester. De aanduidingen die ik geef zijn percepties, mogelijkheden. Ook wel enigszins persoonlijke inschattingen. Waar onze commissie precies uitkomt, kan ik uiteraard niet aangeven, maar ik schets een aantal mogelijkheden en de effecten daarvan.


1. de gemeenteraad.

Dan eerst de positie van de gemeenteraad. In het huidige systeem is de gemeenteraad de baas/het hoofd van de gemeente, maar dan ook in vrijwel alle opzichten. Het college is op papier een uitvoerend comité uit de raad, de eerste commissie uit de raad. De gemeenteraad heeft in beginsel alle bevoegdheden, de eigen bevoegdheden van het college zijn betrekkelijk gering.

De feitelijke bestuurspraktijk staat daarmee in nogal schril contrast, de praktijk trekt zich maar weinig aan van het formele model. Het college van B en W bestuurt en de raad controleert en legitimeert. Uit dit verschil tussen het formele model en de feitelijke bestuurspraktijk vloeit echter een vrij hevige vorm van rolverwarring voort. Voor gemeenteraden is het vaak moeilijk om precies positie te kiezen. De raden gaan in theorie over alles en juist daarom in de praktijk over veel te weinig. Gemeenteraden kunnen vaak moeilijk selecteren. Alle pogingen om op hoofdlijnen te besturen kunnen maar moeilijk worden waargemaakt, daarvoor is de taakstelling van de gemeenteraad veel te breed en te diffuus. Er is sprake van inclusief bestuur met als gevolg dat de afzonderlijke rollen moeilijk zijn te onderscheiden, hetgeen tevens scherp afbreuk doet aan de politieke herkenbaarheid in de richting van de kiezers. Waar op landelijk niveau
- ondanks de aanwezigheid van formeel-dualistische verhoudingen - regering en parlement reeds te dicht op elkaar functioneren, is de onderlinge betrokkenheid van raad en college en de daaruit voortvloeiende hutspot en hotseklos van rollen en verantwoordelijkheden meestal nog een paar graden sterker.

Op grond van deze rolverwarring, die remmend werkt voor een krachtige gemeenteraad, zou een zekere ontvlechting van bevoegdheden gerealiseerd moeten worden. Colleges zouden vooral moeten besturen. De gemeenteraden zouden moeten legitimeren, algemene lijnen moeten trekken, verordeningen moeten maken en het college scherp moeten controleren.

Vanuit die optiek zou tegelijkertijd de controlerende positie van de gemeenteraad aanmerkelijk moeten worden versterkt. Binnen de commissie zijn op dat punt diverse nieuwe instrumenten in discussie.


2. het college van B en W

Dan het college van B en W. In de praktijk van alledag bestuurt het college. Deze bestuurlijke positie van het college zou wat meer reliëf kunnen krijgen. De gemeenteraad zou hier het college ruimte moeten geven, met sturing op hoofdlijnen en degelijke controle achteraf. Voor veel raden is dat lastig en dat komt ook hier weer omdat de raden in beginsel het bestuurlijke primaat bezitten. Binnen de commissie zijn diverse voorstellen in bespreking om hier te ontvlechten.

Een volgend punt is de positie van de wethouder. De wethouder is raadslid en bestuurder. De bestuursrol van de wethouder is evenwel dominant. Maar als het op controle van het collegebeleid door de raad aankomt, mag de wethouder meestemmen over de controle van zijn eigen beleid. Ook hier lopen rollen en functies door elkaar. Het gebrek aan scheiding van de politieke machten staat hier een adequate controle van de raad in de weg. Vooral ook omdat de wethouders in de fracties van de coalitiepartijen meestal een zeer dominante rol vervullen. De echte politieke discussies in de gemeenteraden vinden dan ook meestal niet plaats in de vergadering van de gemeenteraad, maar achter de gesloten deuren van de fractiekamers. Zijn de coalitiefracties gecommitteerd aan het beleid van het college, dan stelt het debat in de gemeenteraad meestal weinig meer voor. Alleen oppositiepartijen proberen nog wel eens een wig te drijven, maar dat lukt vrijwel nooit. Voor het politieke debat in de gemeenteraad heeft de verklontering van wethouders en raadsfracties - sterk gestimuleerd door het raadslidmaatschap van de wethouder - een sterk verarmend effect. Ook hier zijn er voorstellen om tot een ontvlechting van posities te komen..


3. De burgemeester

Vervolgens de positie van de burgemeester. Dit lijkt op het eerste oog het meest dominante onderwerp te zijn in het werk van de Staatscommissie, dat is echter maar deels het geval. Het gaat de commissie vooral om de hoofdinrichting van het duale bestel. Daarin moet de burgemeestersfunctie een goede plaats krijgen. De burgemeestersfunctie mag daarom niet geïsoleerd worden bekeken, maar moet geïntegreerd - in samenhang - worden bezien. Dat is ook de reden dat de commissie de taak van de burgemeester centraal stelt en niet in de eerste plaats de benoemingswijze.

Wat betreft de taakstelling van de burgemeester zijn er twee denklijnen:

I. De burgemeester zou in een nieuw stelsel als een bij uitstek politieke figuur kunnen worden gedacht. Hij of zij is dan de politieke en ook partijpolitieke leider van het college van B en W.

II. Daartegenover staat de burgemeester die een meer neutrale positie inneemt. Deze burgemeester is vooral procesmanager. Hij draagt de verantwoordelijkheid voor het goed functioneren van de gemeentelijke instellingen, hij zorgt er tevens voor dat het gemeentelijke apparaat goed draait. Dit type burgemeester speelt een belangrijke rol in het strategische beleid van de gemeente. Deze burgemeester is ook verantwoordelijk voor het democratisch proces op lokaal niveau, niet alleen als raadsvoorzitter, maar ook als burgemeester naar buiten, naar de burgers toe.

In de commissie zijn naar taakstelling bekeken beide typen burgemeester in discussie. De definitieve keuze is op dit punt nog niet gemaakt. Vooral van belang is hier om grondig de relatie tussen de wethouders en de burgemeester onder ogen te zien. Lange jaren is ons land een geïsoleerde discussie gevoerd over het burgemeestersambt. Het is nu noodzakelijk om met name te bezien welke bijdrage de burgemeester kan leveren aan een krachtig collegiaal bestuur.

De keuze van de taakstelling voor de burgemeester in een dualistische bestuursconcept werkt door in de wijze van aanstelling. Sommige aanstellingswijzen leveren een meer gepolitiseerde burgemeester op, andere een meer neutraal functionerende burgemeester. De commissie heeft dit punt uitvoerig onderzocht in andere Europese landen. In het Eindrapport zullen we de taak en de aanstellingswijze in samenhang presenteren.

Met andere woorden: met betrekking tot aanstelling en taak van de burgemeester zijn er talrijke varianten, de commissie gaat hierover nog een boeiende discussie tegemoet. Het centrale vertrekpunt moet echter de keuze zijn van het taakprofiel, want welk soort burgemeester er ook komt, deze moet naadloos passen in het nieuw te creëren lokale bestuursmodel.

Wat leveren institutionele aanpassingen nu op voor de lokale kiezer en het plaatselijke politieke bestel?

In de eerste plaats worden de politieke en bestuurlijke verhoudingen tussen raad en college verhelderd. De gemeenteraad wordt in een dualistische context politiek sterker en bestuurlijk wat zwakker; het college wordt bestuurlijk sterker en politiek wat zwakker, met name omdat de politieke controle door de raad aanmerkelijk wordt aangescherpt. In een dualistisch lokaal bestel is er derhalve meer evenwicht tussen de beide bestuursorganen, het resultaat is een betere functionele inrichting. Belangrijk in dat verband is tevens dat het politieke debat meer van de fracties naar de commissies en de openbare raadsvergadering wordt verplaatst. De gemeenteraad kan meer het accent leggen op zijn vertegenwoordigende functie, en dat is ook waar de kiezers prijs op stellen. Gemeenteraden zouden wat minder moeten besturen, zich wat minder moeten inlaten met het bureaucratisch proces, en meer geïntegreerd moeten opkomen voor de belangen van de burgers.

Een volgend effect betreft de verbeterde relatie tussen wethouders en de burgemeester. Het beeld dat de burgers hebben van hun burgemeester komt in nogal wat gevallen nauwelijks overeen met de mogelijkheden die de burgemeester heeft om mee te werken aan de algemene beleidsvoering in de gemeente. Door de procesrol van de burgemeester te versterken en in het collegiale verband de relatie met de wethouders te verhelderen kan een sterk college van B en W ontstaan, naast een sterke gemeenteraad. Met name het algemene leiderschap van de burgemeester zou een scherper accent moeten krijgen, zonder dat dit afbreuk doet aan het partijpolitieke domein dat wordt beheerd door de wethouders.

Vervolgens kan dualisering de gemeentelijke politieke "kaasstolp" openbreken. Willen plaatselijke politieke partijen nog een toekomst hebben, dan zal de aard van de lokale politiek een ander aanzien moeten krijgen. Blijven die veranderingen achterwege dan is de positie van de politieke partijen naar mijn oordeel ten dode opgeschreven en zal de lokale democratie andere wegen zoeken. Politieke partijen die willen scoren in de richting van de kiezers moeten het politieke proces openbreken. Dat politieke proces vindt nu voor een groot deel plaats in de beslotenheid van de fractiekamers. Politieke partijen moeten goede bestuurders leveren en deze een zekere ruimte geven, maar vervolgens in raden en staten diezelfde bestuurders in alle openbaarheid dwingen tot publieke verantwoording en debat. Dualisering kan aan deze wijze van politiek bedrijven een bijdrage leveren.

Tenslotte houdt dit duale stelsel de erkenning in dat er naast het vertegenwoordigende politieke stelsel allerlei andere manieren zijn om aan politieke activiteit van burgers en organisaties vorm en inhoud te geven. Wethouders en ook de burgemeester moet hier een rol worden gegeven, de gemeenteraad is dan het uiteindelijke integratieforum.

Dames en heren. Ik rond af met een enkele, meer algemene slotopmerking. De socioloog J.A.A. van Doorn heeft recent in een interessant essay in HP/De Tijd inzichtelijk gemaakt dat het inzake de vertegenwoordigende democratie gaat om uiterst subtiele en gevoelige evenwichten. In de dertiger jaren bezweken de Europese democratieën bijna onder een te grote dosis politieke herkenbaarheid, betrokkenheid en polarisatie. De politiek-ideologische tegenstellingen waren uiterst groot, de zittingsduur van kabinetten angstaanjagend kort en van politieke stabiliteit en van consensus inzake de democratische spelregels was nauwelijks enige sprake.

Vandaag de dag dreigt het evenwicht aan de andere kant van de schaal te worden verstoord. Het fenomeen politiek is sterk verzakelijkt en daardoor nogal "leerlaufend" geworden, minder dan voorheen is partijpolitieke activiteit een dominerende samenlevingsfactor. Partijpolitiek als activiteit spreekt minder tot de verbeelding, hoezeer de burger ook belang heeft bij de uitkomsten van de politiek en bereid is buiten de partijen om aan de besluitvorming een bijdrage te leveren. Distantie en betrokkenheid - zoals door Ankersmit verwoord
- strijden in iedere periode van de democratiegeschiedenis om voorrang. Voortdurend is bezinning en herijking, ook institutioneel, nodig om op tijd de accenten te verleggen en om de negatieve effecten van de democratieontwikkeling op te vangen en zelfs om te buigen in voordelen. Onder de huidige omstandigheden - met een sterk veranderende positie van politieke partijen, een geïndividualiseerde samenleving, vlottende verkiezingsuitslagen en een geleidelijke personalisering en verzakelijking van de politiek is er alle aanleiding vooral aandacht te schenken aan het verschijnsel politieke herkenbaarheid. Een nieuwe scheiding van de politieke machten - gerelateerd aan een niet alleen formele, maar ook feitelijke dualisering - zal impulsen geven voor een vitalisering van het politieke bestel, op het decentrale, maar ook op het nationale vlak. Een grotere politieke arbeidsdeling met daaraan gekoppeld een verbeterd politiek personeelsbeleid en een scherpere onderscheiding van verantwoordelijkheden en bevoegdheden en nieuwe vormen van politieke zingeving zijn daarom essentieel.

?Dames en heren. Veranderingen in de politieke attitude en strategie zijn dus noodzakelijk. Die veranderingen kunnen worden begeleid door institutionele mutaties. Cultuur en structuur gaat altijd hand in hand. De feiten kunnen de structuren dwingen; aangepaste structuren kunnen de feiten faciliteren. De Staatscommissie zal inzake de decentrale democratie institutionele scenario's aanreiken. Het is echter aan politieke partijen en politici om de feitelijke bakens te verzetten en de Nederlandse democratie adequaat voor te bereiden op de volgende eeuw.

Mevrouw de voorzitter, dames en heren ik dank u voor uw welwillende aandacht.

Deel: ' Speech Elzinga Naar een nieuwe politieke machtenscheiding '




Lees ook