Partij van de Arbeid


Bijdrage van Judith Belinfante aan het algemeen overleg uitgangspuntenbrief 'Cultuur als confrontatie' 4 november 1999 PvdA

Algemeen

De en-en benadering
Aan het slot van de jongste nota over Cultureel Ondernemerschap schrijft de staatssecretaris na een passage over hoe er in de New York Times tegen de rijkdom van het Nederlandse culturele leven wordt aangekeken, dat we die rijkdom niet alleen in stand moeten houden, maar ook zoveel mogelijk mensen daarvan moeten laten genieten.

'Het besef en de trots op de topkwaliteit van de Nederlandse cultuur moet tot in alle haarvaten van de Nederlandse samenleving doordringen.'

Vandaag gaat het vooral over die kwaliteit en over de uitgangspunten van het beleid van deze staatssecretaris voor de komende periode. Voor mijn fractie is het vanaf het begin duidelijk geweest dat het hier om een en-en benadering moet gaan en niet of-of. Dus het in stand houden van de genoemde kwaliteit blijft een hoofdprioriteit naast een serie criteria op het gebied van ondernemerschap, het bereiken van meer mensen, nieuwe mensen en synergie tussen overheid en markt.

Nieuwe ontwikkeling
Cultuur als confrontatie, de uitgangspuntennota voor de volgende cultuurnotaperiode is niet het einde van een proces met als uiteindelijk eindresultaat de vaststelling van de cultuurnota, maar het begin van een langlopende ontwikkeling. Het begin van een nieuwe manier van denken over cultuur bij de rijksoverheid. Een ontwikkeling met heel veel interessante aspecten.

In mijn eerste termijn, voorzitter, zal ik eerst een aantal algemene opmerkingen maken over onder meer de economische kant van de cultuursector en een aantal daarmee samenhangende voorstellen die de staatssecretaris doet. Daarna zal ik uitgebreider ingaan op het meest urgente gedeelte van wat we hier vandaag bespreken, namelijk de criteria en het principe van de uitgangspuntennotitie. Dat is waar de instellingen op wachten en waar we daarom mijns inziens vandaag echt uit moeten komen.

Het beste populair, het populaire beter
Basis voor al het handelen en denken van de staatssecretaris zijn twee gegevens: het beste populairder maken en het populaire beter. Dat wordt uitgedrukt in de volgende politieke prioriteiten: jongeren, minderheden, cultuur voor iedereen, cultureel ondernemerschap, synergie van overheid en markt, culturele dimensie van de leefomgeving en innovatie waaronder ICT in cultuur. Alle stukken zijn geheel consistent en consequent ten aanzien van het de doorwerking van deze uitgangspunten. De staatssecretaris wil de cultuursector toerusten voor zelfstandigheid en niet de afhankelijkheid en zwakte van de sector door subsidiëring benadrukken. Het uitbaten van succes is het motto. Concessies doen aan de kwaliteit is daarbij niet de bedoeling. Wel weer en-en: Cultureel ondernemerschap om zelfstandigheid te stimuleren Ún een forse impuls voor het Actieplan Cultuurbereik om de aanwezige kwaliteit nog beter zichtbaar te maken.

Dat een enigszins economische aanpak wat mijn fractie betreft geen kwaad kan wil ik toelichten. Het subsidiëren van cultuur wordt in ons land zeer kritisch gevolgd. Soms wordt zelfs de indruk gewekt dat subsidie een lelijk woord is.
Hoe anders is dat bijvoorbeeld op het ministerie van Economische Zaken. Ruim twee miljard gulden aan subsidies, waarvan een groot deel ter versterking van de structuur van bepaalde sectoren. Ook heel interessant als we het over cultureel ondernemerschap hebben: de ZZP's (Zelfstandigen Zonder Personeel). Mini-bedrijfjes waarmee minder dan 30.000 gulden verdiend wordt en die geen subsidie krijgen, maar bijvoorbeeld wel fiscale vrijstellingen. Voor het MKB is bij EZ ruim 52 miljoen beschikbaar aan kredieten voor bedrijven die bij banken geen gehoor krijgen, maar wel een goede uitgangspositie hebben. Voor jonge beginnende kunstenaars kunnen vergelijkbare maatregelen een uitkomst zijn.

Mijn fractie vindt dat de cultuursector en het werkzaam zijn daarin, bijvoorbeeld als zelfstandig cultureel ondernemer met of zonder subsidie, zaken zijn om inderdaad trots op te zijn. Een volwaardige sector waarbij het ook de staatssecretaris, ik heb het zojuist al gememoreerd, vooral te doen is om het uitbouwen van het grote kwaliteitspotentieel wat al aanwezig is en zoveel mogelijk mensen van die kwaliteit te kunnen laten genieten. Een aantal maatregelen in Cultureel Ondernemerschap die onder meer in samenwerking met staatssecretaris Ybema moeten worden uitgewerkt sluiten daarbij aan. Een Marketing Impuls Fonds, een ontwikkelingsbudget en een participatiemaatschappij, als een voorfinancieringsinstrument bij risicodragende plannen. Een principe vraag aan de staatssecretaris bij dit punt: Hoe denkt hij om te gaan met het verschil in bedrijfsvoering en mogelijkheden, wat toch blijft bestaan, tussen een 'gewoon' bedrijf en een instelling of individueel cultureel ondernemer met overheidssubsidie?

Op de nota Cultureel Ondernemerschap kom ik straks nog terug.

Discussie vraag en aanbod
Ook op de twee economische begrippen vraag en aanbod is het en-en principe van toepassing. Het stimuleren van de vraag hoeft niet ten koste te gaan van de aandacht voor de aanbodzijde. Daarnaast ligt ook de kwaliteit niet onder vuur, integendeel.

Met de vergroting van de vraag, bijvoorbeeld door de introductie van de cultuurvouchers, heeft deze Kamer in grote meerderheid ingestemd. Deze vraaginjectie, zeker bij het loskomen van de tweede tranche vouchers in het volgende schooljaar, zal tot gevolg hebben dat er een aanzienlijke nieuwe groep bezoekers komt, waarvoor bijvoorbeeld theatergezelschappen al dan niet speciaal op die groep gericht kunnen gaan produceren. Zij die goed inspelen op deze groeiende vraag uit een bepaalde hoek kunnen juist meer van hun kwaliteit laten zien.

Bovendien, en dat is mijn vraag aan de staatssecretaris, wij hebben het toch goed begrepen dat er wat hem betreft ook geen sprake is van veronachtzaming van de aanbodzijnde? Immers het zogenaamde instellingengeld (zo'n 750 miljoen) blijft toch vooral geld dat aan de aanbod kant besteed wordt? (Mogelijk maken experimenten en beschikbaarheid ruimte)

De uitgangspuntennota Cultuur als confrontatie Mijn fractie is het in belangrijke mate eens met de door de staatssecretaris in de uitgangspuntennota gepresenteerde richting en toekomstvisie. Zoals gezegd zien wij deze nota als het begin van een langlopende ontwikkeling, waarvan zonder het belang van de nota Cultureel Ondernemerschap te bagateliseren nog een flink aantal deelvoorstellen, met name ook de financiÙle kant ervan, moet worden uitgewerkt.

Criteria
Wij zijn het eens met een brede benadering van het kwaliteitsbegrip en met de constatering dat nieuwe ontwikkelingen deels buiten het nu bestaande cultuurcircuit plaats vinden. Maar voor het verder brengen van zijn plannen zal de staatssecretaris duidelijker moeten zijn in het 'beter maken van het populaire'. Hoe denkt hij dat daar het kwaliteitsbegrip gehanteerd gaat worden? Welke rol spelen de media daarin? Of verwacht hij van een ruimer publieksbereik van het 'goede' ook een kwalitatief effect op andere producties in de culturele industrie? Zou het in deze context toch niet verstandig zijn de functiebenadering zoals de Raad voor de Cultuur die in het vooradvies uiteengezet heeft, mee te wegen in de beoordeling? Te meer omdat de Raad heeft aangegeven toch primair op kwaliteit te zullen beoordelen en de meer maatschappelijke uitgangspunten als ondergeschikt te beschouwen.

De criteria dus. Kwaliteit, maatschappelijk bereik, de plaats in het bestel en subsidie per bezoeker. Graag zou ik van de staatssecretaris willen horen hoe de onderlinge bewegingen tussen die criteria van invloed zijn op de beoordeling? Met andere woorden, wat is binnen het model wat de staatssecretaris voor ogen staat de verhouding tussen de belangrijkste criteria? Ook graag een enkel woord over de mogelijkheid voor instellingen, die op goede gronden niet in staat zijn om aan ÚÚn van de criteria te voldoen, om van één of meer criteria te worden vrijgesteld.

Met de vijftien procentrichtlijn zijn wij het ook eens, met dien verstande dat ook hierop een uitzondering mogelijk moet zijn. De genoemde doelgroepen jongeren, en culturele minderheden zowel onder het publiek als bij de makers steunen wij.

Een enkele vraag nog over de praktische uitwerking van bijvoorbeeld de uitvoering van het beleid op decentraal niveau:

Hoezeer ook de Raad voor de Cultuur in de meerjarige beoordelingen zal worden betrokken, een deel van het geld voor publieksbereik en programmeringsgelden wordt ingezet middels convenanten met de lagere overheden. Hoe leggen die kwaliteitsverantwoording af? Meerjarig is duidelijk binnen de systematiek van de cultuurnota, maar hoe zit het met de projecten? En is er in de convenanten culturele diversiteit niet een verkeerd zinnetje ingeslopen waarin het geld niet mag worden uitgegeven aan 'business as usual', want hoe moet het dan met de voortrekkers van culturele diversiteit als het Volksbuurtmuseum, Rasa en Cosmic?

Onduidelijk is ook in hoeverre de voorgestelde accommodatie programmerings- budgetten, 'nieuw aanbod voor nieuw publiek' effect zullen hebben op de kosten van de producent? Wat zijn de effecten voor de producenten? Lopen zij een kleiner of een groter risico?

Komt er in het plan voldoende ruimte voor nieuwe makers, bij gelijkblijvende instellingssubsidies en fondsen? Een deel van de stimuleringssgelden is voor het aantrekken van nieuw publiek, is het laten maken van nieuwe cultuur daar ook een onderdeel van? En welk aandeel van het nieuwe geld zal dat zijn? Hoeveel ruimte zal er blijken te zitten in de bestaande subsidies voor cross-over en fusion programmering?

Actieplan Cultuurbereik 131 miljoen (Cultureel Ondernemerschap) Nogal wat vragen en op het punt van de beoordeling vrij gedetailleerd. Maar het totaalbeeld van Cultuur als Confrontatie kan slechts op hoofdlijnen worden beoordeeld. Dat is ook logisch, want de invulling geschiedt middels aanvullende notities en brieven.

De nieuwste nota die er al wel is: Cultureel ondernemerschap. Ik heb er al het een en ander over gezegd. Maar met name wat betreft de financiële invulling bevat de nota nog een flink aantal onzekerheden.

In de lange lijst met maatregelen en initiatieven die uit de nota kan worden gedestilleerd, vind ik er al een stuk of tien waarvan het nog onduidelijk is welke richting het precies op zal gaan. Op zichzelf is dat niet zo erg bij een stuk waar ook een toekomstvisie in wordt neergelegd, maar minstens drie maatregelen hebben vrij grote financiÙle consequenties die we nog niet kunnen overzien. Cultuur en Fiscus, Internationaal Cultuurbeleid en de Marketing Impuls en de Participatiemaatschappij.

Afgezien van het feit dat de dekking van het totaalpakket Actieplan Cultuurbereik hier en daar nog wat gaten vertoont en wij ook over de verwachtingen die de staatssecretaris van matching door lagere overheden heeft wat twijfels hebben, is er volgens mij nog een aantal belangrijke zaken die van grote invloed kunnen zijn op het financiÙle kader.
Ik noem bijvoorbeeld de kostenverhogende effecten van wetgeving van andere departementen op de cultuursector, zoals ARBO-regelgeving, PEMBA, flex en zekerheid en deeltijdwerk. Graag een reactie van de staatssecretaris en een nadere toelichting op het financieel kader in de nota.

Procedure
Tenslotte nog enkele vragen over de procedure die verder gevolgd zal worden en een suggestie aan de staatssecretaris.

Er is nog het een en ander in aantocht. Daar hebben wij ook begrip voor, gezien het hoge ambitieniveau van deze staatssecretaris. Je kunt nu eenmaal niet alles tegelijk aanleveren. Met belangstelling kijken wij bijvoorbeeld uit naar Cultuur en Fiscus en naar de al in ruime mate door mij aangeroerde, nader uit te werken initiatieven en maatregelen, die deels samen met staatssecretaris Ybema ontwikkeld worden. Zeer binnenkort zullen wij met de staatssecretaris spreken over Internationaal Cultuurbeleid, zoals gezegd ook een dossier met de nodige consequenties.

Graag zou ik een toelichting van de staatssecretaris krijgen over de wijze waarop hij denkt de samenhang tussen de verschillende nota's tot uitdrukking te laten komen en hoe hij zelf denkt de behandelingsprocedure verder vorm te geven. Ik zou de staatssecretaris willen voorstellen, willen vragen, om bij de behandeling van vervolgnota's en uitwerkingen van maatregelen een brief te voegen met telkens een korte uiteenzetting van de effecten voor de instellingen, evenals de wijze van implementatie.

Deel: ' Tekst bijdrage Judith Belinfante algemeen overleg cultuur '




Lees ook