GroenLinks


Progressieve politiek in de aanloop naar het volgende millennium

"Links regeert Europa. In 11 van de 15 landen van de Europese Unie leveren de sociaal-democraten de regeringsleider. In 13 landen participeren sociaal-democratische partijen in de regering. En de groenen doen mee, in Frankrijk, Duitsland, Italië en Finland. In Nederland is er voor het eerst in de geschiedenis zoiets als een potentiële linkse meerderheid in de Tweede Kamer. Maar wat betekent links op het eind van het huidige millennium?"

Lees de rest van het hoorcollege dat Paul Rosenmöller op 25 februari 1999 verzorgde in de Aula (Senaatszaal) van het Academiegebouw van de Universiteit Utrecht, Domplein 29.

De huidige sociaal-democratie is niet te vergelijken met die uit de jaren zeventig. En ook GroenLinks is een andere partij dan de kleine linkse partijen uit die periode. De jaren zestig brachten een omwenteling in het politieke bedrijf. Door ontzuiling en polarisatie verloren de politieke partijen hun greep op de traditionele achterban. Nieuwe partijen als D66 ontstonden, maar ook DS'70 uit de PvdA, en de PPR, één van de voorlopers van GroenLinks, uit de KVP en ARP. Nieuw Links werd een invloedrijke vleugel binnen de sociaal-democratie. De jaren zestig bevorderden het klimaat voor de totstandkoming van kabinet Den Uyl, een kabinet van PvdA, D66, de PPR en gedoogd door de KVP en de ARP. Het meest linkse kabinet uit onze geschiedenis.

De jaren zestig en zeventig waren een bloeiperiode voor progressieve opvattingen over de rol van de staat. Spreiding van kennis, macht en inkomen was de leidraad voor linkse politiek. Collectivisme, of, met een politieke term, solidariteit, was de sleutel tot verheffing van het individu.

In de jaren tachtig kwam links in een grote crisis te verkeren. De economische crisis van de jaren zeventig - twee oliecrises - stelden het Keynesiaanse dogma van overheidsinterventie in een kwaad daglicht. Keynesiaans economisch beleid kon niet succesvol zijn in een situatie met oplopende werkloosheid en stijgende inflatie.

Overigens verslechterden de overheidsfinanciën pas nadat het kabinet Den Uyl de macht had overgedragen aan het centrum-rechtse kabinet van Van Agt. (In 1977 was het financieringstekort van het rijk 3.1%; het kabinet van Agt, met het CDA en de VVD, lieten het tekort gestaag oplopen naar 8.4% in 1982.)

De jaren tachtig werden de jaren van individualisme, Reaganomics en Thatcherisme: het einde van collectivistische linkse politiek in Nederland en ver daarbuiten. Een terugtredende overheid die bezuinigt en de inkomensverschillen vergroot. Rechtse politiek die neoliberalisme als stempel kreeg. Het individu werd op de markt verantwoordelijk voor het functioneren van de samenleving. De vrije markt met uit eigenbelang handelende individuen leidt tot optimale maatschappelijke welvaart. Overheidsbemoeienis zorgt slechts voor verstoring van ideaal werkende markten.

Behalve in de Scandinavische landen, waar solidaire politiek nog lang succesvol bleef, kreeg links in de jaren tachtig in de meeste Westerse landen geen kans op regeringsdeelname. De PvdA ging zich heroriënteren, en verkoos een vernieuwde electorale strategie. Zogenaamd klein links hergroepeerde zich in GroenLinks.

Het veranderingsproces van links is al sinds eind jaren tachtig aan de gang, overigens met zeer grote internationale verschillen. Opvallend is de opkomst van groene partijen in Europa. Ook de milieubeweging heeft zich geïnstitutionaliseerd en geprofessionaliseerd in de jaren tachtig. Economisch mogen de jaren tachtig het decennium van het individualisme zijn, dit decennium heeft ook het milieu hoger op de politieke agenda gebracht.

Tegenwoordig gebruiken politieke denkers voor de veranderende politieke opvattingen binnen de sociaal-democratie de term "de Derde Weg". Anthony Giddens, directeur van de befaamde London School of Economics and Political Science, en adviseur van Tony Blair is de bedenker van deze moderne derde weg. Onlangs schreef hij een boek met als titel De derde weg, de vernieuwing van de sociaal-democratie.

De analyse van Giddens is interessant. Over zijn politieke programma ben ik minder enthousiast. Hij lijkt een universele derde weg te willen wijzen voor alle linkse of sociaal-democratische partijen in Europa. De verschillen tussen linkse partijen in Nederland, Engeland, Frankrijk en Duitsland zijn echter zeer groot. Die verschillen hebben te maken met politieke, institutionele en culturele verschillen. Het is niet voor niets dat collega Melkert zich kritisch uitlaat over de derde weg, want waarheen leidt die, zo vraagt de fractievoorzitter van de PvdA zich af in een artikel in Socialisme en Democratie. De overeenkomst is wel dat al deze partijen door de tijd heen veranderd zijn en voor een belangrijk deel weer regeringsverantwoordelijkheid dragen. Links is veranderd en Giddens´ analyse draagt bij aan het begrijpen van veranderende politieke strategieën.

Twee thema´s zijn voor Giddens van belang: de teloorgang van het socialisme en de gebreken van het neo-liberalisme. Onder de teloorgang van het socialisme verstaat Giddens zowel die van de Westerse variant
- de verzorgingsstaat - als de Oost-Europese variant van vóór de ineenstorting van de muur. De crisis van links in de jaren tachtig verbindt Giddens - wat al te gemakkelijk - aan de crisis van de verzorgingsstaat. Hij heeft gelijk als de verzorgingsstaat gebreken kent, of kende. Arrangementen waren bijvoorbeeld gebaseerd op kostwinnersgezinnen, terwijl individualisering en veranderende levensstijlen nieuwe eisen stelt aan sociale zekerheid. Een modernisering was en is nog steeds dringend nodig.

Het belangrijkste probleem van het sociale-zekerheidsstelsel is echter dat het gemaakt is voor een beperkte groep gebruikers. In de jaren tachtig is het rechtse regeringen niet gelukt om de werkloosheid of arbeidsongeschiktheid te bestrijden. Ondanks alle bezuinigingen op uitkeringen of privatisering van regelingen. Publieke en private armoede gaan nu hand in hand met private rijkdom. De sociaal-democratie, sinds 1989 weer drager van
regeringsverantwoordelijkheid, heeft in Nederland al te gemakkelijk het neoliberale recept overgenomen.

Op het neoliberalisme als politieke filosofie heeft Giddens fundamentele kritiek. Het individualisme op de vrije markt is strijdig met de conservatieve nadruk op "family values". Voor de derde weg zoekt Giddens de oplossing in communitaristische denkbeelden die rechten tegenover plichten zetten, oftewel het individu heeft ook een maatschappelijke verantwoordelijkheid. Het gemeenschapsdenken heeft inderdaad aantrekkelijke kanten, maar sommige politieke vertolkers, zoals Tony Blair zelf, leggen toch een zware maatschappelijke verantwoordelijkheid bij het gezin, en miskennen de rol van zowel het individu als die van de overheid. De verschillen met conservatieven verdwijnen dan als sneeuw voor de zon. Het is opmerkelijk dat de links-liberale denkbeelden van de Noord-Amerikaanse communitaristen in Nederland worden overgenomen door het CDA en conservatieve sociaal-democraten. Binnen de PvdA is er volgens mij sprake van een meer conservatieve vleugel naast een liberale.

Het belangrijkste vraagstuk dat Giddens aan de orde stelt is voor mij de wijze waarop milieu en economie verzoend moeten worden. Een antwoord geeft hij niet, omdat hij beseft dat de sociaal-democratie hier met een dilemma te maken heeft. Giddens vindt dat de sociaal-democratie niet moet terugschrikken voor radicale maatregelen. Zijn term de "radical centre" voor de sociaal democratie combineert de neiging om op sociaal-economisch terrein naar het midden te schuiven met de noodzaak om voor vraagstukken als milieupolitiek, die niet meer op een links-rechts-schaal zijn weer te geven, radicale antwoorden te geven.

De relativering van de links-rechtsverdeling is opmerkelijk. De dominantie van neoliberale politiek in de jaren tachtig en de val van de muur hebben links in een defensieve positie gedrukt. Vooral de historische gebeurtenis in Berlijn in 1989 werd door sommigen, denk aan Fukuyama, aangegrepen om het einde van de geschiedenis of het einde van de ideologie aan te kondigen. De Italiaanse politieke filosoof Bobbio heeft eens een interessante theorie gelanceerd. Uitgaande van twee politieke tegenpolen stelt hij dat er in tijden waarin beide tegenpolen elkaar in evenwicht houden, de vraag nooit gesteld wordt of de links-rechts-verdeling nog relevant is. Maar als het slechter gaat met één van beide, hebben beide partijen er belang bij deze tegenstelling te bagatelliseren. Begin jaren negentig hield rechts vol dat er geen alternatief was, terwijl links zich niet teveel als links wilden afficheren en eveneens volhield dat deze tegenstelling niet meer zo belangrijk is. Ik kom er nog op terug, maar ik constateer dat, in ieder geval in woorden, de polen weer polariseren.

In eerdere publikaties heeft ook Giddens de links-rechts-verdeling al als achterhaald beoordeeld. Hij heeft gelijk dat er meerdere politieke dimensies zijn waarmee een eenvoudige links-rechts-schaal geen rekening houdt. Standpunten over niet-materiële vraagstukken als abortus en euthanasie, maar ook stellingnamen in het debat over milieu en economie en over emancipatie en democratisering zijn niet eenvoudig in een links-rechts-schema onder te brengen. Vaak worden daarom ten minste twee dimensies voorgesteld. Laat ik ook eens een eenvoudige matrix maken om de Nederlandse politieke partijen te beschrijven. Ik ga niet uit van continue schalen, maar veronderstel op twee dimensies een simplistische tweedeling. Op sociaal-economisch terrein is een partij wel links of rechts. Op de immateriële dimensie, denk weer aan thema´s als emancipatie, democratisering, milieubeleid, onthaasting, is een partij vooruitstrevend of conservatief. Deze laatste twee termen gebruik ik om het onderscheid met de sociaal-economische dimensie helder af te bakenen.

Deze matrix geeft vier mogelijke partijpolitieke posities. Hoewel een schema de werkelijkheid altijd wat versimpeld gebruik ik deze indeling om de huidige politieke verdeling te karakteriseren.

Laat ik bij de VVD beginnen. Sociaal-economisch is de VVD een rechtse partij, en dat is ze altijd geweest. Een sobere sociale zekerheid, lage belastingen, een overheid die de uitgaven beperkt en zo min mogelijk ingrijpt in de werking van de markt.
Op de andere dimensie is de huidige VVD als conservatief te kenschetsen. Van de VVD zijn geen nieuwe voorstellen te verwachten als het gaat om democratisering (referendum, gekozen burgemeester, medezeggenschap van werknemers etc.). De VVD was tegen een wettelijke regeling voor deeltijdwerk, wat aangeeft dat bedrijfsbelangen belangrijker zijn dan de vrijheid (!) van burgers om individuele keuzes te maken in de verdeling van zorgen en werken. Bij voorstellen voor een stringenter milieubeleid staat de VVD op de rem, en als het gaat om asielbeleid of internationaal beleid, is het nationale eigenbelang voor de VVD heilig.

Het is opvallend dat de VVD zich nu als een conservatieve partij afficheert, denk aan Bolkestein en Volkskrantcolumnist Van der List. In de jaren tachtig was de verlicht liberale vleugel, met ex-milieuministers Nijpels en Winsemius, sterker dan nu het geval is. In ieder geval is de VVD nu duidelijk in vakje vier van mijn matrix te plaatsen.

Vakje drie heb ik aan de Partij van de Arbeid toebedeeld. De PvdA is links, hoewel minder links dan vroeger. De economische malaise aan het eind van de jaren zeventig, begin jaren tachtig, en het lang buitenspel staan heeft de PvdA van koers doen veranderen. De oude PvdA hechte grote waarde aan internationale solidariteit, collectieve voorzieningen en vooral aan inkomensbeleid. De PvdA voerde wel werkgelegenheidsbeleid, maar zag de werkgelegenheid eerder als uitkomst van een Keyenesiaans stimuleringsbeleid, terwijl het inkomensbeleid prioriteit had.

De PvdA van de jaren negentig is electoraal gericht op de middengroepen en qua beleid puur nationaal economisch gericht. Niet te veel geld naar Europa en naar ontwikkelingslanden, want daarmee kunnen we werkgelegenheid in Nederland financieren. Geen stringent milieubeleid, want dat zou banen kunnen kosten. Geen plusje voor de minima, want dat schaadt de werkgelegenheid. Werk, werk, werk op de eerste, tweede en derde plaats, dan pas milieu en solidariteit. Werk, wellicht, als oplossing voor alle kwaden. Toch plaats ik de PvdA in het vakje links, vooral omdat de PvdA linkser is dan D66 en het CDA. Ik kom straks terug op de electorale strategie van de PvdA.

De nadruk op economie en werkgelegenheid is voor mij reden om de PvdA ook als conservatief te bestempelen, al doe ik de vooruitstrevende vleugel binnen de PvdA daarmee geen recht. De beeldvorming wordt echter bepaald door het kabinet met premier Kok als spelbepaler. De PvdA is huiverig als het gaat om nieuwe vormen van democratie en stelt economische belangen boven milieubelangen. Laat ik hier het Groene Poldermodel als voorbeeld nemen. Kok liet zich voor de verkiezingen van vorig jaar positief uit over nieuwe vormen van besluitvorming waarbij met name de milieubeweging betrokken zou worden. Afgelopen week heeft het kabinet, op mijn verzoek, eindelijk een brief naar de Kamer gestuurd waarin de visie van het kabinet wordt uiteengezet. Los van de inhoud is het merkwaardig dat het kabinet de milieu-organisaties nog niet heeft geconsulteerd over hun opvattingen over het groene poldermodel. Pronk op milieu en Kok als premier willen zelf besluiten nemen die niet ten koste van economische belangen mogen gaan. Op milieuterrein toont de PvdA zich niet radicaal, zoals Giddens dat bepleit.

Als het om internationale solidariteit gaat is het asielbeleid een opmerkelijk voorbeeld. Was asielbeleid vroeger een heftig debat tussen VVD en PvdA, tegenwoordig wijkt de PvdA in de Kamer en het kabinet nauwelijks meer van de zijde van de VVD. Streng, strenger, strengst. Collega Melkert is nu werkelijk de schaamte voorbij en stelt voor uitgeprocedeerde asielzoekers die niet uitgezet kunnen worden, op straat te zetten.

Kom ik nu bij het CDA en D66. Beide partijen laten zich niet in een hokje stoppen. Op de immateriële schaal is er geen onduidelijkheid. D66 is vooruitstrevend (democratisering en regelmatig onze medestander als het om groene politiek gaat), terwijl het CDA conservatief is.

Op de sociaal-economische schaal is de verwarring groot. Of het CDA nu links of rechts is, weet het CDA zelf niet eens. Voor D66 ligt de zaak nog gecompliceerder. De vergelijking van het verkiezingsprogramma (en de doorrekening daarvan door het Centraal Planbureau) met dat van de VVD lijkt op het spelletje "zoek de verschillen": dezelfde bezuinigingen, vergelijkbare lastenverlichting, hetzelfde financieringstekort, geen extra geld voor inkomensbeleid. Op de vraag of paars een links kabinet is, heeft collega Melkert eens geantwoord dat D66 ver van de PvdA staat, en eerder handlanger is van de VVD. Toch noemt D66 zich tegenwoordig sociaal-liberaal, waarbij het sociale gehalte op een linkse positie zou moeten duiden. Dit etiket schept volgens mij geen duidelijkheid, als de inhoud niet bijpassend is.

Ik weet het, dit is een schematische benadering van politieke posities. Maar toch, zou er geen relatie bestaan tussen de onduidelijke positie van D66 en het CDA op sociaal-economisch terrein en de recente verkiezingsnederlagen en slechte peilingen? Voor D66 zou dat betekenen dat zij in het kabinet zich niet alleen sterk moet maken voor de gekozen burgemeester, want dat weten we wel, maar vooral duidelijkheid moet creëren over de sociaal-economische positie.

Het CDA zit in de hoek waar de klappen vallen. Op de conservatieve as is het CDA electoraal weggedrukt door de VVD, terwijl de PvdA, met Kok als gezicht, een stevige (midden-) linkse electorale positie heeft. Voor D66 is er een hokje vrij, voor het CDA zijn alle hokjes gevuld. Alleen als de VVD, met Dijkstal als nieuwe leider, weer vooruitstrevender zou worden in de toekomst, zou er een electoraal plaatsje vrij komen voor het CDA. Maar waar moet D66 dan heen?

En nu GroenLinks zelf. Op de immateriële as vertoont GroenLinks overeenkomsten met D66. Een ontspannen samenleving die democratisch is en openstaat voor andere culturen is ons ideaal. Recente voorstellen, om enkele voorbeelden te noemen, betreffen het Groene Poldermodel, medezeggenschap van werknemers in grote bedrijven, pleidooien voor een wettelijk recht op deeltijd. GroenLinks voert met (com-) passie, en tegen de tijdgeest in, oppositie tegen de aanscherping van het asielbeleid. Wij zijn voor een verblijfsvergunning voor de gehele, maar kleine groep van witte illegalen.

Sociaal-economisch is GroenLinks links. Onze naam alleen al laat daar geen twijfel over bestaan. Sociale rechtvaardigheid is één van onze idealen die wij invullen met pleidooien voor een uitgebreid stelsel van sociale zekerheid en plannen met inkomensnivellering als doel. Ik ga hier wat uitgebreider op in.

De zorg om de werkgelegenheid is namelijk een terechte. De groep mensen zonder plaats op de arbeidsmarkt was extreem groot in Nederland en is ook nu nog te groot. De vraag die GroenLinks probeert te beantwoorden, en daarmee bepalen we onze positie in links Nederland, is of de duidelijk nationaal gerichte economische blik van de PvdA wel zo nodig is.

Ook GroenLinks heeft zich aangepast aan veranderende economische omstandigheden en de veranderende opvattingen over economisch beleid. Net als de PvdA hanteert GroenLinks niet meer de oude visie op Keynesiaans stimuleringsbeleid om werkgelegenheid te creëren. Wij houden rekening met moderne opvattingen over de werking van de arbeidsmarkt, en laten zien dat sociaal, internationaal, en milieubeleid samen kunnen gaan met meer werkgelegenheid.

GroenLinks financiert extra geld voor ontwikkelingssamenwerking en collectieve voorzieningen. Dan daalt het tekort maar iets langzamer. Dat is niet op de pof regeren. GroenLinks deelt in het collectieve trauma van uit de hand gelopen overheidsfinanciën begin jaren tachtig. Maar de drang om zo snel mogelijk op nul uit te komen, moet niet overdreven worden. Dat ook GroenLinks de beperkingen ziet van een actief anti-cyclisch beleid, wil nog niet zeggen dat wij voor een pro-cyclisch bezuinigingsbeleid zijn. Integendeel, bij een licht tegenvallende economische groei moet minister Zalm van Financiën niet meteen de bezuinigingsmessen slijpen.

GroenLinks staat voor een stringent milieubeleid. Maar doet dat op een manier die misschien wel de economische groei aanvankelijk iets vertraagt, maar die niet ten koste gaat van de werkgelegenheid. Wij hanteren daarbij vaak marktconforme instrumenten en inzichten uit de economische theorie. Meer marktwerking in het milieubeleid past bij GroenLinks. Wij zijn bijvoorbeeld voorstanders van rekeningrijden, maar tegelijkertijd moet er meer geïnvesteerd worden in het openbaar vervoer.

En GroenLinks combineert inkomensnivellering aan werkgelegenheidsbeleid, gebruik makend van moderne inzichten in de effectiviteit van arbeidsmarktbeleid. De combinatie van een verhoging van het sociaal minimum en de verlaging van de lasten voor zowel werkgevers als werknemers tot aan modaal zorgt voor inkomensnivellering en meer werkgelegenheid. Het verschil tussen mensen die werken tegen een laag inkomen en mensen met een uitkering neemt toe. Dat nemen wij voor onze rekening, een taboe in de oude PvdA. Maar het is één van de meest effectieve manieren om mensen aan het werk te krijgen. Dat werkgelegenheidsbeleid moet betaald worden door de hogere inkomens, waarvan vooral de hoogste inkomens hun inkomen de afgelopen paarse jaren onevenredig hebben zien stijgen. Het verhogen van het sociaal minimum en inkomensnivellering tussen werkenden gaat zo hand in hand met meer werkgelegenheid.

Kortom, op sociaal-economisch gebied biedt GroenLinks een alternatief voor werk, werk, werk, zonder dat het werk kost. Werk is belangrijk, maar economisch en werkgelegenheidsbeleid staat niet boven, maar naast milieu- en inkomensbeleid.

Nu, kom ik terug op de electorale strategie van de PvdA en het werk van Giddens. PvdA-coryfeeën als Kok en Melkert staan sceptisch tegenover de derde weg. Zij hebben hun eigen weg naar sterk en sociaal. De commissie Witteveen, die een proeve van een nieuw beginselprogramma heeft geschreven dat afgelopen weekend op het PvdA-congres is bediscussieerd, noemt de derde weg niet eens. Toch klinkt het boek van Giddens door in de Rode draden van de sociaal-democratie, de titel van het beginselprogramma. Hoe dan ook, Giddens en de partijtop van de PvdA zijn het eens over de electorale strategie: opschuiven naar het midden. Het is dan ook de vraag hoe lang de PvdA in mijn eenvoudige plaatje nog een links vakje verdiend. In het midden concurreert de PvdA met de andere grote partijen, maar zeker met het CDA, om de kiezersgunst. Giddens gebruikt de derde weg om onderscheid te maken tussen de vernieuwde sociaal-democratie aan de ene en oud-links en neoliberaal rechts aan de andere kant. In Duitsland wordt dat de "Neue Mitte" genoemd. Kok schudde in de Den Uyl-lezing van drie jaar terug de ideologische veren af. Melkert schrijft, in het eerder genoemde artikel in Socialisme en Democratie, onomwonden dat de weg van de sociaal-democratie door het midden gaat. Kortom, de PvdA is vanuit electorale overwegingen naar het midden opgeschoven.

Zowel Giddens als de commissie Witteveen schrijven over democratisering, ecologische modernisering en internationale solidariteit. Drie thema's die uit hun aard kernthema's zijn voor de sociaal-democratie en electorale kansen bieden, zo vindt Giddens. Volgens mij moet er nog heel wat gebeuren wil de PvdA een groene partij worden. Noch Giddens, noch de commissie Witteveen durft een keuze tussen economie of milieu te maken. Ook GroenLinks zoekt naar zogenaamde win-win-situaties, maar soms, denk aan schiphol, gaat het ene niet met het andere samen. Ten aanzien van internationale solidariteit gaf ik al aan dat de huidige PvdA een vrij beperkte en nationaal gerichte economische bril draagt. En als de Europese sociaal-democratie daadwerkelijk democratisering hoog in het vaandel heeft staan, moet zij, als drager van regeringsverantwoordelijkheid in tal van landen, Europa democratisch verbouwen. Laat zien dat links regeert.

Ik ben het eens met de stelling dat milieupolitiek, democratisering en internationale solidariteit tot de linkse politiek behoren. Maar in de neiging naar het midden op te schuiven, zijn dit niet de thema's van de huidige PvdA in het paarse kabinet. In een mooi boek over de Europese sociaal democratie (European Social Democracy. Transformation in progress), verwoordt de Wiardi Beckmanstichting, het wetenschappelijk bureau van de PvdA, deze conclusie als volgt: "It is especially the combination of sound economic, effective ecological and just social policies, that troubles Dutch social democracy... The party program is not the main problem, here... In everyday politics, the logic of the economy, however, is much more dominant than its ecological counterpart". De PvdA heeft afgelopen weekeinde besloten een nieuw beginselprogramma te schrijven. De vraag is hoe "nieuwe" beginselen een weg vinden naar beleidsvoorstellen in de dagelijkse politiek.

De electorale strategie van de PvdA heeft voor GroenLinks de electorale ruimte doen toenemen, zie de uitslag van de landelijke verkiezingen en de peilingen voor die van de Provinciale Staten. GroenLinks doet een beroep op het altruïsme van hogere inkomensgroepen en biedt het ideaal van een schone, ontspannen samenleving. Tegenover de middenpositie van de sociaal democratie - de "radical centre" volgens Giddens - plaatst GroenLinks een realistisch radicaal programma. De afgelopen jaren is onze oppositiestrategie steeds geweest om tegenover paars realistische alternatieven te presenteren. Het kan ook anders dan paars ons wil doen geloven.

Onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) laat zien dat sinds een aantal jaren weer een groter deel van de bevolking vindt dat het inkomen van de laagste inkomens te laag is en dat het tijd wordt voor inkomensnivellering. Tussen 1970 en 1980 liep het percentage dat vindt dat de inkomensverschillen kleiner of veel kleiner moeten zijn op van 67% naar 76%. In de jaren tachtig verminderde dat percentage naar 56% in 1991. De jaren negentig laten weer een gestage groei zien naar 68% in 1997.

Onderzoek van het SCP laat ook zien dat het milieu hoog op de politieke agenda moet en blijft staan. Het is wel zorgwekkend dat gedurende de jaren negentig de zorg voor het milieu bij de bevolking een lagere prioriteit heeft gekregen. In 1991 vond nog 91% van de bevolking dat milieuverontreiniging ingrijpend bestreden moest worden, in 1997 was dat nog maar 79%. Ik vraag me af in hoeverre deze ontwikkeling te verklaren is met de het-gaat-wel-goed-houding van het kabinet. Toch is een grote meerderheid van de bevolking voor ingrijpend milieubeleid.

In de jaren tachtig was inkomensnivellering geen prioriteit voor een groot deel van de kiezers. De electorale strategie van de PvdA, op de sociaal-economische dimensie naar het midden schuiven, is daarom verklaarbaar. Vooral het CDA heeft last van deze positiewisseling. De PvdA is in haar electorale strategie gericht op de VVD, schreef dagblad Trouw deze week. In het schijngevecht om het midden verdelen de VVD en de PvdA de macht, zo lijkt het.

Toch denk ik dat de tijdgeest aan het veranderen is, zo laat ook het onderzoek van het SCP zien. De socioloog Albert Hirschman schreef eens dat er een golfbeweging bestaat in de dominantie van progressieve en conservatieve opvattingen. Terwijl de jaren zestig een periode waren van hoge economische groei en van collectivistische politiek, zijn de jaren tachtig met beduidend mindere economische omstandigheden een periode geweest van een politiek gericht op het individualisme. De golf slaat echter om, en het wordt weer tijd voor het benadrukken van linkse idealen als sociale rechtvaardigheid, culturele openheid en ecologische duurzaamheid. Het is daarbij vooral van belang dat burgers zich niet alleen druk maken over sociaal-economische vraagstukken, maar juist ook over immateriële. De kwaliteit van het leven wordt belangrijker dan werk, werk en nog eens werk. Deze tendens geeft nieuwe mogelijkheden voor progressieve politiek.

Denken we nog even terug aan Bobbio, de Italiaanse filosoof. Links zit weer in de lift. Er zijn allerlei voorbeelden dat de VVD en de PvdA weer polariseren, in ieder geval in geluid. Het is jammer dat collega Melkert vorige week ongenuanceerde uitspraken deed over het asielbeleid, maar over sociaal-economische onderwerpen, de WAO bijvoorbeeld, laat hij regelmatig een links geluid horen, vooral buiten de Tweede Kamer. Het is wachten op het omzetten van woorden in daden, maar nieuwe allianties zijn mogelijk. Ik hoop dat de kramp naar rechts van de PvdA, maar ook van D66, spoedig genezen zal zijn. Dan wordt een soepele draai naar links weer mogelijk.

Laat ik daarom tot slot teruggaan naar mijn simpele schema. Mijn matrix laat zien dat paars, en iedereen weet dat natuurlijk, maar optisch is het nog duidelijker, een opmerkelijke coalitie is. Het CDA zit opgesloten in de driehoek PvdA, VVD en D66, en mag niet meedoen. Maar het schema laat ook zien dat de VVD geïsoleerd raakt. Juist deze geïsoleerde positie geeft mogelijkheden voor nieuwe allianties, buiten de coalitie om, in het vierkant CDA, PvdA, D66 en GroenLinks. Na eerdere opmerkingen van sociaal-democraten, sluit ook collega de Graaf van het sociaal-liberale D66 een linkse alliantie niet uit.

Op sociaal-economisch terrein liggen er urgente kwesties, zoals de armoedebestrij-ding en de WAO. Eind vorig jaar lanceerden FNV, CNV, CDA en GroenLinks een gezamenlijk plan ter bestrijding van de armoede. Het is jammer dat de PvdA ontbrak bij deze coalitie. Is de PvdA bereid allianties aan te gaan in de strijd tegen de armoede?

De VVD sluit een ingreep in duur en hoogte van WAO-uitkeringen niet uit. Aan die dreiging kan een einde komen als de PvdA en D66 een alliantie aangaan met het CDA, GroenLinks en de vakbeweging om voluit in te zetten op reïntegratie. Is er daarnaast geen coalitie te sluiten om de ziektewet te herstellen? In zijn rede voor het PvdA-congres riep Ruud Vreeman op tot zo´n herstel. Is de PvdA-fractie gevoelig voor deze oproep?

Op het immateriële terrein liggen er ook kansen. Met GroenLinks en D66 als vooruitstrevende partijen, zie mijn schema, zijn er allianties mogelijk met de PvdA.

Zo is er met beide coalitiepartijen een Kamermeerderheid die geen boringen in de Waddenzee wenst. Met de VVD in het kabinet blijft er onzekerheid over de uitvoering van wat de meerderheid wil.

Het kabinet lijkt door te willen gaan met de opwerking van radio-actief materiaal. Dat zal toch niet gesteund worden door D66 en de PvdA?

In hun verkiezingsprogramma´s zijn PvdA en D66 voorstanders van een beperking van het binnenlandse vliegverkeer. Kunnen we samen geen voorstellen doen?

Deze concrete voorbeelden geven aan dat paars op het eind van dit millennium een onlogische coalitie is. In het vierkant GroenLinks, D66, PvdA en CDA zijn er mooie driehoekjes te maken. Het tweede millennium zal eindigen met paars, maar aan het begin van het derde voorspel ik dat er een moment komt waarop rood en groen ook in Nederland blauw zullen doen verbleken.

Paul Rosenmöller

Deel: ' Tekst college Paul Rosenmöller over progressieve politiek '




Lees ook