NIBRA



Toespraak minister Borst tijdens slotmanifestatie PVB en PGHOR

Op de feestelijke afsluiting van de projekten PVB en PGHOR sprak minister Borst de volgende rede uit:

"De rampenbestrijding in Nederland, dames en heren, is geen klein bier.

En met deze eufemistische uitspraak geleend van onze zuiderburen, is eigenlijk het hele dilemma van de rampenbestrijding aan het einde van dit millennium geschetst. De samenleving stelt steeds hogere eisen aan de rampenbestrijding, terwijl de complexiteit, het takenpakket én de schaal van optreden er in de afgelopen jaren alleen maar groter op geworden zijn.

Samengevat: het wordt steeds moeilijker en het moet steeds beter.

Vanmiddag staan staatssecretaris De Vries en ik stil bij de stand van zaken rond de rampenbestrijding in 1999. Ik kijk terug. Hij kijkt vooruit. U ziet: we passen de werkverdeling in het kabinet aan aan de leeftijd van de bewindslieden.

Het zal duidelijk zijn dat de respectievelijke beleidsterreinen waarvoor wij ieder verantwoordelijk zijn de kleur bepalen van onze inbreng van vanmiddag. Tegelijkertijd onderschrijven wij beíden de noodzaak om te komen tot een duidelijke versterking van de rampenbestrijdingsorganisatie. Dat versterking noodzakelijk is, wordt wel bewezen door de incidenten die wij het afgelopen decennium in Nederland hebben moeten meemaken. Het waren incidenten van diverse aard: kettingbotsingen, vliegrampen, een ontploffing in een chemische fabriek, wateroverlast en stroomstoringen. Maar steeds vormden zij een directe bedreiging voor grote aantallen mensen.

De samenleving wordt mettertijd kwetsbaarder. Door de technologische, industriële en infrastructurele ontwikkelingen enerzijds, maar óók door de groei van de bevolking en de concentratie in bewoning. De kans op slachtoffers en materiële schade neemt, kortom, toe. Een overheid moet het maximale doen om de burgers te beschermen tegen de risico's die hen bedreigen. Bijvoorbeeld door waar mogelijk risico's te voorkomen. Hierop zal de staatssecretaris zo meteen nader ingaan.

Áls zich dan toch een calamiteit voordoet moet een overheid op een adequate manier (kunnen) voorzien in de hulpvraag van de bevolking.

Om aan deze hulpvraag optimaal te kunnen voldoen - en die stelt zich over het algemeen op een onverwacht moment - is de rijksoverheid inmiddels al een aantal jaren bezig.

In 1986 werd de organisatie Bescherming Bevolking opgeheven. Sindsdien zijn de diensten die de dagelijkse hulpverlening voor hun rekening nemen - de brandweer, de politie en de gezondheidszorg - óók met de rampenbestrijdingstaak belast. Indien nodig krijgen deze organisaties hulp van andere - bijvoorbeeld gemeentelijke - diensten van Defensie of van het Nederlandse Rode Kruis.

De Bescherming Bevolking was een 'slapende' organisatie die wakker schoot als er iets gebeurde, maar daar juist als gevolg van haar slapend karakter onvoldoende op kon reageren. De nú gekozen structuur voor de rampenbestrijding heeft als voordeel dat de organisaties die in hun dagelijks functioneren met hulpverlening zijn belast, onmiddellijk tot actie kunnen overgaan. Slechts de schaal waarop zij optreden en de samenwerking met andere organisaties en diensten breidt zich bij een calamiteit uit. Dit opschalen van de dagelijkse actieve organisatie, van klein naar groot dus, vereist dat de taken van de verschillende organisaties juist ook tijdens dát proces naadloos op elkaar blijven aansluiten. En daar, dames en heren, komt een heleboel bij kijken, dat is 'het grote bier'.

Om de versterking van de rampenbestrijding in goede banen te leiden zijn in de vorige kabinetsperiode twee belangrijke projecten gestart: het Project Versterking Brandweer en het Project Geneeskundige Hulpverlening bij Ongevallen en Rampen. In de volksmond: PVB en PGHOR. Hun doel was om een organisatie te realiseren die bij grootschalige ongevallen en rampen, én bestuurlijk, én operationeel, én organisatorisch samenhangend functioneert. In de afgelopen jaren is veel tot stand gebracht. De staatssecretaris en ik zijn daar ook heel tevreden over. Het ging in alle eerlijkheid overigens niet altijd makkelijk: het onderwerp is erg complex, het veld is complex en de verantwoordelijkheden wegen soms zwaar. Maar daarom is de voldoening over de bereikte resultaten dus ook des te groter.

Zoals u weet, staan wij vanmiddag stil bij de opheffing van deze twee projecten. Niet dat we nu klaar zijn. Integendeel als het project is gedaan, begint pas het échte leven. Het implementeren van de resultaten van deze twee projecten door de staande organisatie binnen het ministerie van BZK en mijn departement samen met het veld zal veel werk en aandacht vragen. Politiek, ambtelijk en in het veld.

Even nog een paar woorden over de twee projecten zelf.

In het PVB spraken de gemeenten en het rijk af om de brandweer te versterken.

Met name ging het daarbij om de coördinerende rol van de regionale brandweer bij de rampenbestrijding en om het aandeel daarin van de gemeentelijke brandweren.

De geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen waar PGHOR zich op richtte, is, zoals u zult begrijpen, voor mijn eigen departement een zeer belangrijk issue. Het raakt immers aan zoveel terreinen die voor een goed functionerende gezondheidszorg cruciaal zijn. Ik noem u de ambulancevoorziening en de traumazorg, maar ook de kwaliteit die instellingen leveren. En daar bedoel ik zowel de kwaliteit mee die de instellingen afzonderlijk leveren, als de kwaliteit die zij gezamenlijk, in ketenverband leveren. Op deze onderdelen is mijn departement al jarenlang actief voor wat betreft het scheppen van voorwaarden. Er wordt intensief naar het veld geluisterd, en ook financieel veel geïnvesteerd. Het moment breekt nu aan waarop het veld aan zet is. Ik kom daar straks nog op terug.

PGHOR stoelt in belangrijke mate op mijn beleidsvoornemens zoals die zijn neergelegd in de nota 'Met Zorg Verbonden'.

Daarbij heb ik gebruik gemaakt van het gedachtegoed van een groot aantal deskundigen vanuit alle betrokken disciplines. Zij hebben in het zogenoemde Visiedocument houtsnijdende uitspraken gedaan. Die gingen over de relatie tussen spoedeisende medische hulpverlening en de geneeskundige hulpverlening bij rampen en grote ongevallen en ook over de manier waarop deze het best zouden kunnen worden ingericht.

PGHOR richtte zich op het realiseren van een samenhangende, functionele organisatie van de spoedeisende medische hulpverlening die naadloos van klein- naar grootschalig optreden kan opschalen. In alle gevallen, of het nu gaat om één ongevalsslachtoffer of om honderden, moet de patiënt centraal staan. Om deze slachtoffers optimale zorg te kunnen garanderen moeten alle schakels in de zorgketen goed op elkaar aansluiten.

Anders gezegd, de alarmering bij de Centrale Post Ambulancevervoer, de aanrijtijd van de ambulances, het verlenen van de eerste medische hulp, het vervoer naar het ziekenhuis,

de behandeling in het ziekenhuis, en de revalidatie: het zijn allemaal schakels in een keten - de SMH-zorgketen - die nergens mag breken.

De kwaliteit van de zorg die de patiënt ontvangt wordt dus bepaald door de kwaliteit van de diverse betrokken organisaties die onze patiënt achter elkaar onder hun hoede nemen, maar in belangrijke mate óók door de manier waarop zij samenwerken.

Alle afzonderlijke Nederlandse zorginstellingen hebben te maken met de Kwaliteitswet Zorginstellingen. Tegen de achtergrond van deze wet, heeft het project een kwaliteitssysteem uitgewerkt dat bruikbaar is voor het niveau boven de afzonderlijke zorginstellingen: de zorgketen voor spoedeisende medische hulpverlening. Met behulp van een registratiesysteem wordt bevorderd dat er op belangrijke onderdelen sprake zal zijn van onderling vergelijkbare gegevens. Ook dit bevordert de onderlinge aansluiting. Sluitstuk van het kwaliteitssysteem is tenslotte het visitatiesysteem dat intercollegiale toetsing door onafhankelijke derden mogelijk maakt.

Ik hecht veel waarde aan kwaliteitszorg, ook voor deze zorgketen. Daarom doe ik een beroep op het veld om dit kwaliteitssysteem zo spoedig mogelijk in te voeren. Mijn departement zal daarbij waar mogelijk behulpzaam zijn.

Dames en heren,

De geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen beweegt zich op het snijvlak van gezondheidszorg en openbaar bestuur. In het kader van PGHOR hebben de staatssecretaris en ik een
bestuurlijk-organisatorisch kader geschapen. In dat kader is de bestuurlijke verantwoordelijkheid voor het functioneren van de zorgketen voor spoedeisende medische hulpverlening voor zowel klein- als grootschalig optreden in één hand gebracht.

De gemeenten zijn op vrijwillige basis in totaal 26 afzonderlijke samenwerkingsverbanden aangegaan - de zogenaamde GHOR-regio's . Bij de besturen van die regio's is de bestuurlijke verantwoordelijkheid neergelegd voor het samenhangend functioneren van de zorgaanbieders binnen de totale keten van geneeskundige hulp bij ongevallen en rampen onder alle omstandigheden.

Voor de uitvoering van de GHOR-taken stellen deze besturen per regio een Regionaal Geneeskundig Functionaris, de RGF, aan. Over diens positie is veel te doen geweest. Met name dáár laat de wrijving van het snijvlak tussen gezondheidszorg en openbaar bestuur zich voelen. Enerzijds vervult de RGF een eigen rol binnen de zorgketen en heeft hij te maken met de inhoudelijke beleidsontwikkeling van mijn departement, bijvoorbeeld als het gaat om richtlijnen en protocollen met betrekking tot kwaliteit. Anderzijds treedt hij op als de adviseur van het gemeentebestuur als het gaat over de organisatie rondom en de voorbereiding op de geneeskundige hulp bij ongevallen en rampen. De taken, zoals die aan de RGF zijn toebedacht zijn complex en tijdrovend en een grote mate van onafhankelijkheid. Reden voor collega De Vries en mijzelf om de mogelijkheid te creëren deze functie niet langer verplicht, qualitate qua, te koppelen aan die van de directeur GGD. Deze ontwikkeling zal binnenkort in wetgeving worden vastgelegd. Er zijn op dit moment in alle regio's RGF-en aangesteld en zij hebben zich georganiseerd in de zogenaamde 'Raad van RGF-en'.

De rol van de RGF is te vergelijken met de rol die de korpschef politie en de regionaal brandweercommandant op hún beleidsterreinen vervullen.

Ook hier doe ik een beroep op het veld: dit
bestuurlijk-organisatorisch kader kan pas goed functioneren als iedereen van harte meewerkt.

Een ander belangrijk onderwerp waar ik even bij wil stilstaan is de traumazorg. De 10 traumacentra zijn inmiddels aangewezen en gezamenlijk aan de slag. Hun samenwerking heeft óók gestalte gekregen in de vorm van een georganiseerd overleg. Een samenwerking die naar mijn mening geformaliseerd moet worden. Het resultaat van het landelijk overleg moet zijn vertaalslag krijgen naar de regio's. Dat betekent dat er op regionaal niveau in samenwerking met de RGF-en afstemming zal moeten plaatsvinden over de verdeling van de ongevalslachtoffers per ziekenhuis. Maar ook over medisch-inhoudelijke behandelzaken, de inzet van mobiel medische teams en de invoering van het kwaliteitssysteem. Er is dus veel te doen. Na de gedane investeringen van de kant van het rijk ligt ook hier nu de bal bij het veld. Ik heb er alle vertrouwen in dat de resultaten snel merkbaar zullen zijn. Ik zal de ontwikkelingen van dichtbij met aandacht volgen.

Staatssecretaris de Vries zal straks uitvoerig ingaan op de territoriale congruentie tussen de hulpverleningsregio's in Nederland. De GHOR-regio's zijn inmiddels gerealiseerd en op korte termijn zal er duidelijkheid komen over de territoriale invulling van het traumazorgnetwerk. Ik vind het van groot belang dat de traumazorg-regio's zich organiseren langs de grenzen van de GHOR-regio's. Het eerste overleg tussen de traumacentra hierover heeft al plaatsgevonden en op korte termijn zal duidelijk zijn hoe de verdeling eruit ziet.

In het kader van de rampenbestrijding wil ik ook even stilstaan bij de ambulancezorg - een sector die onlangs vaak in het nieuws geweest is. Ook in deze sector is de laatste tijd veel geïnvesteerd. De knelpunten in de geografisch unieke gebieden: Zeeland en de Waddeneilanden zijn aangepakt. In de Nota 'Met Zorg Verbonden' werd de verwachting uitgesproken dat er, mede dankzij deze incentives, in 2000 overal sprake zou zijn van een RAV, een regionale ambulancevoorziening.

Dat proces is gestart, maar nog niet in alle regio's even ver gevorderd. De sector heeft mij gevraagd om met formele regelgeving te komen. Ik ben daartoe bereid en zal op korte termijn aan het veld laten weten in welke richting mijn gedachten gaan. Ook hier zal met de nieuwe gebiedsindeling maximaal aansluiting worden gezocht bij de GHOR-regio's en in de toekomst de politie-regio's.

Ik wil hier nog eens benadrukken dat de financiële bomen voor de gezondheidszorg niet tot in de hemel groeien. In het geval van de ambulancezorg betekent dit dat er naast extra investering ook gebruik zal moeten worden gemaakt van schaalvoordelen. Om de gewenste kwaliteit te bereiken is ook doelmatiger werken van de sector zelf onvermijdelijk. De randvoorwaarden zijn bekend. Ik wacht ook hier graag de initiatieven van het veld af.

De rode draad, dames en heren, door de organisatie van de rampenbestrijding, de traumazorg én de ambulancezorg is dat de patiënt centraal staat. In hoeverre het ons lukt om dat credo in de praktijk te vertalen is afhankelijk van de samenwerking van álle ketenpartners. Ik heb al enkele malen de nadruk gelegd op het feit dat het veld op onderdelen weer aan zet is.

Tegelijkertijd wil ik te benadrukken dat de staatssecretaris en ik u in het veld niet aan uw lot overlaten. Integendeel: wij stimuleren graag de oprichting van allerlei gremia die het onderling afstemmen en uitwisselen van informatie bevorderen. Zoals u weet is dit jaar het NIVU, het Nederlands Instituut voor Urgentiegeneeskunde opgericht. Het instituut gaat zich bezighouden met kennisontwikkeling op het gebied van de urgentiegeneeskunde, en organisaties faciliteren en ondersteunen die zich met urgentiegeneeskunde bezighouden. Maar daarnaast hoop ik dat het instituut op termijn óók een rol gaat vervullen op het gebied van de analyse van registratieresultaten over urgentiegeneeskunde-patiënten. Die gegevens kunnen dan op één landelijk punt verzameld en geëvalueerd worden. We zitten op dit ogenblik nog in de opbouwfase, maar ik hoop dat onze hooggespannen verwachtingen in 2000 gerealiseerd zullen kunnen worden.

In het verlengde hiervan noem ik het Platform voor Urgentiegeneeskunde, kortheidshalve PLUG, dat eerdaags gestalte krijgt. Het wordt een vertegenwoordiging van alle relevante koepelorganisaties in Nederland die zich op een of andere manier met urgentiegeneeskunde bezighouden. Die interpretatie vat ik overigens ruim op: ook de VNG en het IPO zijn bijvoorbeeld welkom. Dit wordt, naar het zich laat aanzien, het forum voor beleidsontwikkeling op het vlak van de urgentiegeneeskunde in Nederland. Dit platform zal intensief overleg moeten voeren met het Landelijk Beraad Rampenbestrijding dat bij BZK wordt opgericht. Met de hulp van dit platform wil ik bereiken dat het nog te ontwikkelen geneeskundige beleid op het gebied van de spoedeisende medische hulp en de GHOR ook daadwerkelijk een breed draagvlak krijgt bij de betrokken organisaties. Los hiervan ben ik van plan om in de toekomst ook op een directe manier ondersteuning te bieden aan het veld. De bij van BZK ontwikkelde figuur van regiocoördinatoren spreekt mij aan. In het kader van de voorbereidingen op de millenniumovergang hebben wij feitelijk reeds goede ervaringen opgedaan binnen het Millennium Platform Zorg met een dergelijke werkwijze.

In dit kader ondersteun ik ook van harte een vanuit het veld geopperd initiatief om in 2000 een landelijke bijeenkomst te organiseren voor de bestuurlijke en medische top waarin nog eens duidelijk gemaakt wordt wíe wáárvoor verantwoordelijk is. Soms immers lijkt het gezamenlijke doel, namelijk het geven van optimale zorg aan de patiënt die bij alles centraal moet staan, wat weggezakt in al het gepraat over de organisatie. Het resultaat van die bijeenkomst kan dan in regionale bijeenkomsten naar de praktijk per regio worden doorvertaald. Het doel van deze bijeenkomsten is het gelijk richten der neuzen, het bespreken van nut en noodzaak van afstemming en samenwerking én het komen tot concrete en praktische uitvoeringsafspraken. U zult hierover binnenkort ongetwijfeld meer horen.

Tot slot, een woord over het vervolg. Alle onderdelen die ik genoemd heb worden geëvalueerd, en dat is maar goed ook. Helaas gebeurt dat op verschillende momenten. Ik vind dat de resultaten van PGHOR, traumazorg en RAV-vorming afzonderlijk, maar ook in hun onderlinge samenhang geëvalueerd moeten worden. Dat lijkt mij niet alleen een logisch, maar ook noodzakelijk vervolg op de nota "Met Zorg Verbonden'. Ik zeg u daarom toe dat ik samen met staatssecretaris de Vries, al kijken naar de mogelijkheden om een dergelijke integrale evaluatie te realiseren."

Deel: ' Toespraak Borst tijdens slotmanifestatie rampenbestrijding '




Lees ook