Ministerie van VWS


Reactie gevraagd op verdeling gelden maatschappelijke opvang en verslavingszorg

Dit is een persbericht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Raad voor financiële verhoudingen

Maandag 18 januari 1999, persbericht nummer 4

Minister Borst van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft GGZ Nederland, de Federatie Opvang en de Vereniging Nederlandse gemeenten gevraagd te reageren op het advies van de Raad voor de financiële verhoudingen over de verdeling van de gelden voor vrouwenopvang, maatschappelijke opvang en verslavingszorg.

De toenmalige staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Erica Terpstra, heeft in juni 1998 aan de Raad voor de financiële verhoudingen advies gevraagd over een objectieve en meer evenwichtige verdeelsleutel voor de middelen voor de maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en verslavingsbeleid. Deze middelen zijn tot nu toe op historische gronden verdeeld over een beperkt aantal zogenoemde centrumgemeenten. Reden voor de adviesaanvrage was dat bij de overheveling van de gelden uit de sociale vernieuwing afgesproken was te bezien hoe het geld over de gemeenten herverdeeld zou worden.

Begin januari 1999 heeft de Raad het gevraagde advies uitgebracht aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. De Raad stelt voor de uitkering voor vrouwenopvang te verdelen op grond van het aantal inwoners en het aantal allochtonen in een regio. Het geld voor de overige maatschappelijke opvang zou moeten worden toegekend op grond van inwonertal, uitkeringsgerechtigden en inwoners met een laag inkomen. Wat betreft de verslavingszorg adviseert de raad de criteria inwonertal en aantal jongeren te hanteren. Voor de uitkeringen voor vrouwenopvang en maatschappelijke opvang betekent het advies een afname van het aantal centrumgemeenten. Het aantal centrumgemeenten voor de verslavingszorg zal licht toenemen. Het volgen van het advies heeft forse herverdelingseffecten.

De Minister heeft de drie betrokken organisaties gevraagd voor 1 maart 1999 te reageren, waarna zij haar standpunt op het advies zal bepalen. Reden voor het verzoek is het belang dat de minister hecht aan draagvlak voor haar beleid onder betrokken organisaties. Betrokkenen, met name centrumgemeenten en instellingen kunnen via deze organisaties hun reactie op het advies kenbaar maken.

De Minister streeft ernaar het Kabinetsstandpunt vóór 1 mei 1999 aan de Tweede Kamer te sturen.

Deel: ' Subsidieverdeling in de maatschappelijke opvang en zorg '




Lees ook