expostbus51


Ministerie SZW
https://www.minszw.nl

SZW: Toespraak minister De Vries VNG/Arbvo

Nr. 99/5
20 januari 1999

Embargo:
tot 20 januari 1999

14.30 uur

Toespraak van minister mr. K.G. de Vries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, uitgesproken door directeur-generaal mevrouw drs. E.J. Mulock Houwer, op het congres 'WIW: kansen voor werkgevers en werknemers?' georganiseerd door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en Arbeidsvoorziening in Amersfoort op 20 januari 1999.

Graag open ik bij deze dit congres. Met recht en reden denk ik dat we aan het begin staan van een bijzondere bijeenkomst. Want dit is niet het zoveelste congres over de WIW, de Wet Inschakeling Werkzoekenden. Het gaat vandaag in feite over een veel breder thema. We hebben het niet alleen over kansen voor de WIW, maar vooral ook over kansen op samenwerking in het arbeidsmarktbeleid in de breedst mogelijke zin van het woord.

Zoals u weet is dit congres georganiseerd door Arbeidsvoorziening en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten gezamenlijk. Bij mijn weten is het voor het eerst dat deze instellingen zo uitdrukkelijk samen optrekken op deze manier. En als ik dan kijk naar de opkomst in de zaal, dan kan ik niet anders dan constateren dat dit gezamenlijke initiatief in goede aarde valt.

Zo ongeveer elke discipline en elke organisatie die zich bezighoudt met arbeidsmarktbeleid is hier vandaag vertegenwoordigd. Wethouders en ondernemingsbestuurders, vertegenwoordigers van werknemers- en werkgeversorganisaties en vele professionals op het gebied van de arbeidsbemiddeling.
Ik heet u allen van harte welkom en ik hoop dat u tussen de bedrijven door ook nog de tijd zult vinden om elkaar te ontmoeten en te spreken.

Samenwerken, samen optrekken om tot een zo goed mogelijke dienstverlening te komen. Ik denk dat dit logisch aansluit bij de omslag die we hebben gemaakt in het arbeidsmarktbeleid. Die omslag is dat we de werkzoekende voorop hebben gesteld. Het gaat niet om de instituties, het gaat om de mensen.
Activering en reïntegratie. Dat is de rode lijn in de veelheid van maatregelen, wetten en voorzieningen die de laatste jaren in het leven zijn geroepen. Dat geldt voor de Melkertregelingen, voortgezet als I/D banen, dat geldt voor de wet op de Reïntegratie van arbeidsgehandicapten en de nieuwe ABW, dat geldt voor de organisatiewetten voor de sociale verzekeringen en het geldt in het bijzonder ook voor de WIW. Niet de uitkering voorop stellen, maar zoveel mogelijk je instrumenten en je middelen richten op de terugkeer naar werk.

Juist ook omdat we het vinden van werk voorop willen stellen is de rol van de gemeenten in het arbeidsmarktbeleid aanzienlijk versterkt. Want gemeenten staan dicht bij de burger. Gemeenten hebben meer vrijheid, meer verantwoordelijkheid en meer middelen gekregen om die mensen te helpen die niet op eigen kracht de weg naar de arbeidsmarkt weten te vinden.

Ik denk dat de gemeenten de afgelopen jaren goed in hun nieuwe rol zijn gegroeid. Ik denk dat dit best wel eens hardop gezegd mag worden. De tienduizenden banen die in het kader van de Melkert-I regeling zijn gecreëerd zijn het tastbare bewijs dat gemeenten de uitdaging hebben opgepakt.

Hoe zijn de eerste ervaringen met de WIW? Zoals u weet is de WIW nauwelijks een jaar van kracht. Dat dwingt tot voorzichtigheid bij het doen van uitspraken. Maar ik denk dat er in het algemeen sprake is van een goede start. We hadden voor het hele jaar 1998 geraamd dat de gemeenten 1500 werkervaringsplaatsen zouden creëren in het kader van de WIW. Eind juni vorig jaar waren er al 1800 werkervaringsplaatsen gerealiseerd. En ook in de tweede helft van vorig jaar zijn flinke aantallen mensen geplaatst. We verwachten dat over geheel 1998 het aantal dicht in de buurt van de 4000 zal zijn uitgekomen. Dat is dus meer dan het dubbele van de raming.

Het algemene beeld is dus positief en bemoedigend. Dat neemt niet weg dat er ook knelpunten aan het licht zijn gekomen. Met name bij sommige landelijke projecten, die onder één van de voorlopers van de WIW -de Melkert-II regeling- goed liepen, is een behoorlijke terugval opgetreden. Dat is jammer, want het gaat hierbij om projecten die succesvol waren en die ook echt door werkgevers en werknemers werden gedragen.

Maar ik wijs er op dat dit zeker niet het algemene beeld is bij de landelijke projecten. Er zijn ook projecten die hun draai weer goed hebben weten te vinden en die tot goede en werkbare afspraken zijn gekomen met de gemeenten.

Dat neemt niet weg dat er inderdaad soms sprake is van haperingen. Die zijn dan ook uitvoerig aan de orde gekomen in het afgelopen Voorjaars- en Najaarsoverleg. Want hoe terecht kritiek op zichzelf ook kan zijn, kritiek is alleen echt nuttig als daar praktisch iets mee gedaan wordt. En wat dat betreft denk ik dat het geregelde overleg met de sociale partners ook in deze kwestie zijn meerwaarde bewezen heeft.

Het is begrijpelijk en terecht dat de sociale partners aan de bel hebben getrokken. De kritiek is dat de verschuiving van de aansturing van het ministerie naar de gemeenten zou hebben geleid tot een te grote versplintering en grotere onduidelijkheid over de verantwoordelijkheden. Dit punt wordt echter wel opgepakt in het overleg met de VNG en Arbeidsvoorziening. Ik ben dan ook blij dat sociale partners en VNG en Arbeidsvoorziening de volgende afspraken hebben gemaakt.

Er zijn ten eerste afspraken gemaakt over de hoogte van de loonkostensubsidies die gemeenten verstrekken bij sectorale projecten. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten heeft als aanbeveling gedaan dat elke werkervaringsplaats die in het kader van cao-afspraken wordt gecreëerd minimaal kan rekenen op 10.000 gulden subsidie. En als die werkervaringsplaats uitmondt in een arbeidsovereenkomst voor tenminste een jaar, is de subsidie minimaal 12.000 gulden.

We hebben de indruk dat die afspraken goed worden nagekomen door de gemeenten. Maar ik vraag me af hoe goed iedereen inmiddels met die afspraken bekend is. Het kan daarom denk ik geen kwaad om de vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers in deze zaal nog eens te wijzen op de aanbeveling van de VNG en u voor te houden dat u de gemeenten daarop kunt aanspreken.

Een tweede resultaat van het overleg met sociale partners is dat er afspraken zijn gemaakt over betere wederzijdse informatievoorziening tussen gemeenten en Arbeidsvoorziening en over het starten van concrete samenwerkingsprojecten.

Een markant voorbeeld van dat laatste is het pilotproject van de VNG en Arbeidsvoorziening in Limburg. Dat project zal vanmiddag nog uitvoerig aan de orde komen. Ik volsta daarom hier met de opmerking dat ik niet alleen onder de indruk ben van het aantal projecten dat in Limburg is opgestart, maar vooral ook de veelzijdigheid daarvan. Het gaat onder meer om werkervaringsplaatsen voor constructiebankwerkers, voor lassers, voor stratenmakers, voor winkelpersoneel, en het gaat om banen in de horeca en in de zorg.

Wat opvalt is dat het vaak gaat om banen in sectoren waar schaarste aan personeel dreigt. En daaruit blijkt hoe belangrijk de rol is van Arbeidsvoorziening. Arbeidsvoorziening heeft nu eenmaal van huis uit meer kennis van de vraagzijde van de arbeidsmarkt dan de gemeenten. Het is zaak dat de gemeenten die expertise zoveel mogelijk benutten. Ik hoop dan ook dat het project in Limburg bredere navolging krijgt.

Daarnaast zullen gemeenten ook meer zelf de markt moeten opzoeken. Het is zaak voor de gemeenten als opdrachtgevers om ook zelf meer voeling te krijgen met de vraagkant van de arbeidsmarkt. Ik denk dat het bijvoorbeeld een goede zaak zou zijn als wethouders van sociale zaken vaker hun collega's van economische zaken gaan opzoeken. In welke projecten gaat onze gemeente de komende jaren investeren? En wat kan dat betekenen voor ons werkzoekendenbestand? Welke bedrijven komen naar onze gemeente en hoe kan ik die het beste benaderen?

Van dat soort vragen. Waar het op aan komt is netwerken. Met bedrijven, met arbeidsvoorziening, met regionale instellingen, maar wat mij betreft ook met sportverenigingen en de Rotaryclub.

Tot zover de gemeenten.
Rest mij nog speciaal het woord te richten tot de tweede gastheer van vandaag, Arbeidsvoorziening. We hoeven er geen doekjes om te winden dat uitvoering van het regeerakkoord opnieuw ingrijpende gevolgen zal hebben voor de organisatie van de Arbeidsvoorziening.

Zoals u ongetwijfeld weet zal het kabinet binnenkort met een nader standpunt komen over de toekomstige structuur van de uitvoering van de sociale zekerheid en van de arbeidsvoorziening. Ik kan daar dus nu onmogelijk gedetailleerd op ingaan. Maar het zal genoegzaam bekend zijn dat verwacht mag worden dat een substantieel deel van de taken van Arbeidsvoorziening zijn plaats zal krijgen in de Centra voor Werk en Inkomen en dat een ander deel een plaats in de markt zal krijgen.

Dit is een flinke verandering.

Ik denk dat we niet moeten wegpoetsen dat forse veranderingen in welke organisatie dan ook altijd gepaard gaan met onzekerheid en spanningen voor de betrokkenen. Maar dat gezegd hebbende denk ik dat we ook weer niet moeten overdrijven, en zeker niet in een tijd dat in het bedrijfsleven reorganisaties en herbezinning op de kerntaken aan de orde van de dag zijn.

Want het mag dan zo zijn dat de constellatie sterk gaat veranderen, tegelijk is ook duidelijk dat de wezenlijke taken van Arbeidsvoorziening behouden blijven. Voor veel medewerkers zal gelden dat de aansturing anders wordt, maar dat het werk in wezen hetzelfde blijft. En dat heeft een hele eenvoudige reden. De reden namelijk dat er ook in de toekomst behoefte blijft bestaan aan dienstverlening op het gebied van de arbeidsbemiddeling en reïntegratie.

Sterker nog, het is duidelijk dat die behoefte in de komende jaren alleen nog zal maar toenemen. Want waar we naartoe gaan is een sluitende aanpak van de langdurige werkloosheid. Een aanpak waarbij aan alle werkloze werkzoekenden een aanbod richting werk gedaan wordt v¢¢rdat zij langdurig werkloos worden. Dat betekent dat er de komende jaren honderdduizenden extra bemiddelingstrajecten moeten worden gerealiseerd. De vraag naar diensten op het gebied van arbeidsbemiddeling zal nog fors toenemen, met alles wat daarbij hoort: scholing, training en het creëren van werkervaringsplaatsen.

Het kabinet is zich ervan bewust dat de sluitende aanpak alleen kans van slagen heeft als alle partijen eendrachtig samenwerken. Gemeenten, arbeidsvoorziening, uitzendbureaus en andere marktpartijen, werkgevers en werknemersorganisaties en de uitvoeringsinstellingen sociale verzekeringen in de sociale zekerheid. Ze zullen elkaar moeten zien te vinden.

En daarmee ben ik weer terug bij het begin van mijn verhaal: samen optrekken in het arbeidsmarktbeleid. Het unieke initiatief om dit congres te organiseren laat zien dat die bereidheid tot samenwerking wel degelijk bestaat. En wat mij betreft is deze bijeenkomst daarom een investering in de toekomst.

Ik wens u een goed congres.


- LET OP EMBARGO -

20 jan 99 14:30

Deel: ' Toespraak congres WIW minister de Vries van Sociale Zaken '




Lees ook