Actueel

Installatie president Gerechtshof 's-Gravenhage
Bron: Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum actualiteit: 21-09-2001

Bij Koninklijk Besluit van 4 augustus 2001 is tot president van het gerechtshof te 's-Gravenhage benoemd mr. J.J.I. Verburg, thans vice-president van het hof.

Op donderdag 20 september jl. te 16:00 is mr. Verburg tot president geïnstalleerd in het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te 's-Gravenhage.

Hieronder vindt u de volledige tekst van de toespraak.

TOESPRAAK INSTALLATIE PRESIDENT GERECHTSHOF 20 SEPTEMBER 2001

Dames en Heren,

" Het recht is geen rustig bezit meer". Met deze zin in de memorie van toelichting op zijn eerste begroting viel de toenmalige minister van justitie Van Agt met de deur in huis. Deze opening trok in september 1971 nogal aandacht, omdat de politiek verantwoordelijke minister erkende dat maatschappijkritiek die zich vanaf het midden van de jaren zestig breed manifesteerde, óók het recht niet onberoerd had gelaten. Aan de orde waren toen de verschillen van inzicht in de doeleinden waarvoor rechtsregels worden gesteld, maar ook een toenemende twijfel over de vraag of deze regels werkelijk bij machte zijn bij te dragen tot verwezenlijking van deze doeleinden.
Sinds dat moment is die discussie gebleven en is - mede door een toegenomen regelzucht - de energie van de wetgever eerder gericht geweest op de veronderstelde dynamiek van het recht, eerder op zijn instrumentele mogelijkheden dan op de consoliderende betekenis daarvan.
Soms lijkt het wel of door het scheppen van telkens nieuwe en meer gedetailleerde regelingen latente twijfels over waarde, handhaafbaarheid en effectiviteit bezworen moeten worden. Ik denk dat hier zowel een element van verklaring ligt voor de doorgeschoten gedoogcultuur als voor de geweldige juridisering van onze samenleving en het daarmee verbonden alsmaar stijgende beroep op de rechter.

Ik laat het bij deze enkele kanttekening. In de betrekkelijk korte tijd die ik heb, wil ik niet zozeer praten over het recht als wel over rechtspraak en rechtspleging.
Met herinnering aan de zojuist geciteerde woorden van 30 jaar geleden, valt er weinig op af te dingen als ik zeg dat al weer enige jaren ook rechtspraak en rechtspleging niet langer rustig bezit zijn. Leek het er aanvankelijk vooral op de gerechten en parketten enige vrijheid in budget en beheer te geven, geleidelijk aan, sluipend bijna maar onafwendbaar, is het gesprek terechtgekomen op doorlooptijden, werkvoorraden, omgevingsbewustzijn, klantvriendelijkheid, zelfbestuur, integraal management, competentieprofielen en loopbaanladders. En dit is nog maar een deel van het hedendaags jargon.

Vóórop staat dat deze ontwikkeling bepaald positieve kanten heeft. De rechtspraak is meer toegankelijk geworden, snelheid wordt als een aspect van kwaliteit gezien, de eigen attitude is bespreekbaar, en rechters en officieren zijn niet beschroomd om zich te laten kennen als mensen met individuele behoeften en belangen; mensen ook, die een loopbaanperspectief willen hebben, een behoorlijke werkplek en een organisatie die zich bekommert om de kwaliteit van de gehele werkgemeenschap.
Veel is daarin al bereikt en het einde is nog lang niet in zicht. Dat is een goed perspectief, maar deze ontwikkeling heeft ook een keerzijde.
De vrijheid van werken is ingeperkt. Niet langer kan iedere officier of rechter zijn taak op soms uiterst persoonlijke wijze invullen. De organisatie formuleert eisen, stelt zich doelen en rekent in prestaties en producten. Werd tot voor kort op veel plaatsen nog een punt gemaakt van de registratie van verlofdagen of ziekteverzuim en een zichtbaar, regelmatig werkritme - het was wel wennen, maar dáár kijkt tegenwoordig vrijwel niemand meer van op. Gelukkig is het niet zo, dat er nog veel collega's zijn die met droge ogen beweren dat dit type verandering op gespannen voet staat met de vrijheid van de `professional' of, sterker nog, met de onafhankelijkheid van de rechtspraak. Het is niettemin verrassend hoe snel dat proces van voeging naar de maatstaven van een doorsnee overheidsorganisatie gaat.

Het gaat zó snel dat we ervoor moeten waken dat we daarin niet doorschieten, want met name de rechtsprekende macht moet vanwege zijn constitutionele positie én zijn maatschappelijke rol en taak, functioneel exclusiviteit en afstand houden.

Gekomen op het terrein van de onafhankelijkheid ga ik afscheid nemen van de rechterlijke ambtenaren die werkzaam zijn bij de parketten. Maar eerst nog een enkele opmerking over de lat-relatie van rechters en officieren.

Bij wat ik tot nu toe naar voren heb gebracht, heb ik bewust geen onderscheid gemaakt tussen de leden van de rechtsprekende macht en die van het openbaar ministerie. Het zijn allen rechterlijke ambtenaren, overheidsdienaren die de publieke functies binnen de rechtspraak vervullen.
Dat is een gemeenschappelijke grondslag die van blijvende en doorslaggevende betekenis zou moeten zijn voor het besef van verbondenheid in het licht van gelijkgestemde noties over de rechtsstaat. Het is mijn overtuiging dat de rechtspleging zal inboeten aan kwaliteit als beide geledingen te ver uit elkaar zouden groeien. Dat risico is zeker aanwezig nu de geledingen ieder een eigen organisatieontwikkeling doormaken waardoor de verschillen in positie en belangen sterker dan in het verleden zichtbaar zijn geworden. Een gezonde afstand bij de taakvervulling is noodzakelijk, maar het OM moet de rechter, en dus de zittende magistratuur, als zijn vanzelfsprekend eerste oriëntatiepunt behouden om niet vermalen te worden in het bestuurlijke krachtenveld. Omgekeerd moeten rechters beseffen dat zij belang hebben bij een OM als betrouwbare partner in de strafrechtspleging.

Dit is geen pleidooi voor ´twee handen op één buik´ en evenmin een verhulde wens om verschillen in verantwoordelijkheden en positie te onttrekken aan een adequate controle door advocatuur en media. Dát is niet aan de orde; mijn opvatting is gebaseerd op de inrichting van het Wetboek van Strafvordering met zijn stelsel van attributie van veelal complementaire bevoegdheden van officier en rechter. Ik pleit daarom voor een OM dat een keuze voor die positie duidelijk maakt én bevestigt, en voor een politiek die inziet dat daarvoor ruimte moet worden geboden. Ik merk hierbij op dat ik de laatste tijd tekenen zie die in die richting wijzen, bijvoorbeeld de uitgesproken opvattingen van de voorzitter van het College van Procureurs-generaal, de visie van het departement in de dit voorjaar gepubliceerde nota Strategische Verkenningen en de recent op gang gebrachte gesprekken tussen vertegenwoordigers van de zittende en staande magistratuur.

De liefde kan natuurlijk niet van één kant komen. Ik pleit óók voor een rechtsprekende macht die het OM niet verder van zich verwijdert dan voor een transparante rechtspraak nodig is. Als wij ons vervreemden van hen, is het voorportaal van de onafhankelijke rechtspraak een vrij schootsveld.

Ik maak in dit verband nog één opmerking ter afronding. Het is goed dat er een gemeenschappelijk opleidingsinstituut is voor beide geledingen en het is belangrijk dat er een NVvR is die als standsorganisatie beide geledingen verenigt. Buiten de rechtszaal zijn dit de twee enige gremia waar de groepen elkaar treffen en daar moet niet lichtvaardig mee worden omgegaan. Daarbij is het goed te beseffen dat zij niet de pijlers van een gemeenschappelijke besef van verbondenheid zijn. Zij zijn volgend, niet dragend, - en tóch kunnen zij in dit vraagstuk een sleutelrol vervullen.
Een SSR door in opleidingen - en niet alleen die van raio's - aansluiting te zoeken bij fasen en thema's die bij uitstek gemeenschappelijk zijn of de gelegenheid bieden om buurmans` erf te betreden; een NVvR door het platform te zijn waar gemeenschappelijke noties en het gemeen belang samenkomen en het onderling vertrouwen in de persoonlijke sfeer kan gedijen.

Genoeg nu over OM en ZM en wat hen verbonden moet en kan houden. Ik ga met u terug naar het thema van organisatieontwikkeling en beperk mij verder tot de rechters en de gerechten, meer precies ook tot het hof.

Er staat veel te veranderen. De autonomie van rechter en gerecht zal, zoals het er nu naar uitziet, binnen enkele maanden anders zijn. De gerechten zullen verantwoording moeten afleggen over de besteding van gelden die zij beschikbaar hebben gekregen en zij zullen door de Raad voor de rechtspraak - waarvan de leden uit kracht van wet collega rechterlijk ambtenaar zijn - worden aangesproken op beheer, bedrijfsvoering en productie. Uitdrukkelijk is voorzien dat de Raad, net zo als het bestuur van het gerecht, zich verre houdt van invloed op de rechtspraak zelf, dus de inhoud van de beslissingen, maar er is een begrijpelijke zorg dat de bedrijfsvoering onvermijdelijk doorwerkt in de werkwijze van rechters en dat het gevaar daarmee groot is dat ook de inhoud van beslissingen hierdoor wordt beïnvloed. Ik begrijp die zorg; want, met alle goede bedoelingen van wetgever en bestuurders, de dynamiek van de bureaucratie is soms heel autonoom en opdringerig. Wij zullen er alert op moeten zijn dat in het spanningsveld tussen verantwoording en onafhankelijkheid, de essentie van onafhankelijkheid niet wordt uitgehold ten koste van de zucht tot ordening en verantwoording.
Ordening en verantwoording zijn nodig, want het gaat om publiek geld dat ons wordt toevertrouwd. Dan is het minst genomen redelijk en zorgvuldig dat wij kunnen aangeven waaraan en waarom wij de middelen hebben besteed en is een inzichtelijke bedrijfsvoering bepaald noodzakelijk als we menen te kort te komen. Dat geldt zowel voor het primaire proces als voor de sterk gegroeide en onvermijdelijke inzet van adequaat bestuur en management.
Maar alles met mate en steeds getoetst aan de vraag of het echt nodig is.
Met bestuurders en managers die deels zelf rechter zijn en ook daadwerkelijk rechtspraak zullen blijven uitoefenen, vertrouw ik dat er een goed evenwicht te bereiken zal zijn tussen de eisen van bedrijfsvoering en de eisen van een onafhankelijke rechtspraak die aansluit bij de maatschappelijke vraag.

Dames en heren,

Het is een voorrecht om als president en straks onder dezelfde naam als eerste voorzitter van het bestuur leiding te geven in het Haagse hof aan het proces van onafhankelijkheid en verantwoording. Dát zijn de invalshoeken die de uitoefening van rechtspraak in de komende tijd zullen bepalen en waarvoor een balans gevonden moet worden. Het doet mij daarom genoegen dat vanmiddag aan deze tafel naast het bestuur van het hof ook de rechtspraak zelf heeft plaats genomen in de persoon van de oudste coördinerend vice-president van het hof. Het laatste wat moet gebeuren is dat er een tegenstelling zou ontstaan tussen degenen die de rechtspraak doen en degenen die dat mogelijk moeten maken. Als bestuurders mogen wij nimmer uit het oog verliezen dat wij er voor hen zijn, zij het dat wij in dat proces leiding geven en niet aan de leiband lopen. Als wíj evenwel onze taak goed oppakken, onze rol consistent uitdragen en deze in ons handelen betrouwbaar tot uitdrukking brengen, ben ik ervan overtuigd dat zíj het bestuur de ruimte geven om zijn bestuurlijke en managementtaken te vervullen.

Ik rond af en herhaal de woorden die ik vanochtend al bij alle medewerkers van het hof via e-mail heb overgebracht. Vandaag treedt Govaert Kok ook formeel terug als president en neem ik de verantwoordelijkheid over. Bij zijn afscheid in juni zijn passende woorden van dank gesproken voor de wijze waarop hij zich zonder voorbehoud voor het hof heeft ingezet. Ik dank hem op dit moment voor de wijze waarop hij de afgelopen weken zorgvuldig en ruimhartig zijn kennis en inzichten aan mij heeft overgedragen; ik dank de medewerkers van het hof voor het vertrouwen dat in de fase van werving en selectie, en na de aanbeveling en benoeming is uitgesproken.

Ik begin onder een goed gesternte en zal mij inzetten om er een succes van te maken. Dat ik het niet altijd iedereen naar de zin zal maken, is een open deur; besturen vraagt om kiezen en als je kiest heeft iets of iemand toch veelal het nakijken. Belangrijk is wel dat te doen op een open, evenwichtige en controleerbare wijze. Zo kan het vertrouwen dat ik heb ervaren, ook een hoeksteen worden in onze omgang met elkaar; in huis de rechterlijke en gerechtsambtenaren, daarbuiten de Raad, de politiek en de samenleving.

Dank u wel.

Deel: ' Toespraak bij installatie president Gerechtshof Den Haag '




Lees ook