Openbaar Ministerie

Den Haag, 20 september 1999

Meer verdachten voor de rechter, minder zaken geseponeerd Strafrechtspleging is effectiever geworden tussen 1994 en 1998

De produktiviteit van het openbaar ministerie (OM) is sinds 1994 toegenomen. Meer verdachten worden voor de rechter gebracht of moeten een transactie betalen, het komt minder vaak voor dat het OM een zaak seponeert. Er komt sinds 1994 vaker een strafrechtelijke reactie op een misdrijf. Het OM heeft meer zware zaken afgehandeld.

Dit alles blijkt uit het rapport 'het openbaar ministerie 1994-1998' dat is opgesteld in opdracht van het College van procureurs-generaal, de landelijke leiding van het OM. Het College heeft de afhandeling van strafzaken door het openbaar ministerie in de afgelopen jaren onderzocht. De onderzoeksperiode omvat de periode 1994 -1998 en geeft daardoor een beeld van de effecten van de in de loop van 1995 ingezette reorganisatie van het OM.

Het rapport stelt onder meer vast dat jeugdigen een steeds groter aandeel in de misdaad hebben. Het aantal taakstraffen is sterk toegenomen. Bij de gevangenisstraffen is het aantal middellange straffen in vier jaar sterk gestegen, terwijl de rechters juist minder vaak korte of lange gevangenisstraffen opleggen.

Strafzaken worden wel iets sneller afgehandeld, maar de versnelling is nog onvoldoende, aldus het College.

Iets minder zaken, hoger rendement
Het aantal bij het OM binnengekomen zaken is tussen 1994 en 1998 met 12 % gedaald. (Van 282.728 zaken in 1994 naar 248,750 in 1998). Die daling is in belangrijke mate veroorzaakt door het 'filteren' bij de politie. Dat betekent dat het OM al wanneer een zaak bij de politie ligt, kijkt of het bewijs in orde is en of de zaak vervolgbaar is. Zo wordt voorkomen dat achteraf capaciteit wordt gestoken in zaken die niets op zullen leveren. Het percentage van dergelijke 'onproducten' is met 40% teruggebracht.

Bij het begin van de reorganisatie stelde het OM zich ten doel 'de goede dingen goed te doen'. Dat lijkt redelijk gelukt te zijn. Door de terugdringing van het aantal onvoorwaardelijk sepôts en over te dragen zaken met 33%, besteedt het OM meer tijd aan transacties en dagvaardingen.

Crimineel gedrag wordt daardoor vaker bestraft. In 1994 kwam bij 127 van de 1000 bij de politie geregistreerde misdrijven een sanctie uit de bus. In 1997 was dat aantal gegroeid. Per 1000 ter kennis van de politie gekomen delicten moesten 141 verdachten een transactie betalen of voor de rechter verschijnen. (Voor 1998 zijn nog geen cijfers beschikbaar).

Meer minderjarigen, minder jong volwassenen
Het aantal strafzaken tegen minderjarigen is toegenomen. Terwijl het totaal aantal zaken met 12% daalde, stegen de jeugdzaken juist met 7%.Die stijging is ten dele te verklaren uit de toegenomen inspanningen van OM en politie op het gebied van de jeugdcriminaliteit. De 18-24 jarigen komen juist minder vaak met het OM in aanraking. Het aantal zaken tegen jong volwassenen daalde met een kwart.

Minder vermogensdelicten, meer overtredingen van de Opiumwet en de Wegenverkeerswet
Het aantal vermogensdelicten daalde in vier jaar met bijna een derde. Mogelijk is dat een gevolg van preventieve maatregelen en van de aanpak van stelselmatige daders. Met name het strengere softdrugsbeleid zorgde voor een toename van het aantal Opiumwetdelicten met 11%., zij het dat de piek in 1997 lag (+19%). De extra inspanningen met betrekking tot het verkeer leidden tot een groei van 9% met betrekking tot misdrijven uit de Wegenverkeerswet. Deze delicten - met name rijden onder invloed - vormen bijna 20% van het totaal aantal afgehandelde misdrijven. (NB. Dit staat los van de explosieve groei van het aantal geconstateerde verkeersovertredingen, zoals te hard rijden en rijden door rood licht.)

Het aantal geweldsdelicten steeg met 7%. Deze stijging komt bijna geheel voor rekening van minderjarigen. Eén op de drie van de tegen minderjarigen ingeschreven zaken betreft een geweldsdelict, bij meerderjarigen is dit slechts 15%.

Meer zaken met een gerechtelijk vooronderzoek
Het OM heeft meer zware zaken afgehandeld. Dat blijkt uit de toename van het aantal zaken waarin een gerechtelijk vooronderzoek (GVO) heeft plaatsgevonden met 77%. Een GVO wordt onder meer gevorderd als het nodig is om telefoons te tappen of de verdachte in voorlopige hechtenis te nemen.

Het aantal gevallen van voorlopige hechtenis is met 21% gestegen. In 10% van de zaken wordt nu voorlopige hechtenis toegepast. Ook de stijging van het aantal dagvaardingen voor de meervoudige kamer met 11% geeft aan dat de afgedane zaken zwaarder zijn dan in 1994.

Meer zaken voor de rechter gebracht
Het OM kan een zaak seponeren, de verdachte een transactie aanbieden of de zaak voor de rechter brengen. Het aantal sepots is gedaald , de transacties zijn licht gestegen en het aantal dagvaardingen is met 10% gestegen. Dat betekent dat in vergelijking met 1994 minder zaken zonder gevolgen blijven voor de verdachte. De grootste stijging zat bij de dagvaardingen voor de kinderrechter (+28%).

Het percentage schuldigverklaringen door de rechter is ongeveer gelijk gebleven op 95%. In zo'n 15% van de zaken wordt hoger beroep ingesteld.

De taakstraf en de middellange gevangenisstraf zijn in opmars Het aantal door de rechter opgelegde geldboetes is licht gestegen met 4%. De taakstraf groeide fors - met 77%. De gemiddelde gevangenisstraf was in 1998 iets korter dan in 1994 (2%). Terwijl het aantal gevangenisstraffen van minder dan zes maanden met 7% groeide en de middellange straf (6-24 maanden) met 18 % steeg, daalde het aantal opgelegde gevangenisstraffen van meer dan 2 jaar met 18%.

Het strafrecht neemt meer capaciteit van de rechtbank in beslag De totale productie van de rechtbank is tussen 1994 en 1998 met 14% gestegen. Dat komt omdat er meer menskracht is ingezet, maar ook omdat de gemiddelde productiviteit omhoog is gegaan.

Een relatief groot deel van die grotere productie kwam voor rekening van de afhandeling van door het OM aangebrachte zaken. Had in 1994 nog 35% van de output van de rechtbanken betrekking op het strafrecht, in 1998 was dat bijna 40%.

Er hoeven minder vaak zaken opnieuw te worden aangebracht omdat de dagvaarding nietig was of omdat de zaak werd aangehouden.

Er zijn signalen dat de rechtbanken in 1997 en 1998 de door het OM aangeboden zaken minder goed aankunnen. De voorraad van zaken waarvoor nog geen zittingsdatum bekend is, steeg van 21.000 in 1995 naar ruim 24.500 in 1998. Daarbij steeg het aantal zaken dat al meer dan een jaar lag naar bijna 2500. Ook de verhouding tussen de uitstroom van het OM richting de rechtbank en de uitstroom van de rechtbank wordt iets ongunstiger.

Zaken wel sneller afgedaan, maar niet snel genoeg Tussen het eerste verhoor van een verdachte en het moment dat zijn zaak uiteindelijk werd afgedaan door het OM of de rechter lagen in 1995 242 dagen. In 1998 was dat gedaald naar 233 dagen.

Die versnelling is echter onvoldoende, aldus het rapport. Er is in de loop der jaren een aantal initiatieven genomen in de sfeer van het snelrecht en het lik-op-stuk beleid voor relatief eenvoudige delicten. Bij deze delicten lukt het ook goed om de doorlooptijd omlaag te brengen. Deze zaken krijgen bij de afhandeling voorrang, net als de zaken tegen verdachten die in voorlopige hechtenis zitten. Door die prioriteitstelling loopt de afhandeling van andere zaken juist vertraging op, waardoor de geboekte tijdwinst ten dele teniet wordt gedaan.

Verschillen tussen de arrondissementsparketten

Het rapport is samengesteld door de gegevens van de negentien arrondissementsparketten te combineren. Het hierboven geschetste beeld is in grote lijnen bij de meeste parketten terug te vinden. Dat neemt niet weg dat er op een aantal punten duidelijke verschillen bestaan tussen de parketten.

Zo was in Maastricht de daling van het aantal binnengekomen zaken met 35% aanzienlijk groter dan het landelijk gemiddelde. De parketten die relatief veel jeugdzaken hebben (Breda, Zutphen, Zwolle) hebben daarmee ook meer geweldzaken dan gemiddeld. In den Bosch is het aantal vermogensdelicten in vier jaar met bijna de helft gedaald. Het aantal zaken met voorlopige hechtenis steeg landelijk met 20%. Den Haag, Haarlem en Groningen zaten daar ver boven met stijging van respectievelijk, 69, 55 en 57%, terwijl in Assen juist een daling was van 37%. Het parket Middelburg heeft in 1998 na enkele jaren de voorraden fors te laten toenemen in korte tijd schoon schip gemaakt, door 17% meer zaken af te doen dan er binnen kwamen.

Amsterdam heeft met 20% weinig transacties, maar brengt juist relatief veel verdachten voor de rechter (67%).

Gemiddelde gevangenisstraf: 6,5 maand
De gemiddelde gevangenisstraf ligt rond de 6,5 maand. In Haarlem worden gemiddeld -waarschijnlijk vanwege de vele drugszaken - de hoogste straffen opgelegd. Met gemiddeld 10,5 maand strafte de Haarlemse rechtbank in 1998 ruim twee keer zo streng als de het lichtst straffende arrondissementen (Utrecht, Zwolle en Zutphen). De parketten Maastricht en Utrecht hebben de grootste voorraden liggen aan zaken waarvoor nog een zittingsdatum bepaald moet worden. Den Haag en Haarlem hebben in hun voorraden relatief veel oude zaken liggen.

De algemene trend is dat terwijl de criminaliteit daalt, het aantal transacties en dagvaardingen stijgt. In Haarlem krijgen relatief de meeste verdachten met het OM te maken. Per 1000 bij de politie geregistreerde delicten krijgen in Haarlem 206 verdachten een dagvaarding of een transactievoorstel. Landelijk is dat 141.

Groningen en Assen doen hun strafzaken gemiddeld in 150 dagen af. Het landelijk gemiddelde is 230 dagen.

Het kost het parket in Breda gemiddeld f 150,- om een zaak te seponeren of een transactie aan te bieden. Daarmee is het het goedkoopste parket van Nederland. Landelijk is het gemiddelde f 179,-.

Deel: ' Strafrechtspleging effectiever geworden '




Lees ook