expostbus51


Ministerie SZW
https://www.minszw.nl

SZW: Toespraak van staatssecretaris Hoogervorst

Nr. 99/10
4 februari 1999

Embargo:
4 februari 1999 tot

10.00 uur

Toespraak door staatssecretaris drs. J.F. Hoogervorst van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op de conferentie .Werkstress - strategieën, scenario.s en overeenkomsten. op 4 februari 1999 in Den Haag.

Niet minder dan negentig procent van de mensen gaat elke dag fluitend aan het werk. De Nederlandse werknemers hebben in het algemeen plezier in hun werk. Ze vinden dat ze voldoende zelfstandig kunnen werken, ze hebben inspraak, ze kunnen hun eigen werk goed regelen.

Het is dus niet louter kommer en kwel op de Nederlandse werkvloer. Die relativerende opmerking wil ik toch ook even kwijt, voordat we ons de rest van deze dag vol toewijding bezig gaan houden met de problematische aspecten en met de risico.s van het werk. Want die zijn er natuurlijk wel. En het is uw en mijn taak ervoor te zorgen dat we knelpunten in beeld brengen en aanpakken.

Waar wringt de schoen?
Op een aantal plaatsen. Onze economie is de afgelopen jaren sterk gegroeid; zo sterk dat er op sommige plaatsen krapte is ontstaan op de arbeidsmarkt. In moderne productieprocessen gaan hoge kwaliteitseisen samen met krappe tijdschema.s. De Nederlandse werkweek - voor velen 36 uur - is een van de kortste in Europa. Dat betekent veel vrije tijd. Maar ook veel werk in weinig tijd. Dan hoeft er maar iets mis te gaan en de werkdruk loopt hoog en soms te hoog op.

Hard werken hoeft op zichzelf niet in stress uit te monden. Maar aanhoudend werken onder te grote druk of in gespannen arbeidsverhoudingen, kan tot werkstress en op den duur tot ziekte leiden. Overspannenheid of burnout. Management, arbodiensten en werknemers moeten daarop bedacht zijn. En tijdig de juiste maatregelen treffen. Een betere werkverdeling, verandering van functie of een tijdige begeleiding en behandeling kunnen veel ellende voorkomen. Daarbij kunnen arbodiensten een rol van betekenis vervullen.

Het onderwerp werkstress, dat u vandaag van vele kanten belicht, is een van de meest weerbarstige thema.s bij onze pogingen het beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen terug te dringen. Ongeveer een derde van de mensen die jaarlijks arbeidsongeschikt worden, belandt op psychische gronden in de WAO. De helft van die psychische klachten heeft te maken met te hoge belasting of met conflicten op het werk. De rekening die we daarvoor als samenleving elk jaar krijgen gepresenteerd, bedraagt 4,7 miljard.

Mensen met psychische klachten vormen de grootste groep in de WAO. Het zijn bovendien de mensen van wie de overgrote meerderheid in de hoogste categorie arbeidsongeschiktheid belandt. En het zijn de mensen met de kleinste kans op reïntegratie. Dat laatste is vooral zorgwekkend omdat psychische klachten vooral onder relatief jonge werknemers veel voorkomen. De 25- tot 45-jarigen scoren het hoogst bij psychische klachten.

Onvermijdelijk komt de vraag op waarom mensen met een psychische aandoening vaak volledig arbeidsongeschikt worden verklaard, terwijl mensen met een lichamelijke aandoening dikwijls wél aangepast werk vinden. Dat is opvallend. Vooral omdat de meeste psychisch arbeidsongeschikten zélf verwachten dat ze snel weer aan het werk kunnen. Met tijdige en vakkundige begeleiding moeten we voor hen in de toekomst meer kunnen betekenen.

Hoe pakken we dit probleem aan?
Ik heb enkele weken geleden mijn plan van aanpak WAO gepresenteerd. Sindsdien hoef ik mij niet te beklagen over gebrek aan respons. Ik heb sinds de presentatie van mijn plan geen krant open kunnen slaan zonder plannen aan te treffen om de WAO terug te dringen. Uit al die raadgevingen blijkt in ieder geval dat in de samenleving weer het gevoel leeft dat het nodig is en dat het ook mogelijk is het aantal arbeidsongeschikten terug te dringen. Dat is winst. Dat gevoel moeten we vasthouden. En we moeten het vertalen in praktische actie. Want, om een oud gezegde aan te halen: een lepel vol daad is beter dan een schepel vol raad.

Wel is het jammer dat de adviezen niet allemaal in dezelfde richting wijzen. De een wil de oude Ziektewet restaureren, een ander wil de Ziektewet verkorten en weer een ander wil die wet juist verlengen. Als ik al die tegenstrijdige adviezen tegelijk zou uitvoeren, eindig ik in de onbeweeglijkheid van een sur-place. En dat was ik eerlijk gezegd niet van plan.

Op mijn WAO-agenda prijken drie onderwerpen: Hoe kunnen we de keuringspraktijk verbeteren? Hoe voorkomen we dat mensen arbeidsongeschikt worden? En hoe krijgen we mensen die gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn weer aan het werk?

Tot nu toe hebben vooral mijn plannen inzake de keuringspraktijk aandacht gekregen. Maar het gaat om een breder pakket maatregelen, waarin ook preventie en reïntegratie trefwoorden zijn. Voorkomen dat mensen moeten stoppen met werken en als dat toch gebeurt: allereerst kijken naar wat ze wél kunnen. Ik geloof in die positieve benadering. Die benadering staat ook voorop bij de vernieuwing van de uitvoering die de komende jaren haar beslag moet krijgen.

In het licht van die positieve benadering moet u ook mijn pleidooi voor verbetering van de keuringspraktijk verstaan. Niet strenger keuren, maar wel beter en sneller keuren; vooral als er een goede kans op herstel is. De beste keuringspraktijk tot norm verheffen. En ook vaker dan nu gebeurt kijken of er mogelijkheden zijn om iemand weer aan het werk te krijgen. Mensen niet ten onrechte het gevoel geven dat er niet meer naar ze omgekeken wordt, dat ze er nooit meer aan te pas komen op de arbeidsmarkt.

Goede en frequente keuringen vind ik van groot belang. Maar niet voldoende. Er moet meer gebeuren, vooral in het traject dat aan de WAO vooraf gaat. Mensen zitten nu vaak langer thuis dan nodig is. Daardoor neemt hun kans op reïntegratie alleen maar af. U, de arbodiensten, en enkele uitvoeringsinstellingen hebben daarvoor enkele weken geleden nog eens nadrukkelijk mijn aandacht gevraagd.

En terecht. Reïntegratieplannen blijken niet altijd de toets der kritiek te kunnen doorstaan. Ik vraag me ook wel eens af of de arbodiensten naast de bedrijfsarts niet vaker een beroep moeten doen op andere deskundigen, zoals organisatie- en arbeidsdeskundigen. Ook de samenwerking tussen arbodiensten en uitvoeringsinstellingen verloopt niet in alle gevallen even soepel. Er is te veel bureaucratie, te weinig echte communicatie. Zoals u weet, kom ik binnenkort met plannen om die samenwerking te verbeteren. De scheidingswand tussen uitvoeringsinstellingen en arbodiensten moet snel worden geslecht.

Maar ook het bedrijfsleven moet beter gebruik maken van de mogelijkheden die er zijn. We hebben welbewust de financiële betrokkenheid van werkgevers bij ziekte en arbeidsongeschiktheid vergroot. Maar het is de vraag of in alle ondernemingen het besef is doorgedrongen dat het voorkomen van arbeidsongeschiktheid lonend is. Letterlijk, veel geld op kan leveren. Het zou mij niet verbazen als veel werkgevers zich pas achteraf, als het te laat is, realiseren hoeveel geld ze kwijt zijn als een werknemer in de WAO verdwijnt.

Daarom moeten werkgevers al in een vroeg stadium onder ogen krijgen wat het kost als ze er niet in slagen een zieke werknemer vast te houden in het bedrijf. Bijvoorbeeld door een bedrijf te laten weten: als deze werknemer, met een inkomen van 60.000 gulden, arbeidsongeschikt wordt, kost u dat de komende zes jaar ruim tweehonderdduizend gulden aan loondoorbetaling en extra WAO-premie. Een tientjescontract met een arbodienst kan tonnen kosten. Het is dus in het welbegrepen eigenbelang van de werkgever te investeren in goede begeleiding van zijn werknemers.

Veel verwacht ik op het punt van de preventie ook van de afspraken over arboconvenanten. Het kabinet heeft daarvoor 160 miljoen gulden uitgetrokken. Het is de bedoeling dat we deze kabinetsperiode minimaal twintig convenanten afsluiten. Concrete, taakstellende afspraken over de risico.s die werknemers dagelijks lopen met tillen, RSI, werkdruk, schadelijk geluid, gevaarlijke stoffen. Want meer dan vier miljoen werknemers staan bloot aan een of meer van dit soort risico.s. Het gaat vaak om sluipende ziekmakers, die niet onmiddellijk de gezondheid aantasten maar die daardoor des te verraderlijker zijn.

Dat er nu al bedrijfstakken zijn die zichzelf melden voor een convenant, betekent dat bedrijven en instellingen overtuigd zijn van de noodzaak het risico van arbeidsongeschiktheid terug te dringen. Dat ze bereid zijn te investeren in veilig en gezond werk. De thuiszorg werkt aan een convenant over de tilproblemen. En bij de horeca leeft de intentie tot een convenant te komen over werkdruk.

Wat de werkdruk betreft, willen we bereiken dat over vijf jaar het aantal mensen dat onder te hoge druk moet werken, is verminderd met tien procent. We hebben het dan over 170.000 werknemers. Maar u zult mij niet horen klagen als er beter wordt gepresteerd.

Naast de werkdruk scoren arbeidsconflicten hoog als veroorzakers van uitval. Tien procent van de arbeidsongeschiktheid vindt haar oorsprong in arbeidsconflicten. Het lijkt mij een goede zaak als in convenanten wordt geprobeerd ook daar greep op te krijgen. Bijvoorbeeld door af te spreken dat bedrijven de mogelijkheid bieden tot conflictbemiddeling. Of door werknemers in de gelegenheid te stellen zich te trainen in mentale weerbaarheid. Er zijn bedrijven die daar goede resultaten mee hebben bereikt.

De nieuwe convenanten zullen heldere afspraken bevatten over de termijn waarop het doel van het convenant moet zijn verwezenlijkt. Het convenant als aanjager voor verbetering van arbeidsomstandigheden. Daarover zijn we het in het najaarsoverleg van vorig jaar eens geworden met de sociale partners. De arbodiensten komen daarbij nadrukkelijk in beeld. Zowel bij de voorbereiding van convenanten als bij de toepassing ervan in de verschillende bedrijven of instellingen. Logisch, want bij de arbodiensten zit veel kennis over en ervaring met verbetering van arbeidsomstandigheden, preventie, sociaal-medische begeleiding en reïntegratie.

Het paarse kabinet is een investeringskabinet. Investeren is ook een kernbegrip in mijn plan van aanpak WAO. Want het gaat om investeren in goede arbeidsomstandigheden. Investeren in goede arbodienstverlening. Investeren in werknemers. Dat is lonend voor de bedrijven. Dat is lonend voor de werknemers. En dat is lonend voor de samenleving.


- LET OP EMBARGO -

Nr. 99/5
20 januari 1999

Embargo:
tot 20 januari 1999

14.30 uur

Toespraak van minister mr. K.G. de Vries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, uitgesproken door directeur-generaal mevrouw drs. E.J. Mulock Houwer, op het congres 'WIW: kansen voor werkgevers en werknemers?' georganiseerd door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en Arbeidsvoorziening in Amersfoort op 20 januari 1999.

Graag open ik bij deze dit congres. Met recht en reden denk ik dat we aan het begin staan van een bijzondere bijeenkomst. Want dit is niet het zoveelste congres over de WIW, de Wet Inschakeling Werkzoekenden. Het gaat vandaag in feite over een veel breder thema. We hebben het niet alleen over kansen voor de WIW, maar vooral ook over kansen op samenwerking in het arbeidsmarktbeleid in de breedst mogelijke zin van het woord.

Zoals u weet is dit congres georganiseerd door Arbeidsvoorziening en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten gezamenlijk. Bij mijn weten is het voor het eerst dat deze instellingen zo uitdrukkelijk samen optrekken op deze manier. En als ik dan kijk naar de opkomst in de zaal, dan kan ik niet anders dan constateren dat dit gezamenlijke initiatief in goede aarde valt.

Zo ongeveer elke discipline en elke organisatie die zich bezighoudt met arbeidsmarktbeleid is hier vandaag vertegenwoordigd. Wethouders en ondernemingsbestuurders, vertegenwoordigers van werknemers- en werkgeversorganisaties en vele professionals op het gebied van de arbeidsbemiddeling.
Ik heet u allen van harte welkom en ik hoop dat u tussen de bedrijven door ook nog de tijd zult vinden om elkaar te ontmoeten en te spreken.

Samenwerken, samen optrekken om tot een zo goed mogelijke dienstverlening te komen. Ik denk dat dit logisch aansluit bij de omslag die we hebben gemaakt in het arbeidsmarktbeleid. Die omslag is dat we de werkzoekende voorop hebben gesteld. Het gaat niet om de instituties, het gaat om de mensen.
Activering en reïntegratie. Dat is de rode lijn in de veelheid van maatregelen, wetten en voorzieningen die de laatste jaren in het leven zijn geroepen. Dat geldt voor de Melkertregelingen, voortgezet als I/D banen, dat geldt voor de wet op de Reïntegratie van arbeidsgehandicapten en de nieuwe ABW, dat geldt voor de organisatiewetten voor de sociale verzekeringen en het geldt in het bijzonder ook voor de WIW. Niet de uitkering voorop stellen, maar zoveel mogelijk je instrumenten en je middelen richten op de terugkeer naar werk.

Juist ook omdat we het vinden van werk voorop willen stellen is de rol van de gemeenten in het arbeidsmarktbeleid aanzienlijk versterkt. Want gemeenten staan dicht bij de burger. Gemeenten hebben meer vrijheid, meer verantwoordelijkheid en meer middelen gekregen om die mensen te helpen die niet op eigen kracht de weg naar de arbeidsmarkt weten te vinden.

Ik denk dat de gemeenten de afgelopen jaren goed in hun nieuwe rol zijn gegroeid. Ik denk dat dit best wel eens hardop gezegd mag worden. De tienduizenden banen die in het kader van de Melkert-I regeling zijn gecreëerd zijn het tastbare bewijs dat gemeenten de uitdaging hebben opgepakt.

Hoe zijn de eerste ervaringen met de WIW? Zoals u weet is de WIW nauwelijks een jaar van kracht. Dat dwingt tot voorzichtigheid bij het doen van uitspraken. Maar ik denk dat er in het algemeen sprake is van een goede start. We hadden voor het hele jaar 1998 geraamd dat de gemeenten 1500 werkervaringsplaatsen zouden creëren in het kader van de WIW. Eind juni vorig jaar waren er al 1800 werkervaringsplaatsen gerealiseerd. En ook in de tweede helft van vorig jaar zijn flinke aantallen mensen geplaatst. We verwachten dat over geheel 1998 het aantal dicht in de buurt van de 4000 zal zijn uitgekomen. Dat is dus meer dan het dubbele van de raming.

Het algemene beeld is dus positief en bemoedigend. Dat neemt niet weg dat er ook knelpunten aan het licht zijn gekomen. Met name bij sommige landelijke projecten, die onder één van de voorlopers van de WIW -de Melkert-II regeling- goed liepen, is een behoorlijke terugval opgetreden. Dat is jammer, want het gaat hierbij om projecten die succesvol waren en die ook echt door werkgevers en werknemers werden gedragen.

Maar ik wijs er op dat dit zeker niet het algemene beeld is bij de landelijke projecten. Er zijn ook projecten die hun draai weer goed hebben weten te vinden en die tot goede en werkbare afspraken zijn gekomen met de gemeenten.

Dat neemt niet weg dat er inderdaad soms sprake is van haperingen. Die zijn dan ook uitvoerig aan de orde gekomen in het afgelopen Voorjaars- en Najaarsoverleg. Want hoe terecht kritiek op zichzelf ook kan zijn, kritiek is alleen echt nuttig als daar praktisch iets mee gedaan wordt. En wat dat betreft denk ik dat het geregelde overleg met de sociale partners ook in deze kwestie zijn meerwaarde bewezen heeft.

Het is begrijpelijk en terecht dat de sociale partners aan de bel hebben getrokken. De kritiek is dat de verschuiving van de aansturing van het ministerie naar de gemeenten zou hebben geleid tot een te grote versplintering en grotere onduidelijkheid over de verantwoordelijkheden. Dit punt wordt echter wel opgepakt in het overleg met de VNG en Arbeidsvoorziening. Ik ben dan ook blij dat sociale partners en VNG en Arbeidsvoorziening de volgende afspraken hebben gemaakt.

Er zijn ten eerste afspraken gemaakt over de hoogte van de loonkostensubsidies die gemeenten verstrekken bij sectorale projecten. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten heeft als aanbeveling gedaan dat elke werkervaringsplaats die in het kader van cao-afspraken wordt gecreëerd minimaal kan rekenen op 10.000 gulden subsidie. En als die werkervaringsplaats uitmondt in een arbeidsovereenkomst voor tenminste een jaar, is de subsidie minimaal 12.000 gulden.

We hebben de indruk dat die afspraken goed worden nagekomen door de gemeenten. Maar ik vraag me af hoe goed iedereen inmiddels met die afspraken bekend is. Het kan daarom denk ik geen kwaad om de vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers in deze zaal nog eens te wijzen op de aanbeveling van de VNG en u voor te houden dat u de gemeenten daarop kunt aanspreken.

Een tweede resultaat van het overleg met sociale partners is dat er afspraken zijn gemaakt over betere wederzijdse informatievoorziening tussen gemeenten en Arbeidsvoorziening en over het starten van concrete samenwerkingsprojecten.

Een markant voorbeeld van dat laatste is het pilotproject van de VNG en Arbeidsvoorziening in Limburg. Dat project zal vanmiddag nog uitvoerig aan de orde komen. Ik volsta daarom hier met de opmerking dat ik niet alleen onder de indruk ben van het aantal projecten dat in Limburg is opgestart, maar vooral ook de veelzijdigheid daarvan. Het gaat onder meer om werkervaringsplaatsen voor constructiebankwerkers, voor lassers, voor stratenmakers, voor winkelpersoneel, en het gaat om banen in de horeca en in de zorg.

Wat opvalt is dat het vaak gaat om banen in sectoren waar schaarste aan personeel dreigt. En daaruit blijkt hoe belangrijk de rol is van Arbeidsvoorziening. Arbeidsvoorziening heeft nu eenmaal van huis uit meer kennis van de vraagzijde van de arbeidsmarkt dan de gemeenten. Het is zaak dat de gemeenten die expertise zoveel mogelijk benutten. Ik hoop dan ook dat het project in Limburg bredere navolging krijgt.

Daarnaast zullen gemeenten ook meer zelf de markt moeten opzoeken. Het is zaak voor de gemeenten als opdrachtgevers om ook zelf meer voeling te krijgen met de vraagkant van de arbeidsmarkt. Ik denk dat het bijvoorbeeld een goede zaak zou zijn als wethouders van sociale zaken vaker hun collega's van economische zaken gaan opzoeken. In welke projecten gaat onze gemeente de komende jaren investeren? En wat kan dat betekenen voor ons werkzoekendenbestand? Welke bedrijven komen naar onze gemeente en hoe kan ik die het beste benaderen?

Van dat soort vragen. Waar het op aan komt is netwerken. Met bedrijven, met arbeidsvoorziening, met regionale instellingen, maar wat mij betreft ook met sportverenigingen en de Rotaryclub.

Tot zover de gemeenten.
Rest mij nog speciaal het woord te richten tot de tweede gastheer van vandaag, Arbeidsvoorziening. We hoeven er geen doekjes om te winden dat uitvoering van het regeerakkoord opnieuw ingrijpende gevolgen zal hebben voor de organisatie van de Arbeidsvoorziening.

Zoals u ongetwijfeld weet zal het kabinet binnenkort met een nader standpunt komen over de toekomstige structuur van de uitvoering van de sociale zekerheid en van de arbeidsvoorziening. Ik kan daar dus nu onmogelijk gedetailleerd op ingaan. Maar het zal genoegzaam bekend zijn dat verwacht mag worden dat een substantieel deel van de taken van Arbeidsvoorziening zijn plaats zal krijgen in de Centra voor Werk en Inkomen en dat een ander deel een plaats in de markt zal krijgen.

Dit is een flinke verandering.

Ik denk dat we niet moeten wegpoetsen dat forse veranderingen in welke organisatie dan ook altijd gepaard gaan met onzekerheid en spanningen voor de betrokkenen. Maar dat gezegd hebbende denk ik dat we ook weer niet moeten overdrijven, en zeker niet in een tijd dat in het bedrijfsleven reorganisaties en herbezinning op de kerntaken aan de orde van de dag zijn.

Want het mag dan zo zijn dat de constellatie sterk gaat veranderen, tegelijk is ook duidelijk dat de wezenlijke taken van Arbeidsvoorziening behouden blijven. Voor veel medewerkers zal gelden dat de aansturing anders wordt, maar dat het werk in wezen hetzelfde blijft. En dat heeft een hele eenvoudige reden. De reden namelijk dat er ook in de toekomst behoefte blijft bestaan aan dienstverlening op het gebied van de arbeidsbemiddeling en reïntegratie.

Sterker nog, het is duidelijk dat die behoefte in de komende jaren alleen nog zal maar toenemen. Want waar we naartoe gaan is een sluitende aanpak van de langdurige werkloosheid. Een aanpak waarbij aan alle werkloze werkzoekenden een aanbod richting werk gedaan wordt v¢¢rdat zij langdurig werkloos worden. Dat betekent dat er de komende jaren honderdduizenden extra bemiddelingstrajecten moeten worden gerealiseerd. De vraag naar diensten op het gebied van arbeidsbemiddeling zal nog fors toenemen, met alles wat daarbij hoort: scholing, training en het creëren van werkervaringsplaatsen.

Het kabinet is zich ervan bewust dat de sluitende aanpak alleen kans van slagen heeft als alle partijen eendrachtig samenwerken. Gemeenten, arbeidsvoorziening, uitzendbureaus en andere marktpartijen, werkgevers en werknemersorganisaties en de uitvoeringsinstellingen sociale verzekeringen in de sociale zekerheid. Ze zullen elkaar moeten zien te vinden.

En daarmee ben ik weer terug bij het begin van mijn verhaal: samen optrekken in het arbeidsmarktbeleid. Het unieke initiatief om dit congres te organiseren laat zien dat die bereidheid tot samenwerking wel degelijk bestaat. En wat mij betreft is deze bijeenkomst daarom een investering in de toekomst.

Ik wens u een goed congres.


- LET OP EMBARGO -


04 feb 99 10:00

Deel: ' SZW Toespraak Hoogervorst op conferentie Werkstress '




Lees ook