Dienst uitvoering en toezicht Electriciteitswet

Toelichting en achtergrond bij persbericht DTe van 21 december 1999:


1. De nieuwe Elektriciteitswet is op 1 juli 1999 in werking getreden. Dat betekent dat voor de tarieven voor het gebruik van de netten en voor de levering aan beschermde afnemers (afnemers die nog geen vrijheid hebben een leverancier te kiezen) vanaf 1 januari 2000 een nieuw stelsel gaat gelden. De nieuwe Elektriciteitswet vereist een splitsing van de elektriciteitsbedrijven, waarbij een onderscheid gemaakt wordt tussen het gebruik van de elektriciteitsnetten en de levering van elektriciteit. Voor de elektriciteitsnetten zijn er zelfstandige bedrijven opgericht, die voor hun diensten aparte tarieven in rekening moeten brengen. Voor de levering aan beschermde afnemers zijn er leveringsbedrijven die hun stroom als groothandelaar elders inkopen of zelf opwekken.


2. De nieuwe wet legt de bevoegdheid tot het vaststellen van de nettarieven bij de toezichthouder, de DTe; de netbedrijven doen daarvoor tariefvoorstellen. De minister stelt de leveringstarieven vast, op advies van de DTe. Dat gebeurt op basis van voorstellen van de leveringsbedrijven. De tarieven voor de levering aan vrije afnemers worden niet vastgesteld, die zijn vrij.
De wet bepaalt voor de tarieven in 2000 dat deze gebaseerd dienen te zijn op de niveaus van 1996, toen er nog geïntegreerde tarieven golden.


3. Bij de beoordeling van de tariefvoorstellen heeft de DTe zich gebaseerd op drie uitgangspunten. In de eerste plaats dienden de tarieven voor 1996 te worden gesplitst in een net- en leveringsdeel om een goede vergelijking te kunnen maken. In de tweede plaats diende te worden bezien of de niveaus die de bedrijven zelf hadden voorgesteld, spoorden met het niveau van 1996, waarbij de bedrijven het recht hadden om een beroep te doen op mogelijke exogene kostenstijgingen (stijgingen waarop zij geen invloed hebben gehad). In de derde plaats dienden de tarieven voor het gebruik van de netten te worden vertaald naar de nieuwe tariefstructuur voor de netten. Die structuur vloeit eveneens voort uit de nieuwe wet en is door DTe eind september vastgesteld.


4. De splitsing van de geïntegreerde tarieven in 1996 naar tarieven voor netten en levering was voor alle bedrijven een moeilijke en ingewikkelde zaak. Soms was de juiste kostentoedeling over netten en levering niet meer goed na te gaan vanwege de fusies en overnames die de afgelopen jaren hebben plaatsgevonden. Ook was het belangrijk er op te letten dat er tussen de netten en de levering geen kruissubsidies werden toegepast en ook niet tussen de levering aan beschermde en vrije afnemers.


5. Om de vergelijking tussen de tarieven voor 2000 met die van 1996 te kunnen maken en om hun exogene kostenstijgingen door te kunnen berekenen, heeft DTe de bedrijven twee modellen aangeboden. Het eerste model (model A) gaat er van uit dat de totale kostenstijgingen over de periode 1996-2000 opgevangen konden worden door de productiviteitsgroei in de bedrijven. Dat betekent dat de gemiddelde tarieven in 2000 nominaal gelijk zullen zijn aan de gemiddelde tarieven in 1996. Het tweede model (B) kon worden gekozen wanneer de bedrijven van oordeel waren dat hun productiviteitsgroei onvoldoende was om de kostenstijgingen op te vangen. Zij moesten dit dan wel nader onderbouwen, waarbij DTe heeft beoordeeld of de kostenstijgingen als exogeen konden worden aangemerkt. De meeste bedrijven hebben voor model A gekozen.


6. De bedrijven van de Essent-groep (Pnem, Mega, Edon en Frigem) hebben voor een andere route gekozen. Zij beriepen zich op de toezegging van de minister, gedaan bij de behandeling van de wet in de Kamer, dat gecorrigeerd zou kunnen worden voor de toepassing van het basisjaar 1996 wanneer dat tot evident onevenredig nadelige gevolgen voor de bedrijven zou leiden. In dat verband noemde de minister de mogelijkheid van een eenmalige rendementscorrectie. DTe heeft evenwel moeten concluderen, dat op grond van de informatie in de voorstellen niets van dergelijke evidente nadelen is gebleken. De door de Essent-groep ingediende voorstellen zijn derhalve afgewezen en gecorrigeerd op basis van de toepassing van
model A.
Wel heeft DTe aan alle bedrijven laten weten in 2000 een nader onderzoek te zullen starten om te bezien of er op basis van aanvullende informatie alsnog evidente nadelen aangetoond kunnen worden. Daarbij gaat het o.m. om gegevens over de rendementen die in het verleden op elektriciteit zijn gemaakt, de prijzen die zijn gehanteerd, de winstbestemmingen die zijn toegepast, de relatieve doelmatigheidscijfers etc. Op grond van dat onderzoek zou alsnog kunnen blijken dat er van evident onevenredige nadelen sprake is, b.v. voor de bedrijven van de Essent-groep. Dat zou dan een eenmalige rendementscorrectie rechtvaardigen. In dat geval zal die correctie met terugwerkende kracht worden toegepast.


7. De nieuwe tariefstructuur voor de netten heeft tot gevolg dat een andere verdeling van de kosten over de verschillende spanningsniveaus tot stand is gebracht. Er wordt meer aangesloten bij het principe, dat aan degene die de kosten veroorzaakt ook die kosten in rekening worden gebracht. Daarmee worden de juiste prikkels gelegd bij de verschillende gebruikers van netdiensten en netbedrijven om hun efficiency te vergroten. De nieuwe structuur heeft zowel betrekking op transportdiensten als op aansluitdiensten. De invoering van de nieuwe structuur leidt onvermijdelijk tot tariefverschuivingen bij individuele afnemers of groepen daarvan. DTe heeft er op gelet dat de invoering van de nieuwe structuur budgettair neutraal plaats vond en bij verschuivingen tussen deelmarkten zo veel mogelijk recht gedaan aan het principe 1996 = 2000.


8. De inkoopkosten voor de leveringsbedrijven worden ook in 2000 nog bepaald door de z.g. protocol-overeenkomst tussen de Sep (namens de vier productiebedrijven) en de distributiebedrijven. Doordat die overeenkomst eerst in 1997 is ingegaan zijn de uit die overeenkomst voortvloeiende inkoopkostenstijgingen niet als exogene kostenstijgingen geaccepteerd. Wel is toegestaan dat ontwikkelingen in de brandstofkosten, mits majoratievrij (zonder winst, maar ook zonder verlies) ook in 2000 kunnen worden doorberekend aan de consument. De leveringsbedrijven dienen dat wel achteraf aan DTe te melden. Een ander aspect van het protocol is de post maatregelen. Deze post van NLG 400 miljoen is afgesproken als bijdrage van de distributiebedrijven aan de z.g. bakstenen. In de jaren 1997/1999 werd die post in de tarieven doorberekend. In de nieuwe systematiek is daarvoor geen basis. Wel is door de minister het voornemen geuit die post door middel van een toeslag op de nettarieven bij alle elektriciteitsgebruikers in rekening te brengen. Daarvoor is een algemene maatregel van bestuur nodig die eerst na overleg met de Kamer tot stand kan komen.


9. Alle 22 netbedrijven en alle 21 leveringsbedrijven waren gehouden voor 1 oktober hun voorstellen in te dienen. Dat is door niemand op tijd gedaan. Door DTe was eind augustus al aangegeven hoe die voorstellen aangeleverd zouden moeten worden om, op basis van de wet, de beoordeling op tijd te kunnen maken. Daarbij heeft geen van de bedrijven zijn voorstellen op een correcte wijze ingediend. Ook waren er grote verschillen tussen de bedrijven, niet alleen wat de niveaus betreft, maar ook wat de verschillende uitgangspunten betreft. Over alle voorstellen is door DTe uitvoerig met de bedrijven gesproken, hetgeen in de meeste gevallen tot aanpassingen heeft geleid. Waar dat niet het geval is, heeft DTe de tarieven aangepast en vervolgens gewijzigd vastgesteld.

10. Over de tariefniveaus is het volgende op te merken: · De gemiddelde nominale tarieven voor alle gebruikers dalen in 2000 t.o.v. 1999 met bijna 2%; in geld uitgedrukt betekent dat een bedrag van ± NLG 225 miljoen;
· De gemiddelde nominale tarieven voor alle gebruikers in 2000 t.o.v. 1996 zijn nagenoeg gelijk gebleven.

11. De situatie in de volgende jaren. De wet stelt dat de tarieven voor de netten en voor levering de volgende jaren zullen kunnen wijzigen, rekening houdend met enerzijds de ontwikkeling van de consumentenprijsindex en anderzijds een z.g. efficiency-korting. Die korting wordt vastgesteld door DTe. DTe zal begin volgend jaar nader bekend maken op welke wijze zij dat zal gaan doen. Kernpunt daarbij is de onderlinge efficiencyvergelijking tussen de bedrijven. Op basis van die vergelijking zal bepaald worden hoeveel doelmatiger de individuele bedrijven zullen kunnen werken en dus met welk percentage hun tarieven naar beneden kunnen worden bijgesteld. In de zomer van volgend jaar zal DTe vervolgens deze percentages bekend maken, zodat de bedrijven weten waarop zij hun tariefvoorstellen voor de volgende jaren moeten baseren.

Terug naar startpagina

Aan de inhoud van deze pagina's kunt u geen rechten ontlenen.

Deel: ' Toelichting bij persbericht DTE over gastarieven '




Lees ook