Ministerie van Financien

Titel: Toeslag ex artikel 19 WUBO

Directie Directe Belastingen

de vaste Commissie voor Financiën

uit de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Postbus 20 018

2500 EA Den Haag

Uw brief van/kenmerk

Ons kenmerk

Den Haag

7 september 1999/Fin-99-307

DB 1999-02956 U

Onderwerp

Toeslag ex artikel 19 WUBO

In uw brief gaat u nader in op de fiscale kwalificatie van de toeslag ex artikel 19 Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (WUBO). Het doet mij genoegen dat u mijn standpunt deelt dat de huidige fiscale behandeling van deze toeslagen via de eindheffingsregeling voor de oorlogsslachtoffers gunstiger uitwerkt dan defiscalisering.

Toch bepleit u alsnog een teruggaaf van belasting voor jaren waarin de toeslag nog individueel werd belast. Een maatregel daartoe zou volgens u gebaseerd kunnen zijn op een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep1 uit 1991.

Deze uitspraak, gewezen voor de toepassing van de Toeslagenwet, biedt echter naar mijn oordeel geen basis voor een fiscale vrijstelling. Daarnaast merk ik op dat door een vrijstelling met terugwerkende kracht ook de huidige wijze van heffing via de eindheffingsregeling weer ter discussie zal moeten komen. Deze is immers ontwikkeld vanuit de opvatting dat de toeslagen belast inkomen vormen.

Gaarne voldoe ik aan uw verzoek om ter verduidelijking van mijn zienswijze nader in te gaan op de opmerkingen in uw brief van 29 april 1999, nr. Fin-99-168.

Voorafgaand daaraan merk ik op dat mijn beleid erop gericht is de artikel-19-toeslagen op grond van de WUBO op dezelfde wijze te behandelen als de toeslagen op grond van artikel 21b (oud) van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (WUV). Gezien de overeenkomsten in aard en achtergrond van beide toeslagen, bestaat er in mijn visie geen grond voor een verschil in fiscale behandeling.

Allereerst ga ik in op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. Dit college toetst de artikel-19-toeslag aan het Inkomensbesluit Toeslagenwet (hierna: het Inkomensbesluit). Daarin is bepaald welke baten als inkomen meetellen bij de toepassing van de Toeslagenwet. Voor die wet geldt een ander inkomensbegrip dan voor de loon- en inkomstenbelasting. Voor de Toeslagenwet zijn alleen inkomsten uit arbeid en winst uit bedrijf of beroep van belang. Deze begrippen verschillen op zichzelf ook weer van de soortgelijke begrippen in de fiscale wetgeving. Zo rekent het Inkomensbesluit bepaalde loondervingsuitkeringen, vakantiegeld en aanspraken niet tot het inkomen uit arbeid en worden onteigeningsvergoedingen en stakingswinst niet als winst uit bedrijf of beroep beschouwd.

In artikel 7, eerste lid, onderdeel n, van het Inkomensbesluit is bepaald dat WUBO-uitkeringen als inkomsten uit arbeid wordt aangemerkt. Volgens de toelichting op deze bepaling geldt dit echter alleen voorzover aan deze uitkeringen een inkomensdervingskarakter verbonden is. De Centrale Raad van Beroep leidt daaruit af dat de artikel-19-toeslag niet als inkomen meetelt omdat deze geen compensatie biedt voor inkomensderving, maar bestemd is voor voorzieningen die strekken tot verbetering van levensomstandigheden en ter bestrijding van de kosten van medisch-sociaal geïndiceerde voorzieningen.

Anders dan voor de Toeslagenwet is het voor de belastingheffing in beginsel niet van belang met welk doel een uitkering wordt gegeven. Het is voldoende dat sprake is van een periodieke uitkering. In de belastingwetten zijn wel uitzonderingen opgenomen. In het bijzonder kan hier worden gedacht aan artikel 11, eerste lid, onderdeel m, van de Wet op de loonbelasting 1964, waarin onder meer is bepaald dat uitkeringen bestemd voor kosten van ziekte, invaliditeit en bevalling, niet tot het loon behoren. Het standpunt van Financiën is steeds geweest dat de artikel-19-toeslag slechts in zeer algemene zin verband houdt met ziekte- en invaliditeitskosten, zodat deze niet onder de vrijstelling valt. De Commissie voor de Verzoekschriften uit uw Kamer heeft deze benadering gevolgd in haar verslag over het adres van mevrouw Lablans-Kroes te Malden van 8 september 19882.

Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft in 19963 het gelijkheidsbeginsel toegepast bij iemand die een artikel-19-toeslag ontving en die een beroep deed op het beleid voor uitkeringen aan oud-verzetsdeelnemers en zeelieden-oorlogsslachtoffers4. Deze oorlogsslachtoffers ontvangen een toeslag die uitsluitend wordt toegekend bij zeer zware invaliditeit of ernstige verminking. Omdat mensen met een dergelijke graad van invaliditeit vrijwel steeds in aanmerking komen voor buitengewonelastenaftrek, is deze toeslag destijds uit oogpunt van doelmatigheid tot een bedrag van f 3 000 vrijgesteld. Daartegenover kunnen de betrokkenen tot dat bedrag geen ziektekosten aftrekken.

De toeslagen op grond van de WUBO en WUV zijn niet afhankelijk van de mate van invaliditeit. Er is daarom geen doelmatigheidsargument voor een algemene vrijstelling zoals voor de toeslagen bedoeld in het besluit. Mensen die een WUBO- of WUV-toeslag ontvangen, hebben daarentegen uiteraard onverkort recht op buitengewonelastenaftrek.

De inspecteur van de Belastingdienst heeft na de uitspraak van Hof 's-Gravenhage abusievelijk de aanslag van de belanghebbende verminderd, waardoor het voorgenomen beroep in cassatie niet meer kon worden ingesteld. Bij de publicatie van de hofuitspraak en van de andersluidende uitspraak van Hof Amsterdam inzake een toeslag ex artikel 21b (oud) WUV5, heb ik aangegeven de uitspraak van Hof 's-Gravenhage onjuist te vinden6. De belanghebbende in de zaak van Hof Amsterdam had inmiddels beroep in cassatie ingesteld.

In het arrest in die zaak7 besliste de Hoge Raad overeenkomstig mijn beleidsstandpunt: de WUV-toeslag is niet vrijgesteld als vergoeding voor ziektekosten en een beroep op het besluit BNB 1987/127 met toepassing van het gelijkheidsbeginsel is niet mogelijk. Gelet op de overwegingen van de Hoge Raad en gezien de overeenkomsten tussen de WUBO- en WUV-toeslagen, zou het oordeel van de Hoge Raad naar mijn overtuiging niet anders hebben geluid wanneer het zou zijn gegaan om een toeslag ex artikel 19 WUBO.

Zouden de WUBO- of WUV-toeslagen ondanks het oordeel van de belastingrechter buiten de heffing worden gelaten, dan is sprake van begunstigend beleid, waarvan een precedentwerking kan uitgaan naar mensen die ook medisch-sociale uitgaven doen waarvoor geen buitengewonelastenaftrek mogelijk is, maar die daarvoor niet een afzonderlijke toeslag op hun loon of uitkering ontvangen. Deze mensen zullen met een beroep op het gelijkheidsbeginsel een aftrek voor deze kosten claimen. De kans dat dit beroep door de rechter wordt gehonoreerd is groot, gelet op de jurisprudentie inzake het gelijkheidsbeginsel. Het moge duidelijk zijn dat een aftrek van moeilijk te kwalificeren uitgaven als die waarop de WUBO- en WUV-toeslagen zien in de praktijk nauwelijks uitvoerbaar is.

Los van een eventuele precedentwerking zie ik ook geen aanleiding om beleidsmatig een uitkering vrij te stellen die dient voor uitgaven die zijdelings met ziekte of invaliditeit samenhangen. In het verleden zijn zeer veel verzoeken om toepassing van de hardheidsclausule afgewezen waar het ging om uitgaven die in fiscale zin niet konden worden aangemerkt als ziektekosten maar die door de betrokkenen wel als zodanig werden ervaren. In de Mededeling van 26 februari 1991, nr. DB91/6828 heeft mijn ambtsvoorganger dit afwijzende beleid uiteengezet.

Ten slotte wijs ik nog op het aspect dat belanghebbenden tegenover de belastbaarheid van de toeslag een onverkort recht op buitengewonelastenaftrek hadden. Een vrijstelling met terugwerkende kracht zou betekenen dat deze aftrek moet worden teruggenomen, hetgeen praktisch ondoenlijk is.

Ik hoop u met het vorenstaande ervan te hebben overtuigd dat er geen aanleiding is om de artikel-19-toeslagen met terugwerkende kracht vrij te stellen.

DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN,

W.A. Vermeend

Deel: ' Toeslag Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers '




Lees ook