Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie

Srebrenica-onderzoek verloopt gunstig: eindrapport medio 2001

Aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen Drs. L.M.L.H.A. Hermans

Amsterdam, 14 januari 2000

Mijnheer de Minister,

In aansluiting op mijn eerdere berichten, respectievelijk van 3 september 1998, 12 april 1999 en 1 september 1999, licht ik U gaarne in over de 'procedurele' voortgang van het onderzoek inzake Srebrenica. Zoals bekend is de opdracht tot het verrichten van een historisch-wetenschappelijk onderzoek naar de gebeurtenissen vóór, tijdens en na de val van de safe area Srebrenica, na intensieve voorbereidende besprekingen en overleg met het parlement, door het kabinet verleend in november 1996.


1. Rond de jaarwisseling van 1996-1997 kon een aanvang worden gemaakt met het onderzoek nadat een team van drie onderzoekers was geformeerd. In de loop van 1998 bleek dat het nodig was het onderzoeksteam met enkele specialisten uit te breiden, om een zeer omvangrijk en uitermate divers samengesteld corpus aan bronnenmateriaal te kunnen opsporen, inventariseren en bestuderen. Dit volgde uit de reikwijdte van de onderzoeksopdracht (zie bijlage), die betrekking heeft op de diplomatieke en militaire betrokkenheid van Nederland, in multilaterale verbanden, bij de uitermate gecompliceerde problematiek rond het voormalig Joegoslavië. De opdrachtgever heeft met deze uitbreiding ingestemd en momenteel bestaat het team uit zeven full-time onderzoekers en enkele ondersteunende medewerkers. Daarnaast is in de loop der tijd een aantal externe onderzoeksopdrachten ter ondersteuning van het centrale onderzoek uitgezet. Een groot aantal archieven en documentatiecollecties is inmiddels bestudeerd. Het aantal interviews met direct en indirect betrokkenen en achtergrond gesprekken met deskundigen is inmiddels tot boven de 500 gestegen.


2. In mijn vorige voortgangsrapportage heb ik aangekondigd, dat in het najaar van 1999 de vraag aan de orde zou komen hoe de omslag kon worden gemaakt van de volle nadruk op bronnenstudie naar de hoofdaandacht voor het opstellen van het onderzoeksverslag. Uitgangspunt is dat ik ernaar streef de bevindingen van het onderzoek te presenteren in een integraal rapport, dat alle vragen die zijn gerezen naar aanleiding van de Nederlandse betrokkenheid bij de val van de safe area Srebrenica, zowel nationaal als internationaal, zowel militair als politiek, in hun onderlinge historische samenhang en context aan de orde stelt. Ik ben er van overtuigd - en heb dit ook steeds naar voren gebracht - dat zo'n opzet het best tegemoet zal komen aan alle vragen die sinds de val van de safe area de Nederlandse samenleving hebben beroerd. Op dit fundament zijn de structuur voor het beoogde rapport en het bijbehorende schrijfplan gebaseerd.


3. Sinds de vorige rapportage zijn opnieuw flinke vorderingen gemaakt. Niettemin is er een aantal -op zichzelf voor het onderzoek verheugende
- redenen waarom de afronding van het beoogde eindrapport langer op zich zal laten wachten dan medio 1999 nog werd gehoopt. Deze in mijn vorige rapportage als ambitieus gekarakteriseerde streefdatum noemde ik toen al onder uitdrukkelijk voorbehoud. De belangrijkste oorzaak hiervan is de onverwacht gunstige ontwikkeling met betrekking tot de toegang tot bronnen in het buitenland. Terwijl in de vorige rapportage al kon worden vermeld dat het archiefonderzoek in het binnenland vrijwel voltooid was, zijn er sindsdien nog belangrijke collecties bronnen van uiteenlopende aard in het buitenland toegankelijk geworden. Dat dit is gebeurd is het resultaat van aanzienlijke investeringen in tijd, energie en middelen dezerzijds. Het tempo waarin dit gebeurde kon het NIOD evenwel als vragende partij moeilijk of geheel niet beïnvloeden. Een diverse en gefaseerde benadering was noodzakelijk; deze was tijdrovend, moest op diverse niveaus worden ingeleid en was vaak onderwerp van internationaal en multilateraal overleg. In het algemeen was de toegang tot buitenlandse en particuliere bronnen niet eenvoudig te verkrijgen. Het Nederlandse kabinet heeft zich krachtig ingespannen om daartoe de nodige steun te geven. Uiteindelijk zijn een aantal significante successen geboekt.


4. Deze op zichzelf verheugende, maar niet te plannen situatie is een resultaat van de volgende factoren. Het aantrekken van nieuwe teamleden met een specifieke deskundigheid heeft ten eerste geleid tot een aantal nieuwe mogelijkheden en contacten voor archiefonderzoek en interviews. Dit heeft onder meer betrekking op het aantrekken van regiodeskundigheid (tevens 'native speaker') inzake ex-Joegoslavië en op de expertise inzake de inlichtingendiensten. Ten tweede heeft de voortdurende maatschappelijke discussie in Nederland en in het buitenland eveneens een aantal nieuwe openingen geboden. Het onderzoek, in 1999 uitgevoerd in opdracht van de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, heeft de bereidheid bij actoren en instellingen om in vervolg op deze studie ook het NIOD-onderzoek te faciliteren, gunstig beïnvloed. Dit heeft ertoe geleid, dat er sinds de vorige rapportage toegang is verkregen tot collecties en archieven in het buitenland. Dit maakt het mogelijk de eerdere bevindingen aan te vullen en nieuw licht te werpen op het functioneren van Dutchbat en UNPROFOR in de regio en op de ontwikkeling van de Nederlandse positie binnen de internationale diplomatieke en militaire constellatie in relatie tot de toestand in ex-Joegoslavië en de gebeurtenissen in de safe area zelf. Tenslotte leidden de nieuwe onderzoekingen tot een cumulatie van aanvullende vragen aan het eerder onderzochte materiaal en aan de tevoren geïnterviewde zegslieden. Bij de planning van de interviews is een strategie van onderop naar boven gevolgd, waardoor personen die intertijd sleutelposities hebben ingenomen als laatsten op het programma staan.


5. Het in het najaar van 1999 verschenen rapport van de Secretaris-Generaal van de VN is een belangrijke bijdrage aan kennis en inzicht inzake het beleid van de Verenigde Naties in het voormalig Joegoslavië. Het biedt een goed gedocumenteerd overzicht van de VN-besluitvorming over de instelling van safe areas (SCR 819, 824 en 836), van de afspraken tussen NAVO en VN over het gebruik van het luchtwapen ter bescherming van UNPROFOR in de safe areas, van de pogingen van de Secretaris-Generaal tot wijziging van het UNPROFOR-mandaat en van de communicatie tussen de verschillende UNPROFOR en VN-niveau's in de periode rond de val van Srebrenica. Het openhartige rapport heeft bovendien tot doel inzicht te verschaffen in de verschillende visies die binnen de VN en UNPROFOR bestonden. Een en ander is gebaseerd op de openbare VN-stukken, documenten uit VN- en UNPROFOR-bron en interviews. Het NIOD-team heeft op basis van zakelijke samenwerking, met volledig behoud van de wederzijdse eigen verantwoordelijkheid en onafhankelijkheid, contacten onderhouden met de samenstellers. Voor het NIOD-onderzoek kan het zonder meer als positief worden beschouwd dat dit VN-rapport nu is verschenen. Het biedt mogelijkheden de eigen verworven inzichten te toetsen, om het toegankelijk geworden materiaal gericht te onderzoeken en te beslissen welk aanvullend onderzoek in verband met de eigen vraagstelling nodig is. Het is overigens van belang vast te stellen dat het VN-rapport, conform de eigen doelstelling, geheel gericht is op de eigen organisatie en derhalve de (internationale en regionale) context slechts ten dele kon dekken. Zo is er weinig aandacht voor de lokale gebeurtenissen, voor de context van de (burger)oorlog in Bosnië (in het bijzonder voor het beleid van de Bosnische autoriteiten en die van de Republika Srpska en Servië), voor de vredespogingen van verschillende actoren (EU, VN, Contactgroep), voor de politiek van de diverse grote mogendheden en voor de Nederlandse context.


6. Ter adstructie van het bovenstaande ga ik wat nader in op de grote vooruitgang die het onderzoeksteam in de internationale sfeer heeft geboekt. Waar bij de aanvang van het onderzoek scepsis bestond over de toegang tot materiaal van internationale organisaties en van diverse andere landen, verdwijnt die thans steeds meer. Voor een deel blijkt de grotere openheid in het buitenland uit de vrijgave van documenten, overigens vaak uitsluitend ten behoeve van het
Srebrenica-onderzoeksteam, voor een ander deel uit de bereidheid interviews toe te staan. Een variant hierop is de bereidheid van sommige regeringen om via panels antwoorden te geven op vragen van het onderzoeksteam. Dit betekent dat op grote schaal interviews gedegen moeten worden voorbereid en gevoerd, omdat vaak het kennisniveau van de onderzoekers bepalend is voor de waarde van de informatie die wordt verstrekt. Ditzelfde geldt voor de off-the-record- en achtergrondinterviews die gevoerd kunnen worden met personen uit de inlichtingengemeenschappen van diverse landen. Hierdoor kon nog onlangs een bijzondere datacollectie met betrekking tot de aanwezigheid van de Verenigde Naties in Bosnië worden verworven.


7. Ik ben er van overtuigd dat het gelet op de opzet van het rapport en op grond van de daarachterliggende overwegingen, genoemd onder punt 2, niet verantwoord zou zijn van de thans geboden openingen in het buitenland geen gebruik te maken. Vragen over de rol van internationale organisaties en regeringen van andere landen zullen daardoor, zo zij al niet geheel kunnen worden beantwoord, in elk geval van concrete kanttekeningen kunnen worden voorzien. Bovendien is informatie uit niet-Nederlandse bronnen relevant om te kunnen preciseren welke rol de Nederlandse diplomatieke en militaire inspanningen - en de afzonderlijke actoren - hebben gespeeld in de gebeurtenissen voor, tijdens en na de val van Srebrenica. Alleen dan kan de Nederlandse betrokkenheid in de internationale context in juiste proporties worden geanalyseerd.


8. De situatie met betrekking tot de regio voormalig Joegoslavië is een bijzondere. Daar zijn de mogelijkheden tot verwerving van archiefmateriaal lange tijd beperkt geweest. Dat is niet onbegrijpelijk aangezien het vaak gaat om materiaal dat ook volgens Nederlandse standaarden streng geclassificeerd zou zijn: recent materiaal van strijdkrachten en ministeries die betrekking hebben op gevoelige onderwerpen en zaken betreffende de nationale veiligheid. Bovendien zijn de chaotische oorlogsomstandigheden en de vaak nog gebrekkige materiële omstandigheden na afloop van de oorlog niet bevorderlijk geweest voor een proces van goede archivering, zodat, ook als de wil tot vrijgave van documenten aanwezig zou zijn geweest, de mogelijkheid daartoe dikwijls ontbrak. Daarnaast zijn overheidsdocumenten door de oorlogsomstandigheden in handen geraakt van particulieren, die om begrijpelijke redenen niet licht bereid zijn deze af te staan. Om in de regio tot schriftelijke en mondelinge bronnen door te kunnen dringen moest bij de diverse partijen het nodige vertrouwen in onze intenties worden opgebowud. Dit is een moeizaam en dus tijdrovend proces. Ook hier boekte het onderzoeksteam recentelijk successen, die leidden tot aanzienlijke toename van de bereidheid (al of niet vertrouwelijke) interviews toe te staan, tot documentatie voor het onderzoek en redding van belangrijk archiefmateriaal.


9. De bereidheid tot samenwerking van personen en instanties in het voormalige Joegoslavië wordt herhaaldelijk sterk beïnvloed door actuele gebeurtenissen (de implementatie van het Dayton-accoord en de daarmee verbonden problematiek van de terugkeer van de oorsponkelijke bevolking naar Srebrenica, de ontwikkelingen rond Kosovo, de bombardementsvluchten en de arrestaties ten behoeve van het Tribunaal), waardoor gevestigde relaties soms weer opnieuw moeten worden opgebouwd. In de loop van de tijd heeft het onderzoeksteam echter een mate van vertrouwen bereikt bij de diverse betrokken partijen, die thans rendement begint op te leveren. Daardoor komt alsnog documentatie uit de regio vrij en zijn instanties en personen bereid vragen te beantwoorden waar dat eerder niet het geval was. Wat betreft documentatie opgeslagen in kranten en tijdschriften profiteert het instituut van de verzamelactiviteiten van het Soros Media Centre in Sarajevo. Naarmate er meer verzameld wordt, kan gericht, maar arbeidsintensief onderzoek in de tot dusver vrijwel ongebruikte lokale en regionale pers plaatsvinden. Ten slotte blijkt bij onderzoek in de regio telkens opnieuw, dat een langer termijn perspectief, dat wil zeggen meer elementen uit de voorgeschiedenis van de gebeurtenissen rond Srebrenica, essentieel is voor een goed begrip van de aard van het conflict.

10. In Nederland is het archiefonderzoek, op enkele kleinere collecties na, in beginsel afgerond. Niettemin blijkt met enige regelmaat dat bij reeds bezochte instanties toch weer nieuwe stukken worden aangetroffen. Vaak leiden zulke ontdekkingen tot vervolgvragen en hernieuwde speurtochten. Uitvloeisel van het archiefonderzoek is verder de constatering dat het aantal betrokken actoren in Nederland groter is geweest dan zich aan het begin van het onderzoek liet aanzien. Vooral waar het de besluitvorming en de nasleep betreft blijkt dat interviews met deze actoren een groot rendement hebben, mede omdat zij inzicht bieden in onderlinge verhoudingen die via de papieren neerslag van besluitvorming en beeldvorming niet zijn te achterhalen. Ook moeten interviews en vervolg-interviews worden afgenomen van leden van de voormalige Dutchbats. Tijdens het onderzoek is gebleken dat het van groot belang is kennis te nemen van de persoonlijke ervaringen van de Dutchbat'ers. Een probleem ten aanzien van het debriefingsrapport uit 1995 is namelijk geweest dat niet alle leden van Dutchbat III zich herkenden in de weergave van de gebeurtenissen. Bovendien omvatte het rapport slechts een beperkte periode. Ook voor een groter publiek is het volgens mij van belang de beleving en perceptie van de betrokken militairen te verdisconteren, naast uiteraard de feitelijke weergave van de gebeurtenissen.

11. Op grond van het voorafgaande moge duidelijk zijn, dat de tijdens het onderzoek opgedane inzichten en de vele mogelijkheden die zich thans voordoen, met name buiten Nederland, leiden tot de conclusie dat een voltooiing van het rapport niet meer mogelijk zal zijn in het jaar 2000, zoals door mij nagestreefd. Inmiddels behoeven de voorziene opzet en structuur van het rapport geen ingrijpende aanpassing en zal over enige maanden alsnog de hoofdaandacht kunnen worden gericht op het schrijven van het eindrapport. Naar mijn oordeel is deze verschuiving te rechtvaardigen door het verheugende feit dat er in het onderzoek recent meer resultaten zijn geboekt dan zich ten tijde van het schrijven van het vorige verslag nog liet aanzien. Het zou vanuit onderzoeksstandpunt onverantwoord zijn als er vroegtijdig een eind moet worden gemaakt aan informatiestromen, die sterk bepaald zijn door het vertrouwen dat leden van het Srebrenica-onderzoeksteam over een langere tijd hebben weten op te bouwen. Het komt mij voor dat ook in het licht van de klemmende vragen, die in Nederland nog steeds leven rond de gebeurtenissen met betrekking tot Srebrenica, niet verdedigbaar zou zijn als bij publicatie van het rapport al duidelijk zou zijn dat de opstellers - binnen de grenzen van het redelijke en mogelijke - niet uitputtend te werk konden gaan. Bovendien moet met grote zekerheid worden aangenomen, dat een deel van de informatie, die de onderzoekers thans bereikt, in papieren vorm en in mondelinge getuigenissen, later niet meer zal kunnen worden veilig gesteld. Het is in dit verband gebleken dat zowel in Bosnië als internationaal wordt uitgekeken naar de resultaten van het Nederlandse Srebrenica-onderzoek, aangezien de onderzoekers een breder toegang hebben tot materiaal en personen dan welke onderzoeker ook. Ook dit gegeven is een overweging om vanuit de bijzondere betrokkenheid van Nederland bij de gebeurtenissen rond Srebrenica te streven naar een kwalitatief gedegen rapport, en niet vragen, die beantwoord zouden kunnen worden, onbeantwoord te laten.

12. Tot slot ga ik, in aansluiting op de opmerkingen over de aard van het rapport in punt 2, kort in op de vraag hoe het NIOD-rapport zich zal verhouden tot (c.q. zal verschillen van) de inmiddels vele andere, verschenen en nog te verschijnen, rapporten, boeken, artikelen en media-presentaties inzake 'Srebrenica'. Vrijwel al deze publicaties richten zich uitsluitend of hoofdzakelijk op één of enkele specifieke vragen, thema's, instanties of zijn gebaseerd op specifiek bronnenmateriaal. Het NIOD-rapport zal om te beginnen trachten juist alle relevante vragen, thema's, contexten, instituties, en actoren te behandelen en analyseren in hun onderlinge samenhang en wisselwerking. Het zal dat voorts trachten te doen op basis van - zoals eerder opgemerkt binnen het redelijke en mogelijke - uitputtende bestudering van alle beschikbare relevante bronnen (documenten, beelden, interviews). Daarbij zal het rapport zo grondig mogelijk, op historisch-wetenschappelijk gebruikelijke wijze, worden gedocumenteerd en verantwoord. Op die wijze hoopt het NIOD-team op alle vragen het in de huidige fase best mogelijke antwoord te kunnen geven. De overtuigingskracht van die antwoorden zal mede worden gegrond in de voorgenomen diepgaande, wetenschappelijke, analyse van de vele factoren en krachten, die in hun dynamische onderlinge wisselwerking, uiteindelijk leidden tot de tragedie, die eeuwig aan de naam Srebrenica verbonden zal blijven.

Het NIOD en het onderzoeksteam voelen de druk tot een zo spoedig mogelijke publicatie van zo'n degelijk rapport als onverminderd klemmend. Mede daarom zal het bronnenonderzoek (de verwerving van nieuw materiaal en het aanboren van nieuwe contacten) in mei 2000 worden afgesloten. Het onderzoeksrapport zal dan medio 2001 kunnen worden voltooid.

Ik zend afschrift van deze brief aan Uw collegae van Buitenlandse Zaken en Defensie. Graag verzoek ik U deze brief ter kennisneming aan de (commissies voor Defensie en Buitenlandse Zaken van de) Tweede Kamer te zenden, alsmede aan de Tijdelijke Commissie Besluitvorming Uitzendingen.

Hoogachtend,

Prof.Dr. J.C.H. Blom
Directeur

Nederlanders - Japanners - Indonesiërs
De Japanse bezetting van Nederlands-Indië herinnerd

Tentoonstelling
In 1942 werd Nederlands-Indië door Japan bezet. Nederlanders, Japanners en Indonesiërs beleefden de bezettingsperiode ieder op hun eigen manier en gaven na de oorlog op hun eigen wijze vorm aan de herinnering. Persoonlijke herinnering en publieke beeldvorming zijn de uitgangspunten voor een bijzondere tentoonstelling die het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie in samenwerking met het Rijksmuseum heeft georganiseerd. Voor het eerst worden de herinneringen uit de drie betrokken landen - Nederland, Japan en Indonesië - naast elkaar gepresenteerd.
De tentoonstelling vindt plaats van 7 augustus tot en met 24 oktober 1999 in het Rijksmuseum in Amsterdam. Speciaal voor het voortgezet onderwijs is een educatief programma samengesteld. Behalve een lespakket zijn ten behoeve van het onderwijs een cd-rom, een videoproductie en een publicatie in de AO-reeks over dit onderwerp verkrijgbaar.

Boek
Op 6 augustus 1999 verschijnt Beelden van de Japanse bezetting van

Indonesië. Persoonlijke getuigenissen en publieke beeldvorming in Indonesië, Japan en Nederland (redactie Remco Raben, een uitgave onder auspiciën van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie). 240 pagina's, 200 zwart/wit en kleur illustraties. Nederlandse en Engelse editie. Prijs tijdens de tentoonstelling fl. 39,50, daarna fl 55,- (Waanders Uitgevers, Zwolle).

Tentoonstelling en boek zijn onderdeel van het herdenkingsprogramma van de Stichting 400 jaar Nederland - Japan

De langverwachte bibliografie English/Deutsch/Français is uit!

De langverwachte bibliografie English/Deutsch/Français is uit! Vakreferent drs. D. van Galen - Last en mw. F. Gijsbers hebben honderden Engels-, Duits- en Franstalige publikaties over Nederland en de Tweede Wereldoorlog thematisch gerangschikt. Ook zijn een kleine honderd Engelstalige publikaties over Indonesie 1930-1950 bijeen gezet.

RIOD heeft een nieuwe naam

Vanaf 1 januari 1999 heeft het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie een nieuwe naam:
Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie
Als afkorting zal Oorlogsdocumentatie worden gebruikt. Deze naamsverandering is noodzakelijk, omdat het instituut vanaf die datum niet meer direct onder het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen valt, maar wordt ondergebracht bij de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. De naamsverandering zal geen taakveranderingen met zich meebrengen.

Anne Frank voor beginners en gevorderden nu ook in het Duits

Anne Frank voor beginners en gevorderden van David Barnouw is in Duitsland verkrijgbaar onder de titel Anne Frank. Vom Mädchen zum Mythos (Econ&List Verlag, München ISBN 3-612-26620-9).

Medewerker Oorlogsdocumentatie David Barnouw schrijft boek De hongerwinter

De hongerwinter is decennia lang de metafoor geweest voor al het kwaad dat de Duitsers de Nederlanders gedurende de Tweede Wereldoorlog hebben berokkend. De nadruk op die winter van 1944-1945 doet echter geen recht aan de complexe omstandigheden waarin Nederland zich gedurende de oorlogsjaren bevond.
In De hongerwinter beschrijft David Barnouw de levensomstandigheden van Nederlanders gedurende het laatste oorlogsjaar. De hongerwinter is het zesde deel uit de door uitgeverij Verloren uitgegeven reeks Verloren Verleden.

Putten. De razzia en de herinnering

De razzia van Putten in oktober 1944 is een unieke gebeurtenis in de Nederlandse bezettingsgeschiedenis. Toch is in de afgelopen halve eeuw niet een serieuze historische studie over dit drama verschenen. In 1947 ging het onderzoek dat het RIOD had opgezet de ijskast in de loop der jaren is een web van mythen, legenden en complottheorieën rond de razzia geweven.
Madelon de Keizer, die eerder 'Het Parool 1940-1945, verzetsblad in oorlogstijd' publiceerde, analyseert de herinnering aan het drama en ze verweeft de rijke microgeschiedenis van Putten met de brede geschiedenis van Nederland in de twintigste eeuw. Met haar boek 'Putten. De razzia en de herinnering' (uitg. Prometheus, Amsterdam 1998, ISBN 90 35 1 20035) gaat het dossier-Putten, dat meer dan vijftig jaar geleden gesloten werd verklaard, eindelijk open.

Oorlogsdocumentatie-medewerker David Barnouw schrijft boek over Anne Frank

Toen Otto Frank in 1947 na veel moeite een uitgever bereid vond het dagboek van zijn dochter uit te geven, kon niemand ook maar in de verste verte de reikwijdte en de invloed van het Het Achterhuis bevroeden. De volgende jaren verschenen vertalingen in het Duits, Frans en Engels. Maar pas toen het boek in Amerika als toneelstuk op de planken was gezet, een toneelstuk dat 1.000 Broadway-voorstellingen kende, werd Anne Frank wereldberoemd.

Er zijn 25.00.000 exemplaren van haar dagboek verkocht en het Anne Frankhuis trok in 1997 meer dan 700.000 bezoekers. Hoe is dat succes te verklaren? In Anne Frank voor beginners en gevorderden (Sdu Uitgevers Den Haag 1998, ISBN 90 12 08572 1) geeft Oorlogsdocumentatie- medewerker David Barnouw, een van de samenstellers van de wetenschappelijke uitgave van de dagboeken van Anne Frank, een overzicht van een halve eeuw Anne Frank in Nederland en in de wereld. Het boek gaat over Anne zelf en het ontstaan van het dagboek, over het toneelstuk en de film, over de kritiek en de aanvallen op de echtheid van het dagboek en over de ' Anne Frank industrie'.

Displaced Persons Camp Bergen-Belsen: Uniek foto-album van Zipy Orlin.

Het instituut kwam in bezit van een uniek fotoalbum met 1117 foto's over de na-oorlogse periode van het voormalige concentratiekamp Bergen-Belsen. Zipy Orlin werkte als vrijwilligster in dit DP Camp van 1946 tot 1950. Zij was belast met de zorg voor joodse weeskinderen. Zij maakte het merendeel van de foto's en stelde met grote nauwgezetheid het omvangrijke foto-album samen. Op dit moment bereidt Oorlogsdocumentatie een Engelstalige boekpublicatie voor over dit album. Ten behoeve van het onderzoek wil het instituut graag in contact komen met oud-ingezetenen en ex-medewerkers van het DP Camp Bergen-Belsen. Voorts worden de mogelijkheden onderzocht om in samenwerking met buitenlandse collega-instellingen een internationale tentoonstelling over deze bijzondere collectie maken. vervolg

Deel: ' Srebrenica-onderzoek verloopt gunstig rapport medio 2001 '




Lees ook