Nieuws van het Nederlands Israelitisch Kerkgenootschap

Commissie Ekkart

19 april 1999

Het proef-onderzoek van de commissie Ekkart moet volgens het CJO spoedig een algemeen vervolg krijgen. Daarbij is het van belang aandacht te besteden aan Joods Kunstbezit dat in Nederlandse musea terecht is gekomen en onderzoek te doen naar de veiling van vele honderden schilderijen waarvan de opbrengst in de jaren vijftig door de Stichting Nederlands Kunstbezit in de staatskas zou zijn gestort.

Door de dood van hele families in de oorlog, ontstonden er na 40-45 vele onbeheerde nalatenschappen die aan relatief verre familieleden toe vielen. Deze waren verplicht in verhouding aanzienlijke successierechten te betalen. Het CJO is van mening dat dit - zoals de commissie Kordes oordeelt - op grond van het gelijkheidsbeginsel ten aanzien van iedere andere nalatenschap ogenschijnlijk een aanvaardbare zaak lijkt te zijn. Maar, zo merkt het CJO in tegenstelling tot de commissie Kordes op, bij bijvoorbeeld verzetsstrijders werden niet hele families uitgemoord. Het gelijkheidsbeginsel gaat dan ook niet op ten aanzien van Joodse nalatenschappen. Ten koste van Joodse ingezetenen heeft de Staat een aanzienlijk geldelijk voordeel genoten.

Overigens laat het CJO zich in positieve zin uit over het feit dat niet uitsluitend de materiele kant van de zaak aandacht krijgt. Ook voor de huidige Joodse gemeenschap zijn de herinneringen aan de Sjoa, de erkenning van het aangedane leed en de gevolgen voor de slachtoffers na de oorlog van wezenlijke betekenis. In dit verband vormt het inmiddels in gang gezette onderzoek 'Terugkeer en Opvang' een gelukkig initiatief. Het CJO sluit haar conclusies in zijn interim-reactie af met de oproep aan de onderzoekscommissies zo veel mogelijk transparant te werk te gaan. De vele vragen die er nog steeds bij oorlogsslachtoffers over het naoorlogse rechtsherstel bestaan, vormen de basis voor dit verlangen.

Deel: ' Standpunt Centraal Joods Overleg over commissie Ekkart '




Lees ook